Gerrit Hopman, ziekentrooster in dienst van de V.O.C.

15 januari 2018 at 22:52

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’
 
Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 
 
De rede van Texel

De rede van Texel, waar vandaan Gerrit Hopman voor zijn laatste reis vertrok
Bron: Texelhuis

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Gezellige feestdagen!

20 december 2017 at 15:34

 

Kerstkaart

© Uit de oude Koektrommel


 
 

Vondeling Betje Goedhart

12 december 2017 at 16:01

 
Betje Goedhart. Deze naam wordt gegeven aan het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelinghuis. Op 20 april 1840 om elf uur ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor het huis. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelinghuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 58 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelinghuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: zoekakten.nl

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas aan het eind van de negentiende eeuw zal de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Betje leert in ieder geval lezen en schrijven en wordt opgeleid tot dienstbode. Van 1860 tot 1862 is zij op diverse adressen in Amsterdam terug te vinden in het bevolkingsregister, maar verruilt op 16 januari 1862 Amsterdam voor Weesperkarspel. Als ‘officiële geboortedatum’ wordt 24 februari 1840 aangehouden, echter de geboorteplaats varieert van ‘onbekend’ tot ‘Amsterdam’.
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: zoekakten.nl

 
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Zoekakten, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Doodsbriefjes

13 november 2017 at 23:17

 
Geschiedenis

De overlijdensaangifte werd veelal gedaan door aangevers of familieleden van de overledene, die tevens een verklaring van de doodsoorzaak invulden. In sommige begraafregister uit de achttiende eeuw kan je, zij het sporadisch en afhankelijk van de gemeente, nog wel eens een vermelding van een doodsoorzaak tegenkomen. Geleidelijk aan groeide het besef bij geneeskundigen en instanties dat het toch van belang zou kunnen zijn om vast te stellen welke (vaak besmettelijke) ziekten het meest voorkwamen, welke met regelmaat terugkeerden en in welke maand en op welke leeftijd men het grootste risico liep te sterven, zodat men voorzorgsmaatregelen kon nemen.

Een eerste registratie van ziekten en doodsoorzaken was er in 1755 voor de gemeente ‘s-Gravenhage. In de periode tussen 1755 en 1773 werden daar sterftegegevens gepubliceerd, die ingedeeld waren naar éénenzeventig doodsoorzaken. Erg nauwkeurig waren deze registraties overigens niet. Andere plaatsen volgden, waaronder Amsterdam waar in 1773 op last van de burgemeesters werd begonnen met het noteren van de doodsoorzaken. De Amsterdamse lijsten waren vrij volledig aangezien daar sinds 1775 niemand zonder toestemmingsbriefje begraven mocht worden. Vanaf 1777 werd hier naast de doodsoorzaak tevens de leeftijd van de overledene vastgelegd.

Door de invoering van de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst en de Wet op het Geneeskundig Staatstoezicht in 1865 en definitief geregeld door de invoering van de Begraafwet in 1869 was de arts, die iemands dood vaststelde, verplicht een verklaring van overlijden op te maken. Daarin werd de doodsoorzaak opgetekend, de zogeheten ‘doodsbriefjes’. Bij afwezigheid van een behandelend arts was deze taak weggelegd voor een door de gemeente aangewezen lijkschouwer om op deze manier met name het begraven van schijndoden te voorkomen. Zonder deze verklaring mocht niet langer meer tot begraven overgegaan worden. Bovendien was de gemeente verplicht de gegevens over de doodsoorzaak, aangevuld met gegevens over geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en beroep, op te sturen naar de Inspectie van het Geneeskundig Staatstoezicht. Vanaf 1901 zijn de statistiek van de sterfte en van de doodsoorzaken door het Centraal Bureau voor de Statistiek samengesteld.

 

Overlijdensverklaring uit 1869

Doodsbriefje uit 1869 met vermelding van de primaire en secundaire oorzaak.
Bron: Archieven.nl

 

Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880

Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880, af te geven aan het ‘Bureau van den Burgerlijken Stand’ bij de aangifte van het overlijden.
Bron: zoekakten.nl

 
 
Overlijdensverklaringen A en B

Vanaf 1926 dienen er twee verklaringen te worden opgemaakt: het doodsbriefje of formulier A, ook wel A-verklaring en een doodsbriefje of formulier B, ook wel B-verklaring. Deze documenten zijn wettelijk vereist voor een doodverklaring.

Op de A-verklaring werd in eerste instantie de naam van de overledene aangegeven, de overlijdensdatum en de doodsoorzaak. Hierbij was het niet noodzakelijk om het tijdstip van overlijden te vermelden. Vanaf 1 april 1956 bevat het doodsbriefje A niet meer de exacte doodsoorzaak en valt daarmee ook niet onder het medisch beroepsgeheim.
Op de A-verklaring wordt iemand dus officieel doodverklaard. Deze verklaring kan worden afgegeven aan de nabestaanden, maar meestal wordt deze direct overgedragen aan de uitvaartondernemer om het overlijden aan te kunnen geven bij de Burgerlijke Stand. Vervolgens en pas dan wordt er een verlof tot begraving of cremeren afgegeven door de gemeente.

De B-verklaring is een uitgebreider document. Op deze verklaring wordt de doodsoorzaak van de overledene aangegeven en de omstandigheden die hebben geleid tot het overlijden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een natuurlijke dood, een niet-natuurlijke dood en doodgeboren. De B-verklaring valt wel onder het medisch beroepsgeheim. Om deze reden is in artikel 12a van de Wet op de Lijkbezorging bepaald dat de B-verklaring in een gesloten enveloppe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand moet worden verstrekt. Aan deze enveloppe is een strook bevestigd waarop de identiteit van de overledene staat vermeld. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand scheurt de strook af voor de gemeentelijke administratie. De enveloppe wordt ongeopend, en voorzien van het nummer van de overlijdensakte, opgestuurd naar de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daar worden de gegevens anoniem verwerkt ten behoeve van de statistiek.
 
 
Niet-natuurlijk overlijden

Als de schouwarts zeker weet dat er geen sprake is van of als hij twijfelt aan een natuurlijke oorzaak van het overlijden geeft deze geen verklaring van natuurlijk overlijden af en wordt dit overlijden aan de gemeentelijk lijkschouwer gemeld. Deze verricht vervolgens zelf een lijkschouw.

Een niet-natuurlijk dood is een overlijden als gevolg van een ongeval, misdrijf, zelfdoding of levensbeëindigend handelen. Wanneer een minderjarige is overleden, moet de gemeentelijke schouwarts altijd gewaarschuwd worden. Ook een doodgeboorte moet altijd apart worden aangegeven. In al deze gevallen mag alleen de gemeentelijke schouwarts de verklaringen invullen. Als ook deze twijfelt aan of niet overtuigd is van het natuurlijke karakter van het overlijden en geen verklaring van overlijden kan afgeven, brengt hij verslag uit aan de Officier van Justitie. De Officier van Justitie beoordeelt of het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd en als dit het geval is of een gerechtelijke sectie gelast moet worden.

Als de gemeentelijk schouwarts alsnog tot de conclusie komt dat er sprake is van een natuurlijk overlijden dan kan deze de A-verklaring en de B-verklaring invullen. Wordt de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een natuurlijk overlijden dan vult deze wel de B-verklaring in, maar niet de A-verklaring. In plaats daarvan worden twee zogeheten ‘Artikel 10-formulieren’ (genoemd naar artikel 10 van de Wet op de Lijkbezorging) ingevuld. Het ene formulier wordt in plaats van de A-verklaring gestuurd naar de Burgerlijke Stand; het andere formulier gaat naar de Officier van Justitie. Als de Burgerlijke Stand geen verklaring van overlijden maar een ‘Artikel 10-formulier’ ontvangt, wordt er niet eerder een verlof tot begraven of cremeren afgegeven voordat een brief van de Officier van Justitie is ontvangen met de daartoe verleende toestemming, zodra het lichaam van de overledene is vrijgegeven.

 

Gevonden verdronken persoon

Een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden: een verdronken manspersoon, gevonden op 12 februari 1787 in Amsterdam.
Bron: zoekakten.nl

 
 
Gedigitaliseerde archieven

Er bestond geen ‘bewaarplicht’ voor de doodsbriefjes. Dat houdt in dat veel doodbriefjes zijn vernietigd en dus niet meer bij het Gemeente- of Streekarchief te achterhalen zijn. Wilt u weten of overlijdensverklaringen in een bepaalde gemeente bewaard zijn gebleven, dan kunt u dit opzoeken in het desbetreffende archief (doorgaans het archief van de Burgerlijke Stand of het archief van het gemeentebestuur) of contact opnemen met de gemeentelijke instelling.

Toch is er ook al een start gemaakt om de bewaard gebleven of teruggevonden doodsbriefjes te indexeren en digitaal doorzoekbaar te maken. Hieronder volgt een overzicht van de weinige bronnen die mij bekend zijn. Zodra er nieuwe aanvullingen gevonden worden, zullen deze worden toegevoegd.
 
 
Amsterdam
Overlijdensverklaringen van Amsterdam vindt u via het Stadsarchief Amsterdam in de registers waarin aantekening werd gehouden van overledenen die bij de Burgerlijke Stand waren ingeschreven in de periode 1914 tot 1925. Het betreft de registers 1020-1047. De jaren 1854-1940 vindt u in de registers 341-519, ingedeeld naar wijknummer.
Weliswaar worden in deze bevolkingsstatistiek geen namen vermeld, maar aan de hand van de vermelde gegevens en datum van overlijden is het zeker mogelijk de doodsoorzaak van een gezocht persoon te achterhalen. Er wordt overigens nog gewerkt aan het project ‘Amsterdamse doodsoorzaken 1854-1940’.
 
Amsterdam
Geen overlijdensverklaringen, maar scans met registraties van overleden personen in Amsterdam met vermelding van de doodsoorzaak of vindplaats: verdronken en vermoorde personen (1777-1795, 1795-1807 en 1807-1811) en overlijden met vermelding van de doodsoorzaak (1783-1809 en 1810-1812)
 
Jongens Aalmoezeniersweeshuis Amsterdam; Ramp Westerkerk 1704
De jongens uit het Aalmoezeniersweeshuis zaten tijdens de dienst van 27 juli 1704 op de jongensgalerij van de Westerkerk, toen het gewelf boven hun hoofd plots instortte. Zes weesjongens overleefden de ramp in de Westerkerk niet en vierenveertig weesjongens raakten gewond. De lijst van doden en gewonden met vermelding van hun letsel vindt u onder inventarisnummer 648.
Website: Stadsarchief Amsterdam
 
Bommelerwaard
In het Regionaal Archief Rivierenland kunt u de scans vinden van de overlijdensverklaringen uit de gemeenten Poederoijen, Zuilichem, Rossum, Brakel, Heerewaarden en Hedel over de periode 1869-1956.
Directe link: RAR
Deze overlijdensverklaringen en scans zijn tevens te vinden via Open Archieven
 
Dordrecht
Transcripties van verklaringen van de heel- en vroedmeesters van Dordrecht betreffende de doodsoorzaak van niet op natuurlijke wijze overleden personen in de periode 1845-1852.
Website: DortenaZOEKer
 
Heerde
Van 1877 tot 1955 zijn er in Heerde (Gelderland) doodsbriefjes bewaard gebleven. In de doodsbriefjes staat de doodsoorzaak van de overledenen en in een kleiner aantal ook een voorafgaande ziekte. Van mensen die in een andere gemeente zijn overleden, zoals in het ziekenhuis in Zwolle, is geen doodsbriefje in Heerde ingeleverd en is de doodsoorzaak dus niet bekend.
In de pdf-bestanden vindt u allereerst een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis. Daarna volgt, voor zover bekend, de alfabetische lijst met overledenen en de doodsoorzaken; 1863–1882 (vanaf 1877 voorzien van de doodsoorzaken), 1883–1902, 1903–1922, 1923–1940 en 1941–1955.
 
Blokhuispoort Leeuwarden
Op de website van de strafgevangenis de Blokhuispoort in Leeuwarden vindt u een overzichtslijst van ‘inmates’, die zijn overleden in de bijzondere Strafgevangenis en Huis van Bewaring van Leeuwarden in de periode van 1874 tot 1969. Onderaan deze zelfde pagina kunt u de complete lijst ‘Overleden gevangenen van Leeuwarden 1784-2008’ downloaden als pdf-bestand. In deze lijst worden in de meeste gevallen tevens de doodsoorzaken vermeld.
 
Roosendaal-Nispen
In de databank van het West-Brabants Archief vindt u de overlijdensoorzaken van personen overleden in de plaats Roosendaal-Nispen in de periode 1864-1938.
Directe link: West-Brabants Archief
 
Vries
Scans van doodverklaringen uit de Drentse gemeente Vries uit de periode 1872 tot 1882.
Directe link: Zoekakten
 
Weesp
Vermeldingen van doodsoorzaken uit de periode van 1731 tot 1912.
Website: Archieven
 
 
Verklaringen medische termen

De betekenis van medische termen en begrippen kunt u vinden in het online Nederlands medisch en geneeskundig woordenboek (zoeken kunt u via de index bovenaan de pagina) of in de encyclopedie van Dokterdokter.
Een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis vindt u tevens in de hierboven genoemde pdf-bestanden van Heerde.
Kunt u niet helemaal uit de omschreven doodsoorzaak komen, dan is de lijst met doodsoorzaken en spellingsvarianten een handig hulpmiddel. Deze lijst is (rechtstreeks op uw computer!) te downloaden via de invoerinstructies van Vele Handen.
 
 
Bronnen: Streekarchief Bommelerwaard, Uitvaart.nl, Wikipedia, Uitvaartverzekeringen, CBS, Format.nl

Joodse begraafplaatsen en grafstenen

25 oktober 2017 at 13:46

 
Voor een Joodse begraafplaats geldt eeuwige grafrust. Om deze reden mogen Joodse begraafplaatsen dan ook niet worden geruimd volgens de wetten van het jodendom. Het is een plaats waar voorouders ongestoord wachten op de komst van de ‘masjiach’ (Messias); het moment dat alle rechtvaardigen zullen opstaan voor het eeuwige leven. Alleen bij hoge uitzondering mag de grafrust van de overledenen worden verstoord. Of eigenlijk alleen dan als een graf of een hele begraafplaats om een uiterst dringende reden moet worden ontruimd.

De begraafplaats ligt van oorsprong niet binnen de bebouwde kom. Ondanks dat de begraafplaats gewijde grond is, wordt een lijk als onrein gezien en daarvoor niet begraven binnen de bebouwing.
Over het algemeen zijn de Joodse begraafplaatsen in Nederland in te delen in Sefardische en Asjkenazische begraafplaatsen. Sefardische begraafplaatsen worden gekenmerkt door liggende grafstenen, terwijl op Asjkenazische begraafplaatsen de grafstenen rechtop staan. Daarnaast zijn de Joodse graven in ons land op het zuidoosten gericht in de richting van Jeruzalem.
Ondanks dat het Joodse geloof ieder mens als gelijke ziet en zo ook begraven wordt, is er vaak toch een onderscheid te vinden in de vorm, bewerking en grootte van de gedenksteen.

 

Graf Mordechai Maisel nw

Het graf van Mordechai Maisel uit 1601 op de Oude Joodse Begraafplaats in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
De Hebreeuwse tekst op Joodse grafstenen begint en eindigt bijna altijd met dezelfde tekens. Beginnend met פנ (PN), wat staat voor ‘Po Niqbar’ bij mannen en ‘Po Niqbara’ voor vrouwen (hier is begraven), of met פט (PT), wat staat voor ‘Po Tamoen’ bij mannen en ‘Po Temoena’ bij vrouwen (hier is geborgen) en eindigend met תנצבה, (TNTBH) wat staat voor ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’ (Moge zijn of haar ziel gebonden zijn in de bundel der levenden). Dit is te vergelijken met het Latijnse R.I.P. (‘requiescat in pace’ oftewel rust in vrede) op Christelijke grafstenen.

Op de oudste zerken is meestal alleen de voornaam van de overledene te vinden, gevolgd door de vadersnaam oftewel patroniem. Op latere stenen staat veelal in het Hebreeuws de voor- en achternaam. Vaak zijn ook de woorden ‘bat’ (dochter van) of ‘ben’ (zoon van) te zien en worden soms naast de Joodse data de Christelijke data erbij vermeld.
Tevens kunnen op de zerken afkortingen voorkomen in Latijnse karakters. Soms als afkorting van een Hebreeuwse tekst als Z.L. van ‘Zichrona Liwracha’ (Zijn nagedachtenis zij ten zegen) of T.M.K. de afkorting van ‘Tehi Menoechato Kawod’ (Moge zijn of haar rust eervol zijn), maar vaker als afkorting van een Nederlandse tekst als Z.R.I.V. of H.R.I.V. de afkorting van ‘Zij of Hij Ruste In Vrede’ en tenslotte Z.R.H.A. of Z.R.Z.A., wat wil zeggen ‘Zalig Ruste Haar of Zijn As’.

 

Joodse begraafplaats Třebíč nw

De Joodse begraafplaats boven de Joodse wijk van Třebíč in Tsjechië.
© Uit de oude Koektrommel

 
De graven van mensen met de naam Cohen of variaties daarvan zijn meestal aan de buitenkant van de begraafplaats te vinden of langs de paden die voor de ‘Kohaniem’ door middel van speciale bordjes toegankelijk worden verklaard, het zogeheten ‘Kohaniempad’. ‘Kohen’ is Hebreeuws voor priester. De Kohaniem worden beschouwd als afstammelingen in de mannelijke lijn van de eerste Hogepriester Aäron. Zij leidden de diensten in de Tempel, geassisteerd door de Levi’iem, de afstammelingen van Levi, de derde zoon van aartsvader Jacob. Het is een priester namelijk verboden een begraafplaats te betreden, omdat deze onrein is. Het Kohaniempad is echter niet onrein en zo kan een priester toch het graf van familie bezoeken.

Op sommige zerken zijn afbeeldingen of symbolen aangebracht. Op een priestergraf staan twee zegenende handen afgebeeld. De handen worden zo gehouden bij het uitspreken van de priesterzegen in een synagoge. De vingers kunnen het teken vormen van de Hebreeuwse letter ‘sjin’ van ‘Sjaddai’ (Almachtige).
Het graf van een afstammeling van Levi is te herkennen aan een (waterschenkende) kan en schaal. Dit is het symbool van de Leviet, die de kan en schaal hanteert bij de rituele handwassing van een kohen, voorafgaand aan de priesterzegen. Zo is een hert het symbool voor afstammelingen van Naftali met namen als Zvi, Hirsch en Naftali. De leeuw staat voor afstammelingen van Juda met namen als Aryeh, Judah, Leib en Loew en de stam Benjamin heeft een wolf als symbool.
Er zijn nog meer van dit soort symbolen, zoals een sjofarhoorn voor een sjofarblazer, een gebroken tak of boom voor een jong overleden persoon en het snijwerktuig van de ‘moheel’, de uitvoerder van besnijdenissen. Een open boek duidt op een rabbijn of geleerde, een vogel duidt op het graf van een vrouw, terwijl een gebroken kaars op het graf van een vrouw een vroege dood op jonge leeftijd symboliseert.
Na 1900 komt, waarschijnlijk onder invloed van de Zionistische Beweging, de Davidster vaker voor op Joodse grafmonumenten, evenals een tros druiven als embleem van Israël en de menorah.

 

Oude Joodse Begraafplaats in Praag nw

De oudste nog bestaande Joodse begraafplaats van Europa: de Oude Joodse Begraafplaats in de wijk Josefov in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
Op de sabbat en de Joodse feest- en gedenkdagen zijn de begraafplaatsen voor bezoek gesloten. Een Joodse begraafplaats heeft dezelfde ‘heiligheid’ als een synagoge en ook hier dienen mannen hun hoofd te bedekken. Het wordt als respectloos beschouwd om over een graf te lopen of erop te staan, ertegenaan te leunen, er te eten, te drinken of te roken. Als men een grafsteen nader wil bekijken, benadert men deze van de zijkant.

Traditioneel worden er geen bloemen meegenomen. Als teken dat het graf wordt bezocht en de overledene niet vergeten is leggen Asjkenazim een steen(tje) en Sefardim in Nederland vaak wat gras op het graf. In de Chassidische en andere Sefardische gemeenschappen worden veelal kaarsen gebrand.
De oorsprong van dit gebruik van steentjes is oud en stamt mogelijk uit de oudtestamentische tijd, toen het Joodse volk een nomadisch bestaan leidde. Mensen werden begraven op de plek waar ze stierven en de vaak bovengrondse graven werden bedekt met hopen stenen. Zo lieten roofdieren de graven met rust. Andere bezoekers vulden de stenen vervolgens uit respect aan.
Door de eeuwen heen kreeg het leggen van de stenen op de graven een symbolische waarde. Stenen vergaan niet. Ze hebben eeuwigheidswaarde. De onvergankelijkheid van de stenen staat ook voor eeuwige liefde en geloof en het altijd durende respect; een herinnering aan en verbondenheid met de overledene.

 

Achtergelaten steentjes op een graf nw

Achtergelaten steentjes op een Joods graf met onderaan de afkorting van ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’.
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Zie ook: Joodse families in Nederland en de toegevoegde indexen op Joodse begraafplaatsen en grafstenen.
 
Bronnen: Wikipedia, Joodse begraafplaats Assen, NIHS, Wikipedia en literatuur.
 
 

Wageningse tabakscultuur

12 oktober 2017 at 22:49

 
Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch begin twintigste eeuw

Personeel van Sigarenfabriek Koch in het begin van de twintigste eeuw.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsstraat.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
Schimmelpenninck was de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: delpher.nl

 
Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

Blinde voorouder

9 oktober 2017 at 22:59

 
Tegenwoordig is er zoveel informatie online te vinden, dat mijn stambomen wat achter de feiten aan lijken te lopen. Zodra ik er dan ook maar enigszins de tijd voor vrij kan maken neem ik eentje onder de loep en loop alle personen en gegevens na aan de hand van akten en registers. Dat is best een pittige klus, maar het levert toch altijd wel wat aanvullingen op die ik in het verleden heb gemist of nooit heb kunnen vinden. En heel soms doe je een verrassende of juist trieste ontdekking, zoals in deze huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, zoon van mijn voorouders Lubbert Enklaar en Willemijn Nijenhuis:

‘… en dat de moeder van den bruijdegom, blind zijnde, ook ’t huwelijk toestemt’.
 
 

Huwelijksinschrijving Barend Enklaar en Hendrina Wiggers

Huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, Arnhem 10 april 1773.
Bron: zoekakten.nl


 
 

Genealogie familie Van den Berg

6 september 2017 at 15:24

 

Stamreeks familie Van den Berg

Stamreeks familie Van den Berg
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Gerrit van den Berg
Gerrit van den Berg werd geboren in Naarden en trouwde aldaar op 14 april 1754 met Anna Geus, dochter van Albert Geus en Lubbertje Vos. Anna is gedoopt te Naarden op 28 januari 1724 en legde in dezelfde plaats op 29 oktober 1751 belijdenis van geloof af. Op 26 april 1787 werd Gerrit te Naarden begraven. Anna overleed ruim een jaar later op 64-jarige leeftijd en werd eveneens te Naarden begraven op 26 augustus 1788.
Gerrit en Anna kregen zes kinderen: Lubbertje, Gerrit, Albert, Lubbertje, Jan en Gijsbert.
 
Jan van den Berg
Jan van den Berg is op 26 december 1762 te Naarden gedoopt en werd aldaar op 24 september 1807 op 44-jarige leeftijd begraven. Hij trouwde met de uit Nijkerk afkomstige Nelletje Aaltje van der Schelde. Het stel trad derhalve te Nijkerk in het huwelijk op 17 november 1793. Nelletje is een maand voor Jan overleden en begraven te Naarden op 27 augustus 1807.
Het echtpaar kreeg acht kinderen: Anna, Gerrit, Cornelia, Cornelia, Jan, Jan, Cornelia en Johannes.
 
Gerrit van den Berg
Van Gerrit van den Berg, gedoopt te Naarden op 17 december 1795, wordt als beroep achtereenvolgens arbeider, slagersknecht, vleeschhouwer, daghuurder en werkman vermeld. Hij trouwde op 4 september 1816 te Hilversum met de werkster Anna Maria Dettingmeijer. Anna werd te Amsterdam gedoopt op 2 december 1789 en was de dochter van de uit Hannover afkomstige Joost Hendrik Dettingmeijer en Anna Maria Beijer. Zij overleed op 39-jarige leeftijd te Naarden op 16 maart 1829 en liet een zoontje Jan na.
Gerrit hertrouwde als weduwnaar met Johanna Smitskamp. Het huwelijk vond plaats te Naarden op 10 mei 1829. Johanna werd als dochter van Christiaan Smitskamp en Jacoba van Zoelen geboren in Bergambacht op 13 mei 1797, alwaar zij acht dagen later is gedoopt. Ook Gerrit en Johanna stierven korte tijd na elkaar: Gerrit overleed te Naarden (Bergstraat 216) op 5 juni 1856, zestig jaar oud en Johanna ging hem voor op 2 mei 1856 te Naarden (Bergstraat 216), achtenvijftig jaar oud.
Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: Christiaan, Nelletje, Jacobus, Gerrit, Nelletje, Gerrit en een levenloos geboren dochtertje.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg werd te Naarden geboren op 28 januari 1833. Hij stapte in dezelfde plaats in het huwelijksbootje met Dirkje Schouten, dochter van Wouter Schouten en Mietje de Ruig. Dirkje werd in het Utrechtse Eemnes geboren op 6 april 1834. Op 24-jarige leeftijd kreeg zij ongehuwd een zoontje Johannes Christiaan, dat helaas maar amper drie maanden oud is geworden.
Christiaan overleed op 5 september 1906 in zijn huis in de Huizerpoortstraat 504 te Naarden, 73 jaar oud. Dirkje overleed in de Turfpoortstraat 400 op 82-jarige leeftijd op 5 november 1916. Samen kregen zij tien kinderen: Gerritje, Mietje, Johanna, Gerrit, Johanna, Wouter, Gerrit, Wouter, Wouter en Johanna.
 
Wouter van den Berg
Op 12 januari 1877 werd Wouter van den Berg geboren in de Huizerpoortstraat 364 te Naarden. Als beroepen worden in akten vermeld: werkman, stoker en koopman. Hij trouwde te Naarden op 26 juli 1906 met Utrechtse dienstbode Pietje Evertje Appeldoorn. Pietje werd op 15 september 1886 geboren op de Catharijnensingel 12, ten huize van Beert Daams Gelder, als dochter van de ongehuwde Hendrika van Woudenberg. Tijdens het huwelijk tussen Hendrika en Aalt Appeldoorn op 15 september 1887 te Maartensdijk werd zij erkend als dochter.
Voor een periode van drie maanden hebben Wouter en Pietje Evertje in 1908 om onverklaarbare redenen een ‘uitstapje’ gemaakt naar Groenlo om daarna weer terug te keren naar Naarden. Wouter overleed op 68-jarige leeftijd te Barneveld op 13 februari 1945 zijnde een tijdelijk verblijvende burger, overleden ten gevolge van oorlogshandelingen. Hoogstwaarschijnlijk is hij overleden op de reis van of naar Friesland om eten te halen. Drie dagen later is hij in Barneveld begraven.
Het stel kregen voor zover ik kan nagaan tien kinderen: Hendrika Dirkje, Dirkje, Pietertje Evertje, Christiaan, Wouter, Albertus, Manus, Jannetje Alberta, Theodorus Cornelis en Wilhelmina Margaretha.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg, van beroep fabrieksarbeider, werd geboren te Naarden op 26 januari 1913. Hij trouwde op 10 februari 1937 te Bussum met Anthonia Johanna Petronella Regter, To genoemd. Zij was de dochter van Andreas Petrus Maria Jacobus Regter en Maria Alexandrina van Hirtum en werd geboren op 16 september 1909 te Hilversum. Christiaan en To woonden  op de Veltheimerlaan 42 te Bussum. To overleed op 75-jarige leeftijd op 22 juni 1985 te Bussum. Christiaan werd in 1943 opgepakt vanwege ‘Judenbegünstigung’ en kwam uiteindelijk terecht in Kamp Neuengammen alwaar hij op 11 maart 1945 overleed op 32-jarige leeftijd.
Het echtpaar kreeg vier kinderen, waaronder een levenloos geboren zoontje.
 
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Trouwen met de handschoen

30 augustus 2017 at 15:51

 
Trouwen bij volmacht, of zoals het in de volksmond genoemd wordt ‘trouwen met de handschoen’, is een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een volmachtnemer.

Vroeger kwamen dit soort huwelijken voor binnen adellijke families. Een afgevaardigde werd dan naar de toekomstige bruid gestuurd en vertegenwoordigde via de handschoen, die symbool stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten, de bruidegom in spe. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige bruidegom.

 

Huwelijksportret van 'Bets' door Jean Vaessen

Trouwen met de handschoen: huwelijksportret van ‘Bets’ door Jean Vaessen (datering: ca. 1900-in of voor 1 maart 1915)
Bron: Rijksmuseum Amsterdam


 
 
Ook in meer recente tijden kwam het trouwen met de handschoen voor. Bekend zijn de huwelijken van Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië of de militairen, die gelegerd waren in Nederlands-Indië en slechts eenmaal per jaar op verlof gingen naar Nederland.

Dat trouwen met de handschoen in Nederlands-Indië en Nederland als een ‘normale zaak’ werd beschouwd blijkt wel uit dit krantenartikel uit het Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884, waarin vol verbazing wordt gereageerd over de ophef in een artikel in de Tägliche Rundschau van 3 mei 1884, waarin verslag wordt gedaan van een huwelijk met de handschoen.

 

Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884

Huwelijk met de handschoen (Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884).
Bron: delpher.nl


 
 
Voor trouwen bij volmacht diende toestemming van de regerende Koning of Koningin of Gouverneur-Generaal te worden verkregen via de Minister van Justitie en de Minister van Koloniën. De aanstaande echtgenoot of echtgenote die niet in staat was om bij de formele huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn, moest zich bij volmacht laten vertegenwoordigen. Deze volmacht kon alleen worden verleend via een notariële volmachtakte, zoals te zien is bij het voorgenomen huwelijk tussen Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen.

De éénendertigjarige in Elst geboren banketbakker Arnoldus Hoogvelt woont te ‘Soerabaija in Indië’. Via een notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862) machtigt hij de Arnhemse banketbakker Hendricus Nicolaas Brunnenwasser om als plaatsvervanger op te treden voor zijn huwelijk met de achtentwintigjarige uit het Pruisische Elten afkomstige en in Arnhem woonachtige Anna Maria Francisca van Kempen. Na de verkregen huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862) kan het burgerlijk huwelijk voortgang vinden op 10 september 1862 te Arnhem.

 

Notariële volmacht akte (Soerabaija, 7 maart 1862)

Notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862).
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Notariële volmacht akte (Soerabaija, 7 maart 1862) vervolg

Notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862) vervolg.
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862)

Huwelijksdispensatie verleend door Koning Willem III (Wiesbaden, 23 juli 1862).
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862) vervolg

Huwelijksdispensatie verleend door Koning Willem III (Wiesbaden, 23 juli 1862) vervolg.
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Arnoldus Hoogvelt liet zich vertegenwoordigen door Hendricus Nicolaas Brunnenwasser (Arnhem, 10 september 1862)

Arnoldus Hoogvelt liet zich vertegenwoordigen door Hendricus Nicolaas Brunnenwasser (Arnhem, 10 september 1862).
Bron: zoekakten.nl


 
 
Een deel uit de huwelijksakte van Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen (Arnhem, 10 september 1862)

Een deel uit de huwelijksakte van Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen (Arnhem, 10 september 1862).
Bron: zoekakten.nl


 
 
In 1933 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden over de, naar men aannam, eerste keer dat naast een burgerlijk huwelijk bij volmacht gesloten tevens bij volmacht kerkelijk bevestigd werd. De primeur was voor de Gereformeerde kerk te Utrecht.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 28 maart 1933

Kerkelijke huwelijksbevestiging bij volmacht (Nieuwsblad van het Noorden, 28 maart 1933).
Bron: delpher.nl


 
 
Tegenwoordig kan er in Nederland omwille van ‘gewichtige redenen’ nog steeds bij volmacht worden getrouwd. Gewichtige redenen zijn:

  • Eén van de partners kan niet bij het huwelijk zijn door verblijf in een gevangenis in het buitenland.
  • Eén van de partners kan redelijkerwijs niet overkomen voor het huwelijk, omdat hij of zij ernstig ziek is en daardoor niet in staat is om te reizen.
  • Eén van de partners verblijft buiten Nederland en is nu en in de toekomst niet in staat om te reizen. Bijvoorbeeld een militair in een oorlogsgebied.

Aan personen met een vreemde nationaliteit kan alleen een vergunning worden verleend als hun nationale recht deze mogelijkheid ook kent.

De procedure is nagenoeg dezelfde als vroeger. Er dient huwelijksdispensatie te worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. De aanstaande echtgenoot of echtgenote die niet in staat is om bij de formele huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn, dient zich bij volmacht te laten vertegenwoordigen. Deze volmacht kan alleen worden verleend via een notariële volmachtakte. Degene die wordt gemachtigd, de volmachtnemer, hoeft niet te voldoen aan bijzondere eisen. Zelfs meerderjarigheid is geen vereiste!
 
 
Bronnen: Javapost, Wikipedia en Justis

De handschoen

19 augustus 2017 at 22:00

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers


 
 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Handschoen van Toetanchamon

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod


 
 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van bisschop Nicolaus Shiner, 1510

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van Bisschop Nicolaus Shiner (1510).
Bron: Go Leather Gloves


 
 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart


 
 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde lederen handschoenen

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden


 
 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.
 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum Amsterdam


 
 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Over dit onderwerp in een volgend artikel meer.
 
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Go Leather Gloves, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden