Archiefzoeker offline

9 december 2018 at 14:52

 
Enkele dagen geleden is de website Archiefzoeker van Eric Hennekam offline gehaald. Daarmee is de databank met de vele bronnen en tools niet meer beschikbaar.

Met een beetje speurwerk op het internet kunt u, zij het wat omvang betreft vaak minder groot, heel wat alternatieven vinden. Wellicht handig om de (genealogische) bronnen op deze website Uit de oude Koektrommel, gerangschikt per thema te vinden onder de menubalk, nog even onder de aandacht te brengen. (Sommige bronnen worden vermeld onder een bepaald artikel). Daarbij dient opgemerkt te worden, dat er op wekelijkse basis links worden toegevoegd. (Zie voor bronnen ook Zoekakten gestopt).
 

Adresboeken Nederland
AVG
Archieven Nederland
Archieven en indexen buitenland
Armvoogdij, vondelingen en weeskinderen, gasthuizen en voogden
België
Bidprentjes, begraafplaatsen en familieberichten
Burgerlijk Wetboek
Doodsbriefjes
Duitsland
Emigratie en passagierslijsten
Familienamen
Familiewapens
Franse Republikeinse kalender
Getranscribeerde Archieven
Gevangenissen en strafkoloniën
Handleiding Bevolkingsboekhouding
Huiszittenhuizen Amsterdam
Jaarboekjes ambtenaren belastingdienst
Joodse begraafplaatsen en grafstenen
Joodse personen in Nederland
Joodse personen in Duitsland
Miltaire registers en onderscheidingen
Naamsaanneming
Naturalisatie
Nederlands-Indië
Oude plaatsnamen en stratenlijsten
Paleografie
Persoonsbewijs
Poorter (Amsterdam)
Rampen en overstromingen in Nederland
Religie
Scheepssoldijboeken VOC
Schepen en opvarenden
Suriname
Vergelijking waarde guldens vanaf het jaar 1450
Voornamen
Wageningen
Woordenboeken
 
 

Carte de visite en Kabinetkaart

30 oktober 2018 at 13:05

 
Carte de visite

De ‘carte de visite’, vanaf ongeveer 1854 in gebruik, bestond uit een afdruk op klein formaat, geplakt op een stukje stevig karton van ongeveer 6,5 bij 8,5 centimeter. Voor het portret werd doorgaans de albuminedruk gebruikt; in die tijd de goedkoopste en makkelijkste manier om meerdere scherpe en gedetailleerde afdrukken op papier te maken. Voor het eerst sinds de introductie van de fotografie in 1839 waren er portretfoto’s beschikbaar voor een groter deel van de bevolking. Het monteren van de afdruk op karton was overigens noodzakelijk vanwege de neiging van albuminefoto’s om te krullen.

 

Carte de visite

Carte de visite (albuminedruk); fotograaf Alexandre Ken ; Parijs 1850-1874.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
Het was gebruikelijk om niet één afdruk te kopen, maar een set van zes tot twaalf stuks, zodat er ook exemplaren uitgedeeld konden worden aan familie, vrienden, kennissen of zakenrelaties. Vaak werden de cartes de visite verzameld in speciale insteekalbums. Ook het verzamelen van portretten van leden van het Koningshuis, politici en beroemdheden was een populaire bezigheid van met name vrouwen uit de betere kringen. Een bekende Nederlandse carte de visite-fotograaf was Israël Kiek. Aan hem is het begrip ‘kiekje’ te danken.

Een carte de visite werd niet enkel voor portretten en afdrukken van landschappen of gebouwen gebruikt, maar ook voor bidprentjes. Niet zelden werd hiervoor een post-mortem portret gebruikt, wat in die tijd vrij gebruikelijk was om de gedachtenis aan een overleden dierbare te bewaren. De carte de visite bood de mogelijkheid om exemplaren te versturen naar familieleden.

 

Blad met cartes de visite

Blad met cartes de visite (albuminedruk) 1860-1870.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
In de beginjaren van de carte de visite was de kartonnen ondergrond en achterzijde blanco. Later verscheen summier de naam van de fotograaf onder de foto, al snel gevolgd door een uitvoeriger naamsvermelding of zelfs hele reclameteksten van de betreffende fotograaf op de achterzijde. Een hoog staaltje typografisch werk was de belettering in goud op zwart of donkerrood of op een ondergrond in pasteltint. De achterzijden waren hierdoor soms nog gewilder als verzamelobject dan de portretten zelf.

 

Carte de visite; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een carte de visite door Stubers, circa 1882-1888.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Door de concurrentie van de kabinetkaart en na 1900 de andere vormen van fotografie, liep tegen het begin van de Eerste Wereldoorlog de vraag naar cartes de visite sterk terug.
 
 
 
Kabinetkaart

Vanaf 1866 kwam een groter formaat van de carte de visite in trek; de zogenaamde ‘cabinet card’, ‘kabinetfoto of -kaart’ of ‘kastkaart’. Deze benaming was afkomstig van de kast in de fotostudio, waarin de foto’s stonden uitgestald. De afmeting was ongeveer 11 bij 17 centimeter en de kabinetkaart was iets dikker dan de carte de visite. Deze kabinetkaarten werden meestal eenmaal afgedrukt en pronkten in speciale houders in kasten, op het tafelblad of op de schoorsteenmantel. Evenals voor de carte de visite werden er voor deze kaarten ook speciale albums op de markt gebracht waar achterin enkele pagina’s gereserveerd waren voor de oude familie-cartes de visite.

 

Kabinetkaart voorkant

Kabinetkaart: huwelijksfoto 1870-1880; Groh & Bro. Photographic Studio, Wisconsin.
Bron: Wikipedia (Public Domain)


 
Kabinetkaart achterkant

Achterzijde van de bovenstaande kabinetkaart.
Bron: Wikipedia (Public Domain)

 
Het uiterlijk van de kabinetkaarten vertoonde vanaf 1880 een sterke verandering in kleur- en tekstgebruik. Daarnaast werd de albuminedruk geleidelijk aan vervangen door onder andere de natte collodiumdruk en de gelatinezilverdruk.
Het grotere formaat zorgde er tevens voor, dat eventuele gezichtsgebreken of -onvolkomenheden duidelijker zichtbaar werden. Fotografen namen om deze reden wel kunstenaars in dienst om foto’s te retoucheren door het negatief te bewerken.

 

Cabinet Card; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een kabinetkaart door L. Bergman, circa 1882.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)


 
Achterzijde kabinetkaarten

Enkele voorbeelden van achterzijden van kabinetkaarten.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Als gevolg van de introductie van de fotografische ansichtkaart en de betaalbare Kodak-camera, waardoor men zelf foto’s ging maken, nam rond 1900 de populariteit van de kabinetkaart af. De wereldwijde productie van kabinetkaarten zou tot halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw blijven bestaan.
 
 
 
Dateren

Het dateren van een carte de visite of een kabinetkaart is niet zo eenvoudig en kan het beste aan deskundigen worden overgelaten. Toch zijn er wel enkele kenmerken, die mogelijk een indicatie kunnen geven van de periode. U dient er wel rekening mee te houden, dat de voorraad kaartjes door de fotograaf geheel werd opgebruikt, alvorens er nieuwe kaartjes in gebruik werden genomen. Bovendien werd het karton nogal eens hergebruikt of zijn foto’s later op nieuwer karton gemonteerd. De onderstaande kenmerken zijn een samenvatting van diverse bronnen op het internet. Aanvullingen of verbeteringen zijn welkom!

Dikte van het karton
De foto’s werden geplakt op stevig karton. Postkaarten en ‘slappe’ exemplaren zijn van na 1900.
• Tot 1880 geplakt op rechthoekig dun karton
• Van 1880 tot 1890 geplakt op rechthoekig dik karton
• Van 1890 tot 1900 geplakt op dik karton, veelal slechter van kwaliteit. In deze tijd zien we het gebruik van de afgeronde hoeken en het reliëf in het karton.

Dikte van de carte de visite
• 1854-1870 0,3-0,5 mm
• 1870-1885 0,5-0,7 mm
• 1885-1890 0,7-1,0 mm
• 1890-1914 1,0-1,2 mm

Gewicht van de carte de visite
In het begin werd er nog gebruik gemaakt van dun karton. In de loop der jaren werd het karton dikker. Globaal kunnen de volgende gewichten worden gegeven voor datering.
• 1860-1870 1,5-2,5 gram
• 1864-1874 2,5-3,5 gram
• 1874-1886 3,5-4,5 gram
• 1879-1893 4,5-5,2 gram
• 1886-1910 meer dan 5,2 gram

Kleur van het karton
• Tot 1880 wit tot roomwit. Deze kleuren zouden later weer terugkomen, maar dan op dikker karton.
• Van 1880 tot 1890 kleuren als bruin, zwart en groen.
• Van 1882 tot 1888 matte voorzijde in lichtgeel en een glanzende achterzijde.

Uiterlijk van het karton
• Tot 1880 gouden of rood gedrukte rand met een enkele of dubbele lijn; een rode of zwarte lijn om de foto.
• Rond 1885 brede gouden of zilveren lijnen.
• Van 1885 tot 1892 gouden of zilveren rand.
• Van 1889 tot 1896 afgeronde hoeken en een gouden of zilveren randlijn.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor zowel het karton als de belettering.

Belettering van het karton
• Tot 1880 de naam en eventueel het adres van de fotograaf worden vaak klein en netjes afgedrukt onder de afbeelding of op de achterzijde met eventueel de vermelding van de studionaam.
• Van 1880 tot 1900 artistiek vormgegeven tekst aan de voorzijde en extra versiering aan de achterzijde, vaak in cursieve stijl. De naam van de studio neemt vaak de volledige achterzijde van de kaart in beslag.
• Van 1880 tot 1895 gouden tekst op zwart karton.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor de belettering en/of versiering.

Portret
• Tot 1870 hadden de foto’s rechte hoeken, daarna verschijnen exemplaren met afgeronde hoeken.
• Tot 1870/1880 keken mannen recht in de lens en vrouwen meer naar opzij.
• Van 1860 tot 1870 was voor gewone portretten het beeld ten voeten uit, daarna meestal tot de knie of buste.
• Vanaf 1880 krijgen de foto’s meer achtergrond.
• Vanaf 1890 waren de foto’s tot aan de buste doorgaans scherp en de onderkant vervaagd.
• Tot 1890 werden mannen en vrouwen nauwelijks als koppel geportretteerd.

Bijschriften
Mogelijk zijn er teksten bijgeschreven op de carte de visite of de kabinetkaart. In het geval het een naam betreft zou deze van de geportretteerde kunnen zijn, maar het kan bijvoorbeeld net zo goed de naam zijn van degene voor wie de kaart bestemd was. Voorzichtigheid is ook geboden bij een vermelde datum. Dit hoeft niet direct de opnamedatum te zijn.

Kleding
Kleding, hoofddeksels en haardracht kunnen een goede indicatie geven van een bepaalde periode. Met name dameskleding was veel meer aan mode onderhevig als herenkleding. (Zie bijvoorbeeld Vrouwenmode en Kleding)

 

Cabinet Card

Kabinetkaart uit 1885 met de handgeschreven tekst: ‘Yours with best wishes, S. M. Burroughs’.
Bron: Welcome Collection (Public Domain; CC BY 4.0)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: UofL Libraries, Kabinetfoto (Wayback Machine), Ontdek jouw verhaal, D.P. Huijsmans, Wikipedia (Carte de visite), City Gallery, HCO en Wikipedia (Cabinet Card)
 
 

Grootmoe Leen en Grootmoe Wies

24 oktober 2018 at 01:51

 
Jaren geleden kreeg ik van een familielid een plastic tasje met foto’s. Ik ‘moest maar kijken of ik er iets mee kon…’ Het tasje bleek een handjevol ‘pareltjes’ te bevatten. Een zeer welkome aanvulling op de toch al geringe hoeveelheid oude familiefoto’s, die binnen onze familie circuleert.
Bijzondere vondsten waren de foto’s van mijn betovergrootmoeders Helena van Deelen en Louise Jansen. Grootmoe Leen en Grootmoe Wies, de beide grootmoeders van mijn oma.

Helena werd als vierde dochter van de Bennekommer boerenknecht, dagloner en arbeider Aalbert van Deelen en de uit Otterlo afkomstige boerenmeid en arbeidster Dientje Freriks op 11 oktober 1858 ’s avonds om acht uur geboren in Otterlo. Tot aan haar huwelijk zou Helena in Otterlo blijven wonen.
Op 26 april 1879 trouwde Helena, twintig jaar oud, in Ede met de zeven jaar oudere Wageninger arbeider Casper Vermeer, weduwnaar van Grietje Riggelink. Na het huwelijk gingen Helena en Casper in Bennekom wonen. Op 30 oktober van hetzelfde jaar werd hun oudste zoon geboren, die slechts achttien dagen oud zou worden. Er volgden nog twee zonen, vijf dochters en twee levenloos geboren kinderen. In 1916 werd Helena weduwe; zij zelf overleed in Bennekom op 17 januari 1938, negenenzeventig jaar oud.

 

Helena van Deelen

Helena van Deelen
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 

Geboorteakte Helena van Deelen

Geboorteakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 

Gerecontrueerde PK van Helena van Deelen

Gerecontrueerde persoonskaart van Helena van Deelen.
Bron: archieval.nl

 

Overlijdensakte Helena van Deelen

Overlijdensakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 
Louise werd op 15 oktober 1860 ’s avonds om negen uur in Ede geboren als oudste dochter van de uit Ede afkomstige smid en arbeider Cornelis Jansen en spinster Gerritje van de Weerd. Het gezin liet zich op 21 november 1870 uitschrijven van Ede Dorp 71 naar Woudenberg om later weer in Ede neer te strijken.
Louise trouwde, 20 jaar oud, op 16 april 1881 in Ede met de Bennekommer boerenknecht en arbeider Rut Hulstein. Ook Rut en Louise vestigden zich na hun trouwen in Bennekom. Hun oudste zoon werd geboren op 6 november van hetzelfde jaar. Er zouden nog drie zonen en zes dochters volgen. Louise overleed op 25 december 1932 te Bennekom op tweeënzeventigjarige leeftijd; ruim drie weken later gevolgd door haar man.

 

Louise Jansen

Louise Jansen
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 

Geboorteakte Louise Jansen

Geboorteakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief

 

Gereconstrueerde PK van Louise Jansen

Gereconstrueerde persoonskaart van Louise Jansen.
Bron: archieval.nl

 

Overlijdensakte Louise Jansen

Overlijdensakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief

 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Hollandgangers

7 oktober 2018 at 01:26

 
Hollandgangers, hannekemaaiers, pikmaaiers of poepen

Vrolijk werd er in de Duitse dorpen afscheid genomen van de mannen die, gewoonlijk na Pinksteren, voor een seizoen hun geluk gingen beproeven bij hun westerburen. ‘Hollandgänger’, of zoals ze in ons land werden genoemd: ‘Hollandgangers’, ‘hannekemaaiers’, ‘pikmaaiers’ of ‘poepen’. Hannekemaaier was een samentrekking van Hannes, de verkleinvorm van de voornaam Johann, en het woord maaier. Dit had te maken met Sint Johannesdag op 24 juni; traditioneel de dag waarop het gras gemaaid werd. Pikmaaier voor de maaier met de korte zeis en de bijnaam ‘poepen’ zou ontstaan zijn doordat ze elkaar vaak aanspraken met het Duitse woord ‘Bube’ voor ‘jongen’ of ‘kerel’.

Al sinds het begin van de zeventiende eeuw kwamen de seizoenarbeiders, vaak bitter arme keuterboeren uit Westfalen en het Osnabrücker- en Münsterland en later tevens uit het noordwesten van Duitsland, naar Holland om hun schamele inkomsten aan te vullen door voor de werkgever gras te maaien en te hooien voor de winterse stalvoeding van het melkvee of veen te baggeren voor de turfwinning.

 

Auszug der Hollandgänger (Zeichnung)

Die Hollandgänger, Tekening door L. Preller, Emslandmuseum Lingen.
Bron: euregio-history.net (CC0 1.0 Universal Public Domain)


 
 
Oorzaak van de trek naar Holland

De meeste Hollandgangers waren in eerste instantie afkomstig uit het prinsbisdom Osnabrück. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) had heel wat geld opgeslurpt in het prinsbisdom. Om de enorme schuldenlast weg te werken werd een ingrijpende belastingpolitiek gevoerd, met als gevolg dat de bevolking drastisch verarmde.
Bovendien speelde, naast de enorme bevolkingsgroei, het verbod op erfdeling een belangrijke rol. In de praktijk kwam het erop neer dat de oudste zoon het familiebedrijf erfde om versnippering van het bedrijf tegen te gaan. De overige kinderen moesten het doen met een vaak geringe afkoopsom. Dit hield in dat niet-ervende kinderen van boeren, ‘Hüsselten’ genoemd, geen eigen grond bezaten en tevens niet konden ‘introuwen’. Voor hen lag de oplossing in het huren (‘heuern’) van een stukje land en bewoning. Op deze manier ontstond het systeem van ‘Heuerleute’. Onder deze vaak toch wel armlastige Heuerleute was een aanzienlijk aantal Hollandgangers te vinden.
 
 
Routes

Bepakt met gereedschap en een ‘Essensack’ met kleding, eieren, spek, gerookt varkensvlees en brood werd er zoveel mogelijk in groepen vertrokken vanuit de woonplaats, waarbij gaandeweg de reis naar Holland de verschillende groepen zich bij elkaar aansloten. De afstand tussen het gebied van afkomst en de plaats van bestemming bedroeg al snel zo’n tweehonderd tot driehonderd kilometer; een tocht die hoofdzakelijk te voet werd afgelegd. Soms ging de reis naar Noord-Holland per schip naar Amsterdam en legde men aan bij de Oude Brug, ook wel ‘moffenbrug’ genoemd.

Gemakkelijk was de reis zeker niet. De wegen waren soms slecht en uitgestrekte veengebieden belemmerden een rechtstreekse doorgang, waardoor er twee natuurlijke routes genomen konden worden. De noordelijke route liep via een smalle strook tussen de Dollard en het Bourtanger Veen naar Groningen en Friesland. De hoofdroute liep, met de aftakking naar het noorden, door Lingen en het Graafschap Bentheim tussen de venen via de smalle rivierbedding van de Vecht naar de Zuiderzee. Sommigen namen vervolgens het pad naar het zuiden richting Brabant, Zeeland of België.

 

Route

Routes van de Hollandgangers.


 
 
Werkzaamheden

In het voorjaar werkten de boeren op het eigen land. Vervolgens vertrokken zij naar Holland voor seizoenswerk om in de nazomer weer de werkzaamheden op het eigen land te hervatten. Dat was broodnodig aangezien de inkomsten van het eigen land en de winterse huisnijverheid als wolspinnen, breien, weven, klompen- en bezemmaken en mandenvlechten niet genoeg opleverde om een gezin van te kunnen onderhouden. Vaak boden zij zichzelf aan op de ‘poepenmarkt’; doorgaans een hoekje op de veemarkt. In veel gevallen keerden zij jarenlang terug naar dezelfde werkgever.

Holland kende een periode van economische bloei, waardoor er een permanente vraag was naar arbeidskrachten. De Hollandgangers hadden door de werkzaamheden in hun thuisland doorgaans de nodige ervaring in het aangeboden werk. Hierdoor lag het vinden van werk en een hoger loon in het vooruitzicht.
Naast het werk op het land waren ‘in de hoogtijdagen’ veel seizoenwerkers werkzaam op de walvis- en koopvaardijvaart, als tichelwerker op de steenbakkerijen, als polderjongens bij de aanleg van vaarten en dijken, als blekersboden op de blekerijen en als tuinlieden op de buitenplaatsen. Door de interesse in ons land voor Duitse koopwaar, waaronder het Westfaalse linnen, besloten sommige Hollandgangers extra verdiensten te genereren door deze goederen in manden op de rug mee te nemen.

 

Hannekemaaiers

In Noord-Holland en Friesland sliepen de Hannekemaaiers in de schuur of de stal van de boer. De Oost-Friezen waren herkenbaar aan hun kleding; op warme dagen maaiden ze in hun rode hemd. De Friese boerinnen waren weg van deze stof en al snel werd gevraagd om het jaar daarop deze stof mee te brengen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto genomen in Museumdorp Allingawier.)


 
 
Onder invloed van de verslechterende economische omstandigheden in Holland, de juist toenemende welvaart in eigen land en de emigratiestroom naar Amerika nam in de tweede helft van de negentiende eeuw het aantal Hollandgangers steeds meer af
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (Hannekemaaier), Verre Verwanten, Barendse, Members Home, Achter de Breede Sloot, HK Losser en Museumdorp Allingawier
 
 

De ‘verdwenen’ Joseph Ubeda

30 augustus 2018 at 13:03

 
Joseph Ubeda werd op 16 november 1830 ’s nachts om één uur geboren in Nijmegen. Hij was de derde zoon uit een gezin met veertien kinderen, waarvan de oudste voortkwam uit een relatie van moeder Maria Giesbers met een, voor ons althans, onbekende man. Zijn vader was de uit het Spaanse Huèrcal de Almeria afkomstige José Antonio Rueda de Ubeda; stamvader van de familie Ubeda in Nederland.

 

Geboorteakte Joseph Ubeda

Geboorteakte van Joseph Ubeda.
Bron: Gelders Archief

 
Dat Joseph hoogstwaarschijnlijk naar het buitenland was vertrokken leek aannemelijk. In Nederland was maar weinig informatie over hem te vinden. Het lotingsregister van Nijmegen vermeldde, naast de gebruikelijke gegevens, alleen ‘No. 208’. Dat leverde dus geen enkel aanknopingspunt op. De periode, waarin hij het ouderlijk huis verlaten zou hebben, balanceerde bovendien op het randje van de invoering van het vastbladig bevolkingsregister, wat het ‘opsporen’ bemoeilijkte.
Uiteindelijk wordt zijn vermelding gevonden in het bevolkingsregister van Amsterdam: ingeschreven op het adres Elandsgracht-Klaverbladsgang No. 224 A, ongehuwd, Rooms Katholiek, knecht van beroep en ‘dienst genomen zonder kennisgeving’. Dit was meteen het voorlopig laatste teken van leven van Joseph in Nederland.

 

De Elandsgracht (NZ) met ‘Fort Sjako’ rond 1885. Een stukje verderop tussen de nummers 52 en 56 bevond zich de Klaverbladsgang.
Bron: Elandsgracht (embedded)

 

Bevolkingsregister Amsterdam

Aanknopingspunt in het bevolkingsregister van Amsterdam: ‘dienst genomen zonder kennisgeving’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Met als enig aanknopingspunt ‘dienst genomen zonder kennisgeving’, kon het spitten in de militaire stamboeken dus beginnen. Aangezien zijn oudere broers bij het Regiment Infanterie waren terechtgekomen, zou dat de eerste gok moeten zijn. Zijn vermelding werd al snel gevonden in de klapper van het 3e Regiment Infanterie. De inschrijving in het stamboek leverde verwijzingen en inschrijfnummers naar en van andere regimenten op.

Joseph had volgens zijn signalement een lengte van 1.603 meter, een ovaal gezicht, een rond voorhoofd, een spitse kin, normale neus en lippen, bruin haar, blauwe ogen, bruine wenkbrauwen en een litteken boven zijn linker oog. Als laatste woonplaats werd Rotterdam vermeld, waar hij werkzaam was geweest als knecht in een koffiehuis.
Op 25 April 1849 werd hij als reserve milicien voor de tijd van vijf jaar ingedeeld bij het 7e Regiment Infanterie als nummerwisselaar van Eduardus Wilhelmus Friebels van de lichting van 1849 van Nijmegen. Daar zal vast een welkome beloning tegenover gestaan hebben.
Vanaf 20 Mei 1850 kwam hij in actieve dienst, amper 3 maanden later gevolgd door groot verlof.

 

Inschrijving stamboek 7e Regiment Infanterie

Gedeelte van de inschrijving in het stamboek van het 7e Regiment Infanterie.
Bron: FamilySearch

 
Joseph ging op 5 maart 1851 als milicien over naar het 3e Regiment Infanterie met een vrijwillige verbintenis voor de tijd van zes jaar. Hij kreeg hiervoor een premie van 20 gulden. Ruim drie jaar later, op 15 mei 1854, werd Joseph geroyeerd als milicien en als vrijwilliger aangemerkt. Op 18 december 1856 werd hij ‘gereëngageerd’ voor de tijd van zes jaar, ingaande 5 maart 1857, met een handgeld van 25 gulden.
Op 1 mei van datzelfde jaar besloot Joseph een nieuwe verbintenis te tekenen voor de tijd van zes jaar bij het Koloniaal Werfdepot, ingaande op de dag van inscheping naar de overzeese bezettingen in Oost-Indië en met een premie van 85 gulden.

Het lijkt voor de hand liggend dat Joseph heeft ingetekend bij het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indisch Leger in Harderwijk. Het Koloniaal Werfdepot was het legeronderdeel dat in Nederland rekruten aanwierf en de soldaten in een zesweekse opleiding klaarstoomde voor hun dienst in de Oost. In de tijd van Joseph was dit een beroepsleger, aangezien de grondwet de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniën verbood, en viel na inscheping onder het Ministerie van Koloniën.

 

Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat

Het Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat te Harderwijk.
Bron: Wikipedia (public domain)

 
Lang hebben zijn werkzaamheden voor het Koloniaal Werfdepot niet geduurd. Gelet op de vermelde data is het zelfs nog maar de vraag of hij zijn bestemming in Oost-Indië bereikt zal hebben. Op 12 juli 1857 stapte Joseph namelijk over aan boord van het schip Willem en Carel met bestemming West-Indië, dienende als jager 2e klas in het 27e Bataljon Jagers.

 

Stamboek Koloniaal Werfdepot

Gedeelte uit het stamboek van het Koloniaal Werfdepot.
Bron: FamilySearch

 

Stamboek Suriname Joseph Ubeda

Inschrijving van Joseph Ubeda in het West-Indisch stamboek.
Bron: GaHetNa

 
Uiteindelijk zou hij terecht komen in de Surinaamse militaire post Republiek aan de Coropinakreek. Deze post was destijds alleen bereikbaar over het water en lag in het Paragebied, het oudste plantagegebied van Suriname, dat bekend stond om de productie van suiker en houtskool voor brandstof.
Waarschijnlijk heeft Joseph nog de slavenopstand in de plantage Vier Kinderen van 1857 meegemaakt, die uitbrak na het aantreden van een nieuwe directeur. Nadat de opstandigheid van de slaven al zo’n acht maanden gaande was, werden er uiteindelijk 120 militairen van de militaire post Republiek op de ongeveer 180 slaven afgestuurd, waarbij 17 ‘belhamels en opstokers’ werden opgepakt.

Joseph overleed plotseling in de militaire post Republiek op 8 maart 1859, nalatende 7 gulden en 9 cent; een bedrag dat omgerekend vandaag de dag rond 75 euro zal liggen.

 

Militaire post Republiek

Aquarel ‘Military post ‘Republiek’ by the Coropina Creek’ rond 1860 (bewerkt).
Bron: Nationaal Museum van Wereldculturen (Rechten: CC BY-SA 4.0)


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: FamilySearch, GaHetNa, Wikipedia (Republiek), Wikipedia (Koloniaal Werfdepot) en Paranen tussen stad en bos
 
 

Amateurschilder Albertus Johannes van Ludolphi

2 augustus 2018 at 22:01

 
In de familie Ludolphi ‘wemelt’ het van de creatieve individuen. Van schrijvers tot glasmakers en ‘ververs’. Bij velen moeten we het doen met de vermeldingen in registraties of akten. Toch zijn er van de schrijvers nog gepubliceerde boeken te vinden op het internet of in de Universiteitsbibliotheek van Groningen. Van de schilders in de familie is er heel wat minder bekend, met uitzondering van Albertus Johannes van Ludolphi.

 

Geboorteakte Albertus Johannes van Ludolphi

Geboorteakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Albertus Johannes werd op 9 april 1812 geboren in het Groningse Appingedam als zoon van Jan Watzes van Ludolphi en zijn eerste vrouw Martjen Jans Kokmeijer, ook wel Niewold. Vader Jan, afkomstig van het Bolwerk bij Appingedam, was ‘verver’ en ‘glazemaker’.
Blijkbaar koos Albertus Johannes al vroeg voor het kunstenaarsleven, want hij was van 1827 tot aan zijn overlijden werkzaam als schilder in Appingedam. Zijn onderwerpen bestonden uit figuurvoorstellingen, interieurs en kaars- of lamplichtstukken.

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst in het Lokaal van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Op dat moment was hij woonachtig in het Drentse Smilde. Jaren geleden heb ik dit schilderij nog mogen aanschouwen, maar eerlijk gezegd kon het mij niet echt bekoren.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Amsterdam

Uit de Middelburgsche Courant van 13 juni 1844.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Amsterdam

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst te Amsterdam.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Amsterdam inhoud

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’.
Bron: RKD

 
Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde Albertus Johannes de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ ten huize van de Weduwe Bontekoe aan de Grote Markt te Groningen in 1845. Hij woonde toen weer in zijn oude woonplaats Appingedam.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Groningen

Uit de Leeuwarder Courant van 13 mei 1845.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Groningen

Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde hij de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ te Groningen in 1945.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Groningen i

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderijen ‘Een barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’.
Bron: RKD

 
Op 54-jarige leeftijd besloot Albertus Johannes om toch maar eens te trouwen. De bruid was Helena Nuwer, geboren te Appingedam op 23 maart 1820 als dochter van zadelmaker Lodewijk Nuwer en Anje Ogiers. Het huwelijk vond plaats te Appingedam op 22 november 1866.
Helena werkte als dienstmeid en kreeg op 22 september 1851 een zoon Lodewijk. Zijn vader is onbekend. Acht jaar later, op 27 maart 1860, zou zoon Lodewijk in Jukwerd komen te overlijden. Hij woonde op dat moment samen met zijn moeder in Appingedam.

 

Huwelijk Ludolphi-Nuwer

Huwelijksakte van Albertus Johannes van Ludolphi en Helena Nuwer.
Bron: AlleGroningers

 
Een jaar of drie geleden is het schilderij ‘Spekdikken eten’ van Albertus Johannes op een veilig onder de hamer gegaan. Het kunstwerkje was met olieverf op paneel aangebracht en had het formaat van 35 bij 27 centimeter. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar wat deze voor mij onbekende spekdik nou eigenlijk is. Het blijkt een soort kleine pannenkoek te zijn van roggemeel, eieren en stroop, die als lokale specialiteit onder meer in het Groninger Westerwolde en in het Oost-Friese Reiderland rond Nieuwjaar wordt gegeten. De spekdik wordt met een stukje vet spek en vaak enkele stukjes droge worst gebakken in een knijpijzer.

 

Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi

‘Spekdikken eten’ door Albertus Johannes van Ludolphi.


 
Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi (detail

Detail uit het schilderij ‘Spekdikken eten’.

 
Zoals gezegd bleef Albertus Johannes tot aan zijn overlijden schilderen. Hij overleed te Appingedam op 3 april 1883 op zeventigjarige leeftijd. Helena ging hem twee jaar eerder al voor. Zij overleed eveneens te Appingedam op 19 februari 1881, zevenenvijftig jaar oud.

 

Overlijden Albertus Johannes van Ludolphi

Overlijdensakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Tekst: © Uit de oude Koekstrommel
Bronnen: Wikipedia en RKD
 
 

Zoekakten gestopt

15 juli 2018 at 16:15

 
Het zal u niet ontgaan zijn dat de website zoekakten.nl is gestopt. In het verleden is daar vaker sprake van geweest, hetgeen uiteindelijk toch leidde tot een doorstart. De toekomst zal uitwijzen of dit inderdaad het definitieve einde van de website is of dat er mogelijk op een andere manier een oplossing gevonden gaat worden voor het voortbestaan.

 

zoekakten

Zoekakten is gestopt.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Voor het vinden van scans van een kerkregistratie of een akte uit de Burgerlijke Stand bestaan bovendien uitstekende alternatieven. Algemene zoeksites zijn: FamilySearch (gratis account nodig), Open Archieven (hier zijn bij huwelijken tevens de links naar de huwelijksbijlagen te vinden), Wie Was Wie, Archieven.nl, Geneal-IX, VPND, Geneaknowhow en Genealogiewerkbalk FS. Daarnaast kunt u zoeken via de Nederlandse archiefdiensten met een online databank. Zie hiervoor: Archieven Nederland.
Een andere mogelijkheid is het gebruik van de website GenVer, de ‘voorloper’ van Zoekakten. Daarbij dient opgemerkt te worden dat GenVer niet wordt onderhouden en de geruchten gaan dat de site malware en/of virussen zou bevatten. Indien u gebruik maakt van antivirus software en niet gaat downloaden vanaf deze site, zal er mijns inziens weinig gebeuren. De keuze is aan u.

Uiteraard kunt u, zij het wellicht iets omslachtiger, de nodige registers terugvinden via de toegangen voor Nederland in FamilySearch. De toegangen voor de Nederlandse provincies betreffende de periode van de Burgerlijke Stand (waaronder de huwelijksbijlagen) zijn te vinden via:

Friesland
Groningen
Drenthe
Overijssel
Gelderland
Utrecht
Noord-Holland
Zuid-Holland
Zeeland
Noord-Brabant
Limburg
 
De toegangen voor de Belgische provincies betreffende de periode van de Burgerlijke Stand zijn te vinden via:

Antwerpen
Brabant (Vlaams en Waals)
Brussel Stad
Henegouwen
Limburg
Luik
Luxemburg
Namen
Oost-Vlaanderen
West-Vlaanderen

Zie ook: België.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Erkenning en wettiging

26 juni 2018 at 10:55

 
Erkenning en wettiging

Alhoewel de termen ‘erkenning’ en ‘wettiging’ dikwijls door elkaar gebruikt worden, zit hier toch wel een verschil tussen. Erkennen betekent eigenlijk niets meer dan ‘aanvaarden’; een burgerlijke betrekking tussen het kind en de ouder(s). Het erkennen kon, benevens het onderstaande, door alle authentieke akten geschieden. Een kind verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ kon niet worden erkend.

Als onwettig kind gold in beginsel elk kind dat niet tijdens een wettig huwelijk of binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk, door overlijden van de echtgenoot of door echtscheiding, was geboren. (Zie ook: Onwettig kind)
 
 
Erkenning door de moeder

Aangezien een geboorte binnen drie na de bevalling bij de Burgerlijke Stand aangegeven diende te worden, was deze taak niet voor de kersverse moeder weggelegd. Indien het de aangifte van een onwettig kind betrof, werd dit meestal gedaan door derden, bijvoorbeeld de vroedvrouw of getuigen, die bij de bevalling aanwezig waren geweest of in wiens huis de bevalling had plaatsgevonden. In dat geval kreeg het kind de familienaam van de moeder, maar was door haar niet erkend.
Om het kind alsnog te erkennen kon de moeder dit bij een opvolgend huwelijk doen of via de arrondissementsrechtbank. Dit laatste gebeurde nog weleens vlak voor het huwelijk van het kind. U vindt de vermelding van een dergelijke erkenning als kanttekening in de geboorteakte van het kind. Erkende de moeder het kind niet, dan werd het kind voor de wet niet als wettig erfgenaam gezien.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar

De geboorteakte van Albertus Cornelis Enklaar, aangegeven door de vroedvrouw. Aangezien hij in onecht is geboren kreeg hij de familienaam van zijn moeder Johanna van den Oosterkamp. Bij het huwelijk van zijn ouders is hij erkend en gewettigd.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Erkenning door de vader

Werd de geboorte van een in onecht geboren kind door de vader aangegeven of door zijn bij authentieke akte aangestelde gemachtigde, dan was het kind erkend, maar nog niet gewettigd. Aangezien de naam van de moeder, die overigens met de erkenning door de vader in moest stemmen, in de akte vermeld diende te worden, was het kind hierdoor wettelijk door beiden erkend. Het kind kreeg al wel direct de familienaam van de vader, maar had hier zeker niet dezelfde juridische rechten door als een wettig kind. Door het erkennen van het kind aanvaarde de vader de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging van het kind.

 
Wettiging door huwelijk

Bij een opvolgend huwelijk van de ongehuwde moeder, bestond er de mogelijkheid om het kind door de ouders te laten wettigen. Dit kon alleen gebeuren met wederzijdse toestemming van de partners en indien het kind vóór het aangaan van dit huwelijk wettelijk was erkend of wanneer deze erkenning plaats had bij de akte van voltrekking.
Het kind, of soms betrof het meerdere onechte kinderen, kreeg vanaf dat moment formeel de familienaam van de wettelijke vader en dezelfde rechten als een wettig kind, zoals het aanspraak maken op de erfenis. De naamsverandering en de vermelding van de wettiging met de datum van de huwelijksvoltrekking vindt u terug als kanttekening in de geboorteakte. Tevens vindt u hiervan de vermelding in de huwelijksakte van de ouders.

Echter, er kan niet de conclusie getrokken worden dat de gewettigde vader ook daadwerkelijk de natuurlijke vader van het kind was. Het betekende niets meer dan dat de gewettigde vader het vaderschap voor zijn rekening nam. Hoe meer tijd er lag tussen de geboorte en het huwelijk met wettiging, des te groter de kans dat de echtgenoot niet de natuurlijke vader was.

Wettiging van een onecht kind ná het huwelijk van de moeder was alleen nog mogelijk met een door de koning verleende brief van wettiging. Kinderen verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ konden niet worden gewettigd.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar erkenning en wettiging

De vermelding van de erkenning en wettiging bij opvolgend huwelijk van zijn ouders in de geboorteakte van Albertus Cornelis van den Oosterkamp. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: Utrechts Archief

 

Deel 2 erkenning

De vermelding van erkenning en wettiging van Albertus Cornelis in de huwelijksakte van zijn ouders.
Bron: FamilySearch


 
 
Brieven van wettiging

De brieven van wettiging gaan terug op het oude afstammingsrecht. Wanneer uit feiten en omstandigheden was gebleken dat een man serieuze huwelijksplannen had, maar dit huwelijk door zijn onverhoeds overlijden niet plaats heeft kunnen vinden, kon de dan ongehuwde moeder bij de koning een verzoek indienen voor een brief van wettiging. Met dit document werd een onwettig kind alsnog gewettigd als kind van de moeder en de overleden vader, met alle rechten van dien.
Dit was tevens mogelijk indien de ouders vóór of bij het aangaan van het huwelijk hadden verzuimd hun onwettige kinderen te erkennen.

Het Burgerlijk Wetboek uit 1836 zegt hierover in het Eerste Boek: Van personen: Dertiende titel: Tweede afdeeling: Van de wettiging van natuurlijke kinderen:

Artikel 329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen, kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend.

Artikel 330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende kinderen, uit ouders geboren, die uit hoofde van overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand brengen.

Artikel 331. In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advies uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hooren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt.

Artikel 332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren.

Artikel 333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den Koning zijn verleend: zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd.

Artikel 334. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die nakomelingen strekt.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Onwettig kind

26 juni 2018 at 10:53

 
Onwettig kind

Als onwettig kind gold in beginsel elk kind dat niet tijdens een wettig huwelijk of binnen 300 dagen na ontbinding van het huwelijk, door overlijden van de echtgenoot of door echtscheiding, was geboren.

Door de eeuwen heen zijn er heel wat ‘onwettige’ kinderen ter wereld gekomen. Het kon natuurlijk zo zijn dat de ouders (nog) niet waren getrouwd en er dus sprake was van een onwettige relatie. Vaak valt er uit de vernoeming van het kind wel het één en ander op te maken. Het is geen wet van Meden en Perzen, maar een buitenechtelijk kind kreeg doorgaans de naam van de betreffende grootouder van moederskant, terwijl In het geval van een onwettige relatie een zoon de naam van zijn natuurlijke vader kreeg. Was een huwelijk na de geboorte vrijwel zeker dan werden de traditionele vernoemingsgebruiken gevolgd. (Zie ook: Vernoemingen)

Er waren ook minder wenselijke omstandigheden, waaruit een kind voortkwam. Niet zelden werd het kind verwekt door een ter plaatse gelegerde militair, verkrachting, prostitutie, een buitenechtelijke relatie of door het ten prooi vallen aan de seksuele uitbuiting van een broodheer of zijn familielid. Dit laatste zien we regelmatig terug bij dienstmeisjes.

Soms lag het zeker niet aan de welwillendheid van de ouders om te trouwen, maar kon er vooralsnog geen toestemming worden verkregen voor een huwelijk, zoals in het geval van het (latere) echtpaar Hendrik Smitz en Anna Boekhoven. In de doopregistratie van hun oudste kind Christiaan wordt vermeld:

‘Een kind van Anna Boekhoven, waarvan vader is Hendrik Smitz, zijnde het huwelijk tusschen hen beijde geweerd geworden volgens het plaecaat der ongelijke huwelijken dewijl de bovengaande H. Smitz Roomsch en Anna Boekhoeven onmondig is.’

De doopinschrijving van het tweede kind Jannigje luidt:

‘Een kind gedoopt van Anna Boekhoven waer van vader is Hendrik Smitz, blijvende het huwelijk tusschen hen beijde vooralsnog geweerd volgens placaat der ongelijke huwelijken dewijl Anna Boekhoven nog minderjarig en Hendrik Smitz van den Roomsche religie wel reets in de gronden van den Hervormde Godsdienst onderwesen word, maer tot lidmaat der Hervormde Kerke nog niet is aangenomen.’

Uiteindelijk kon het huwelijk twee jaar later wel worden voltrokken:

‘Hendrik Smits J.M. van Ree in t Munsterland en Johanna Boekhoven J.D. van Berg Ambagt beijde woonende alhier zijn bij ons naar blijk van wederzijdse voldoening aan ’s lands trouwrecht in wettigen ondertrouw aangetekend op den 16 Maart en hebben hunne eerste huwelijkse voorstelling op den 18. hun twede op den 25 Maart hun derde op den 1 Aprill en zijn ten zelfde dage in den huwelijken staet bevestigd.’
 
 
In dolore partus

Om te voorkomen dat een onwettig kind ten laste van de armenzorg kwam, was het de plicht van de vroedvrouw om tijdens de barensweeën, oftewel ‘in dolore partus’, de naam van de verwekker te ontfutselen. Op deze manier hoopte men de (vermeende) vader aan te kunnen spreken op zijn financiële verplichtingen. Als de toekomstige moeder weigerde de naam te noemen, dan schroomde de vroedvrouw niet te dreigen met het weigeren van verdere hulp tijdens de bevalling.
Na de bevalling legde de vroedvrouw soms een verklaring af bij de notaris, waarvan een attest werd opgemaakt.

In het Rooms-Katholieke doopregister zien we zo’n ontfutselde naam nog wel eens terug met de vermelding ‘in dolore partus’; het kind wordt vermeld als ‘illegitimus’ respectievelijk ‘illegitima’. In het Nederduits-Gereformeerde doopregister wordt de naam van de vader doorgaans vermeld ‘naar zeggen’ van de moeder en krijgt het kind de mededeling ‘onwettig’ of ‘onecht’ te zijn.

 

In dolore partus

De vermelding ‘in dolore partus’ in het Rooms-Katholieke doopregister van Beek en Donk.
Bron: FamilySearch

 

Doop onwettig kind (2)

Baptus e Joannes fil. bastardus seu spurius Margareta Maese nominavit in partu patrem Antonium Lenders coram Gertrude van Berlo obstetrice ex Gemerta et Maria Petri van Baakel Susc. Thomas Maese et Joanna Thoma Maese.
Gedoopt is Joannes, onechte zoon, anders gezegd onwettige zoon van Margareta Maese, (zij) heeft tijdens de bevalling als vader genoemd Antonius Lenders in het bijzijn van Gertrude van Berlo, vroedvrouw (afkomstig) van Gemert en Maria Petrus van Baakel. Getuigen Thomas Maese en Joanna Thoma Maese.
Bron: FamilySearch

 

Doop onwettig kind

Erkenning door de vader in het Nederduits-Gereformeerde doopregister van Ede.
Bron: FamilySearch


 
 
Strafbaar

Na een relatieve acceptatie van ongehuwd moederschap kwam daar in de tweede helft van de zeventiende eeuw, mede vanwege de financiële belangen van de overheid en onder invloed van de kerk, verandering in. Alle voor- en buitenechtelijke seksuele contacten werden strafbaar en onder het misdrijf ‘vleselijke conversatie’ geschaard. Daar konden straffen op staan als openbare geseling, pronkstelling op het schavot of jarenlange verbanning.
Daarbij gold in het algemeen dat de straffen voor vrouwen, die de naam van een verwekker hadden genoemd, lager uitvielen dan die van vrouwen, die hun mond hielden over de identiteit van de verwekker. Mannen bleven wat makkelijker buiten schot. Hun deelname aan de vleselijke conversatie was ‘niet zichtbaar’. Bovendien wisten sommigen van hen de dans te ontspringen door de klassenjustitie.
 
 
Vaderschapsactie

Tot de Napoleontische tijd was het vrij gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een gerechtelijk onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen, ook wel ‘vaderschapsactie’ genoemd. Dit had naast financiële zeker ook maatschappelijke consequenties voor de verwekker: immers, eventuele misstappen werden zo openbaar. Daarnaast zorgde een financiële ondersteuning tevens voor eerherstel van de ongehuwde moeder.

Ten tijde van Napoleon kwam hier verandering in en werd het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Het zorgde er in ieder geval voor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterbleef en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind was dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader.

Het Burgerlijk Wetboek uit 1836 zegt hierover in het Eerste boek: Van personen. Dertiende titel: Van het vaderschap en de afstamming der kinderen. Derde afdeeling.

Artikel 342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden. In geval echter van verkrachting of schaking, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige, op de daartoe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn.
Artikel 343. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.
In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.
Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan.

Pas in de twintigste eeuw zou, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

In de praktijk kwam het er toch op neer, dat de meeste vrouwen uiteindelijk geheel werden belast met de zorg voor hun onwettige kind(eren). Zeker door de armoede, met name in de grote steden, als gevolg van de economische neergang, waren velen van hen niet (meer) in staat de zorg voor het kind op zich te nemen. Ten einde raad werd er wel een uitvlucht gezocht in een drastische wanhoopsdaad als abortus, het te vondeling leggen van het kind of zelfs kindermoord.
 
 
Burgerlijke Stand

Vóór de invoering van de Burgerlijke Stand hoefde een onwettig kind niet erkend te worden om bijvoorbeeld aanspraak te kunnen maken op een nalatenschap. Met de invoering van de nieuwe Franse wetgeving diende een kind om deze reden door zowel de vader als de moeder erkend en gewettigd te worden.

Een kind geboren in onecht kon onder meer erkend worden bij de geboorteaangifte door de natuurlijke vader of door zijn bij authentieke akte aangestelde gemachtigde. Daarnaast kon een wettiging plaatsvinden middels een door de koning verstrekte brief van wettiging of bij een opvolgend huwelijk van de moeder. Echter, in dit laatste geval kan er niet de conclusie getrokken worden dat de gewettigde vader ook daadwerkelijk de natuurlijke vader van het kind is. Het betekende niets meer dan dat de gewettigde vader het vaderschap voor zijn rekening nam. Hoe meer tijd er lag tussen de geboorte en het huwelijk met wettiging, des te groter de kans dat de echtgenoot niet de natuurlijke vader was.
Een kind verwekt ‘in overspel of in bloedschande’ kon niet worden erkend of gewettigd. (Zie ook: Erkenning en wettiging)

 

Geboorteakte A.C. Enklaar erkenning en wettiging

De vermelding van de erkenning en wettiging bij het huwelijk van zijn ouders in de geboorteakte van Albertus Cornelis van den Oosterkamp. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Archieven en registers

Om achter de identiteit van een potentiële natuurlijke vader te komen zal moeilijk zijn, maar met een beetje geluk zeker niet onmogelijk. Via de volgende archieven en registers zou u mogelijk een aanwijzing kunnen vinden.

• In de kerkelijke registraties kan bij een doop de naam van de (vermoedelijke) vader worden genoemd. Een aanknopingspunt kunt u wellicht ook vinden in de notulen van de Hervormde kerkenraad. Hierin wordt nogal eens uitvoerig de handel en wandel beschreven van een lidmaat. Bij slecht gedrag mocht men niet deelnemen aan het Heilig Avondmaal.
• Uit bevolkingsregisters kan de samenstelling van een huishouden worden opgemaakt. Dit levert wellicht de naam van een mogelijke kandidaat op.
• In een notarieel archief kunt u eventueel protocollen vinden met attestaties van getuigenverklaringen van personen, die bij de bevalling aanwezig zijn geweest of ‘met zekerheid weten’ wie wel of juist niet de mogelijke vader kan zijn geweest.
• Uit geboorteakten in de Burgerlijke Stand kunt u veel informatie halen. Ook al wordt een vader niet expliciet genoemd, dan kan de naam van een aangever, in wiens huis de bevalling heeft plaatsgevonden of die bij de bevalling aanwezig is geweest, een aanwijzing opleveren. Zeker in combinatie met de vernoeming van het kind. (Zie ook; Vernoemingen)
Is er sprake van een opvolgend huwelijk van de moeder met wettiging van een kind, dan is deze vermelding als kanttekening in de geboorteakte te vinden, evenals in de huwelijksakte van de ouders.
• Verklaringen in de documentatie van de Arrondissementsrechtbank behorende bij een echtscheiding, in het bijzonder op grond van overspel of kwaadwillige verlating, kunnen een naam van een mogelijke vader opleveren. Deze documentatie is veelal via internet te vinden. Zie daarvoor BS: Echtscheiding via de link Wegwijs in Genealogie.

 

Getuigenverklaring

Gedeelte uit een getuigenverklaring, afgelegd bij notaris Pieter van den Bergh op 4 oktober 1706 te Amsterdam, waarin de vroedvrouw en een getuige verklaren dat de ongehuwde moeder Maria van der Hoef diverse malen aan hun als vader van haar dochtertje ene Jacobus heeft genoemd.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

Doop onder conditie

13 juni 2018 at 21:52

 
Al bladerende door de Katholieke doopregisters kunt u de vermelding ‘op conditie’, ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’ tegenkomen. Letterlijk betekent dit ‘onder voorwaarde’. Bij een dergelijke vermelding kunt u ervan uitgaan dat er tijdens of vlak na de geboorte van de gedoopte een ‘nooddoop’ heeft plaatsgevonden door veelal de vroedvrouw.

 

Doop sub conditione

19 Octobris (1657) baptizata est sub conditione (erat enim ob periculum baptizata ab obstetrice Adriana Petri Ooms)…; Op 19 oktober (1657) is onder voorwaarde gedoopt (was namelijk vanwege (stervens)gevaar gedoopt door vroedvrouw Adriana Petrus Ooms)…
Bron: FamilySearch


 
 
Voorgeborchte

Kinderen, die tijdens de geboorte of voor de kerkelijke doop kwamen te overlijden, zouden volgens de theorie van Paus Gregorius I uit 593, overigens geen officiële leer van de Katholieke Kerk, nog steeds belast zijn met de erfzonde, waardoor opname in de hemel uitgesloten was. Zij gingen echter ook niet naar de hel of het vagevuur aangezien zij nog geen zonden hadden begaan, maar kwamen terecht in het ‘voorgeborchte’ of ‘limbus puerorum’, een ‘wachtkamer van de hemel’, alwaar hen het eeuwige geluk wachtte tot de Dag des Oordeels, echter zonder de directe aanschouwing van God.

Deze ongedoopte kinderen werden anoniem, een naam werd immers pas bij het doopsel gegeven, en zonder enig ceremonieel in ongewijde grond begraven tussen zondaars als heidenen, criminelen en zelfmoordenaars. Dit kon zelfs ’s avonds of ’s nachts ‘stil’ en zonder de aanwezigheid van de ouders plaatsvinden.

Op 21 april 2007 heeft Paus Benedictus XVI officieel het voorgeborchte voor ongedoopte overleden kinderen achterhaald verklaard. De barmhartigheid van God wordt aangenomen zó groot te zijn dat hij al diegenen, die rechtvaardig geleefd hebben of buiten hun schuld om niet gedoopt zijn, in de hemel toelaat.
 
 
Nooddoop

Het was dus zaak voor Katholieken om een kind zo snel mogelijk, het liefst dezelfde dag nog maar zeker binnen drie dagen, te laten dopen, zodat bij onverhoopt overlijden het kind verlost zou zijn van de erfzonde.

Om deze reden konden vroedvrouwen of ouders, bij afwezigheid van een priester, zelf het doopsel toedienen tijdens een bevalling, waarbij het leven van het kind in acuut gevaar was. In dergelijke omstandigheden kon eigenlijk iedereen een nooddoop uitvoeren, mits men zich hield aan de strikte doopregels die door de Katholieke Kerk waren opgelegd. Bij voorkeur werd de nooddoop overgelaten aan een Katholiek, maar ook een niet-gedoopte of zelfs ongelovige persoon kwam in aanmerking. Toch zal het in de meeste gevallen de vroedvrouw zijn geweest, die deze taak vervulde.
 
 
Doop ‘in utero’

Een doopsel kon alleen geldig zijn door het uitspreken van de voorgeschreven bewoordingen en het besprenkelen met doopwater van het lichaam en met voorkeur het hoofdje. In noodgevallen, wanneer er de angst bestond dat het kind de tocht door het geboortekanaal niet zou overleven, werd het kind gedoopt terwijl het zich nog in de baarmoeder bevond, oftewel gedoopt ‘in utero’. Hiervoor gebruikte men een doopspuit gevuld met wijwater.
 
 
Doop ‘sub conditione’

Een kind kon niet twee maal gedoopt worden. In het geval dat er werd getwijfeld aan de geldigheid of volledigheid van de toegediende nooddoop stond de Katholieke Kerk het toe ‘voor de zekerheid’ het doopsel ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’, oftewel ‘onder voorwaarde’ door een priester te laten verrichten. Hierbij werd het kind gedoopt onder de voorwaarde: ‘Si non es baptizatus, ego te baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti.’, ‘Als je niet gedoopt bent, doop ik je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’
Dit doopsel kon, in aanwezigheid van doopgetuigen, plaatsvinden in het ouderlijk huis (in domo parentum), in de kerk (in ecclesia) of met een plechtigheid (cum caeremoniis).

Niet alleen in de Katholieke Kerk kende men de doop onder conditie, maar ook in de Orthodoxe Kerken, de Oriëntaals-Orthodoxe Kerk en de Assyrische Kerk van het Oosten, waar de wijze van doopbediening in hoofdzaak overeenstemt.

 

Doop op conditie

Joannes Hendricks werd op 29 september 1738 te Schaijk ‘op conditie’ gedoopt. Met Joannes kwam het helemaal goed: hij overleed op 26 augustus 1837 te Schaijk op 88-jarige leeftijd.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: o.a. DBNL, Heemkunde Vlaanderen, De Baets, Wikipedia Voorgeborchte, Katholiek.nl en Brugse Verenigingen