Wageningse tabakscultuur

12 oktober 2017 at 22:49

 
Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch begin twintigste eeuw

Personeel van Sigarenfabriek Koch in het begin van de twintigste eeuw.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsstraat.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
Schimmelpenninck was de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: delpher.nl

 
Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

Blinde voorouder

9 oktober 2017 at 22:59

 
Tegenwoordig is er zoveel informatie online te vinden, dat mijn stambomen wat achter de feiten aan lijken te lopen. Zodra ik er dan ook maar enigszins de tijd voor vrij kan maken neem ik eentje onder de loep en loop alle personen en gegevens na aan de hand van akten en registers. Dat is best een pittige klus, maar het levert toch altijd wel wat aanvullingen op die ik in het verleden heb gemist of nooit heb kunnen vinden. En heel soms doe je een verrassende of juist trieste ontdekking, zoals in deze huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, zoon van mijn voorouders Lubbert Enklaar en Willemijn Nijenhuis:

‘… en dat de moeder van den bruijdegom, blind zijnde, ook ’t huwelijk toestemt’.
 
 

Huwelijksinschrijving Barend Enklaar en Hendrina Wiggers

Huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, Arnhem 10 april 1773.
Bron: zoekakten.nl


 
 

Genealogie familie Van den Berg

6 september 2017 at 15:24

 

Stamreeks familie Van den Berg

Stamreeks familie Van den Berg
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Gerrit van den Berg
Gerrit van den Berg werd geboren in Naarden en trouwde aldaar op 14 april 1754 met Anna Geus, dochter van Albert Geus en Lubbertje Vos. Anna is gedoopt te Naarden op 28 januari 1724 en legde in dezelfde plaats op 29 oktober 1751 belijdenis van geloof af. Op 26 april 1787 werd Gerrit te Naarden begraven. Anna overleed ruim een jaar later op 64-jarige leeftijd en werd eveneens te Naarden begraven op 26 augustus 1788.
Gerrit en Anna kregen zes kinderen: Lubbertje, Gerrit, Albert, Lubbertje, Jan en Gijsbert.
 
Jan van den Berg
Jan van den Berg is op 26 december 1762 te Naarden gedoopt en werd aldaar op 24 september 1807 op 44-jarige leeftijd begraven. Hij trouwde met de uit Nijkerk afkomstige Nelletje Aaltje van der Schelde. Het stel trad derhalve te Nijkerk in het huwelijk op 17 november 1793. Nelletje is een maand voor Jan overleden en begraven te Naarden op 27 augustus 1807.
Het echtpaar kreeg acht kinderen: Anna, Gerrit, Cornelia, Cornelia, Jan, Jan, Cornelia en Johannes.
 
Gerrit van den Berg
Van Gerrit van den Berg, gedoopt te Naarden op 17 december 1795, wordt als beroep achtereenvolgens arbeider, slagersknecht, vleeschhouwer, daghuurder en werkman vermeld. Hij trouwde op 4 september 1816 te Hilversum met de werkster Anna Maria Dettingmeijer. Anna werd te Amsterdam gedoopt op 2 december 1789 en was de dochter van de uit Hannover afkomstige Joost Hendrik Dettingmeijer en Anna Maria Beijer. Zij overleed op 39-jarige leeftijd te Naarden op 16 maart 1829 en liet een zoontje Jan na.
Gerrit hertrouwde als weduwnaar met Johanna Smitskamp. Het huwelijk vond plaats te Naarden op 10 mei 1829. Johanna werd als dochter van Christiaan Smitskamp en Jacoba van Zoelen geboren in Bergambacht op 13 mei 1797, alwaar zij acht dagen later is gedoopt. Ook Gerrit en Johanna stierven korte tijd na elkaar: Gerrit overleed te Naarden (Bergstraat 216) op 5 juni 1856, zestig jaar oud en Johanna ging hem voor op 2 mei 1856 te Naarden (Bergstraat 216), achtenvijftig jaar oud.
Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: Christiaan, Nelletje, Jacobus, Gerrit, Nelletje, Gerrit en een levenloos geboren dochtertje.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg werd te Naarden geboren op 28 januari 1833. Hij stapte in dezelfde plaats in het huwelijksbootje met Dirkje Schouten, dochter van Wouter Schouten en Mietje de Ruig. Dirkje werd in het Utrechtse Eemnes geboren op 6 april 1834. Op 24-jarige leeftijd kreeg zij ongehuwd een zoontje Johannes Christiaan, dat helaas maar amper drie maanden oud is geworden.
Christiaan overleed op 5 september 1906 in zijn huis in de Huizerpoortstraat 504 te Naarden, 73 jaar oud. Dirkje overleed in de Turfpoortstraat 400 op 82-jarige leeftijd op 5 november 1916. Samen kregen zij tien kinderen: Gerritje, Mietje, Johanna, Gerrit, Johanna, Wouter, Gerrit, Wouter, Wouter en Johanna.
 
Wouter van den Berg
Op 12 januari 1877 werd Wouter van den Berg geboren in de Huizerpoortstraat 364 te Naarden. Als beroepen worden in akten vermeld: werkman, stoker en koopman. Hij trouwde te Naarden op 26 juli 1906 met Utrechtse dienstbode Pietje Evertje Appeldoorn. Pietje werd op 15 september 1886 geboren op de Catharijnensingel 12, ten huize van Beert Daams Gelder, als dochter van de ongehuwde Hendrika van Woudenberg. Tijdens het huwelijk tussen Hendrika en Aalt Appeldoorn op 15 september 1887 te Maartensdijk werd zij erkend als dochter.
Voor een periode van drie maanden hebben Wouter en Pietje Evertje in 1908 om onverklaarbare redenen een ‘uitstapje’ gemaakt naar Groenlo om daarna weer terug te keren naar Naarden. Wouter overleed op 68-jarige leeftijd te Barneveld op 13 februari 1945 zijnde een tijdelijk verblijvende burger, overleden ten gevolge van oorlogshandelingen. Hoogstwaarschijnlijk is hij overleden op de reis van of naar Friesland om eten te halen. Drie dagen later is hij in Barneveld begraven.
Het stel kregen voor zover ik kan nagaan tien kinderen: Hendrika Dirkje, Dirkje, Pietertje Evertje, Christiaan, Wouter, Albertus, Manus, Jannetje Alberta, Theodorus Cornelis en Wilhelmina Margaretha.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg, van beroep fabrieksarbeider, werd geboren te Naarden op 26 januari 1913. Hij trouwde op 10 februari 1937 te Bussum met Anthonia Johanna Petronella Regter, To genoemd. Zij was de dochter van Andreas Petrus Maria Jacobus Regter en Maria Alexandrina van Hirtum en werd geboren op 16 september 1909 te Hilversum. Christiaan en To woonden  op de Veltheimerlaan 42 te Bussum. To overleed op 75-jarige leeftijd op 22 juni 1985 te Bussum. Christiaan werd in 1943 opgepakt vanwege ‘Judenbegünstigung’ en kwam uiteindelijk terecht in Kamp Neuengammen alwaar hij op 11 maart 1945 overleed op 32-jarige leeftijd.
Het echtpaar kreeg vier kinderen, waaronder een levenloos geboren zoontje.
 
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Trouwen met de handschoen

30 augustus 2017 at 15:51

 
Trouwen bij volmacht, of zoals het in de volksmond genoemd wordt ‘trouwen met de handschoen’, is een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een volmachtnemer.

Vroeger kwamen dit soort huwelijken voor binnen adellijke families. Een afgevaardigde werd dan naar de toekomstige bruid gestuurd en vertegenwoordigde via de handschoen, die symbool stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten, de bruidegom in spe. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige bruidegom.

 

Huwelijksportret van 'Bets' door Jean Vaessen

Trouwen met de handschoen: huwelijksportret van ‘Bets’ door Jean Vaessen (datering: ca. 1900-in of voor 1 maart 1915)
Bron: Rijksmuseum Amsterdam


 
 
Ook in meer recente tijden kwam het trouwen met de handschoen voor. Bekend zijn de huwelijken van Nederlandse ambtenaren in Nederlands-Indië of de militairen, die gelegerd waren in Nederlands-Indië en slechts eenmaal per jaar op verlof gingen naar Nederland.

Dat trouwen met de handschoen in Nederlands-Indië en Nederland als een ‘normale zaak’ werd beschouwd blijkt wel uit dit krantenartikel uit het Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884, waarin vol verbazing wordt gereageerd over de ophef in een artikel in de Tägliche Rundschau van 3 mei 1884, waarin verslag wordt gedaan van een huwelijk met de handschoen.

 

Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884

Huwelijk met de handschoen (Soerabaijasch Handelsblad van 16 juni 1884).
Bron: delpher.nl


 
 
Voor trouwen bij volmacht diende toestemming van de regerende Koning of Koningin of Gouverneur-Generaal te worden verkregen via de Minister van Justitie en de Minister van Koloniën. De aanstaande echtgenoot of echtgenote die niet in staat was om bij de formele huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn, moest zich bij volmacht laten vertegenwoordigen. Deze volmacht kon alleen worden verleend via een notariële volmachtakte, zoals te zien is bij het voorgenomen huwelijk tussen Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen.

De éénendertigjarige in Elst geboren banketbakker Arnoldus Hoogvelt woont te ‘Soerabaija in Indië’. Via een notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862) machtigt hij de Arnhemse banketbakker Hendricus Nicolaas Brunnenwasser om als plaatsvervanger op te treden voor zijn huwelijk met de achtentwintigjarige uit het Pruisische Elten afkomstige en in Arnhem woonachtige Anna Maria Francisca van Kempen. Na de verkregen huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862) kan het burgerlijk huwelijk voortgang vinden op 10 september 1862 te Arnhem.

 

Notariële volmacht akte (Soerabaija, 7 maart 1862)

Notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862).
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Notariële volmacht akte (Soerabaija, 7 maart 1862) vervolg

Notariële volmachtakte (Soerabaja, 6 maart 1862) vervolg.
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862)

Huwelijksdispensatie verleend door Koning Willem III (Wiesbaden, 23 juli 1862).
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Huwelijksdispensatie (Wiesbaden, 23 juli 1862) vervolg

Huwelijksdispensatie verleend door Koning Willem III (Wiesbaden, 23 juli 1862) vervolg.
Bron: zoekakten.nl (huwelijksbijlagen)


 
 
Arnoldus Hoogvelt liet zich vertegenwoordigen door Hendricus Nicolaas Brunnenwasser (Arnhem, 10 september 1862)

Arnoldus Hoogvelt liet zich vertegenwoordigen door Hendricus Nicolaas Brunnenwasser (Arnhem, 10 september 1862).
Bron: zoekakten.nl


 
 
Een deel uit de huwelijksakte van Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen (Arnhem, 10 september 1862)

Een deel uit de huwelijksakte van Arnoldus Hoogvelt en Anna Maria Francisca van Kempen (Arnhem, 10 september 1862).
Bron: zoekakten.nl


 
 
In 1933 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden over de, naar men aannam, eerste keer dat naast een burgerlijk huwelijk bij volmacht gesloten tevens bij volmacht kerkelijk bevestigd werd. De primeur was voor de Gereformeerde kerk te Utrecht.

 

Nieuwsblad van het Noorden, 28 maart 1933

Kerkelijke huwelijksbevestiging bij volmacht (Nieuwsblad van het Noorden, 28 maart 1933).
Bron: delpher.nl


 
 
Tegenwoordig kan er in Nederland omwille van ‘gewichtige redenen’ nog steeds bij volmacht worden getrouwd. Gewichtige redenen zijn:

  • Eén van de partners kan niet bij het huwelijk zijn door verblijf in een gevangenis in het buitenland.
  • Eén van de partners kan redelijkerwijs niet overkomen voor het huwelijk, omdat hij of zij ernstig ziek is en daardoor niet in staat is om te reizen.
  • Eén van de partners verblijft buiten Nederland en is nu en in de toekomst niet in staat om te reizen. Bijvoorbeeld een militair in een oorlogsgebied.

Aan personen met een vreemde nationaliteit kan alleen een vergunning worden verleend als hun nationale recht deze mogelijkheid ook kent.

De procedure is nagenoeg dezelfde als vroeger. Er dient huwelijksdispensatie te worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. De aanstaande echtgenoot of echtgenote die niet in staat is om bij de formele huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn, dient zich bij volmacht te laten vertegenwoordigen. Deze volmacht kan alleen worden verleend via een notariële volmachtakte. Degene die wordt gemachtigd, de volmachtnemer, hoeft niet te voldoen aan bijzondere eisen. Zelfs meerderjarigheid is geen vereiste!
 
 
Bronnen: Javapost, Wikipedia en Justis

De handschoen

19 augustus 2017 at 22:00

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers


 
 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Handschoen van Toetanchamon

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod


 
 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van bisschop Nicolaus Shiner, 1510

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van Bisschop Nicolaus Shiner (1510).
Bron: Go Leather Gloves


 
 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart


 
 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde lederen handschoenen

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden


 
 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.
 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum Amsterdam


 
 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Over dit onderwerp in een volgend artikel meer.
 
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Go Leather Gloves, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden
 

Volkstellingen gratis tot 20 augustus a.s.

17 augustus 2017 at 00:56

 
Heeft u geen account bij My Heritage dan kunt u toch tot 20 augustus a.s. enkele indexen gratis inzien. Het betreft de volkstellingen van de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, Denemarken, Zweden en Finland.
Wanneer er achter een naam een groen blokje wordt getoond met ‘gratis’ kunt u dit zoekresultaat (met veelal een scan) zonder account inzien. Let wel: niet alle aan de rechterkant vertoonde indexen zijn zonder account te bekijken.

Link: My Heritage

 

Deense volkstelling van 1850

Deense volkstelling van 1850.


 
 

De terechtstelling van Maritje de gifmengster

27 juli 2017 at 21:21

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn stamboom voorkomt lijkt Maritje toch geen familie te zijn en is de enige gemene deler de patroniem Jansen. Dat maakt haar levensverhaal echter niet minder intrigerend.

Maritje Jansen, in de ‘media’ vermeld onder de naam Maria, wordt in 1677 in Bennekom geboren als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Rijnsteeg in Bennekom, behorende bij het landgoed van kasteel Hoekelum. Op 21 december 1697 legt ze in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Bennekom belijdenis van het geloof af.

 

Boerderij De Grampel

Boerderij De Grampel
Bron: drimble.nl (Informatie: Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Gemaakt op: 1 mei 1977)

 

Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 

In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Maritje zal vanaf 1710 gedurende zeven jaar als inwonende dienstmeid aan het werk gaan bij een paardenmeester. Hier leert zij het nodige over medicijnen en gif.
In 1720 wordt zij boerenmeid bij Teunis Janssen met wie zij een relatie krijgt. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Maritje zet haar teleurstelling om in wraak en koopt rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende apotheker in Wageningen, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen, nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Gerrit heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Op 21 juli 1726 trouwt het stel in Bennekom. En dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje en daarmee de relatie met Gerrit is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: zoekakten.nl

 

Maritje bekent uiteindelijk de vijfvoudige moord op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Vanaf 1713 worden alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en 't Hof van Nassau (1649)

De Oude Markt in Arnhem met het oude stadhuis (9) en ’t Hof van Nassau (10) in 1649.
Bron: arneym.nl

 

Nadat het lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt ze op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept, aldaar met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel’.
Dat de Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, hiervoor een prima locatie is moge duidelijk zijn, aangezien al het (handels)verkeer over deze weg naar het noorden gaat.

Hoe afschuwelijk haar daden ook zijn geweest; de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

De Tijd, 12 februari 1885

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: delpher.nl

 

Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland (website niet meer toegankelijk op internet)
 
 

Lexkesveer

2 juli 2017 at 23:23

 
Als geboren en getogen ‘Woageningse’ heb ik heel wat tochtjes met het Lexkesveer gemaakt. Ondanks dat we het vroeger thuis niet ‘breed’ hadden kon er in de vakantie toch altijd wel een oversteek met de pont vanaf met als kers op de taart een ijsje aan de ‘overkant’.

Wageningen lag vroeger aan een ‘voorde’ in de Nederrijn, een doorwaadbare plek in de rivier. Oude bescheiden wijzen erop dat de Batavieren daar al ter plaatse hun overgang over de rivier hadden. Zodra er hoogwater dreigde werd hun vee uit de grazige weiden van de Betuwe in veiligheid gebracht op de heuvels van de Veluwe.

 

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant.
Bron: © Pieter ten Brinke (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende via Hans Holleman)

 
Het Lexkesveer, het oudste veer over de Nederrijn, is de veerverbinding tussen Wageningen aan de Veluwekant en Randwijk aan de Betuwekant. De veerverbinding bestaat al in de Middeleeuwen en lag op een belangrijke route vanuit het noorden, via de Diedenweg en de Holleweg, naar het zuiden via de Betuwe.
In de rekenboeken van de stad Nijmegen wordt in 1426 melding gemaakt van ‘den veer tot lexkenshuys’. In een akte van 3 juni 1492 wordt geschreven over een uiterwaarde, gelegen bij ‘Leexken aen ’t veerstat’, behorende tot de bezittingen van kasteel Grunsfoort bij Renkum. De Spanjaarden maken in de zestiende eeuw gretig gebruik van het veer. De Fransen hebben het veer niet nodig om Wageningen binnen te vallen; zij kunnen in 1795 op deze plek over het ijs de oversteek maken.

 

Wageningen, kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654

Kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654.
Bron: edward-wells.nl

 
De naam Lexkesveer is nauw verwant aan Lakemond, een buurtschap aan de zuidkant van de Nederrijn tegenover Wageningen, wat van 1539 tot 1817 bij Wageningen hoort. Lakemond (Lackemont, Leakmonde of Lackmonde) zelf zal zijn naam ontleend hebben aan een klein riviertje dat daar gestroomd moet hebben. Dit riviertje de ‘Lake’ (Lakia, Leckia of Lek) dankt zijn ontstaan aan de vele ‘lexkens’ oftewel ‘wellen’, die daar aanwezig zijn. Het Lexkesveer is dus in oorsprong een veer in de nabijheid van deze lexkens.

Van 1741 tot 1804 is het Lexkesveer in eigendom van Nijmegen en Wageningen. Voor een periode van zes jaar kan het veer en toebehoren gepacht worden. In 1783 behoort hiertoe ‘het groote Veerhuis, Schuur, Stallinge, Bouwhuis en het geene verder daartoe behoort’. In 1804 wordt door de Magistraat der stad Wageningen onder andere ‘de helft van het van ouds vermaard Lexkesvheer” verkocht en komt de pont daarmee in particuliere handen. Waarschijnlijk is Baron Lynden van Hemmen de nieuwe eigenaar geworden. Zijn kleinzoon zal enkele decennia later eigenaar zijn. In 1912 wordt gemeente Wageningen de nieuwe eigenaar van het Lexkesveer voor de som van achtendertigduizend gulden. In de koopsom zijn inbegrepen de ijzeren gierpont, het veerhuis en circa vijf hectaren landerijen. Om een idee te krijgen van de jaarlijkse pacht; van 1883 tot 1889 wordt een jaarlijks bedrag betaald van zeventienhonderd gulden. De zes jaren die erop volgen zal dit vierentwintighonderdveertig  gulden per jaar bedragen.
Dat de Rijn nog een schone rivier is blijkt wel uit een krantenartikel uit 1850. Baron Lynden van Hemmen en Baron de Constant Rebecque de Villars verpachten voor de tijd van zes jaar ‘de visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn, beneden het Lexkesveer tot boven het Heusdensche veer ’.

 

Amsterdamse Courant, 27 september 1783

Het ‘publicq verpagten in ’t nagemelde Veerhuis”; Amsterdamse Courant, 27 september 1783.
Bron: delpher.nl

 

Utrechtsche courant, 25 januari 1804

Verkoop door de Magistraat der Stad Wageningen; Utrechtsche courant van 25 januari 1804.
Bron: delpher.nl

 

Arnhemsche Courant, 3 september 1850

Het verpachten van de ‘visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn; Arnhemsche Courant, 3 september 1850.
Bron: delpher.nl

 
Halverwege de negentiende eeuw zijn Jacobus en Janna van de Pol de uitbaters van het Pension-Hotel ‘Het Lexkesveer’, gelegen aan de Wageningse kant van de veerverbinding. In 1875 koopt een lid van familie van de Pol het badhuis in de Rijn aan, dat tot dan in handen van een vennootschap is geweest. Tegelijkertijd vat hij het plan op om een rijtuigdienst tussen de stad en het badhuis te bewerkstelligen, hetgeen ‘velen te dezer plaatse met genoegen zullen vernemen’.

 

Pension-Hotel Lexesveer

Pension-Hotel Lexesveer
Bron: Historische Vereniging Oud Wageningen

 

Hotel Lexkesveer circa 1896-1910; collectie van de Lugt.

Hotel Lexkesveer circa 1906 met rechts het badhuis; collectie familie van de Lugt.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Na het overlijden van Jacobus in 1872 zet de weduwe de onderneming voort. Dit mondt enkele jaren later uit in een slepende ‘quaestie’ tussen weduwe Van de Pol en de eigenaar van het Lexkesveer, baron Lynden van Hemmen, over het recht tot aanleggen van de gierpont. Volgens weduwe Van de Pol zijn de bovenste twee veerdammen of stoepen haar eigendom en verbiedt om deze reden het aanleggen, waardoor de overtocht wordt bemoeilijkt of helemaal niet kan plaatsvinden. In dit laatste geval geschiedt de overtocht per roeiboot. Een anonieme schrijver doet in een ingezonden bericht naar ‘Het nieuws van de dag; kleine courant’ precies uit de doeken hoe volgens hem de vork in de steel zit.

 

Het nieuws van den dag kleine courant, 20 december 1884

Ingezonden brief in ‘Het nieuws van den dag, kleine courant’ van 20 december 1884 met uitleg over de ‘quaestie’.
Bron: delpher.nl

 
Met dag- en nachtvaarten tot 1983 kan het haast niet anders dan dat er ook wel eens iets misgaat met of rond de pont. Zo komt het Lexkesveer op 20 december 1895 in aanvaring met de stoomboot Concordia. De schade aan beide vaartuigen is aanzienlijk; de brug van de pont is verbrijzeld en de bomen beschadigd. De stoomboot heeft een groot gat in het voorsteven.
In juni 1907 eindigt een zondagsritje voor een viertal met een enkeltje per trein naar huis. Een gezelschap uit Zutphen, bestaande uit twee heren en twee dames, wil vanuit de Betuwe met de automobiel met de veerpont oversteken. Op de afweg naar de pont stapt het gezelschap uit om te bekijken hoe de automobiel erop moet. Echter, de automobiel begint uit eigen beweging de helling af te rollen en belandt, ondanks verwoede pogingen om haar tegen te houden, in de Rijn.
Het wordt een tochtje van ruim twintig minuten voor de passagiers op een woensdagmiddag in oktober 1937. Een motorschip vaart zo dicht langs de pont dat de beide kabels, waarlangs de pont vaart, breken en het stuurloos tweehonderd meter de Rijn afdrijft tot het anker wordt uitgeworpen. Een opkomend motorschip brengt het veer weer naar de voorstoep, waar de passagiers veilig aan land kunnen.
Een ander voorval met een lange nasleep vindt plaats op 30 juli 1957, waardoor de veerpont is gezonken. Na uitgebreid onderzoek verschijnt in de bijlage van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959 het verslag van de Raad voor de Scheepsvaart.

 

Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart, bijvoegsel van de Ned Staatscourant van 10 september 1959, nr 175

Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart; bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959, nr. 175.
Bron: delpher.nl

 
In de loop der tijden heeft het Lexkesveer heel wat veranderingen ondergaan. Aan het Lexkesveer is in oktober 1900 de eerste ijzeren veerpont in de Rijn in de vaart gebracht. Vervaardigd en geleverd door de H.H. Meijer te Zaltbommel en Leeuwen, voor rekening van dhr. J. van de Pol. In 1928 wordt de pont voorzien van een degelijke en praktische afsluiting, namelijk valbomen. De stoompont van het Katerveer in Zwolle, die buiten dienst is gesteld, gaat in 1930 de inmiddels oude en afgedankte gierpont van het Lexkesveer vervangen. Hierdoor ontstaat er een snellere veerverbinding.

 

Het Lexkesveer rond 1919.
Bron: dordtsekaart.nl

 

Rotterdamsch nieuwsblad, 7 maart 1930

De stoompont van het Katerveer met op de voorgrond de oude afgedankte gierpont; Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 maart 1930.
Bron: delpher.nl

 
Aangezien de vervoersmiddelen steeds groter en zwaarder worden en elkaar amper kunnen passeren over de Wageningse Berg is er de noodzaak tot een oplossing. Als werkverschaffingsproject wordt de huidige Westbergweg grotendeels met de hand uitgegraven en op 15 mei 1939 feestelijk geopend. Goed nieuws voor de beheerder van het Lexkesveer, aangezien het veer nu veel makkelijker voor al het verkeer bereikbaar is. In januari 1952 komt er bovendien een nieuwe motorpont, waarmee nu zelfs de zwaarste voertuigen kunnen worden overgezet. Ruim vijf jaar later zal deze pont jammerlijk genoeg zinken.

 

Lexkesveer

Het Lexkesveer zoals we het nu kennen.
Bron: © Michael van den Berg (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Door de weersomstandigheden is de veerverbinding uiteraard lang niet altijd mogelijk. Zodra het maar enigszins kan wordt het vervoer over het water gedaan met een roeiboot. Toch kan het gebeuren dat de Nederrijn helemaal dichtgevroren is, zoals in de strenge winters van 1939-1940 en 1962-1963. Dan wordt er door middel van planken een voetpad over de Rijn aangelegd, zodat het verkeer voor voetgangers en wielrijders mogelijk is. Ook wordt er wel gebruik gemaakt van boompjes of staande takken op het ijs om een soort van hek langs een schoongemaakt voetpad te creëren. Op die manier kan er ondanks dat het veer buiten bedrijf is toch veergeld gevraagd worden.

 

Arnhemsche courant, 18 januari 1940

Een bericht van de ANWB, dat gedurende enkele weken in de kranten verscheen; Arnhemsche Courant van 18 januari 1940.
Bron: delpher.nl

 

Lexkesveer, winter 1939-1940

Lopend over de Rijn in de winter van 1939-1940.
Bron: fotos.serc.nl

 

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963.
Bron: © Mart Spijker (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan Michael van den Berg, Pieter ten Brinke, Hans Holleman en Mart Spijker voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit hun eigen collectie.

Bronnen: Wikipedia, Delpher, Wagenings Fotoalbum, Digibron en Oud Wageningen

 

Het poëziealbum

18 mei 2017 at 22:59

 
Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie door Antonius Watson

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.

 

Album amoricum van Meindert van Idzarda

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 

Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: commons.wikimedia.org

 

Album amoricum van Egbert Philip van Visvliet

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Album amoricum van Burchard Grossmann

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: wereldaanboeken. ub.rug.nl

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: dbnl.org, nl.wikipedia.org en kunst-en-cultuur.infonu.nl.
 

Neef Niclaes Piquenoij

7 mei 2017 at 13:52

 
Het echtpaar Christophorus Knowles en Sara Louwens ken ik al jaren. Over Christophorus zijn met name via zijn beroep als predikant wel gegevens te vinden, zij het mondjesmaat. Sara en haar familie daarentegen blijven in nevelen gehuld. Tot de herontdekking van een naam in een kerkregister; ooit al eens gelezen, maar er om onverklaarbare redenen nooit iets mee gedaan: ‘… waer voor Niclaes Piquenoij als neve.’ Kijk, dat opent perspectieven. Had er een naam gestaan in de trant van Joannes Hendricksen dan waren we verder van huis geweest!

 

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663.
Bron: allegroningers.nl

 
De naam Niclaes Piquenoij is al snel gevonden in de variant Nicolaes Eliasz Pickenoy, een bekende kunstschilder van portretten en schutterstukken. Zijn ouders zijn de beide uit Antwerpen afkomstige wapen- en zegelsnijder Elias Claesz Pickenoy en Hijltgen Pickhof, alias Heijltje Laurens ’s Jonge. Na hun trouwen in 1586 gaan ze in de Warmoesstraat achter de Oude Kerk wonen. In deze kerk, gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, wordt Nicolaes dan op 10 januari 1588 gedoopt.
Nicolaes komt in de leer bij, naar men zegt, de meest succesvolle portretschilder van de oudere generatie Cornelis van der Voort. Wanneer dit zich afspeelt is niet bekend, maar het vroegst gedateerde portret van Nicolaes stamt uit 1617, zo’n vier jaar voor zijn huwelijk met de Amsterdamse Levina Bouwens, afkomstig uit een regentenfamilie. Levina is de dochter van Lieven Bouwens en Sara Gerrits van Tricht. En dat is niet het enige. Levina heeft namelijk ook een oudere zus Magdalena. En… Magdalena is getrouwd met de predikant Abelus Louwens uit Loppersum. Daar komt de naam Louwens in beeld! Dat maakt Nicolaes Eliasz Pickenoy dus de aangetrouwde oom van Sara.

 

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627)

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627).
Bron: nl.wikipedia.org

 
Nicolaes en Levina blijven na hun trouwen in de buurt van de Oude Kerk wonen op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Arend Jacobsz Steeg of Duifjessteeg. Hier worden acht van hun tien kinderen geboren, waaronder een zoon Nicolaes, die op 2 februari 1634 in de Oude Kerk is gedoopt. Neef Nicolaes is gevonden! Helaas is er over hem geen enkele verdere informatie te vinden. Ik besluit dan ook maar de levensloop van zijn vader verder te volgen om op die manier toch een aantal decennia uit het leven van neef Nicolaes mee te krijgen.
 

Doop Niclaes, Amsterdam 10 januari 1588, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof

Doop Niclaes, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof; Amsterdam 10 januari 1588 (Oude Kerk)
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Doop Nicolaes, Amsterdam 2 februari 1634 Oude Kerk NH

Doop Nicolaes, zoon van Nicolaes Elijasz en Levina Bouwens; Amsterdam, 2 februari 1634 (Oude Kerk).
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Nicolaes is in 1629 en 1634 overman van het Amsterdamse Sint Lucasgilde van kunstenaars en kunstambachtslieden, gezeteld in de Waag. In 1637 koopt de inmiddels populaire kunstschilder het grote huis op de hoek van de Sint Antoniesbreestraat, de huidige Jodenbreestraat en de Zwanenburgwal van de beroemde kunsthandelaar, en neef van Rembrandts vrouw Saskia, Hendrick Uylenburgh. Oorspronkelijk is dit het huis en atelier van leermeester Cornelis van der Voort. Na het overlijden van Cornelis in 1624 wordt de inventaris geveild en zijn kunsthandel overgenomen door Hendrick Uylenburgh. Vanaf 1615 zal dit pand gedurende dertig jaar dan ook bekend staan als portretwinkel en schilderswerkplaats. Het huis is gelegen in het centrum van de Amsterdamse kunstmarkt; een plek waar de elite zich in die tijd graag vestigt.

Rembrandt van Rijn wordt in 1639 zijn nieuwe buurman. Hij komt naast Nicolaes wonen in het grote koopmanshuis, het huidige Rembrandthuis. De huizen van Rembrandt en Nicolaes zijn gunstig op het noorden gelegen en dus uiterst geschikt om als werkplaats voor portretten en grote schuttersstukken te dienen.
Nicolaes staat bekend om zijn trage manier van werken. Op het moment dat hij benaderd wordt voor een opdracht kan hij daar om die reden dan ook geen tijd voor vrijmaken aangezien hij nog bezig is met een schuttersstuk. De opdracht gaat vervolgens via de ‘schilderswinkel’ van Hendrick Uylenburgh naar Rembrandt en zal bekend worden als ‘De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp’ (1632)’.

 

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.
Bron: beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/010097006236

 
De beide buurmannen krijgen in 1639, samen met nog enkele kunstenaars, de opdracht om een groepsportret van een schutterscompagnie voor de nieuwe Grote Zaal van de Kloveniersdoelen te maken. Voor Rembrandt wordt dit ‘Officieren en andere schutters van wijk II in Amsterdam onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch’ (1642), beter bekend als de ‘Nachtwacht’ en voor Nicolaes ‘Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde’ (1642). Anders dan Rembrandt zet Nicolaes alle mannen er goed zichtbaar op. Het zijn immers zijn opdrachtgevers en hebben per persoon zo’n zestig gulden betaald.

Vanwege zijn eerder genoemde trage werkwijze wordt er tussen zijn vroegere leerling Bartholomeus van der Helst en de apotheker Pieter Harbers, die op het bewuste schuttersstuk staat afgebeeld, een weddenschap aangegaan. Volgens Bartholomeus van der Helst zal Nicolaes niet in staat zijn om het schuttersstuk op de vastgestelde datum van 28 juli 1642 af te hebben. Pieter Harbers heeft er alle vertrouwen in dat het Nicolaes wel gaat lukken. De inzet is een ‘stuck schilderij met verscheyden conterfeijtsels’ dat hij voor de apotheker zal maken. In het geval dat de schilder de weddenschap gaat verliezen, krijgt de apotheker het schilderij. Verliest de apotheker de weddenschap dan moet hij de schilder het dubbele van de eerder overeengekomen prijs voor het portret betalen. Nicolaes moet een tandje hebben bijgezet, want hij weet het schilderij voor de afgesproken datum te voltooien…

 

Schutters van de compagnie van kapitein Jan Claesz. van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde (1642) door Nicolaes Eliasz Pickenoy

Schutters van de compagnie van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde (1642) door Nicolaes Eliasz Pickenoy.
Bron: geni.com

 
De beide schuttersstukken hebben een behoorlijk forse afmeting. Het vermoeden bestaat dat Rembrandt zijn ‘Nachtwacht’ buiten onder een afdak op zijn binnenplaats heeft geschilderd. Na voltooiing is het schilderij in opgerolde staat via een vrije uitgang onder het huis van buurman Nicolaes tot de Zwanenburgwal naar buiten gebracht. Waarschijnlijk heeft Nicolaes zijn schuttersstuk in zijn eigen werkplaats vervaardigd. Deze werkplaats zal dus hoger en groter zijn geweest dan die van Rembrandt.

Nicolaes verkoopt uiteindelijk het hoekhuis in 1645 voor negenduizend gulden. Twee jaar later wordt bij het huwelijk van zijn dochter vermeld dat hij woonachtig is op de Singel. Wanneer hij is overleden is niet bekend, maar in oktober 1656 wordt zijn vrouw Levina als zijnde zijn weduwe vermeld in een akte. Levina wordt op 29 november 1662 op het Amsterdamse Karthuizer Kerkhof begraven.

De familieband tussen de beide Amsterdamse en Groningse families moet goed zijn geweest, aangezien neef Nicolaes de moeite heeft genomen om zijn nicht Sara bij te staan. Zeker voor die tijd zal de reis een hele onderneming zijn geweest. En dankzij zijn naam heb ik nu, ruim driehonderdvijftig jaar later, aansluiting gekregen op nog eens tweehonderd jaar Groningse familiegeschiedenis. Hij moest eens weten!

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: scriptio.nl, rembrandthuis.nl, apps.carleton.edu, nl.wikipedia.org, dspace.library.uu.nl en nl.wikipedia.org