Amateurschilder Albertus Johannes van Ludolphi

2 augustus 2018 at 22:01

 
In de familie Ludolphi ‘wemelt’ het van de creatieve individuen. Van schrijvers tot glasmakers en ‘ververs’. Bij velen moeten we het doen met de vermeldingen in registraties of akten. Toch zijn er van de schrijvers nog gepubliceerde boeken te vinden op het internet of in de Universiteitsbibliotheek van Groningen. Van de schilders in de familie is er heel wat minder bekend, met uitzondering van Albertus Johannes van Ludolphi.

 

Geboorteakte Albertus Johannes van Ludolphi

Geboorteakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Albertus Johannes werd op 9 april 1812 geboren in het Groningse Appingedam als zoon van Jan Watzes van Ludolphi en zijn eerste vrouw Martjen Jans Kokmeijer, ook wel Niewold. Vader Jan, afkomstig van het Bolwerk bij Appingedam, was ‘verver’ en ‘glazemaker’.
Blijkbaar koos Albertus Johannes al vroeg voor het kunstenaarsleven, want hij was van 1827 tot aan zijn overlijden werkzaam als schilder in Appingedam. Zijn onderwerpen bestonden uit figuurvoorstellingen, interieurs en kaars- of lamplichtstukken.

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst in het Lokaal van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Op dat moment was hij woonachtig in het Drentse Smilde. Jaren geleden heb ik dit schilderij nog mogen aanschouwen, maar eerlijk gezegd kon het mij niet echt bekoren.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Amsterdam

Uit de Middelburgsche Courant van 13 juni 1844.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Amsterdam

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst te Amsterdam.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Amsterdam inhoud

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’.
Bron: RKD

 
Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde Albertus Johannes de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ ten huize van de Weduwe Bontekoe aan de Grote Markt te Groningen in 1845. Hij woonde toen weer in zijn oude woonplaats Appingedam.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Groningen

Uit de Leeuwarder Courant van 13 mei 1845.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Groningen

Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde hij de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ te Groningen in 1945.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Groningen i

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderijen ‘Een barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’.
Bron: RKD

 
Op 54-jarige leeftijd besloot Albertus Johannes om toch maar eens te trouwen. De bruid was Helena Nuwer, geboren te Appingedam op 23 maart 1820 als dochter van zadelmaker Lodewijk Nuwer en Anje Ogiers. Het huwelijk vond plaats te Appingedam op 22 november 1866.
Helena werkte als dienstmeid en kreeg op 22 september 1851 een zoon Lodewijk. Zijn vader is onbekend. Acht jaar later, op 27 maart 1860, zou zoon Lodewijk in Jukwerd komen te overlijden. Hij woonde op dat moment samen met zijn moeder in Appingedam.

 

Huwelijk Ludolphi-Nuwer

Huwelijksakte van Albertus Johannes van Ludolphi en Helena Nuwer.
Bron: AlleGroningers

 
Een jaar of drie geleden is het schilderij ‘Spekdikken eten’ van Albertus Johannes op een veilig onder de hamer gegaan. Het kunstwerkje was met olieverf op paneel aangebracht en had het formaat van 35 bij 27 centimeter. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar wat deze voor mij onbekende spekdik nou eigenlijk is. Het blijkt een soort kleine pannenkoek te zijn van roggemeel, eieren en stroop, die als lokale specialiteit onder meer in het Groninger Westerwolde en in het Oost-Friese Reiderland rond Nieuwjaar wordt gegeten. De spekdik wordt met een stukje vet spek en vaak enkele stukjes droge worst gebakken in een knijpijzer.

 

Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi

‘Spekdikken eten’ door Albertus Johannes van Ludolphi.


 
Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi (detail

Detail uit het schilderij ‘Spekdikken eten’.

 
Zoals gezegd bleef Albertus Johannes tot aan zijn overlijden schilderen. Hij overleed te Appingedam op 3 april 1883 op zeventigjarige leeftijd. Helena ging hem twee jaar eerder al voor. Zij overleed eveneens te Appingedam op 19 februari 1881, zevenenvijftig jaar oud.

 

Overlijden Albertus Johannes van Ludolphi

Overlijdensakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Tekst: © Uit de oude Koekstrommel
Bronnen: Wikipedia en RKD
 
 

Zoekakten gestopt

15 juli 2018 at 16:15

 
Het zal u niet ontgaan zijn dat de website zoekakten.nl is gestopt. In het verleden is daar vaker sprake van geweest, hetgeen uiteindelijk toch leidde tot een doorstart. De toekomst zal uitwijzen of dit inderdaad het definitieve einde van de website is of dat er mogelijk op een andere manier een oplossing gevonden gaat worden voor het voortbestaan.

 

zoekakten

Zoekakten is gestopt.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Op de website Uit de oude Koektrommel wordt er onder andere in het onderdeel ‘Genealogische bronnen’ wel ‘doorgelinkt’ naar een register in FamilySearch via Zoekakten. Vooralsnog zal daar niets aan veranderen. Bij controle is gebleken dat u, door gebruik te maken van een dergelijke link, nog steeds bij het betreffende register uitkomt.

Via Internet Archive Wayback Machine kunt u de website Zoekakten, bijgewerkt tot 24 februari 2018, nog terugvinden. Helaas functioneert deze verre van optimaal. Er bestaan bovendien uitstekende alternatieven voor het vinden van scans van een kerkregistratie of een akte uit de Burgerlijke Stand. Algemene zoeksites zijn: FamilySearch (gratis account nodig), Open Archieven (hier zijn bij huwelijken tevens de links naar de huwelijksbijlagen te vinden), Wie Was Wie, Archieven.nl, GenVer2, VPND, Geneaknowhow en Genealogiewerkbalk FS. Daarnaast kunt u zoeken via de Nederlandse archiefdiensten met een online databank. Zie hiervoor: Archieven Nederland.
Een andere mogelijkheid is het gebruik van de (onveilige) website GenVer, de ‘voorloper’ van Zoekakten. Daarbij dient opgemerkt te worden dat GenVer niet wordt onderhouden en de geruchten gaan dat de site malware en/of virussen zou bevatten. Echter, via diverse analyse-sites heb ik geen vermelding aangetroffen betreffende daadwerkelijk gevonden malware en/of virussen. Indien u gebruik maakt van antivirus software en niet gaat downloaden vanaf deze site, zal er mijns inziens weinig gebeuren. De keuze is aan u.

Uiteraard kunt u, zij het wellicht iets omslachtiger, de nodige registers terugvinden via de toegangen voor Nederland in FamilySearch. De toegangen voor de Nederlandse provincies betreffende de periode van de Burgerlijke Stand (waaronder de huwelijksbijlagen) zijn te vinden via:

Friesland
Groningen
Drenthe
Overijssel
Gelderland
Utrecht
Noord-Holland
Zuid-Holland
Zeeland
Noord-Brabant
Limburg
 
De toegangen voor de Belgische provincies betreffende de periode van de Burgerlijke Stand zijn te vinden via:

Antwerpen
Brabant (Vlaams en Waals)
Brussel Stad
Henegouwen
Limburg
Luik
Luxemburg
Namen
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen

Zie ook: België.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Erkenning en wettiging

26 juni 2018 at 10:55

 
Erkenning en wettiging

Alhoewel de termen ‘erkenning’ en ‘wettiging’ dikwijls door elkaar gebruikt worden, zit hier toch wel een verschil tussen. Erkennen betekent eigenlijk niets meer dan ‘aanvaarden’; een burgerlijke betrekking tussen het kind en de ouder(s). Het erkennen kon, benevens het onderstaande, door alle authentieke akten geschieden. Een kind verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ kon niet worden erkend.

Als onwettig kind gold in beginsel elk kind dat niet tijdens een wettig huwelijk of binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk, door overlijden van de echtgenoot of door echtscheiding, was geboren. (Zie ook: Onwettig kind)
 
 
Erkenning door de moeder

Aangezien een geboorte binnen drie na de bevalling bij de Burgerlijke Stand aangegeven diende te worden, was deze taak niet voor de kersverse moeder weggelegd. Indien het de aangifte van een onwettig kind betrof, werd dit meestal gedaan door derden, bijvoorbeeld de vroedvrouw of getuigen, die bij de bevalling aanwezig waren geweest of in wiens huis de bevalling had plaatsgevonden. In dat geval kreeg het kind de familienaam van de moeder, maar was door haar niet erkend.
Om het kind alsnog te erkennen kon de moeder dit bij een opvolgend huwelijk doen of via de arrondissementsrechtbank. Dit laatste gebeurde nog weleens vlak voor het huwelijk van het kind. U vindt de vermelding van een dergelijke erkenning als kanttekening in de geboorteakte van het kind. Erkende de moeder het kind niet, dan werd het kind voor de wet niet als wettig erfgenaam gezien.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar

De geboorteakte van Albertus Cornelis Enklaar, aangegeven door de vroedvrouw. Aangezien hij in onecht is geboren kreeg hij de familienaam van zijn moeder Johanna van den Oosterkamp. Bij het huwelijk van zijn ouders is hij erkend en gewettigd.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Erkenning door de vader

Werd de geboorte van een in onecht geboren kind door de vader aangegeven of door zijn bij authentieke akte aangestelde gemachtigde, dan was het kind erkend, maar nog niet gewettigd. Aangezien de naam van de moeder, die overigens met de erkenning door de vader in moest stemmen, in de akte vermeld diende te worden, was het kind hierdoor wettelijk door beiden erkend. Het kind kreeg al wel direct de familienaam van de vader, maar had hier zeker niet dezelfde juridische rechten door als een wettig kind. Door het erkennen van het kind aanvaarde de vader de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind.

 
Wettiging door huwelijk

Bij een opvolgend huwelijk van de ongehuwde moeder, bestond er de mogelijkheid om het kind door de ouders te laten wettigen. Dit kon alleen gebeuren met wederzijdse toestemming van de partners en indien het kind vóór het aangaan van dit huwelijk wettelijk was erkend of wanneer deze erkenning plaats had bij de akte van voltrekking.
Het kind, of soms betrof het meerdere onechte kinderen, kreeg vanaf dat moment formeel de familienaam van de wettelijke vader en dezelfde rechten als een wettig kind, zoals het aanspraak maken op de erfenis. De naamsverandering en de vermelding van de wettiging met de datum van de huwelijksvoltrekking vindt u terug als kanttekening in de geboorteakte. Tevens vindt u hiervan de vermelding in de huwelijksakte van de ouders.

Echter, er kan niet de conclusie getrokken worden dat de gewettigde vader ook daadwerkelijk de natuurlijke vader van het kind was. Het betekende niets meer dan dat de gewettigde vader het vaderschap voor zijn rekening nam. Hoe meer tijd er lag tussen de geboorte en het huwelijk met wettiging, des te groter de kans dat de echtgenoot niet de natuurlijke vader was.

Wettiging van een onecht kind ná het huwelijk van de moeder was alleen nog mogelijk met een door de koning verleende brief van wettiging. Kinderen verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ konden niet worden gewettigd.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar erkenning en wettiging

De vermelding van de erkenning en wettiging bij opvolgend huwelijk van zijn ouders in de geboorteakte van Albertus Cornelis van den Oosterkamp. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: Utrechts Archief

 

Deel 2 erkenning

De vermelding van erkenning en wettiging van Albertus Cornelis in de huwelijksakte van zijn ouders.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Brieven van wettiging

De brieven van wettiging gaan terug op het oude afstammingsrecht. Wanneer uit feiten en omstandigheden was gebleken dat een man serieuze huwelijksplannen had, maar dit huwelijk door zijn onverhoeds overlijden niet plaats heeft kunnen vinden, kon de dan ongehuwde moeder bij de koning een verzoek indienen voor een brief van wettiging. Met dit document werd een onwettig kind alsnog gewettigd als kind van de moeder en de overleden vader, met alle rechten van dien.
Dit was tevens mogelijk indien de ouders vóór of bij het aangaan van het huwelijk hadden verzuimd hun onwettige kinderen te erkennen.

Het Burgerlijk Wetboek uit 1836 zegt hierover in het Eerste Boek: Van personen: Dertiende titel: Tweede afdeeling: Van de wettiging van natuurlijke kinderen:

Artikel 329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen, kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend.

Artikel 330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende kinderen, uit ouders geboren, die uit hoofde van overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand brengen.

Artikel 331. In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advies uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hooren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt.

Artikel 332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren.

Artikel 333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den Koning zijn verleend: zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd.

Artikel 334. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die nakomelingen strekt.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Onwettig kind

26 juni 2018 at 10:53

 
Onwettig kind

Als onwettig kind gold in beginsel elk kind dat niet tijdens een wettig huwelijk of binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk, door overlijden van de echtgenoot of door echtscheiding, was geboren.

Door de eeuwen heen zijn er heel wat ‘onwettige’ kinderen ter wereld gekomen. Het kon natuurlijk zo zijn dat de ouders (nog) niet waren getrouwd en er dus sprake was van een onwettige relatie. Vaak valt er uit de vernoeming van het kind wel het één en ander op te maken. Het is geen wet van Meden en Perzen, maar een buitenechtelijk kind kreeg doorgaans de naam van de betreffende grootouder van moederskant, terwijl In het geval van een onwettige relatie een zoon de naam van zijn natuurlijke vader kreeg. Was een huwelijk na de geboorte vrijwel zeker dan werden de traditionele vernoemingsgebruiken gevolgd. (Zie ook: Vernoemingen)

Er waren ook minder wenselijke omstandigheden, waaruit een kind voortkwam. Niet zelden werd het kind verwekt door een ter plaatse gelegerde militair, verkrachting, prostitutie, een buitenechtelijke relatie of door het ten prooi vallen aan de seksuele uitbuiting van een broodheer of zijn familielid. Dit laatste zien we regelmatig terug bij dienstmeisjes.

Soms lag het zeker niet aan de welwillendheid van de ouders om te trouwen, maar kon er vooralsnog geen toestemming worden verkregen voor een huwelijk, zoals in het geval van het (latere) echtpaar Hendrik Smitz en Anna Boekhoven. In de doopregistratie van hun oudste kind Christiaan wordt vermeld:

‘Een kind van Anna Boekhoven, waarvan vader is Hendrik Smitz, zijnde het huwelijk tusschen hen beijde geweerd geworden volgens het plaecaat der ongelijke huwelijken dewijl de bovengaande H. Smitz Roomsch en Anna Boekhoeven onmondig is.’

De doopinschrijving van het tweede kind Jannigje luidt:

‘Een kind gedoopt van Anna Boekhoven waer van vader is Hendrik Smitz, blijvende het huwelijk tusschen hen beijde vooralsnog geweerd volgens placaat der ongelijke huwelijken dewijl Anna Boekhoven nog minderjarig en Hendrik Smitz van den Roomsche religie wel reets in de gronden van den Hervormde Godsdienst onderwesen word, maer tot lidmaat der Hervormde Kerke nog niet is aangenomen.’

Uiteindelijk kon het huwelijk twee jaar later wel worden voltrokken:

‘Hendrik Smits J.M. van Ree in t Munsterland en Johanna Boekhoven J.D. van Berg Ambagt beijde woonende alhier zijn bij ons naar blijk van wederzijdse voldoening aan ’s lands trouwrecht in wettigen ondertrouw aangetekend op den 16 Maart en hebben hunne eerste huwelijkse voorstelling op den 18. hun twede op den 25 Maart hun derde op den 1 Aprill en zijn ten zelfde dage in den huwelijken staet bevestigd.’
 
 
In dolore partus

Om te voorkomen dat een onwettig kind ten laste van de armenzorg kwam, was het de plicht van de vroedvrouw om tijdens de barensweeën, oftewel ‘in dolore partus’, de naam van de verwekker te ontfutselen. Op deze manier hoopte men de (vermeende) vader aan te kunnen spreken op zijn financiële verplichtingen. Als de toekomstige moeder weigerde de naam te noemen, dan schroomde de vroedvrouw niet te dreigen met het weigeren van verdere hulp tijdens de bevalling.
Na de bevalling legde de vroedvrouw soms een verklaring af bij de notaris, waarvan een attest werd opgemaakt.

In het Rooms-Katholieke doopregister zien we zo’n ontfutselde naam nog wel eens terug met de vermelding ‘in dolore partus’; het kind wordt vermeld als ‘illegitimus’ respectievelijk ‘illegitima’. In het Nederduits-Gereformeerde doopregister wordt de naam van de vader doorgaans vermeld ‘naar zeggen’ van de moeder en krijgt het kind de mededeling ‘onwettig’ of ‘onecht’ te zijn.

 

In dolore partus

De vermelding ‘in dolore partus’ in het Rooms-Katholieke doopregister van Beek en Donk.
Bron: zoekakten.nl

 

Doop onwettig kind (2)

Baptus e Joannes fil. bastardus seu spurius Margareta Maese nominavit in partu patrem Antonium Lenders coram Gertrude van Berlo obstetrice ex Gemerta et Maria Petri van Baakel Susc. Thomas Maese et Joanna Thoma Maese.
Gedoopt is Joannes, onechte zoon, anders gezegd onwettige zoon van Margareta Maese, (zij) heeft tijdens de bevalling als vader genoemd Antonius Lenders in het bijzijn van Gertrude van Berlo, vroedvrouw (afkomstig) van Gemert en Maria Petrus van Baakel. Getuigen Thomas Maese en Joanna Thoma Maese.
Bron: zoekakten.nl

 

Doop onwettig kind

Erkenning door de vader in het Nederduits-Gereformeerde doopregister van Ede.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Strafbaar

Na een relatieve acceptatie van ongehuwd moederschap kwam daar in de tweede helft van de zeventiende eeuw, mede vanwege de financiële belangen van de overheid en onder invloed van de kerk, verandering in. Alle voor- en buitenechtelijke seksuele contacten werden strafbaar en onder het misdrijf ‘vleselijke conversatie’ geschaard. Daar konden straffen op staan als openbare geseling, pronkstelling op het schavot of jarenlange verbanning.
Daarbij gold in het algemeen dat de straffen voor vrouwen, die de naam van een verwekker hadden genoemd, lager uitvielen dan die van vrouwen, die hun mond hielden over de identiteit van de verwekker. Mannen bleven wat makkelijker buiten schot. Hun deelname aan de vleselijke conversatie was ‘niet zichtbaar’. Bovendien wisten sommigen van hen de dans te ontspringen door de klassenjustitie.
 
 
Vaderschapsactie

Tot de Napoleontische tijd was het vrij gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een gerechtelijk onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen, ook wel ‘vaderschapsactie’ genoemd. Dit had naast financiële zeker ook maatschappelijke consequenties voor de verwekker: immers, eventuele misstappen werden zo openbaar. Daarnaast zorgde een financiële ondersteuning tevens voor eerherstel van de ongehuwde moeder.

Ten tijde van Napoleon kwam hier verandering in en werd het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Het zorgde er in ieder geval voor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterbleef en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind was dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader.

Het Burgerlijk Wetboek uit 1836 zegt hierover in het Eerste boek: Van personen. Dertiende titel: Van het vaderschap en de afstamming der kinderen. Derde afdeeling.

Artikel 342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden. In geval echter van verkrachting of schaking, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige, op de daartoe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn.
Artikel 343. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.
In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.
Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan.

Pas in de twintigste eeuw zou, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

In de praktijk kwam het er toch op neer, dat de meeste vrouwen uiteindelijk geheel werden belast met de zorg voor hun onwettige kind(eren). Zeker door de armoede, met name in de grote steden, als gevolg van de economische neergang, waren velen van hen niet (meer) in staat de zorg voor het kind op zich te nemen. Ten einde raad werd er wel een uitvlucht gezocht in een drastische wanhoopsdaad als abortus, het te vondeling leggen van het kind of zelfs kindermoord.
 
 
Burgerlijke Stand

Vóór de invoering van de Burgerlijke Stand hoefde een onwettig kind niet erkend te worden om bijvoorbeeld aanspraak te kunnen maken op een nalatenschap. Met de invoering van de nieuwe Franse wetgeving diende een kind om deze reden door zowel de vader als de moeder erkend en gewettigd te worden.

Een kind geboren in onecht kon onder meer erkend worden bij de geboorteaangifte door de natuurlijke vader of door zijn bij authentieke akte aangestelde gemachtigde. Daarnaast kon een wettiging plaatsvinden middels een door de koning verstrekte brief van wettiging of bij een opvolgend huwelijk van de moeder. Echter, in dit laatste geval kan er niet de conclusie getrokken worden dat de gewettigde vader ook daadwerkelijk de natuurlijke vader van het kind is. Het betekende niets meer dan dat de gewettigde vader het vaderschap voor zijn rekening nam. Hoe meer tijd er lag tussen de geboorte en het huwelijk met wettiging, des te groter de kans dat de echtgenoot niet de natuurlijke vader was.
Een kind verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ kon niet worden erkend of gewettigd. (Zie ook: Erkenning en wettiging)

 

Geboorteakte A.C. Enklaar erkenning en wettiging

De vermelding van de erkenning en wettiging bij het huwelijk van zijn ouders in de geboorteakte van Albertus Cornelis van den Oosterkamp. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Archieven en registers

Om achter de identiteit van een potentiële natuurlijke vader te komen zal moeilijk zijn, maar met een beetje geluk zeker niet onmogelijk. Via de volgende archieven en registers zou u mogelijk een aanwijzing kunnen vinden.

• In de kerkelijke registraties kan bij een doop de naam van de (vermoedelijke) vader worden genoemd. Een aanknopingspunt kunt u wellicht ook vinden in de notulen van de Hervormde kerkenraad. Hierin wordt nogal eens uitvoerig de handel en wandel beschreven van een lidmaat. Bij slecht gedrag mocht men niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal.
• Uit bevolkingsregisters kan de samenstelling van een huishouden worden opgemaakt. Dit levert wellicht de naam van een mogelijke kandidaat op.
• In een notarieel archief kunt u eventueel protocollen vinden met attestaties van getuigenverklaringen van personen, die bij de bevalling aanwezig zijn geweest of ‘met zekerheid weten’ wie wel of juist niet de mogelijke vader kan zijn geweest.
• Uit geboorteakten in de Burgerlijke Stand kunt u veel informatie halen. Ook al wordt een vader niet expliciet genoemd, dan kan de naam van een aangever, in wiens huis de bevalling heeft plaatsgevonden of die bij de bevalling aanwezig is geweest, een aanwijzing opleveren. Zeker in combinatie met de vernoeming van het kind. (Zie ook; Vernoemingen)
Is er sprake van een opvolgend huwelijk van de moeder met wettiging van een kind, dan is deze vermelding als kanttekening in de geboorteakte te vinden, evenals in de huwelijksakte van de ouders.
• Verklaringen in de documentatie van de Arrondissementsrechtbank behorende bij een echtscheiding, in het bijzonder op grond van overspel of kwaadwillige verlating, kunnen een naam van een mogelijke vader opleveren. Deze documentatie is veelal via internet te vinden. Zie daarvoor BS: Echtscheiding via de link Wegwijs in Genealogie.

 

Getuigenverklaring

Gedeelte uit een getuigenverklaring, afgelegd bij notaris Pieter van den Bergh op 4 oktober 1706 te Amsterdam, waarin de vroedvrouw en een getuige verklaren dat de ongehuwde moeder Maria van der Hoef diverse malen aan hun als vader van haar dochtertje ene Jacobus heeft genoemd.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Doop onder conditie

13 juni 2018 at 21:52

 
Al bladerende door de Katholieke doopregisters kunt u de vermelding ‘op conditie’, ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’ tegenkomen. Letterlijk betekent dit ‘onder voorwaarde’. Bij een dergelijke vermelding kunt u ervan uitgaan dat er tijdens of vlak na de geboorte van de gedoopte een ‘nooddoop’ heeft plaatsgevonden door veelal de vroedvrouw.

 

Doop sub conditione

19 Octobris (1657) baptizata est sub conditione (erat enim ob periculum baptizata ab obstetrice Adriana Petri Ooms)…; Op 19 oktober (1657) is onder voorwaarde gedoopt (was namelijk vanwege (stervens)gevaar gedoopt door vroedvrouw Adriana Petrus Ooms)…
Bron: zoekakten.nl


 
 
Voorgeborchte

Kinderen, die tijdens de geboorte of voor de kerkelijke doop kwamen te overlijden, zouden volgens de theorie van Paus Gregorius I uit 593, overigens geen officiële leer van de Katholieke Kerk, nog steeds belast zijn met de erfzonde, waardoor opname in de hemel uitgesloten was. Zij gingen echter ook niet naar de hel of het vagevuur aangezien zij nog geen zonden hadden begaan, maar kwamen terecht in het ‘voorgeborchte’ of ‘limbus puerorum’, een ‘wachtkamer van de hemel’, alwaar hen het eeuwige geluk wachtte tot de Dag des Oordeels, echter zonder de directe aanschouwing van God.

Deze ongedoopte kinderen werden anoniem, een naam werd immers pas bij het doopsel gegeven, en zonder enig ceremonieel in ongewijde grond begraven tussen zondaars als heidenen, criminelen en zelfmoordenaars. Dit kon zelfs ’s avonds of ’s nachts ‘stil’ en zonder de aanwezigheid van de ouders plaatsvinden.

Op 21 april 2007 heeft Paus Benedictus XVI officieel het voorgeborchte voor ongedoopte overleden kinderen achterhaald verklaard. De barmhartigheid van God wordt aangenomen zó groot te zijn dat hij al diegenen, die rechtvaardig geleefd hebben of buiten hun schuld om niet gedoopt zijn, in de hemel toelaat.
 
 
Nooddoop

Het was dus zaak voor Katholieken om een kind zo snel mogelijk, het liefst dezelfde dag nog maar zeker binnen drie dagen, te laten dopen, zodat bij onverhoopt overlijden het kind verlost zou zijn van de erfzonde.

Om deze reden konden vroedvrouwen of ouders, bij afwezigheid van een priester, zelf het doopsel toedienen tijdens een bevalling, waarbij het leven van het kind in acuut gevaar was. In dergelijke omstandigheden kon eigenlijk iedereen een nooddoop uitvoeren, mits men zich hield aan de strikte doopregels die door de Katholieke Kerk waren opgelegd. Bij voorkeur werd de nooddoop overgelaten aan een Katholiek, maar ook een niet-gedoopte of zelfs ongelovige persoon kwam in aanmerking. Toch zal het in de meeste gevallen de vroedvrouw zijn geweest, die deze taak vervulde.
 
 
Doop ‘in utero’

Een doopsel kon alleen geldig zijn door het uitspreken van de voorgeschreven bewoordingen en het besprenkelen met doopwater van het lichaam en met voorkeur het hoofdje. In noodgevallen, wanneer er de angst bestond dat het kind de tocht door het geboortekanaal niet zou overleven, werd het kind gedoopt terwijl het zich nog in de baarmoeder bevond, oftewel gedoopt ‘in utero’. Hiervoor gebruikte men een doopspuit gevuld met wijwater.
 
 
Doop ‘sub conditione’

Een kind kon niet twee maal gedoopt worden. In het geval dat er werd getwijfeld aan de geldigheid of volledigheid van de toegediende nooddoop stond de Katholieke Kerk het toe ‘voor de zekerheid’ het doopsel ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’, oftewel ‘onder voorwaarde’ door een priester te laten verrichten. Hierbij werd het kind gedoopt onder de voorwaarde: ‘Si non es baptizatus, ego te baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti.’, ‘Als je niet gedoopt bent, doop ik je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’
Dit doopsel kon, in aanwezigheid van doopgetuigen, plaatsvinden in het ouderlijk huis (in domo parentum), in de kerk (in ecclesia) of met een plechtigheid (cum caeremoniis).

Niet alleen in de Katholieke Kerk kende men de doop onder conditie, maar ook in de Orthodoxe Kerken, de Oriëntaals-Orthodoxe Kerk en de Assyrische Kerk van het Oosten, waar de wijze van doopbediening in hoofdzaak overeenstemt.

 

Doop op conditie

Joannes Hendricks werd op 29 september 1738 te Schaijk ‘op conditie’ gedoopt. Met Joannes kwam het helemaal goed: hij overleed op 26 augustus 1837 te Schaijk op 88-jarige leeftijd.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: o.a. DBNL, Heemkunde Vlaanderen, De Baets, Wikipedia Voorgeborchte, Katholiek.nl en Brugse Verenigingen
 
 

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

24 mei 2018 at 11:33

 
Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

Vanaf 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing; een uitwerking van de General Data Protection Regulation (GDPR). Dat betekent dat er vanaf die datum dezelfde privacywetgeving geldt in de gehele Europese Unie. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) komt daarmee te vervallen.

De fundamentele principes uit de AVG zijn hetzelfde als uit de Wbp, echter in de AVG wordt de behoorlijke en zorgvuldige omgang met persoonsgegevens aangescherpt. Zo dient een webbeheerder onder meer zorg te dragen voor een goede bescherming van persoonsgegevens en wordt u als bezoeker en/of gebruiker van een website voortaan expliciet om uw toestemming gevraagd deze vertrouwelijke informatie voor een bepaald doel te verstrekken.
 
 
Bezoeken en/of gebruiken van deze website

In het kader van de AVG zijn er enkele veranderingen toegepast op het bezoeken en/of gebruiken van de website Uit de oude Koektrommel, alsmede op het bezoeken en/of gebruiken van het onderdeel uitmakende van en aan de website Uit de oude Koektrommel gekoppelde stamboomprogramma. De gewijzigde privacyverklaring kunt u terugvinden in de disclaimer van deze website.
 
 

Scheepssoldijboeken VOC

19 mei 2018 at 17:23

 
Scheepssoldijboeken

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) hield in scheepssoldijboeken de personeelsadministratie bij volgens vastgestelde regels. Voor elk VOC-schip, dat tussen 1700 en 1795 afvoer, werd een lijst van opvarenden opgesteld. De opvarenden waren in dienst van één van de zes Kamers van de VOC, gevestigd in Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen.
Elk schip had dus zijn eigen soldijboek en voor ieder betaald bemanningslid was een dubbele pagina gereserveerd. Daarop staan onder meer de persoonsgegevens, naam, plaats van herkomst, datum en plaats van vertrek en aankomst, wanneer hij uit dienst ging en met welke reden, de hoogte van het soldij, hoeveel daarvan als voorschot was betaald en met welk familielid eventuele schulden en tegoeden konden worden verrekend.
De scheepssoldijboeken werden in tweevoud opgemaakt; één exemplaar ging naar het soldijkantoor in Batavia, één exemplaar werd teruggezonden naar de Kamer van uitreding.

Alle opvarenden die aan boord gingen, werden eerst genoteerd in de monsterrol; de scheepsdocumenten die op elk zeeschip aanwezig dienden te zijn. Het waren bemanningslijsten met vermelding van naam, rang, gage, woonplaats en leeftijd, evenals de naam, het type en de grootte van het betreffende schip.
Vervolgens werden alle uitgaven aan boord ten laste van de rekening genoteerd in het journaal. Pas aan het einde van de reis werden alle gegevens ingeschreven in het scheepssoldijboek.

Elke betaalde opvarende had dus een eigen rekening met een nummer. Bovenaan de rekening staat dit nummer, de naam van het schip, de Kamer van uitreding en het jaar van vertrek vermeld. Behalve aan het einde van een scheepsreis, kon de rekening ook tussentijds worden gesloten bij overplaatsing, vermissing, overlijden of wanneer men in Kaap de Goede Hoop achter bleef.

 

Scheepssoldijboek

Scheepssoldijboek.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Debetzijde

Op de linker bladzijde, ook wel de debetzijde, staan de persoonsgegevens (naam, plaats van herkomst en rang of functie) en de uitgaven van de opvarende. In de meeste gevallen werd als eerste uitgavenpost de twee maandlonen genoteerd, die de opvarende als ‘gage op de hand’ had ontvangen bij indiensttreding.
Daarnaast werd vermeld of de werknemer een zogeheten maandbrief en/of schuldbrief had ondertekend. Overige onkosten werden meestal gemaakt voor de aanschaf van de scheepskist, uitrusting of voor goederen die uit de boedel van een overleden opvarende waren gekocht.

Als voorbeeld de debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman van Aalte(n), ziekentrooster, vertrokken op 21 september 1767 voor Kamer Amsterdam met het schip Woestduijn naar Batavia.
Er was geen maandbrief (niet vermaakt). Hij kreeg twee maanden gage op de hand, in totaal ƒ 48,-. Een schuldbrief van ƒ 300,- was er getekend ten bate van J. Debruijn. Verder waren er onkosten gemaakt voor de aanschaf van 1 ps (pees=stuks) kist voor ƒ 9,15 en 4 ps kelder voor ƒ 16,-. Een kelder is een in vakken verdeelde kist voor en met (vierkante) flessen drank, zodat deze staande bewaard en vervoerd konden worden.
Vervolgens is op 18 augustus 1769 een bedrag van ƒ 452,90 aan hem uitbetaald en is uit zijn tegoed de schuldbrief van ƒ 300,- voldaan aan J. Starink.

 

Debetzijde scheepssoldijboek

Debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Creditzijde

Op de rechter bladzijde, ook wel de creditzijde, staat het verdiende loon van de opvarende als tegoed geboekt. Het salaris op de uitreis werd uitbetaald als de opvarende bij Kaap de Goede Hoop van boord ging of als het schip aankwam op de plaats van bestemming. Gebruikelijk werden in Azië per jaar zes maandlonen uitbetaald.

Als voorbeeld de debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman. In Batavia is op 20 april 1768 zijn soldij vanaf de datum van vertrek als tegoed ingeboekt. Het is een bedrag van ƒ 168,-; 7 maandlonen van ƒ 24,-. Een bedrag van ƒ 205,15  ‘quaadt’ staat nog open. De terugreis wordt uitgevoerd in opdracht van Kamer Zeeland.
Tevens zien we het credit van ƒ 300,- van de ingediende schuldbrief vermeld staan en het opgebouwde loon van de terugreis, te weten ƒ 452,90, waaronder ƒ 300,- voor het ‘douceur’.

 

Creditzijde van de rekening van Gerrit Hopman.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Maandbrief

Er werd altijd vermeld of de opvarende wel of geen maandbrief had ondertekend. Dit is te zien aan de vermelding ‘wel vermaakt’ of ‘niet vermaakt’.
Had de opvarende een maandbrief ondertekend, dan had de VOC de verplichting om maximaal drie maandlonen per jaar uit zijn tegoed uit te betalen aan de echtgenote, de ouders of de kinderen als financiële ondersteuning. De maandbrief was op naam gesteld en in het bezit van de ontvanger van deze ondersteuning. De begunstigde staat vermeld in de rekening.

 

Maandbrief vermaakt

Soldaat Michiel Verkenst uit Leiden heeft aan zijn vrouw Anna Vermeulen drie maandlonen vermaakt.
Bron: Open Archieven


 
 
Schuldbrief

Een schuldbrief of transportbrief of -ceel, ook wel obligatie of ‘vaderlandse schuld’ genoemd, is een overdraagbare schuldbekentenis, die veelal door een opvarende ondertekend werd. Ook dit wordt vermeld op de debetzijde en door de VOC uit het tegoed van de opvarende uitbetaald. Tevens wordt vermeld of er sprake is van een eventuele (gedeeltelijke) terugbetaling.

Een werknemer van de VOC kon een schuldbrief ondertekenen tot maximaal ƒ 300,-, afhankelijk van het maandloon. Deze schuldbrief was vaak op naam gesteld, maar overdraagbaar en werd aan de toonder uitbetaald. Als het saldo ‘te quaadt (kwaad)’ was, oftewel een negatief saldo, werd de transportbrief, na de eventuele maandbrief, bij voorrang voldaan. De VOC betaalde in dat geval in Azië maar beperkt het loon uit.

Schuldbrieven werden vaak verleend aan ronselaars voor de VOC, ook wel ‘volkshouders’, ‘ceel- of zielverkopers’ of ‘zielkopers’ genoemd. Deze ronselaars verschaften dakloze vreemdelingen onderdak en voorzagen hen soms van een zeemansuitrusting. De ronselaar ontving hiervoor een schuldbrief, die werd voldaan door de VOC nadat de geronselde genoeg had verdiend om de schuld te kunnen betalen. Het bezit van een schuldbrief was echter risicovol, aangezien het aantal opvarenden dat tijdens de reis overleed aanzienlijk was. Om deze reden werden de schuldbrieven doorverkocht aan transportkopers of speculanten.
In 1786 werd dit systeem afgeschaft; de ronselaars kregen vanaf dat moment een premie van 55 of 60 gulden.

 

Schuldbrief

Vermelding van een schuld(brief).
Bron: Open Archieven


 
 
Absent

U kunt bij het zoeken naar een opvarende de vermelding ‘absent’ tegenkomen. In de meeste gevallen betreft het een opvarende, die de gage op de hand al had ontvangen, maar voor het afvaren niet is komen opdagen of absent of vermist is bij het afzeilen in Azië. Absent kon ook inhouden dat iemand niet meer geschikt was voor het werk of geplaatst was op een andere schip. Deze personen hebben geen rekening in het desbetreffende scheepssoldijboek.

 

Absent bij afvaart

Lijst met absenten voor het uitzeilen in Batavia van het schip Geertruijda voor Kamer Amsterdam in 1787.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Gerepatrieerd

In de transcripties van de databanken wordt gesproken over ‘gerepatrieerd’. Dit houdt in dat de opvarende is teruggekeerd naar Nederland en is afgemonsterd.
 
 
Kaap de Goede Hoop

Het was de VOC-schepen verplicht om zowel op de uit- als op de thuisreis bij Kaap de Goede Hoop aan te leggen. Het gebeurde met regelmaat dat opvarenden in Kaap de Goede Hoop het schip verlieten of daar opstapten om met een schip naar Nederland terug te keren of naar Azië te varen. Werknemers die op de Kaap in dienst werden genomen, kwamen vaak in dienst bij Kamer Amsterdam.
In het scheepssoldijboek van het betreffende schip staan enkel de financiële gegevens van deze reis. In het scheepssoldijboek van de oorspronkelijke afvaart is het negatieve en positieve saldo van die reis terug te vinden.

 

Opstappers

Jacobus Bakker voer met het schip de Batavier naar Kaap de Goede Hoop. Na negen maanden aan land vertoefd te hebben stapte hij op het schip de Vrijheijd naar Azië.
Bron: Nationaal Archief


 
Opstappers 1

Vermelding van de gesloten rekeningen van Jacobus Bakker in het scheepssoldijboek van het schip de Vrijheijd.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Databanken scheepssoldijboeken

Databanken met scans van de scheepssoldijboeken kunt u vinden via GaHetNa en Open Archieven (Personeelsadministratie). Tevens vindt u op GaHetNa een collectie met de scans van testamenten, verleden voor notarissen in de VOC-vestigingen in Indië over de periode 1675-1799.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (Ronselen), Ontdek Jouw Verhaal, VOC Site en GaHetNa
 
 

Joannes Bernardus Regter

2 april 2018 at 14:36

 
Joannes Bernardus Regter wordt op 22 oktober 1798 in Amsterdam geboren en een dag later in de Rooms Katholieke ‘Kerk Op Het Kuiperspad’ gedoopt. Dit is een schuilkerkje van de Sint-Willibrordusparochie in een oude turfschuur aan het Kuiperspad, de huidige Kuipersstraat, in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort.

 

Doopinschrijving Joannes Bernardus Regter

Doopinschrijving van Joannes Bernardus Regter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Als zoon van de uit het Duitse Bramsche afkomstige Herman Hendrik Richter en de Amsterdamse Maria Christina Scholten, dochter van Gerrit Scholten uit Denekamp en de Amsterdamse Elisabeth Beekman, groeit hij samen met zijn bijna twee jaar oudere broer Gerardus Joannes op aan het Hoedemakerspad naast de wasbleek buiten de Utrechtse Poort. Gerardus Joannes had nog een tweelingbroer Petrus Franciscus, die overleden is in de leeftijd van ruim een half jaar. Drie maanden na het overlijden van hun vader wordt er nog een broer Henricus Franciscus geboren, maar deze haalt nog net de twee maanden.

Het Hoedemakerspad, de huidige Van Ostadestraat in De Pijp, ligt vlakbij het Kuiperspad in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort en binnen de dijken van de Amstel en Schinkel. Dit gebied bestaat voornamelijk uit weilanden, warmoezerijen, turfwinningsplaatsen en buitenplaatsen van welgestelde Amsterdammers. De naam Hoedemakerspad, naar de hoedenmakers die hier in de zeventiende eeuw gevestigd waren, blijft tot 1883 bestaan. Bij Raadsbesluit van 20 maart 1883 wordt de naam gewijzigd in Hoedenmakersstraat en vervolgens bij Raadsbesluit van 14 december 1898 in Van Ostadestraat.

 

Hoedemakerspad

Herberg ‘De Steene Brug’ aan de Amsteldijk tussen het Kuiperspad en het Hoedemakerspad met in het midden de ingang naar het Hoedemakerspad (door Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland, ca. 1761/1762).
Bron: Rijksmuseum


 
 
Moeder Maria Christina hertrouwt op 18 juni 1802 als weduwe met de uit het Duitse Münster afkomstige Ferdinand Jansen. Het gezin blijft op het Hoedemakerspad wonen. Vanuit dit adres trouwt Joannes Bernardus, inmiddels hovenier van beroep, op 10 mei 1826 in Amsterdam met de eveneens ‘Roomse’ Maria Joanna Schouten, op dat moment wonende aan het Oetgenspad, dochter van de Blaricummer Tijmen Schouten en Margaretha Beums uit Xanten bij Kleef. Het Oetgenspad, de huidige Eerste Oosterparkstraat, loopt langs een aangelegde sloot vanaf de Amstel (Weesperzijde) de Overamstelse Polder in. De Overamstelse Polder, direct buiten de Muiderpoort, is ingericht met warmoezerijen en weide- en hooilanden met bijbehorende huizen en schuren.

 

Oetgenspad

(Het zuiden is boven.) Onderin, aan weerszijden van de sloot het Oetgenspad in de ‘Ban van Oetewael’ tussen de Oetewalerweg en de Amstel. Kaart uit 1676.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam


 
 
Joannes Bernardus en Maria Joanna vertrekken naar de Weesperzijde nummer 23. Daar wordt zoon Ferdinandus Thimotheus op 4 maart 1827 geboren. Het jaar daarop wordt dochter Johanna Margaretha geboren op 13 april aan de Weesperzijde nummer 73. Vijf dagen na haar geboorte overlijdt Maria Joanna op achtentwintigjarige leeftijd.

Op 15 mei 1831 hertrouwt Johannes Bernardus met Aaltje Beijer. Aaltje is geboren in Nieuwer-Amstel als dochter van Gijsbert Beijer, afkomstig uit Wilnis, en Wilhelmina van ’t Lam uit het Utrechtse Stokkelaarsbrug.
Het stel gaat wonen aan het Hoedemakerspad nummer 32. Op dit adres wordt op 28 oktober 1831 een tweeling geboren: Maria Wilhelmina en een half uurtje later Petrus Franciscus.
Amsterdam wordt ‘officieel’ ingeruild voor Nieuwer-Amstel. Het is niet helemaal duidelijk of er sprake is van een daadwerkelijke verhuizing of dat één en ander te maken heeft met een nieuwe vaststelling van de gemeentegrens, waardoor het woonadres binnen de iets noordelijker uitgelegde gemeentegrens van Nieuwer-Amstel valt.

 

Hogesluis naar de Buiten-Amstel

De Hogesluis naar de Buiten-Amstel, de Amsteldijk en de molens aan de Zaagmolensloot te Nieuwer-Amstel in de achttiende eeuw. Links het bolwerk Westerblokhuis met molen ‘De Groen’ en de Utrechtsepoort. Rechts de Weesperzijde.
Bron: Rijksmuseum


 
 
In Nieuwer-Amstel worden nog drie kinderen geboren. Op 28 april 1834 zoon Johannes Bernardus, die ruim twee jaar later op 21 juli 1836 overlijdt. Dan volgen op 9 februari 1836 een dochter Klara Engeliena en op 18 augustus 1838 een dochter Johanna Maria Geertruida. De geboorte van zijn laatste kind zal Johannes Bernardus niet meer meemaken. Hij overlijdt ruim een half jaar eerder op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan zinkenziekte als gevolg van zijn beroep als smid in de laatste jaren van zijn leven. Johannes Bernardus wordt vijf dagen later begraven op het Sint Anthonius Kerkhof in Amsterdam.
Zijn weduwe Aaltje zal niet meer hertrouwen. Zij overlijdt op 28 september 1876 in Nieuwer-Amstel, achtenzestig jaar oud.

 

Bidprentje Joannes Bernardus Regter

Bidprentje van Joannes Bernardus Regter.
Bron: CBG Bidprentjes


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Reliwiki, Cultureel Erfgoed, Wikipedia (Binnendijkse Buitenvelderse polder) en Wikipedia (Nieuwer-Amstel)
 
 

Caféhouder en slijter Johannes Bernardus Horning

10 maart 2018 at 14:42

 
Johannes Bernardus Horning wordt op 13 maart 1847 ’s avonds om elf uur geboren in de Amsterdamse Passeerdersstraat op nummer 60 als zoon van Anthonie Hendricus Horning en Jansje van den Berg. Het gezin heeft het zeker niet breed met de magere inkomsten van vader als sjouwer. Er moet in de winter 1855-1856 zelfs voor hulp aangeklopt worden bij de Huiszittenhuizen. Toch wordt al snel de ondersteuning ‘ingetrokken om hoge verdiensten’. Vader Anthonie Hendricus begint een steenzettersbedrijf.

 

Geboorteakte Johannes Bernardus Horning

Geboorteakte van Johannes Bernardus Horning.
Bron: zoekakten.nl


 
Inschrijving Huiszittenhuizen

Inschrijving in het register van de Huiszittenhuizen voor winterhulp.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na het overlijden van zijn moeder in 1859 ten gevolge van cholera (in het register van het Diaconieweeshuis wordt aangegeven aan de gevolgen van het kraambed), hertrouwt zijn vader met jonge Johanna Weber. Als zijn vader in 1868 komt te overlijden door een hartziekte worden zijn jongste broertje Hendricus Bernardus en zusje Aletta ondergebracht in het Diaconie Weeshuis. De dan vierentwintigjarige broer Anthonie Hendrikus wordt als voogd over deze kinderen benoemd. Deze broer zal het steenzettersbedrijf samen met W. Bouman op dezelfde voet doorzetten onder de Firma Bouwman & Comp. Acht jaar later besluit zijn broer geheel voor eigen rekening de ‘affaire’ over te nemen.

 

Algemeen Handelsblad, 10 juli 1868

Uit het Algemeen Handelsblad van 10 juli 1868.
Bron: delpher.nl


 
Registratie Commissieboek Diaconieweeshuis

Gedeelte van ‘Documenten des Boedels’ uit het commissieboek van het Diaconieweeshuis in Amsterdam, d.d. 27 augustus 1868.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overdracht, Algemeen Handelsblad, 3 februari 1876

Overdracht van het steenzettersbedrijf (Algemeen Handelsblad van 3 februari 1876).
Bron: delpher.nl

 
Johannes Bernardus vertrekt naar Den Helder, waar hij aan de slag gaat als stoker bij de Marine Dienst. Hij leert de uit Zierikzee afkomstige Christina Maria de Vries kennen. Het stel trouwt op 3 oktober 1872 in Den Helder. De zwangere Christina Maria is dan bijna twee jaar weduwe van Hendrik Christiaan Meijer, Eerste Zeilmaker bij de Marine, en neemt uit dit huwelijk drie kinderen mee.

Op 17 maart 1873 wordt in Den Helder een zoontje levenloos geboren. Johannes Bernardus is dan stoker op het Rijkshof. Eind 1876 wordt besloten om naar Amsterdam te verhuizen. Op het adres Weesperstraat 129 worden nog drie kinderen geboren. Allereerst een dochter Christina Baudina op 19 mei 1877, gevolgd door een dochter Johanna Alida op 21 mei 1879 en een zoon Johannes Bernardus op 18 februari 1881, die op ruim éénjarige leeftijd op 25 juni 1882 komt te overlijden door een longontsteking. Vader Johannes Bernardus is in deze periode smid van beroep en maakt in 1882 een ‘uitstapje’ als steenzetter. Waarschijnlijk zal dit in het bedrijf van zijn broer zijn geweest.

In 1885 wordt in de krant nog een advertentie door ‘hunne dankbare kinderen’ geplaatst voor het herdenken van het ‘12½-Jarige Echtvereenging hunne geliefde ouders’. Helaas zal dit huwelijk niet veel langer duren. Op 1 april 1886 wordt bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam het huwelijk ontbonden vanwege overspel door de gedaagde Christina Maria. Of dit daadwerkelijk de reden zal zijn geweest is moeilijk te bepalen, aangezien dit één van de vier gronden is waarvoor een huwelijk ontbonden kan worden.

 

Het nieuws van den dag, 20 maart 1885

Uit Het nieuws van den dag van 20 maart 1885.
Bron: delpher.nl

 
Christina Maria gaat niet bij de pakken neerzitten en besluit begin april 1886 op de Laurierstraat 84 in Amsterdam een ‘Café met biljart’ te openen. Toch loopt niet alles van een ‘leien dak’. Op 1 juni 1888 overlijdt het jongste dochtertje Johanna Alida op achtjarige leeftijd. Zij blijkt een lekkende hartklep te hebben en overlijdt aan hartfalen als gevolg van een ontsteking van de hartwand. Bovendien wordt Christina Maria op 9 maart 1893 opgenomen in het Binnengasthuis, alwaar zij negen dagen zal verblijven vanwege ‘insufficientia mitralis’, oftewel een lekkende hartklep net als haar dochtertje. Twee jaar later overlijdt zij op 10 juni 1895 in haar woning aan de Nieuwe Achtergracht 148 op tweeënvijftigjarige leeftijd. Officieel wordt de doodsoorzaak als ‘onbekend’ aangegeven, maar mogelijk zal dit te maken hebben gehad met haar hartziekte.

 

Cafe met Biljart

Christina Maria opent begin april 1886 haar ‘Café met Biljart’ (Het nieuws van den dag van 5 april 1886).
Bron: delpher.nl


 
Opname Binnengasthuis

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Opname Binnengasthuis vervolg

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na zijn echtscheiding hertrouwt Johannes Bernardus op 30 juni 1887 in Nieuwer-Amstel met de Amsterdamse Maria Susanne Hollemans, weduwe van tapper Frederik Johannes Nieber. Deze Frederik Johannes is overleden op het adres Nassaukade 350, waar sinds lange tijd een café is gevestigd. Het lijkt voor de hand liggend dat Johannes Bernardus door zijn huwelijk met de weduwe kennis heeft gemaakt met de drankenhandel en het café-wezen.

Wanneer Johannes Bernardus ‘in de sterke dranken’ gaat is niet bekend. Op 9 maart 1894 dient hij bij de gemeente Amsterdam in ieder geval een verzoekschrift in voor een vergunning tot verkoop van sterke dranken in het klein. Als adres wordt vermeld Nassaukade 350. Twee jaar later wenst hij via een krantenbericht aan alle vrienden en clientèle een gelukkig nieuwjaar. Afzender is J. B. Horning, Handel in Wijn, Cognac en Gedistilleerd, Nassaukade 350-hoek Van Lennepstraat. Begin 1897 zijn Johannes Bernardus en zijn echtgenote nog uitbaters van ‘Café Jacob van Lennep’ op bovengenoemd adres, maar later dat jaar wordt door een andere persoon op dat adres een vergunning tot sterke dranken in het klein aangevraagd.

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1896

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1896.
Bron: delpher.nl


 
Het nieuws van den dag, 1 januari 1897

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1897.
Bron: delpher.nl


 
Nassaukade 342-350

Nassaukade 342-350 met naar rechts de ingang naar de Jacob van Lennepstraat.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

 
Er wordt wat heen en weer verhuisd. Op 10 augustus 1892 vertrekt het gezin van Amsterdam naar Hilversum om zich twee jaar later op 11 mei 1894 opnieuw in Amsterdam te vestigen. Uiteindelijk vertrekt het gezin op 6 december 1897 definitief naar de Oude Torenstraat 6 in Hilversum.

Johannes Bernardus en zijn vrouw Maria Susanna beginnen in Hilversum ‘Café en Slijterij De Beurs’ aan de Bussummerstraat 49. Dat moet voor 1901 zijn geweest. Op 29 april 1901 gaat hij een commanditaire vennootschap op aandelen aan als enig beherend en aansprakelijk vennoot onder de firma ‘J.B. Horning & Co.’ voor een tijdvak van twintig jaar met de bedoeling ‘het exploiteren van een koffiehuis, slijterij en tapperij aan de Bussummerstraat 49 in Hilversum’.
Mogelijk is zijn stiefzoon Simon Hendrik Nieber dan al als stille vennoot betrokken bij de firma. Bij zijn huwelijk in 1906 met Margaretha Justina Kwint wordt als beroep caféhouder vermeld en is hij in Hilversum woonachtig. Drie jaar later zijn hij en zijn echtgenote de uitbaters van Café De Beurs.

 

Advertenties uit kranten

Diverse advertenties uit kranten in de periode 1901-1923.
Bron: delpher.nl
© Uit de oude Koektrommel

 
Na 1922 verdwijnt Café De Beurs uit beeld. Simon Hendrik Nieber en zijn vrouw beginnen in 1924 in de Leeuwenstraat 24 hoek Hertenstraat in Hilversum de ‘Amstel Bar’, die volgens de krant ‘met de mooiste van de hoofdstad kan wedijveren’. De Amstelbar valt echter nog steeds onder de firma J.B. Horning & Co. Helaas zal het doek drie jaar later vallen voor de ‘Amstel Bar’. Op 29 juni 1927 wordt door de Arrondissementsrechtbank in Utrecht het faillissement uitgesproken over S.H. Nieber, handelende onder de naam of firma J.B. Horning & Co., wonende te Nieuw Loosdrecht. Het faillissement wordt aangevraagd inzake geleverde goederen tot een bedrag van ongeveer 3500 gulden. Bij het verschijnen van de crediteurenlijsten in de De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927 is Simon Hendrik inmiddels al na een langdurige ziekte overleden.

 

De Gooi- en Eemlander, 10 mei 1924

Opening van de Amstel Bar; De Gooi- en Eemlander van 10 mei 1924.
Bron: delpher.nl


 
Leeuwenstraat

De Leeuwenstraat in de tijd van de Amstel Bar.
Bron: Eetcafé Samen


 
Nederlandsche Staatscourant, 5 juli 1927

Vermelding van het faillissement in de Nederlandsche Staatscourant van 5 juli 1927.
Bron: delpher.nl


 
De Gooi- en Eemlander, 29 september 1927

Opgave van crediteurenlijsten in De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927.
Bron: delpher.nl

 
Johannes Bernardus en Maria Susanna wonen in 1907 op de Dalweg 23 in Hilversum, waar zij op 18 juni 1914 op éénenzestigjarige leeftijd zal overlijden. Johannes Bernardus verhuist vervolgens naar Haarlem.
Na haar overlijden stapt Johannes Bernardus nog één maal in het huwelijksbootje en wel op 16 maart 1916 te Haarlem. De bruid is dit keer Zuster Carolina Maria Regter. In eerste instantie ging mijn gedachte uit naar een Katholieke Zuster, maar alles wijst erop dat ‘zuster’ gezien moet worden als ‘verpleegster’, alhoewel het één het andere natuurlijk niet uitsluit. Carolina Maria is de dochter van Petrus Franciscus Regter en Cornelia Maria Kaasenbrood. Johannes Bernardus is dan koopman van beroep en ingeschreven in Haarlem, maar binnen de laatste zes maanden voor zijn huwelijk woonachtig in Hilversum.

 

Algemeen Handelsblad, 16 maart 1916

Uit het Algemeen Handelsblad van 16 maart 1916.
Bron: delpher.nl

 
De uit Nieuwer-Amstel afkomstige Carolina Maria werkt als inwonend verpleegster in het Amsterdamse Binnengasthuis. Daarvoor is zij werkzaam in het Provinciaal Psychiatrisch Gesticht ‘Meerenberg’ in de gemeente Bloemendaal nabij Santpoort. Na haar ontslag, overigens niet wegens wangedrag, als verpleegster in het Binnengasthuis verhuist zij op 13 oktober 1898 van Amsterdam naar Hilversum, waar zij tot haar overlijden zal wonen.

Het leven van Johannes Bernardus lijkt in een rustiger vaarwater te zijn gekomen. En dat mag ook wel gezien zijn leeftijd. Hij overlijdt op 25 mei 1930 op drieëntachtigjarige leeftijd in zijn huis aan de Boschlaan 5 in Hilversum en wordt drie dagen later begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats.
Carolina Maria overlijdt veel later op 18 juli 1961. Zij woont dan op de Paulus van Loolaan 6 in Hilversum en heeft de respectabele leeftijd bereikt van negentig jaar. Drie dagen later wordt ze in Velsen gecremeerd.

 

Rouwadvertenties

Rouwadvertenties.
Bron: delpher.nl en CBG Familieberichten
© Uit de oude Koektrommel

 
Het ligt natuurlijk in de lijn der verwachting dat het ‘enige overgebleven’ kind van Johannes Bernardus, dochter Christina Baudina uit zijn eerste huwelijk, ook vroegtijdig zal zijn overleden. Het tegendeel is waar.
Christina Baudina vertrekt op 3 juni 1891 van Amsterdam naar Heerde. Vervolgens zien we haar terugkomen in het bevolkingsregister van Harlingen. Zij is in Harlingen geregistreerd op 19 mei 1899, komende vanuit Hilversum en modiste van beroep. Op 21 maart 1900 ruilt ze Harlingen in voor Amsterdam om vervolgens op 5 november van dat jaar terug te keren naar Hilversum aan de Herenstraat 3/25.
Ze leert de uit Apeldoorn afkomstige Adriaan Mattheus Kerkkamp kennen en het stel trouwt op 23 oktober 1903 in Hilversum. Haar man is dan leraar aan de Rijks H.B.S. in Amersfoort en oud-officier van de Artillerie K.N.I.L.

 

Bevolkingsregister Harlingen

Bevolkingsregister van Harlingen.
Bron: allefriezen.nl


 
Bevolkingsregister Harlingen vervolg

Bevolkingsregister van Harlingen, vervolg.
Bron: allefriezen.nl

 
Het echtpaar krijgt twee kinderen, beiden geboren in Amersfoort. Zoon Hendrik wordt op 7 oktober 1910 geboren en gaat in 1929 naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1932 komt hij terug naar het ouderlijk huis aan de Jacob Catslaan 29 in Amersfoort om op 14 juli 1934 te vertrekken naar het Engelse Shorne in Kent voor zijn beroep als sergeant bij de Infanterie K.N.I.L. Uiteindelijk overlijdt hij op 28 augustus 1943 in Birma als één van de vele slachtoffers van de Birmaspoorlijn (55 km.). Hij ligt begraven in Thanbyuzayat.
Dochter Geertruida Cornelia wordt geboren op 13 april 1915. Zij vertrekt op 29 april 1935 van Amersfoort naar de Utrechtse Nieuwegracht 137. Op dit adres is het Wilhelmina Kinderziekenhuis gevestigd. Volgens de vermeldingen van inkomende en vertrokken personen vestigt zij zich in december 1939, komende van Utrecht, in het ouderlijk huis aan de Immenbergweg 50 in Beekbergen om in april 1940 te vertrekken naar ’s-Gravenhage. Mogelijk gaat het om Zuster G.C. Kerkkamp, die tot 30 november 1949 voor de Vereniging Het Groene Kruis in Wierden werkt en in 1968 hoofd van de verpleging in Sanatorium Hoog-Hullen in Eelde is, het latere psychiatrisch ziekenhuis voor behandeling van verslavingszieken.

 

Bevolkingsregister Amersfoort

Gezinskaart uit het bevolkingsregister van Amersfoort.
Bron: Archief Eemland

 
Na zijn pensioenering verhuizen Adriaan Mattheus en Christina Baudina op 5 juli 1925 naar Apeldoorn om uiteindelijk op de Immenbergweg 50 in Beekbergen uit te komen. Hier overlijdt Adriaan Mattheus op 11 februari 1962 en wordt drie dagen later in Dieren gecremeerd. Christina Baudina overlijdt op 15 januari 1969 op éénennegentigjarige leeftijd in haar huis aan de Boslaan 2 in Norg en wordt in stilte gecremeerd.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Genealogie familie Bijvank

26 februari 2018 at 12:31

 

Stamreeks familie Bijvank

Stamreeks familie Bijvank
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Herman Bijvanck
Herman Bijvanck werd geboren te Haart, een buurtschap in de Achterhoekse gemeente Aalten en overleed voor 12 juni 1670. Hij trouwde met Hendersken. Verdere gegevens over zijn vrouw zijn onbekend.
Vier kinderen zijn mij bekend: Hendrick, Wilhem, Stijntjen en Jan.
 
Wilhem Bijvanck
Wilhem Bijvanck werd eveneens geboren te Haart en overleed voor 19 januari 1707. Volgens de huwelijksinschrijving van 29 augustus 1675 te Aalten trouwde hij op 16 september 1675 in het Duitse Wesel met Lijsbeth Muntel. Lijsbeth Muntel, dochter van Henricus Muntel, werd geboren in het Duitse Salzkotten bij Paderborn.
Het echtpaar kreeg in ieder geval vijf kinderen: Joost, Aeltjen, Hendersken, Herman en Hendrik.
 
Joost Bijvanck
Over Joost Bijvanck is weinig bekend. Hij werd geboren te Haart en zou te Aalten overleden zijn voor 1 oktober 1721. Joost trouwde met Hermken.
Zeven kinderen heb ik gevonden: Jantjen, Aeltjen, Frerik, Beernd, Beerndeken, Berent en Willem.
 
Frerik Bijvank
Tuinman Frerik Bijvank werd geboren te Haart en trouwde op 25 mei 1727 te Aalten met de 23-jarige Hermina te Hondarp. Hermina, dochter van Warner te Honderp en Marriie Merdinck, werd in het Gelderse Heurne geboren en op 13 oktober 1703 te Aalten gedoopt. Frerik was ‘bloetmomboir’ over de kinderen van zus Janna (Jantjen).
Het stel kreeg de volgende vijf kinderen: Joost, Wander, Jan Hendrik, Janna en Willemke.
 
Wander Bijvank
Wander, geboren te Haart en gedoopt op 18 augustus 1731 te Aalten, trad te Aalten in het huwelijk met Hendrika ter Maat. De huwelijksinschrijving dateert van 26 januari 1760. Hij overleed op 21 april 1801 te Aalten en werd twee dagen later begraven in dezelfde plaats.
Hendrika was de dochter van Willem ter Maat en Beerndeken Kempink. Zij werd geboren te Aalten en overleed aldaar op 20 april 1817. Volgens de overlijdensakte zou zijn 86 jaar zijn geworden.
Samen kregen zij acht kinderen: Frederik, Beerndeken, Willemina, Willem, Berend, Harmanus, Hermanus en Geertruid.
 
Hermanus Bijvank
Hermanus Bijvank werd te Aalten op 10 maart 1773 geboren en vier dagen later gedoopt. Hermanus was van beroep kleermaker. Hij trouwde te Charlois bij Rotterdam op 29 april 1799 met de op 3 september 1780 in Leerdam gedoopte Lijsbet Bogert, dochter van Cornelis Boogert en Teuntje van Kazant. Lijsbet overleed op 51-jarige leeftijd op 4 april 1832 te Schoonrewoerd. Hermanus overleed te Buurt Hoog in Oosterwijk bij Leerdam op 30 maart 1848, 75 jaar oud.
Hermanus en Lijsbet kregen tien kinderen: Wilhelmina, Cornelis, Hendrika, Teuntje, Geertrui, Maaike, Willem, Johanna Cornelia, Berendina en Berendina Gesina.
 
Willem Bijvank
Willem Bijvank, geboren te Schoonrewoerd in huis nummer 37 op 2 mei 1814, trouwde als arbeider op 19 mei 1843 te Ameide met Elizabeth de Bruin. Lijsje, zoals zij werd genoemd, werd te Ameide geboren op 14 februari 1822 in huis nummer 111, als dochter van Cornelis de Bruin en Ariaantje de Kruijk. Zij overleed in dezelfde plaats op 27 juni 1875, 53 jaar oud. Willem overleed op 68-jarige leeftijd tevens te Ameide op 20 oktober 1882.
Het echtpaar kreeg elf kinderen: Elisabeth, Cornelis, Hermanus, Hermanus, Elisabeth, Adrianus, twee levenloos geboren zoontjes, Geertrui, Hermanus en Hermanus.
 
Adrianus Bijvank
Stratenmaker Adrianus Bijvank werd te Ameide geboren op 5 juli 1854 en trouwde te Brielle op 13 juli 1901 met Emerentiana van der Linden, dochter van Maria van der Linden en een onbekende vader. Emerentiana werd op 9 mei 1872 te Brielle geboren en overleed op 62-jarige leeftijd te Ameide op 5 juli 1934. Adrianus zou 74 jaar oud worden en overleed tevens te Ameide op 25 april 1929.
Vier kinderen zijn bekend: Willem, Adrianus, Arie Cornelis en nog een levenloos geboren jongetje.
 
Arie Cornelis Bijvank
Arie Cornelis Bijvank, geboren op 4 december 1907 te Vianen, trouwde als stratenmaker op 19 augustus 1932 te Brandwijk met de weduwe Marrigje van Kleij. Marrigje werd als dochter van Pieter van Kleij en Pietertje van der Stelt te Brandwijk geboren op 19 oktober 1899. Zij trouwde op 24 oktober 1924 te Hardinxveld met de scheepstimmerman Jan Hendrikus Haeser, die op 12 september 1929 te Hardinxveld zou overlijden. Arie Cornelis overleed op 37-jarige leeftijd te Papendrecht op 20 maart 1945, mogelijk als gevolg van honger. Marrigje overleed, 92 jaar oud, te Dordrecht op 4 oktober 1992, na ruim 32 jaar verpleegd te zijn in Verpleeghuis Eureka.
Marrigje kreeg samen met Jan Hendrikus twee kinderen. Met Arie Cornelis kreeg zij vijf kinderen.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.