Joannes Bernardus Regter

2 april 2018 at 14:36

 
Joannes Bernardus Regter wordt op 22 oktober 1798 in Amsterdam geboren en een dag later in de Rooms Katholieke ‘Kerk Op Het Kuiperspad’ gedoopt. Dit is een schuilkerkje van de Sint-Willibrordusparochie in een oude turfschuur aan het Kuiperspad, de huidige Kuipersstraat, in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort.

 

Doopinschrijving Joannes Bernardus Regter

Doopinschrijving van Joannes Bernardus Regter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Als zoon van de uit het Duitse Bramsche afkomstige Herman Hendrik Richter en de Amsterdamse Maria Christina Scholten, dochter van Gerrit Scholten uit Denekamp en de Amsterdamse Elisabeth Beekman, groeit hij samen met zijn bijna twee jaar oudere broer Gerardus Joannes op aan het Hoedemakerspad naast de wasbleek buiten de Utrechtse Poort. Gerardus Joannes had nog een tweelingbroer Petrus Franciscus, die overleden is in de leeftijd van ruim een half jaar. Drie maanden na het overlijden van hun vader wordt er nog een broer Henricus Franciscus geboren, maar deze haalt nog net de twee maanden.

Het Hoedemakerspad, de huidige Van Ostadestraat in De Pijp, ligt vlakbij het Kuiperspad in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort en binnen de dijken van de Amstel en Schinkel. Dit gebied bestaat voornamelijk uit weilanden, warmoezerijen, turfwinningsplaatsen en buitenplaatsen van welgestelde Amsterdammers. De naam Hoedemakerspad, naar de hoedenmakers die hier in de zeventiende eeuw gevestigd waren, blijft tot 1883 bestaan. Bij Raadsbesluit van 20 maart 1883 wordt de naam gewijzigd in Hoedenmakersstraat en vervolgens bij Raadsbesluit van 14 december 1898 in Van Ostadestraat.

 

Hoedemakerspad

Herberg ‘De Steene Brug’ aan de Amsteldijk tussen het Kuiperspad en het Hoedemakerspad met in het midden de ingang naar het Hoedemakerspad (door Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland, ca. 1761/1762).
Bron: Rijksmuseum


 
 
Moeder Maria Christina hertrouwt op 18 juni 1802 als weduwe met de uit het Duitse Münster afkomstige Ferdinand Jansen. Het gezin blijft op het Hoedemakerspad wonen. Vanuit dit adres trouwt Joannes Bernardus, inmiddels hovenier van beroep, op 10 mei 1826 in Amsterdam met de eveneens ‘Roomse’ Maria Joanna Schouten, op dat moment wonende aan het Oetgenspad, dochter van de Blaricummer Tijmen Schouten en Margaretha Beums uit Xanten bij Kleef. Het Oetgenspad, de huidige Eerste Oosterparkstraat, loopt langs een aangelegde sloot vanaf de Amstel (Weesperzijde) de Overamstelse Polder in. De Overamstelse Polder, direct buiten de Muiderpoort, is ingericht met warmoezerijen en weide- en hooilanden met bijbehorende huizen en schuren.

 

Oetgenspad

(Het zuiden is boven.) Onderin, aan weerszijden van de sloot het Oetgenspad in de ‘Ban van Oetewael’ tussen de Oetewalerweg en de Amstel. Kaart uit 1676.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam


 
 
Joannes Bernardus en Maria Joanna vertrekken naar de Weesperzijde nummer 23. Daar wordt zoon Ferdinandus Thimotheus op 4 maart 1827 geboren. Het jaar daarop wordt dochter Johanna Margaretha geboren op 13 april aan de Weesperzijde nummer 73. Vijf dagen na haar geboorte overlijdt Maria Joanna op achtentwintigjarige leeftijd.

Op 15 mei 1831 hertrouwt Johannes Bernardus met Aaltje Beijer. Aaltje is geboren in Nieuwer-Amstel als dochter van Gijsbert Beijer, afkomstig uit Wilnis, en Wilhelmina van ’t Lam uit het Utrechtse Stokkelaarsbrug.
Het stel gaat wonen aan het Hoedemakerspad nummer 32. Op dit adres wordt op 28 oktober 1831 een tweeling geboren: Maria Wilhelmina en een half uurtje later Petrus Franciscus.
Amsterdam wordt ‘officieel’ ingeruild voor Nieuwer-Amstel. Het is niet helemaal duidelijk of er sprake is van een daadwerkelijke verhuizing of dat één en ander te maken heeft met een nieuwe vaststelling van de gemeentegrens, waardoor het woonadres binnen de iets noordelijker uitgelegde gemeentegrens van Nieuwer-Amstel valt.

 

Hogesluis naar de Buiten-Amstel

De Hogesluis naar de Buiten-Amstel, de Amsteldijk en de molens aan de Zaagmolensloot te Nieuwer-Amstel in de achttiende eeuw. Links het bolwerk Westerblokhuis met molen ‘De Groen’ en de Utrechtsepoort. Rechts de Weesperzijde.
Bron: Rijksmuseum


 
 
In Nieuwer-Amstel worden nog drie kinderen geboren. Op 28 april 1834 zoon Johannes Bernardus, die ruim twee jaar later op 21 juli 1836 overlijdt. Dan volgen op 9 februari 1836 een dochter Klara Engeliena en op 18 augustus 1838 een dochter Johanna Maria Geertruida. De geboorte van zijn laatste kind zal Johannes Bernardus niet meer meemaken. Hij overlijdt ruim een half jaar eerder op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan zinkenziekte als gevolg van zijn beroep als smid in de laatste jaren van zijn leven. Johannes Bernardus wordt vijf dagen later begraven op het Sint Anthonius Kerkhof in Amsterdam.
Zijn weduwe Aaltje zal niet meer hertrouwen. Zij overlijdt op 28 september 1876 in Nieuwer-Amstel, achtenzestig jaar oud.

 

Bidprentje Joannes Bernardus Regter

Bidprentje van Joannes Bernardus Regter.
Bron: CBG Bidprentjes


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Reliwiki, Cultureel Erfgoed, Wikipedia (Binnendijkse Buitenvelderse polder) en Wikipedia (Nieuwer-Amstel)
 
 

Caféhouder en slijter Johannes Bernardus Horning

10 maart 2018 at 14:42

 
Johannes Bernardus Horning wordt op 13 maart 1847 ’s avonds om elf uur geboren in de Amsterdamse Passeerdersstraat op nummer 60 als zoon van Anthonie Hendricus Horning en Jansje van den Berg. Het gezin heeft het zeker niet breed met de magere inkomsten van vader als sjouwer. Er moet in de winter 1855-1856 zelfs voor hulp aangeklopt worden bij de Huiszittenhuizen. Toch wordt al snel de ondersteuning ‘ingetrokken om hoge verdiensten’. Vader Anthonie Hendricus begint een steenzettersbedrijf.

 

Geboorteakte Johannes Bernardus Horning

Geboorteakte van Johannes Bernardus Horning.
Bron: zoekakten.nl

 

Inschrijving Huiszittenhuizen

Inschrijving in het register van de Huiszittenhuizen voor winterhulp.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Na het overlijden van zijn moeder in 1859 ten gevolge van cholera (in het register van het Diaconieweeshuis wordt aangegeven aan de gevolgen van het kraambed), hertrouwt zijn vader met jonge Johanna Weber. Als zijn vader in 1868 komt te overlijden door een hartziekte worden zijn jongste broertje Hendricus Bernardus en zusje Aletta ondergebracht in het Diaconie Weeshuis. De dan vierentwintigjarige broer Anthonie Hendrikus wordt als voogd over deze kinderen benoemd. Deze broer zal het steenzettersbedrijf samen met W. Bouman op dezelfde voet doorzetten onder de Firma Bouwman & Comp. Acht jaar later besluit zijn broer geheel voor eigen rekening de ‘affaire’ over te nemen.

 

Algemeen Handelsblad, 10 juli 1868

Uit het Algemeen Handelsblad van 10 juli 1868.
Bron: delpher.nl

 

Registratie Commissieboek Diaconieweeshuis

Gedeelte van ‘Documenten des Boedels’ uit het commissieboek van het Diaconieweeshuis in Amsterdam, d.d. 27 augustus 1868.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Overdracht, Algemeen Handelsblad, 3 februari 1876

Overdracht van het steenzettersbedrijf (Algemeen Handelsblad van 3 februari 1876).
Bron: delpher.nl


 
 
Johannes Bernardus vertrekt naar Den Helder, waar hij aan de slag gaat als stoker bij de Marine Dienst. Hij leert de uit Zierikzee afkomstige Christina Maria de Vries kennen. Het stel trouwt op 3 oktober 1872 in Den Helder. De zwangere Christina Maria is dan bijna twee jaar weduwe van Hendrik Christiaan Meijer, Eerste Zeilmaker bij de Marine, en neemt uit dit huwelijk drie kinderen mee.

Op 17 maart 1873 wordt in Den Helder een zoontje levenloos geboren. Johannes Bernardus is dan stoker op het Rijkshof. Eind 1876 wordt besloten om naar Amsterdam te verhuizen. Op het adres Weesperstraat 129 worden nog drie kinderen geboren. Allereerst een dochter Christina Baudina op 19 mei 1877, gevolgd door een dochter Johanna Alida op 21 mei 1879 en een zoon Johannes Bernardus op 18 februari 1881, die op ruim éénjarige leeftijd op 25 juni 1882 komt te overlijden door een longontsteking. Vader Johannes Bernardus is in deze periode smid van beroep en maakt in 1882 een ‘uitstapje’ als steenzetter. Waarschijnlijk zal dit in het bedrijf van zijn broer zijn geweest.

In 1885 wordt in de krant nog een advertentie door ‘hunne dankbare kinderen’ geplaatst voor het herdenken van het ‘12½-Jarige Echtvereenging hunne geliefde ouders’. Helaas zal dit huwelijk niet veel langer duren. Op 1 april 1886 wordt bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam het huwelijk ontbonden vanwege overspel door de gedaagde Christina Maria. Of dit daadwerkelijk de reden zal zijn geweest is moeilijk te bepalen, aangezien dit één van de vier gronden is waarvoor een huwelijk ontbonden kan worden.

 

Het nieuws van den dag, 20 maart 1885

Uit Het nieuws van den dag van 20 maart 1885.
Bron: delpher.nl


 
 
Christina Maria gaat niet bij de pakken neerzitten en besluit begin april 1886 op de Laurierstraat 84 in Amsterdam een ‘Café met biljart’ te openen. Toch loopt niet alles van een ‘leien dak’. Op 1 juni 1888 overlijdt het jongste dochtertje Johanna Alida op achtjarige leeftijd. Zij blijkt een lekkende hartklep te hebben en overlijdt aan hartfalen als gevolg van een ontsteking van de hartwand. Bovendien wordt Christina Maria op 9 maart 1893 opgenomen in het Binnengasthuis, alwaar zij negen dagen zal verblijven vanwege ‘insufficientia mitralis’, oftewel een lekkende hartklep net als haar dochtertje. Twee jaar later overlijdt zij op 10 juni 1895 in haar woning aan de Nieuwe Achtergracht 148 op tweeënvijftigjarige leeftijd. Officieel wordt de doodsoorzaak als ‘onbekend’ aangegeven, maar mogelijk zal dit te maken hebben gehad met haar hartziekte.

 

Cafe met Biljart

Christina Maria opent begin april 1886 haar ‘Café met Biljart’ (Het nieuws van den dag van 5 april 1886).
Bron: delpher.nl

 
Opname Binnengasthuis

Opname Binnengasthuis vervolg

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Na zijn echtscheiding hertrouwt Johannes Bernardus op 30 juni 1887 in Nieuwer-Amstel met de Amsterdamse Maria Susanne Hollemans, weduwe van tapper Frederik Johannes Nieber. Deze Frederik Johannes is overleden op het adres Nassaukade 350, waar sinds lange tijd een café is gevestigd. Het lijkt voor de hand liggend dat Johannes Bernardus door zijn huwelijk met de weduwe kennis heeft gemaakt met de drankenhandel en het café-wezen.

Wanneer Johannes Bernardus ‘in de sterke dranken’ gaat is niet bekend. Op 9 maart 1894 dient hij bij de gemeente Amsterdam in ieder geval een verzoekschrift in voor een vergunning tot verkoop van sterke dranken in het klein. Als adres wordt vermeld Nassaukade 350. Twee jaar later wenst hij via een krantenbericht aan alle vrienden en clientèle een gelukkig nieuwjaar. Afzender is J. B. Horning, Handel in Wijn, Cognac en Gedistilleerd, Nassaukade 350-hoek Van Lennepstraat. Begin 1897 zijn Johannes Bernardus en zijn echtgenote nog uitbaters van ‘Café Jacob van Lennep’ op bovengenoemd adres, maar later dat jaar wordt door een andere persoon op dat adres een vergunning tot sterke dranken in het klein aangevraagd.

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1896

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1896.
Bron: delpher.nl

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1897

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1897.
Bron: delpher.nl

 

Nassaukade 342-350

Nassaukade 342-350 met naar rechts de ingang naar de Jacob van Lennepstraat.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam


 
 
Er wordt wat heen en weer verhuisd. Op 10 augustus 1892 vertrekt het gezin van Amsterdam naar Hilversum om zich twee jaar later op 11 mei 1894 opnieuw in Amsterdam te vestigen. Uiteindelijk vertrekt het gezin op 6 december 1897 definitief naar de Oude Torenstraat 6 in Hilversum.

Johannes Bernardus en zijn vrouw Maria Susanna beginnen in Hilversum ‘Café en Slijterij De Beurs’ aan de Bussummerstraat 49. Dat moet voor 1901 zijn geweest. Op 29 april 1901 gaat hij een commanditaire vennootschap op aandelen aan als enig beherend en aansprakelijk vennoot onder de firma ‘J.B. Horning & Co.’ voor een tijdvak van twintig jaar met de bedoeling ‘het exploiteren van een koffiehuis, slijterij en tapperij aan de Bussummerstraat 49 in Hilversum’.
Mogelijk is zijn stiefzoon Simon Hendrik Nieber dan al als stille vennoot betrokken bij de firma. Bij zijn huwelijk in 1906 met Margaretha Justina Kwint wordt als beroep caféhouder vermeld en is hij in Hilversum woonachtig. Drie jaar later zijn hij en zijn echtgenote de uitbaters van Café De Beurs.

 

Advertenties uit kranten

Diverse advertenties uit kranten in de periode 1901-1923.
Bron: delpher.nl
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Na 1922 verdwijnt Café De Beurs uit beeld. Simon Hendrik Nieber en zijn vrouw beginnen in 1924 in de Leeuwenstraat 24 hoek Hertenstraat in Hilversum de ‘Amstel Bar’, die volgens de krant ‘met de mooiste van de hoofdstad kan wedijveren’. De Amstelbar valt echter nog steeds onder de firma J.B. Horning & Co. Helaas zal het doek drie jaar later vallen voor de ‘Amstel Bar’. Op 29 juni 1927 wordt door de Arrondissementsrechtbank in Utrecht het faillissement uitgesproken over S.H. Nieber, handelende onder de naam of firma J.B. Horning & Co., wonende te Nieuw Loosdrecht. Het faillissement wordt aangevraagd inzake geleverde goederen tot een bedrag van ongeveer 3500 gulden. Bij het verschijnen van de crediteurenlijsten in de De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927 is Simon Hendrik inmiddels al na een langdurige ziekte overleden.

 

De Gooi- en Eemlander, 10 mei 1924

Opening van de Amstel Bar; De Gooi- en Eemlander van 10 mei 1924.
Bron: delpher.nl

 

Leeuwenstraat

De Leeuwenstraat in de tijd van de Amstel Bar.
Bron: Eetcafé Samen

 

Nederlandsche Staatscourant, 5 juli 1927

Vermelding van het faillissement in de Nederlandsche Staatscourant van 5 juli 1927.
Bron: delpher.nl

 

De Gooi- en Eemlander, 29 september 1927

Opgave van crediteurenlijsten in De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927.
Bron: delpher.nl


 
 
Johannes Bernardus en Maria Susanna wonen in 1907 op de Dalweg 23 in Hilversum, waar zij op 18 juni 1914 op éénenzestigjarige leeftijd zal overlijden. Johannes Bernardus verhuist vervolgens naar Haarlem.
Na haar overlijden stapt Johannes Bernardus nog één maal in het huwelijksbootje en wel op 16 maart 1916 te Haarlem. De bruid is dit keer Zuster Carolina Maria Regter. In eerste instantie ging mijn gedachte uit naar een Katholieke Zuster, maar alles wijst erop dat ‘zuster’ gezien moet worden als ‘verpleegster’, alhoewel het één het andere natuurlijk niet uitsluit. Carolina Maria is de dochter van Petrus Franciscus Regter en Cornelia Maria Kaasenbrood. Johannes Bernardus is dan koopman van beroep en ingeschreven in Haarlem, maar binnen de laatste zes maanden voor zijn huwelijk woonachtig in Hilversum.

 

Algemeen Handelsblad, 16 maart 1916

Uit het Algemeen Handelsblad van 16 maart 1916.
Bron: delpher.nl


 
 
De uit Nieuwer-Amstel afkomstige Carolina Maria werkt als inwonend verpleegster in het Amsterdamse Binnengasthuis. Daarvoor is zij werkzaam in het Provinciaal Psychiatrisch Gesticht ‘Meerenberg’ in de gemeente Bloemendaal nabij Santpoort. Na haar ontslag, overigens niet wegens wangedrag, als verpleegster in het Binnengasthuis verhuist zij op 13 oktober 1898 van Amsterdam naar Hilversum, waar zij tot haar overlijden zal wonen.

Het leven van Johannes Bernardus lijkt in een rustiger vaarwater te zijn gekomen. En dat mag ook wel gezien zijn leeftijd. Hij overlijdt op 25 mei 1930 op drieëntachtigjarige leeftijd in zijn huis aan de Boschlaan 5 in Hilversum en wordt drie dagen later begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats.
Carolina Maria overlijdt veel later op 18 juli 1961. Zij woont dan op de Paulus van Loolaan 6 in Hilversum en heeft de respectabele leeftijd bereikt van negentig jaar. Drie dagen later wordt ze in Velsen gecremeerd.

 

Rouwadvertenties

Rouwadvertenties.
Bron: delpher.nl en CBG Familieberichten
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Het ligt natuurlijk in de lijn der verwachting dat het ‘enige overgebleven’ kind van Johannes Bernardus, dochter Christina Baudina uit zijn eerste huwelijk, ook vroegtijdig zal zijn overleden. Het tegendeel is waar.
Christina Baudina vertrekt op 3 juni 1891 van Amsterdam naar Heerde. Vervolgens zien we haar terugkomen in het bevolkingsregister van Harlingen. Zij is in Harlingen geregistreerd op 19 mei 1899, komende vanuit Hilversum en modiste van beroep. Op 21 maart 1900 ruilt ze Harlingen in voor Amsterdam om vervolgens op 5 november van dat jaar terug te keren naar Hilversum aan de Herenstraat 3/25.
Ze leert de uit Apeldoorn afkomstige Adriaan Mattheus Kerkkamp kennen en het stel trouwt op 23 oktober 1903 in Hilversum. Haar man is dan leraar aan de Rijks H.B.S. in Amersfoort en oud-officier van de Artillerie K.N.I.L.

 
Bevolkingsregister Harlingen

Bevolkingsregister Harlingen vervolg

Bevolkingsregister van Harlingen.
Bron: allefriezen.nl


 
 
Het echtpaar krijgt twee kinderen, beiden geboren in Amersfoort. Zoon Hendrik wordt op 7 oktober 1910 geboren en gaat in 1929 naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1932 komt hij terug naar het ouderlijk huis aan de Jacob Catslaan 29 in Amersfoort om op 14 juli 1934 te vertrekken naar het Engelse Shorne in Kent voor zijn beroep als sergeant bij de Infanterie K.N.I.L. Uiteindelijk overlijdt hij op 28 augustus 1943 in Birma als één van de vele slachtoffers van de Birmaspoorlijn (55 km.). Hij ligt begraven in Thanbyuzayat.
Dochter Geertruida Cornelia wordt geboren op 13 april 1915. Zij vertrekt op 29 april 1935 van Amersfoort naar de Utrechtse Nieuwegracht 137. Op dit adres is het Wilhelmina Kinderziekenhuis gevestigd. Volgens de vermeldingen van inkomende en vertrokken personen vestigt zij zich in december 1939, komende van Utrecht, in het ouderlijk huis aan de Immenbergweg 50 in Beekbergen om in april 1940 te vertrekken naar ’s-Gravenhage. Mogelijk gaat het om Zuster G.C. Kerkkamp, die tot 30 november 1949 voor de Vereniging Het Groene Kruis in Wierden werkt en in 1968 hoofd van de verpleging in Sanatorium Hoog-Hullen in Eelde is, het latere psychiatrisch ziekenhuis voor behandeling van verslavingszieken.

 

Bevolkingsregister Amersfoort

Gezinskaart uit het bevolkingsregister van Amersfoort.
Bron: Archief Eemland


 
 
Na zijn pensioenering verhuizen Adriaan Mattheus en Christina Baudina op 5 juli 1925 naar Apeldoorn om uiteindelijk op de Immenbergweg 50 in Beekbergen uit te komen. Hier overlijdt Adriaan Mattheus op 11 februari 1962 en wordt drie dagen later in Dieren gecremeerd. Christina Baudina overlijdt op 15 januari 1969 op éénennegentigjarige leeftijd in haar huis aan de Boslaan 2 in Norg en wordt in stilte gecremeerd.

 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Genealogie familie Bijvank

26 februari 2018 at 12:31

 

Stamreeks familie Bijvank

Stamreeks familie Bijvank
© Uit de oude Koektrommel


 

Herman Bijvanck
Herman Bijvanck werd geboren te Haart, een buurtschap in de Achterhoekse gemeente Aalten en overleed voor 12 juni 1670. Hij trouwde met Hendersken. Verdere gegevens over zijn vrouw zijn onbekend.
Vier kinderen zijn mij bekend: Hendrick, Wilhem, Stijntjen en Jan.

Wilhem Bijvanck
Wilhem Bijvanck werd eveneens geboren te Haart en overleed voor 19 januari 1707. Volgens de huwelijksinschrijving van 29 augustus 1675 te Aalten trouwde hij op 16 september 1675 in het Duitse Wesel met Lijsbeth Muntel. Lijsbeth Muntel, dochter van Henricus Muntel, werd geboren in het Duitse Salzkotten bij Paderborn.
Het echtpaar kreeg in ieder geval vijf kinderen: Joost, Aeltjen, Hendersken, Herman en Hendrik.

Joost Bijvanck
Over Joost Bijvanck is weinig bekend. Hij werd geboren te Haart en zou te Aalten overleden zijn voor 1 oktober 1721. Joost trouwde met Hermken.
Zeven kinderen heb ik gevonden: Jantjen, Aeltjen, Frerik, Beernd, Beerndeken, Berent en Willem.

Frerik Bijvank
Tuinman Frerik Bijvank werd geboren te Haart en trouwde op 25 mei 1727 te Aalten met de 23-jarige Hermina te Hondarp. Hermina, dochter van Warner te Honderp en Marriie Merdinck, werd in het Gelderse Heurne geboren en op 13 oktober 1703 te Aalten gedoopt. Frerik was ‘bloetmomboir’ over de kinderen van zus Janna (Jantjen).
Het stel kreeg de volgende vijf kinderen: Joost, Wander, Jan Hendrik, Janna en Willemke.

Wander Bijvank
Wander, geboren te Haart en gedoopt op 18 augustus 1731 te Aalten, trad te Aalten in het huwelijk met Hendrika ter Maat. De huwelijksinschrijving dateert van 26 januari 1760. Hij overleed op 21 april 1801 te Aalten en werd twee dagen later begraven in dezelfde plaats.
Hendrika was de dochter van Willem ter Maat en Beerndeken Kempink. Zij werd geboren te Aalten en overleed aldaar op 20 april 1817. Volgens de overlijdensakte zou zijn 86 jaar zijn geworden.
Samen kregen zij acht kinderen: Frederik, Beerndeken, Willemina, Willem, Berend, Harmanus, Hermanus en Geertruid.

Hermanus Bijvank
Hermanus Bijvank werd te Aalten op 10 maart 1773 geboren en vier dagen later gedoopt. Hermanus was van beroep kleermaker. Hij trouwde te Charlois bij Rotterdam op 29 april 1799 met de op 3 september 1780 in Leerdam gedoopte Lijsbet Bogert, dochter van Cornelis Boogert en Teuntje van Kazant. Lijsbet overleed op 51-jarige leeftijd op 4 april 1832 te Schoonrewoerd. Hermanus overleed te Buurt Hoog in Oosterwijk bij Leerdam op 30 maart 1848, 75 jaar oud.
Hermanus en Lijsbet kregen tien kinderen: Wilhelmina, Cornelis, Hendrika, Teuntje, Geertrui, Maaike, Willem, Johanna Cornelia, Berendina en Berendina Gesina.

Willem Bijvank
Willem Bijvank, geboren te Schoonrewoerd in huis nummer 37 op 2 mei 1814, trouwde als arbeider op 19 mei 1843 te Ameide met Elizabeth de Bruin. Lijsje, zoals zij werd genoemd, werd te Ameide geboren op 14 februari 1822 in huis nummer 111, als dochter van Cornelis de Bruin en Ariaantje de Kruijk. Zij overleed in dezelfde plaats op 27 juni 1875, 53 jaar oud. Willem overleed op 68-jarige leeftijd tevens te Ameide op 20 oktober 1882.
Het echtpaar kreeg elf kinderen: Elisabeth, Cornelis, Hermanus, Hermanus, Elisabeth, Adrianus, twee levenloos geboren zoontjes, Geertrui, Hermanus en Hermanus.

Adrianus Bijvank
Stratenmaker Adrianus Bijvank werd te Ameide geboren op 5 juli 1854 en trouwde te Brielle op 13 juli 1901 met Emerentiana van der Linden, dochter van Maria van der Linden en een onbekende vader. Emerentiana werd op 9 mei 1872 te Brielle geboren en overleed op 62-jarige leeftijd te Ameide op 5 juli 1934. Adrianus zou 74 jaar oud worden en overleed tevens te Ameide op 25 april 1929.
Vier kinderen zijn bekend: Willem, Adrianus, Arie Cornelis en nog een levenloos geboren jongetje.

Arie Cornelis Bijvank
Arie Cornelis Bijvank, geboren op 4 december 1907 te Vianen, trouwde als stratenmaker op 19 augustus 1932 te Brandwijk met de weduwe Marrigje van Kleij. Marrigje werd als dochter van Pieter van Kleij en Pietertje van der Stelt te Brandwijk geboren op 19 oktober 1899. Zij trouwde op 24 oktober 1924 te Hardinxveld met de scheepstimmerman Jan Hendrikus Haeser, die op 12 september 1929 te Hardinxveld zou overlijden. Arie Cornelis overleed op 37-jarige leeftijd te Papendrecht op 20 maart 1945, mogelijk als gevolg van honger. Marrigje overleed, 92 jaar oud, te Dordrecht op 4 oktober 1992, na ruim 32 jaar verpleegd te zijn in Verpleeghuis Eureka.
Marrigje kreeg samen met Jan Hendrikus twee kinderen. Met Arie Cornelis kreeg zij vijf kinderen.

 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel

De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Herenhuis Oude Ebbingestraat

24 februari 2018 at 17:26

 
Afgelopen zomer heb ik nog koffie gedronken in het pand, dat in opdracht van mijn voorouder Andreas Ludolphi in 1660 als zijn herenhuis werd gebouwd op de hoek van de Groninger Oude Ebbingestraat en Jacobijnerstraat. Hoe bijzonder!

In 1308 schenkt ridder en prefect Ludolphus van Gronebeke, vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht, het huis van Lutbertus Heddinga met enige bijgebouwen en de bijbehorende grond aan de prior Conrardus, zijnde zijn bloedverwant, en de fraters van het Dominicanenklooster in Winsum. Dit huis is gelegen aan de tegenwoordige Jacobijnerstraat. Het kloosterterrein strekt zich uit van deze straat tot aan de toenmalige stadsmuur en wordt begrensd aan de westzijde door de Oude Ebbingestraat en aan de oostzijde door het Kattenhage. Het klooster wordt in 1310 in de Orde opgenomen.

 

Verkorte vertaling: Ludolphus, ridder, heer van Gronebeke en prefect van Groningen, heeft overgedragen aan zijn bloedverwant Conradus, prior, en de broeders van het convent te Winsum het huis en hof van Lutbertus Heddinga, gelegen bij de stadsmuur van Groningen. (Uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896), nr. 228)
Bron: Cartago


 
 
Na de ‘Reductie van Groningen’, de capitulatie van Stad Groningen voor het leger van prins Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg op 22 juli 1594, wordt het klooster opgeheven. Het merendeel van de nog aanwezige monniken verlaat de stad en daarmee zal het kloostercomplex enige tijd later in handen komen van de provincie.
Het kloostercomplex wordt verdeeld. In 1609 richt men een deel van het complex in tot Stedelijk Tuchthuis. In 1611 neemt de provincie het over en in het kader van bezuinigingen wordt het Tuchthuis in 1624 opgeheven. Een ander deel van het kloostercomplex krijgt de bestemming van weeshuis. In 1621 wordt het Groene Weeshuis hier ondergebracht en in 1660 staan de Staten van Groningen een deel van het complex af ten behoeve van een diaconieweeshuis, ook wel het Blauwe Weeshuis genoemd. In 1673 worden het Groene en het Blauwe Weeshuis samengevoegd en In 1858 wordt het oude kloostergebouw vervangen door een nieuw weeshuis, het Groene Weeshuis, op dezelfde plaats. De kloosterkerk is vanaf 1660 tot aan de afbraak in 1674 in gebruik als buskruidmakerij en geschutgieterij.

 

Noord-oostelijk deel Groningen rond 1575

Noord-oostelijk deel van Groningen Stad rond 1575 met links boven het Jacobijnerklooster.
Bron: commons.wikimedia.org


 
 
In 1660 verkoopt het weeshuis de zuidwesthoek van het terrein aan mijn voorouder raadsheer Andreas Ludolphi en zijn echtgenoot Hebelia Catharina Noorthoorn, die tot die tijd in de Oosterstraat wonen. Voor het ontwerpen van zijn herenhuis is mogelijk de hulp ingeroepen van de provinciale fabrieksmeester en stadsbouwmeester Coenraet Roeleffs, ontwerper van de Nieuwe Kerk in Groningen.
Het tot ver in de Jacobijnerstraat doorlopende pand krijgt een diep zadeldak. De voorgevel wordt rijk versierd met festoenen of guirlandes en twee kleine ovalen ‘oeil de boeuf’ ramen met omlijstingen. (De letterlijke vertaling voor het Franse ‘oeil de boeuf’ is ‘runderoog’, maar is ook de uitdrukking voor ‘schot in de roos’.) Bovenin wordt er een groter oeil de boeuf- raam geplaatst met omlijsting en afhangende festoenen. De top wordt bekroond door een klein tympaan met daarin de vermelding van het jaartal 1661. Voor verbreding van het gevelvlak en een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting worden aan beide zijden van het middendeel van de gevel tegen de ‘trappen’ gebruik gemaakt van sierlijke klauwstukken of vleugelstukken. Beneden komt een karakteristiek bordes voor de voordeur. Het achterste gedeelte van het complex biedt plaats voor de koetsen en paarden. De grond ten noorden van het huis zal tuin blijven tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1744 blijft het herenhuis in handen van de familie Ludolphi. De laatste bewoonster uit de familie is kleindochter Richardina Ludolphi, die getrouwd is met de latere burgemeester van Groningen Scato Gockinga.

 

Voorgevel hoek Jacobijnerstraat Groningen

Het herenhuis in januari 1923 voor de grote verbouwing.
Bron: commons.wikimedia.org (Hoek Oude Ebbingestraat-Jacobijnerstraat, voor- en zijgevel; 20093731 – rce | Door: BotMultichillT – January 1923 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Beeldbank Cultureel Erfgoed)

 

Oude Ebbingestraat Groningen

Het herenhuis van Andreas Ludolphi aan de Oude Ebbingestraat.
Bron: commons.wikimedia.org (Maker: Gouwenaar; Datum: 14 oktober 2009; Licentie: Public Domain)


 
 
Er verandert weinig aan het uiterlijk van het pand tot de toenmalige eigenaar, Nicolaas Cristofer Hensen, in 1923 drastisch aan het verbouwen gaat voor zijn confectiemagazijn met ‘heeren-, jongeheeren- en kinderkleeding’ . Met name de benedenverdieping wordt behoorlijk onder handen genomen en het bordes moet het veld ruimen. Daarnaast worden er teksten op de voor- en zijgevels aangebracht. De blauwdruk laat zien dat het oorspronkelijke idee voor de tekst op de voorgevel ‘N.C. Hensen Heeren Modes’ zou moeten worden, echter er is uiteindelijk blijkbaar gekozen voor de tekst ‘N.C. Hensen Kleeding naar Maat’.

 

Blauwdruk

Blauwdruk ‘Plan verbouwing perceel hoek O. Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen-Groningen’.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 

Statistische berekening

Statistische berekening van de ijzeren balken en kolommen benodigd voor de verbouwing van de percelen hoek Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen te Groningen.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)


 
 
Het pand zal ongeveer een eeuw in deze familie blijven. Op 9 november 1971 wordt het herenhuis ingeschreven in het register van beschermde rijksmonumenten. In 2016 is volgens de gegevens van het Kadaster het gehele pand met binnenterrein en parkeerplaatsen door een familielid aan een particuliere belegger verkocht voor ruim twee miljoen euro…

 

Advertentie N.C. Hensen

Advertentie N.C. Hensen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1919.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staat in Groningen, Pelgrimeren in Groningen, Wikipedia (Reductie van Groningen), Wikipedia (Klauwstuk), Wikipedia (Oeil de Boeuf), Wikipedia (Festoen), Cartago en Vestigingslocaties
 
 

Luitenant Gerardus Elleri

25 januari 2018 at 14:16

 
Elerie, met de klemtoon op de tweede lettergreep, is zeker geen onbekende naam in Wageningen. Met een beetje fantasie doet de naam zelfs buitenlands aan. Niets is minder waar: de naam blijkt een versteende patroniem te zijn uit Groningen.
Het is luitenant Gerardus Elleri, die de naam van de Groningse familie naar deze stad brengt. Spittende in het verleden kom ik tot de verrassende ontdekking dat deze voorouderlijke lijn van mijn oma uit hetzelfde Groningse gebied komt als de voorouderlijke lijn van mijn opa. De beide families moeten elkaar dus aan het begin van de zestiende eeuw gekend hebben. En dat terwijl mijn grootouders toch zeker beschouwd mogen worden als ‘echte Bennekommers’! De wereld is klein, blijkt maar weer.

Gerardus Elleri is de zoon van Dominus Arnoldus Elleri, Theologiae Candidatus, en Anna Margrieta Uchtmans. Zijn ouders laten hem op 1 maart 1696 Nederduits-Gereformeerd dopen in het Groningse Woltersum, waar zijn vader op dat moment schoolmeester is. Twee jaar later vertrekt het gezin naar Oosternieland in het uiterste noordoosten van Groningen, waar zijn vader opnieuw als schoolmeester aan de slag gaat tot zijn overlijden in 1708. Als Gerardus twintig jaar oud is komt ook zijn moeder te overlijden. Zij heeft nog wel mogen meemaken dat hij in december 1715 belijdenis van geloof aflegt in Groningen.

 

Doop Gerardus Elleri

Doopinschrijving van Gerardus Elleri op 1 maart 1696 te Woltersum.
Bron: allegroningers.nl


 
 
Gerardus gaat het leger in en wordt luitenant in het Regiment Infanterie van Kolonel Assuërus Vegelin van Claerbergen. Dit regiment werd opgericht op 9 april 1664 als Regiment van Luitenant Kolonel Doecke van Hemmema. Een luitenant, een samentrekking van de Franse woorden ‘lieu’ (plaats) en ‘tenir’ (houden), is de plaatsvervanger of rechterhand van de kolonel, een officiersrang die in die tijd is weggelegd voor een ‘heer van gegoede stand’.

In 1731 is Gerardus gelegerd in het Garnizoen Zutphen. Hij leert de uit het Groningse Oudeschans afkomstige Petrina Francoise de Soet kennen en ze besluiten op 5 augustus in Oudeschans te trouwen. Na moeder te zijn geworden van twee dochters overlijdt Petrina Francoise ergens tussen 1735 en 1737.

 

Ondertrouw Zutphen Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksinschrijving van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 8 juli 1731 te Zutphen.
Bron: zoekakten.nl

 

Huwelijk Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 5 augustus 1731 te Oudeschans.
Bron: allegroningers.nl


 
 
Op 6 juli 1737 wordt Gerardus met attestatie van Warnsveld als lidmaat ingeschreven in Wageningen. Zijn overplaatsing naar Wageningen is niet zo verwonderlijk, aangezien Kolonel Vegelin van Claerbergen in dat jaar Garnizoenscommandant in deze plaats wordt.
Hij ontmoet de jonge Wageningse Jenneke van Veen met wie hij op 4 juli 1738 in Amerongen in het huwelijk treedt. Gerardus verblijft maar voor een korte periode in Amerongen, want zijn zoon en drie dochters worden in Wageningen geboren.

 

Ingekomen Gerardus, Wageningen 6 juli 1737

Gerardus komt met attestatie van Warnsveld op 6 juli 1737 over naar Wageningen.
Bron: Gelders Archief

 

Huwelijksinschrijving Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksinschrijving van Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen op 12 juni 1738 te Wageningen.
Bron: zoekakten.nl

 

Huwelijk Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Jenneke van Veen op 4 juli 1738 te Amerongen.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Gerardus vertrekt in 1744 met het regiment naar de Zuidelijke Nederlanden, waar het Staatse leger steun biedt aan onder andere de Engelsen, de Oostenrijkers en de Hannoverianen in hun strijd tegen Frankrijk en zijn bondgenoten in de Oostenrijkse Successieoorlog.
De Fransen hebben het plan opgevat om Doornik in het voorjaar van 1745 te bestormen en in te nemen om vervolgens de Oostenrijkse Nederlanden binnen te trekken. Er wordt door Frankrijk gezocht naar een geschikt terrein om de vijand het hoofd te kunnen bieden. De keuze valt op een uitgestrekt en golvend plateau tussen Doornik en Bergen, dat gelegen is op de rechteroever van de Schelde en wordt doorsneden door een ravijn. Op de linkerflank ligt het dorpje Antoing en in het centrum van de linie Fontenoy. Het zal op 11 mei 1745 uitmonden in ‘De Slag bij Fontenoy’. Het levert Frankrijk uiteindelijk de overwinning op, maar kost aan duizenden mannen het leven. Ook Gerard keert niet meer terug…

 

Slagordes bij de Slag bij Fontenoy

Plattegrond met de slagordes van de legers bij de Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 tussen het Geallieerde leger en de Fransen.
Bron: Rijksmuseum

 

De Slag bij Fontenoy 1745

De Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 door Édouard Detaille.
Bron: nl.wikipedia.org


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Fleabyte, Wikipedia, Uit de oude Koektrommel en Gens Nostra (maart 2004; door P.J.C. Elema: ‘Elleri/Elerie; Groningen, met een tak Wageningen (1615-1903)’)

 

Gerrit Hopman, ziekentrooster in dienst van de V.O.C.

15 januari 2018 at 22:52

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’
 
Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 
 
De rede van Texel

De rede van Texel, waar vandaan Gerrit Hopman voor zijn laatste reis vertrok
Bron: Texelhuis

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Gezellige feestdagen!

20 december 2017 at 15:34

 

Kerstkaart

© Uit de oude Koektrommel


 
 

Vondeling Betje Goedhart

12 december 2017 at 16:01

 
Betje Goedhart. Deze naam wordt gegeven aan het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelinghuis. Op 20 april 1840 om elf uur ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor het huis. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelinghuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 58 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelinghuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: zoekakten.nl

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zal, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Betje leert in ieder geval lezen en schrijven en wordt opgeleid tot dienstbode. Van 1860 tot 1862 is zij op diverse adressen in Amsterdam terug te vinden in het bevolkingsregister, maar verruilt op 16 januari 1862 Amsterdam voor Weesperkarspel. Als ‘officiële geboortedatum’ wordt 24 februari 1840 aangehouden, echter de geboorteplaats varieert van ‘onbekend’ tot ‘Amsterdam’.
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: zoekakten.nl

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Zoekakten, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Doodsbriefjes

13 november 2017 at 23:17

 
Geschiedenis

De overlijdensaangifte werd veelal gedaan door aangevers of familieleden van de overledene, die tevens een verklaring van de doodsoorzaak invulden. In sommige begraafregister uit de achttiende eeuw kan je, zij het sporadisch en afhankelijk van de gemeente, nog wel eens een vermelding van een doodsoorzaak tegenkomen. Geleidelijk aan groeide het besef bij geneeskundigen en instanties dat het toch van belang zou kunnen zijn om vast te stellen welke (vaak besmettelijke) ziekten het meest voorkwamen, welke met regelmaat terugkeerden en in welke maand en op welke leeftijd men het grootste risico liep te sterven, zodat men voorzorgsmaatregelen kon nemen.

Een eerste registratie van ziekten en doodsoorzaken was er in 1755 voor de gemeente ‘s-Gravenhage. In de periode tussen 1755 en 1773 werden daar sterftegegevens gepubliceerd, die ingedeeld waren naar éénenzeventig doodsoorzaken. Erg nauwkeurig waren deze registraties overigens niet. Andere plaatsen volgden, waaronder Amsterdam waar in 1773 op last van de burgemeesters werd begonnen met het noteren van de doodsoorzaken. De Amsterdamse lijsten waren vrij volledig aangezien daar sinds 1775 niemand zonder toestemmingsbriefje begraven mocht worden. Vanaf 1777 werd hier naast de doodsoorzaak tevens de leeftijd van de overledene vastgelegd.

Door de invoering van de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst en de Wet op het Geneeskundig Staatstoezicht in 1865 en definitief geregeld door de invoering van de Begraafwet in 1869 was de arts, die iemands dood vaststelde, verplicht een verklaring van overlijden op te maken. Daarin werd de doodsoorzaak opgetekend, de zogeheten ‘doodsbriefjes’. Bij afwezigheid van een behandelend arts was deze taak weggelegd voor een door de gemeente aangewezen lijkschouwer om op deze manier met name het begraven van schijndoden te voorkomen. Zonder deze verklaring mocht niet langer meer tot begraven overgegaan worden. Bovendien was de gemeente verplicht de gegevens over de doodsoorzaak, aangevuld met gegevens over geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en beroep, op te sturen naar de Inspectie van het Geneeskundig Staatstoezicht. Vanaf 1901 zijn de statistiek van de sterfte en van de doodsoorzaken door het Centraal Bureau voor de Statistiek samengesteld.

 

Overlijdensverklaring uit 1869

Doodsbriefje uit 1869 met vermelding van de primaire en secundaire oorzaak.
Bron: Archieven.nl

 

Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880

Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880, af te geven aan het ‘Bureau van den Burgerlijken Stand’ bij de aangifte van het overlijden.
Bron: zoekakten.nl

 
 
Overlijdensverklaringen A en B

Vanaf 1926 dienen er twee verklaringen te worden opgemaakt: het doodsbriefje of formulier A, ook wel A-verklaring en een doodsbriefje of formulier B, ook wel B-verklaring. Deze documenten zijn wettelijk vereist voor een doodverklaring.

Op de A-verklaring werd in eerste instantie de naam van de overledene aangegeven, de overlijdensdatum en de doodsoorzaak. Hierbij was het niet noodzakelijk om het tijdstip van overlijden te vermelden. Vanaf 1 april 1956 bevat het doodsbriefje A niet meer de exacte doodsoorzaak en valt daarmee ook niet onder het medisch beroepsgeheim.
Op de A-verklaring wordt iemand dus officieel doodverklaard. Deze verklaring kan worden afgegeven aan de nabestaanden, maar meestal wordt deze direct overgedragen aan de uitvaartondernemer om het overlijden aan te kunnen geven bij de Burgerlijke Stand. Vervolgens en pas dan wordt er een verlof tot begraving of cremeren afgegeven door de gemeente.

De B-verklaring is een uitgebreider document. Op deze verklaring wordt de doodsoorzaak van de overledene aangegeven en de omstandigheden die hebben geleid tot het overlijden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een natuurlijke dood, een niet-natuurlijke dood en doodgeboren. De B-verklaring valt wel onder het medisch beroepsgeheim. Om deze reden is in artikel 12a van de Wet op de Lijkbezorging bepaald dat de B-verklaring in een gesloten enveloppe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand moet worden verstrekt. Aan deze enveloppe is een strook bevestigd waarop de identiteit van de overledene staat vermeld. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand scheurt de strook af voor de gemeentelijke administratie. De enveloppe wordt ongeopend, en voorzien van het nummer van de overlijdensakte, opgestuurd naar de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daar worden de gegevens anoniem verwerkt ten behoeve van de statistiek.
 
 
Niet-natuurlijk overlijden

Als de schouwarts zeker weet dat er geen sprake is van of als hij twijfelt aan een natuurlijke oorzaak van het overlijden geeft deze geen verklaring van natuurlijk overlijden af en wordt dit overlijden aan de gemeentelijk lijkschouwer gemeld. Deze verricht vervolgens zelf een lijkschouw.

Een niet-natuurlijk dood is een overlijden als gevolg van een ongeval, misdrijf, zelfdoding of levensbeëindigend handelen. Wanneer een minderjarige is overleden, moet de gemeentelijke schouwarts altijd gewaarschuwd worden. Ook een doodgeboorte moet altijd apart worden aangegeven. In al deze gevallen mag alleen de gemeentelijke schouwarts de verklaringen invullen. Als ook deze twijfelt aan of niet overtuigd is van het natuurlijke karakter van het overlijden en geen verklaring van overlijden kan afgeven, brengt hij verslag uit aan de Officier van Justitie. De Officier van Justitie beoordeelt of het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd en als dit het geval is of een gerechtelijke sectie gelast moet worden.

Als de gemeentelijk schouwarts alsnog tot de conclusie komt dat er sprake is van een natuurlijk overlijden dan kan deze de A-verklaring en de B-verklaring invullen. Wordt de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een natuurlijk overlijden dan vult deze wel de B-verklaring in, maar niet de A-verklaring. In plaats daarvan worden twee zogeheten ‘Artikel 10-formulieren’ (genoemd naar artikel 10 van de Wet op de Lijkbezorging) ingevuld. Het ene formulier wordt in plaats van de A-verklaring gestuurd naar de Burgerlijke Stand; het andere formulier gaat naar de Officier van Justitie. Als de Burgerlijke Stand geen verklaring van overlijden maar een ‘Artikel 10-formulier’ ontvangt, wordt er niet eerder een verlof tot begraven of cremeren afgegeven voordat een brief van de Officier van Justitie is ontvangen met de daartoe verleende toestemming, zodra het lichaam van de overledene is vrijgegeven.

 

Gevonden verdronken persoon

Een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden: een verdronken manspersoon, gevonden op 12 februari 1787 in Amsterdam.
Bron: zoekakten.nl

 
 
Gedigitaliseerde archieven

Er bestond geen ‘bewaarplicht’ voor de doodsbriefjes. Dat houdt in dat veel doodbriefjes zijn vernietigd en dus niet meer bij het Gemeente- of Streekarchief te achterhalen zijn. Wilt u weten of overlijdensverklaringen in een bepaalde gemeente bewaard zijn gebleven, dan kunt u dit opzoeken in het desbetreffende archief (doorgaans het archief van de Burgerlijke Stand of het archief van het gemeentebestuur) of contact opnemen met de gemeentelijke instelling.

Toch is er ook al een start gemaakt om de bewaard gebleven of teruggevonden doodsbriefjes te indexeren en digitaal doorzoekbaar te maken. Hieronder volgt een overzicht van de weinige bronnen die mij bekend zijn. Zodra er nieuwe aanvullingen gevonden worden, zullen deze worden toegevoegd.
 
 
Amsterdam
Overlijdensverklaringen van Amsterdam vindt u via het Stadsarchief Amsterdam in de registers waarin aantekening werd gehouden van overledenen die bij de Burgerlijke Stand waren ingeschreven in de periode 1914 tot 1925. Het betreft de registers 1020-1047. De jaren 1854-1940 vindt u in de registers 341-519, ingedeeld naar wijknummer.
Weliswaar worden in deze bevolkingsstatistiek geen namen vermeld, maar aan de hand van de vermelde gegevens en datum van overlijden is het zeker mogelijk de doodsoorzaak van een gezocht persoon te achterhalen. Er wordt overigens nog gewerkt aan het project ‘Amsterdamse doodsoorzaken 1854-1940’.
 
Amsterdam
Geen overlijdensverklaringen, maar scans met registraties van overleden personen in Amsterdam met vermelding van de doodsoorzaak of vindplaats: verdronken en vermoorde personen (1777-1795, 1795-1807 en 1807-1811) en overlijden met vermelding van de doodsoorzaak (1783-1809 en 1810-1812)
 
Jongens Aalmoezeniersweeshuis Amsterdam; Ramp Westerkerk 1704
De jongens uit het Aalmoezeniersweeshuis zaten tijdens de dienst van 27 juli 1704 op de jongensgalerij van de Westerkerk, toen het gewelf boven hun hoofd plots instortte. Zes weesjongens overleefden de ramp in de Westerkerk niet en vierenveertig weesjongens raakten gewond. De lijst van doden en gewonden met vermelding van hun letsel vindt u onder inventarisnummer 648.
Website: Stadsarchief Amsterdam
 
Bommelerwaard
In het Regionaal Archief Rivierenland kunt u de scans vinden van de overlijdensverklaringen uit de gemeenten Poederoijen, Zuilichem, Rossum, Brakel, Heerewaarden en Hedel over de periode 1869-1956.
Directe link: RAR
Deze overlijdensverklaringen en scans zijn tevens te vinden via Open Archieven
 
Dordrecht
Transcripties van verklaringen van de heel- en vroedmeesters van Dordrecht betreffende de doodsoorzaak van niet op natuurlijke wijze overleden personen in de periode 1845-1852.
Website: DortenaZOEKer
 
Heerde
Van 1877 tot 1955 zijn er in Heerde (Gelderland) doodsbriefjes bewaard gebleven. In de doodsbriefjes staat de doodsoorzaak van de overledenen en in een kleiner aantal ook een voorafgaande ziekte. Van mensen die in een andere gemeente zijn overleden, zoals in het ziekenhuis in Zwolle, is geen doodsbriefje in Heerde ingeleverd en is de doodsoorzaak dus niet bekend.
In de pdf-bestanden vindt u allereerst een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis. Daarna volgt, voor zover bekend, de alfabetische lijst met overledenen en de doodsoorzaken; 1863–1882 (vanaf 1877 voorzien van de doodsoorzaken), 1883–1902, 1903–1922, 1923–1940 en 1941–1955.
 
Blokhuispoort Leeuwarden
Op de website van de strafgevangenis de Blokhuispoort in Leeuwarden vindt u een overzichtslijst van ‘inmates’, die zijn overleden in de bijzondere Strafgevangenis en Huis van Bewaring van Leeuwarden in de periode van 1874 tot 1969. Onderaan deze zelfde pagina kunt u de complete lijst ‘Overleden gevangenen van Leeuwarden 1784-2008’ downloaden als pdf-bestand. In deze lijst worden in de meeste gevallen tevens de doodsoorzaken vermeld.
 
Roosendaal-Nispen
In de databank van het West-Brabants Archief vindt u de overlijdensoorzaken van personen overleden in de plaats Roosendaal-Nispen in de periode 1864-1938.
Directe link: West-Brabants Archief
 
Vries
Scans van doodverklaringen uit de Drentse gemeente Vries uit de periode 1872 tot 1882.
Directe link: Zoekakten
 
Weesp
Vermeldingen van doodsoorzaken uit de periode van 1731 tot 1912.
Website: Archieven
 
 
Verklaringen medische termen

De betekenis van medische termen en begrippen kunt u vinden in het online Nederlands medisch en geneeskundig woordenboek (zoeken kunt u via de index bovenaan de pagina) of in de encyclopedie van Dokterdokter.
Een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis vindt u tevens in de hierboven genoemde pdf-bestanden van Heerde.
Kunt u niet helemaal uit de omschreven doodsoorzaak komen, dan is de lijst met doodsoorzaken en spellingsvarianten een handig hulpmiddel. Deze lijst is (rechtstreeks op uw computer!) te downloaden via de invoerinstructies van Vele Handen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Streekarchief Bommelerwaard, Uitvaart.nl, Wikipedia, Uitvaartverzekeringen, CBS, Format.nl
 
 

Joodse begraafplaatsen en grafstenen

25 oktober 2017 at 13:46

 
Voor een Joodse begraafplaats geldt eeuwige grafrust. Om deze reden mogen Joodse begraafplaatsen dan ook niet worden geruimd volgens de wetten van het jodendom. Het is een plaats waar voorouders ongestoord wachten op de komst van de ‘masjiach’ (Messias); het moment dat alle rechtvaardigen zullen opstaan voor het eeuwige leven. Alleen bij hoge uitzondering mag de grafrust van de overledenen worden verstoord. Of eigenlijk alleen dan als een graf of een hele begraafplaats om een uiterst dringende reden moet worden ontruimd.

De begraafplaats ligt van oorsprong niet binnen de bebouwde kom. Ondanks dat de begraafplaats gewijde grond is, wordt een lijk als onrein gezien en daarvoor niet begraven binnen de bebouwing.
Over het algemeen zijn de Joodse begraafplaatsen in Nederland in te delen in Sefardische en Asjkenazische begraafplaatsen. Sefardische begraafplaatsen worden gekenmerkt door liggende grafstenen, terwijl op Asjkenazische begraafplaatsen de grafstenen rechtop staan. Daarnaast zijn de Joodse graven in ons land op het zuidoosten gericht in de richting van Jeruzalem.
Ondanks dat het Joodse geloof ieder mens als gelijke ziet en zo ook begraven wordt, is er vaak toch een onderscheid te vinden in de vorm, bewerking en grootte van de gedenksteen.

 

Graf Mordechai Maisel nw

Het graf van Mordechai Maisel uit 1601 op de Oude Joodse Begraafplaats in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
De Hebreeuwse tekst op Joodse grafstenen begint en eindigt bijna altijd met dezelfde tekens. Beginnend met פנ (PN), wat staat voor ‘Po Niqbar’ bij mannen en ‘Po Niqbara’ voor vrouwen (hier is begraven), of met פט (PT), wat staat voor ‘Po Tamoen’ bij mannen en ‘Po Temoena’ bij vrouwen (hier is geborgen) en eindigend met תנצבה, (TNTBH) wat staat voor ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’ (Moge zijn of haar ziel gebonden zijn in de bundel der levenden). Dit is te vergelijken met het Latijnse R.I.P. (‘requiescat in pace’ oftewel rust in vrede) op Christelijke grafstenen.

Op de oudste zerken is meestal alleen de voornaam van de overledene te vinden, gevolgd door de vadersnaam oftewel patroniem. Op latere stenen staat veelal in het Hebreeuws de voor- en achternaam. Vaak zijn ook de woorden ‘bat’ (dochter van) of ‘ben’ (zoon van) te zien en worden soms naast de Joodse data de Christelijke data erbij vermeld. (Het Joodse jaartal kan naar de Gregoriaanse ongeveer omgerekend worden door de eerst 5 weg te laten en er 1240 bij op te tellen).
Tevens kunnen op de zerken afkortingen voorkomen in Latijnse karakters. Soms als afkorting van een Hebreeuwse tekst als Z.L. van ‘Zichrona Liwracha’ (Zijn nagedachtenis zij ten zegen) of T.M.K. de afkorting van ‘Tehi Menoechato Kawod’ (Moge zijn of haar rust eervol zijn), maar vaker als afkorting van een Nederlandse tekst als Z.R.I.V. of H.R.I.V. de afkorting van ‘Zij of Hij Ruste In Vrede’ en tenslotte Z.R.H.A. of Z.R.Z.A., wat wil zeggen ‘Zalig Ruste Haar of Zijn As’. (U vindt hier Ivriet afkortingen die voorkomen op Nederlands Joodse grafstenen).

 

Joodse begraafplaats Třebíč nw

De Joodse begraafplaats boven de Joodse wijk van Třebíč in Tsjechië.
© Uit de oude Koektrommel

 
De graven van mensen met de naam Cohen of variaties daarvan zijn meestal aan de buitenkant van de begraafplaats te vinden of langs de paden die voor de ‘Kohaniem’ door middel van speciale bordjes toegankelijk worden verklaard, het zogeheten ‘Kohaniempad’. ‘Kohen’ is Hebreeuws voor priester. De Kohaniem worden beschouwd als afstammelingen in de mannelijke lijn van de eerste Hogepriester Aäron. Zij leidden de diensten in de Tempel, geassisteerd door de Levi’iem, de afstammelingen van Levi, de derde zoon van aartsvader Jacob. Het is een priester namelijk verboden een begraafplaats te betreden, omdat deze onrein is. Het Kohaniempad is echter niet onrein en zo kan een priester toch het graf van familie bezoeken.

Op sommige zerken zijn afbeeldingen of symbolen aangebracht. Op een priestergraf staan twee zegenende handen afgebeeld. De handen worden zo gehouden bij het uitspreken van de priesterzegen in een synagoge. De vingers kunnen het teken vormen van de Hebreeuwse letter ‘sjin’ van ‘Sjaddai’ (Almachtige).
Het graf van een afstammeling van Levi is te herkennen aan een (waterschenkende) kan en schaal. Dit is het symbool van de Leviet, die de kan en schaal hanteert bij de rituele handwassing van een kohen, voorafgaand aan de priesterzegen. Zo is een hert het symbool voor afstammelingen van Naftali met namen als Zvi, Hirsch en Naftali. De leeuw staat voor afstammelingen van Juda met namen als Aryeh, Judah, Leib en Loew en de stam Benjamin heeft een wolf als symbool.
Er zijn nog meer van dit soort symbolen, zoals een sjofarhoorn voor een sjofarblazer, een gebroken tak of boom voor een jong overleden persoon en het snijwerktuig van de ‘moheel’, de uitvoerder van besnijdenissen. Een open boek duidt op een rabbijn of geleerde, een vogel duidt op het graf van een vrouw, terwijl een gebroken kaars op het graf van een vrouw een vroege dood op jonge leeftijd symboliseert.
Na 1900 komt, waarschijnlijk onder invloed van de Zionistische Beweging, de Davidster vaker voor op Joodse grafmonumenten, evenals een tros druiven als embleem van Israël en de menorah.

 

Oude Joodse Begraafplaats in Praag nw

De oudste nog bestaande Joodse begraafplaats van Europa: de Oude Joodse Begraafplaats in de wijk Josefov in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
Op de sabbat en de Joodse feest- en gedenkdagen zijn de begraafplaatsen voor bezoek gesloten. Een Joodse begraafplaats heeft dezelfde ‘heiligheid’ als een synagoge en ook hier dienen mannen hun hoofd te bedekken. Het wordt als respectloos beschouwd om over een graf te lopen of erop te staan, ertegenaan te leunen, er te eten, te drinken of te roken. Als men een grafsteen nader wil bekijken, benadert men deze van de zijkant.

Traditioneel worden er geen bloemen meegenomen. Als teken dat het graf wordt bezocht en de overledene niet vergeten is leggen Asjkenazim een steen(tje) en Sefardim in Nederland vaak wat gras op het graf. In de Chassidische en andere Sefardische gemeenschappen worden veelal kaarsen gebrand.
De oorsprong van dit gebruik van steentjes is oud en stamt mogelijk uit de oudtestamentische tijd, toen het Joodse volk een nomadisch bestaan leidde. Mensen werden begraven op de plek waar ze stierven en de vaak bovengrondse graven werden bedekt met hopen stenen. Zo lieten roofdieren de graven met rust. Andere bezoekers vulden de stenen vervolgens uit respect aan.
Door de eeuwen heen kreeg het leggen van de stenen op de graven een symbolische waarde. Stenen vergaan niet. Ze hebben eeuwigheidswaarde. De onvergankelijkheid van de stenen staat ook voor eeuwige liefde en geloof en het altijd durende respect; een herinnering aan en verbondenheid met de overledene.

 

Achtergelaten steentjes op een graf nw

Achtergelaten steentjes op een Joods graf met onderaan de afkorting van ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’.
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Zie ook Joodse families in Nederland voor indexen en foto’s van Joodse graven.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen tekst: Wikipedia, Joodse begraafplaats Assen, NIHS, Wikipedia en literatuur.