Volkstellingen gratis tot 20 augustus a.s.

17 augustus 2017 at 00:56

 
Heeft u geen account bij My Heritage dan kunt u toch tot 20 augustus a.s. enkele indexen gratis inzien. Het betreft de volkstellingen van de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Ierland, Denemarken, Zweden en Finland.
Wanneer er achter een naam een groen blokje wordt getoond met ‘gratis’ kunt u dit zoekresultaat (met veelal een scan) zonder account inzien. Let wel: niet alle aan de rechterkant vertoonde indexen zijn zonder account te bekijken.

Link: My Heritage

 

Deense volkstelling van 1850

Deense volkstelling van 1850.


 
 

De terechtstelling van Maritje de gifmengster

27 juli 2017 at 21:21

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn stamboom voorkomt lijkt Maritje toch geen familie te zijn en is de enige gemene deler de patroniem Jansen. Dat maakt haar levensverhaal echter niet minder intrigerend.

Maritje Jansen, in de ‘media’ vermeld onder de naam Maria, wordt in 1677 in Bennekom geboren als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Rijnsteeg in Bennekom, behorende bij het landgoed van kasteel Hoekelum. Op 21 december 1697 legt ze in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Bennekom belijdenis van het geloof af.

 

Boerderij De Grampel

Boerderij De Grampel
Bron: drimble.nl (Informatie: Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Gemaakt op: 1 mei 1977)

 

Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 

In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Maritje zal vanaf 1710 gedurende zeven jaar als inwonende dienstmeid aan het werk gaan bij een paardenmeester. Hier leert zij het nodige over medicijnen en gif.
In 1720 wordt zij boerenmeid bij Teunis Janssen met wie zij een relatie krijgt. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Maritje zet haar teleurstelling om in wraak en koopt rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende apotheker in Wageningen, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen, nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Gerrit heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Op 21 juli 1726 trouwt het stel in Bennekom. En dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje en daarmee de relatie met Gerrit is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: zoekakten.nl

 

Maritje bekent uiteindelijk de vijfvoudige moord op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Vanaf 1713 worden alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en 't Hof van Nassau (1649)

De Oude Markt in Arnhem met het oude stadhuis (9) en ’t Hof van Nassau (10) in 1649.
Bron: arneym.nl

 

Nadat het lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt ze op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept, aldaar met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel’.
Dat de Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, hiervoor een prima locatie is moge duidelijk zijn, aangezien al het (handels)verkeer over deze weg naar het noorden gaat.

Hoe afschuwelijk haar daden ook zijn geweest; de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

De Tijd, 12 februari 1885

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: delpher.nl

 

Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland (website niet meer toegankelijk op internet)
 
 

Lexkesveer

2 juli 2017 at 23:23

 
Als geboren en getogen ‘Woageningse’ heb ik heel wat tochtjes met het Lexkesveer gemaakt. Ondanks dat we het vroeger thuis niet ‘breed’ hadden kon er in de vakantie toch altijd wel een oversteek met de pont vanaf met als kers op de taart een ijsje aan de ‘overkant’.

Wageningen lag vroeger aan een ‘voorde’ in de Nederrijn, een doorwaadbare plek in de rivier. Oude bescheiden wijzen erop dat de Batavieren daar al ter plaatse hun overgang over de rivier hadden. Zodra er hoogwater dreigde werd hun vee uit de grazige weiden van de Betuwe in veiligheid gebracht op de heuvels van de Veluwe.

 

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant.
Bron: © Pieter ten Brinke (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende via Hans Holleman)

 
Het Lexkesveer, het oudste veer over de Nederrijn, is de veerverbinding tussen Wageningen aan de Veluwekant en Randwijk aan de Betuwekant. De veerverbinding bestaat al in de Middeleeuwen en lag op een belangrijke route vanuit het noorden, via de Diedenweg en de Holleweg, naar het zuiden via de Betuwe.
In de rekenboeken van de stad Nijmegen wordt in 1426 melding gemaakt van ‘den veer tot lexkenshuys’. In een akte van 3 juni 1492 wordt geschreven over een uiterwaarde, gelegen bij ‘Leexken aen ’t veerstat’, behorende tot de bezittingen van kasteel Grunsfoort bij Renkum. De Spanjaarden maken in de zestiende eeuw gretig gebruik van het veer. De Fransen hebben het veer niet nodig om Wageningen binnen te vallen; zij kunnen in 1795 op deze plek over het ijs de oversteek maken.

 

Wageningen, kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654

Kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654.
Bron: edward-wells.nl

 
De naam Lexkesveer is nauw verwant aan Lakemond, een buurtschap aan de zuidkant van de Nederrijn tegenover Wageningen, wat van 1539 tot 1817 bij Wageningen hoort. Lakemond (Lackemont, Leakmonde of Lackmonde) zelf zal zijn naam ontleend hebben aan een klein riviertje dat daar gestroomd moet hebben. Dit riviertje de ‘Lake’ (Lakia, Leckia of Lek) dankt zijn ontstaan aan de vele ‘lexkens’ oftewel ‘wellen’, die daar aanwezig zijn. Het Lexkesveer is dus in oorsprong een veer in de nabijheid van deze lexkens.

Van 1741 tot 1804 is het Lexkesveer in eigendom van Nijmegen en Wageningen. Voor een periode van zes jaar kan het veer en toebehoren gepacht worden. In 1783 behoort hiertoe ‘het groote Veerhuis, Schuur, Stallinge, Bouwhuis en het geene verder daartoe behoort’. In 1804 wordt door de Magistraat der stad Wageningen onder andere ‘de helft van het van ouds vermaard Lexkesvheer” verkocht en komt de pont daarmee in particuliere handen. Waarschijnlijk is Baron Lynden van Hemmen de nieuwe eigenaar geworden. Zijn kleinzoon zal enkele decennia later eigenaar zijn. In 1912 wordt gemeente Wageningen de nieuwe eigenaar van het Lexkesveer voor de som van achtendertigduizend gulden. In de koopsom zijn inbegrepen de ijzeren gierpont, het veerhuis en circa vijf hectaren landerijen. Om een idee te krijgen van de jaarlijkse pacht; van 1883 tot 1889 wordt een jaarlijks bedrag betaald van zeventienhonderd gulden. De zes jaren die erop volgen zal dit vierentwintighonderdveertig  gulden per jaar bedragen.
Dat de Rijn nog een schone rivier is blijkt wel uit een krantenartikel uit 1850. Baron Lynden van Hemmen en Baron de Constant Rebecque de Villars verpachten voor de tijd van zes jaar ‘de visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn, beneden het Lexkesveer tot boven het Heusdensche veer ’.

 

Amsterdamse Courant, 27 september 1783

Het ‘publicq verpagten in ’t nagemelde Veerhuis”; Amsterdamse Courant, 27 september 1783.
Bron: delpher.nl

 

Utrechtsche courant, 25 januari 1804

Verkoop door de Magistraat der Stad Wageningen; Utrechtsche courant van 25 januari 1804.
Bron: delpher.nl

 

Arnhemsche Courant, 3 september 1850

Het verpachten van de ‘visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn; Arnhemsche Courant, 3 september 1850.
Bron: delpher.nl

 
Halverwege de negentiende eeuw zijn Jacobus en Janna van de Pol de uitbaters van het Pension-Hotel ‘Het Lexkesveer’, gelegen aan de Wageningse kant van de veerverbinding. In 1875 koopt een lid van familie van de Pol het badhuis in de Rijn aan, dat tot dan in handen van een vennootschap is geweest. Tegelijkertijd vat hij het plan op om een rijtuigdienst tussen de stad en het badhuis te bewerkstelligen, hetgeen ‘velen te dezer plaatse met genoegen zullen vernemen’.

 

Pension-Hotel Lexesveer

Pension-Hotel Lexesveer
Bron: Historische Vereniging Oud Wageningen

 

Hotel Lexkesveer circa 1896-1910; collectie van de Lugt.

Hotel Lexkesveer circa 1906 met rechts het badhuis; collectie familie van de Lugt.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Na het overlijden van Jacobus in 1872 zet de weduwe de onderneming voort. Dit mondt enkele jaren later uit in een slepende ‘quaestie’ tussen weduwe Van de Pol en de eigenaar van het Lexkesveer, baron Lynden van Hemmen, over het recht tot aanleggen van de gierpont. Volgens weduwe Van de Pol zijn de bovenste twee veerdammen of stoepen haar eigendom en verbiedt om deze reden het aanleggen, waardoor de overtocht wordt bemoeilijkt of helemaal niet kan plaatsvinden. In dit laatste geval geschiedt de overtocht per roeiboot. Een anonieme schrijver doet in een ingezonden bericht naar ‘Het nieuws van de dag; kleine courant’ precies uit de doeken hoe volgens hem de vork in de steel zit.

 

Het nieuws van den dag kleine courant, 20 december 1884

Ingezonden brief in ‘Het nieuws van den dag, kleine courant’ van 20 december 1884 met uitleg over de ‘quaestie’.
Bron: delpher.nl

 
Met dag- en nachtvaarten tot 1983 kan het haast niet anders dan dat er ook wel eens iets misgaat met of rond de pont. Zo komt het Lexkesveer op 20 december 1895 in aanvaring met de stoomboot Concordia. De schade aan beide vaartuigen is aanzienlijk; de brug van de pont is verbrijzeld en de bomen beschadigd. De stoomboot heeft een groot gat in het voorsteven.
In juni 1907 eindigt een zondagsritje voor een viertal met een enkeltje per trein naar huis. Een gezelschap uit Zutphen, bestaande uit twee heren en twee dames, wil vanuit de Betuwe met de automobiel met de veerpont oversteken. Op de afweg naar de pont stapt het gezelschap uit om te bekijken hoe de automobiel erop moet. Echter, de automobiel begint uit eigen beweging de helling af te rollen en belandt, ondanks verwoede pogingen om haar tegen te houden, in de Rijn.
Het wordt een tochtje van ruim twintig minuten voor de passagiers op een woensdagmiddag in oktober 1937. Een motorschip vaart zo dicht langs de pont dat de beide kabels, waarlangs de pont vaart, breken en het stuurloos tweehonderd meter de Rijn afdrijft tot het anker wordt uitgeworpen. Een opkomend motorschip brengt het veer weer naar de voorstoep, waar de passagiers veilig aan land kunnen.
Een ander voorval met een lange nasleep vindt plaats op 30 juli 1957, waardoor de veerpont is gezonken. Na uitgebreid onderzoek verschijnt in de bijlage van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959 het verslag van de Raad voor de Scheepsvaart.

 

Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart, bijvoegsel van de Ned Staatscourant van 10 september 1959, nr 175

Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart; bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959, nr. 175.
Bron: delpher.nl

 
In de loop der tijden heeft het Lexkesveer heel wat veranderingen ondergaan. Aan het Lexkesveer is in oktober 1900 de eerste ijzeren veerpont in de Rijn in de vaart gebracht. Vervaardigd en geleverd door de H.H. Meijer te Zaltbommel en Leeuwen, voor rekening van dhr. J. van de Pol. In 1928 wordt de pont voorzien van een degelijke en praktische afsluiting, namelijk valbomen. De stoompont van het Katerveer in Zwolle, die buiten dienst is gesteld, gaat in 1930 de inmiddels oude en afgedankte gierpont van het Lexkesveer vervangen. Hierdoor ontstaat er een snellere veerverbinding.

 

Het Lexkesveer rond 1919.
Bron: dordtsekaart.nl

 

Rotterdamsch nieuwsblad, 7 maart 1930

De stoompont van het Katerveer met op de voorgrond de oude afgedankte gierpont; Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 maart 1930.
Bron: delpher.nl

 
Aangezien de vervoersmiddelen steeds groter en zwaarder worden en elkaar amper kunnen passeren over de Wageningse Berg is er de noodzaak tot een oplossing. Als werkverschaffingsproject wordt de huidige Westbergweg grotendeels met de hand uitgegraven en op 15 mei 1939 feestelijk geopend. Goed nieuws voor de beheerder van het Lexkesveer, aangezien het veer nu veel makkelijker voor al het verkeer bereikbaar is. In januari 1952 komt er bovendien een nieuwe motorpont, waarmee nu zelfs de zwaarste voertuigen kunnen worden overgezet. Ruim vijf jaar later zal deze pont jammerlijk genoeg zinken.

 

Lexkesveer

Het Lexkesveer zoals we het nu kennen.
Bron: © Michael van den Berg (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Door de weersomstandigheden is de veerverbinding uiteraard lang niet altijd mogelijk. Zodra het maar enigszins kan wordt het vervoer over het water gedaan met een roeiboot. Toch kan het gebeuren dat de Nederrijn helemaal dichtgevroren is, zoals in de strenge winters van 1939-1940 en 1962-1963. Dan wordt er door middel van planken een voetpad over de Rijn aangelegd, zodat het verkeer voor voetgangers en wielrijders mogelijk is. Ook wordt er wel gebruik gemaakt van boompjes of staande takken op het ijs om een soort van hek langs een schoongemaakt voetpad te creëren. Op die manier kan er ondanks dat het veer buiten bedrijf is toch veergeld gevraagd worden.

 

Arnhemsche courant, 18 januari 1940

Een bericht van de ANWB, dat gedurende enkele weken in de kranten verscheen; Arnhemsche Courant van 18 januari 1940.
Bron: delpher.nl

 

Lexkesveer, winter 1939-1940

Lopend over de Rijn in de winter van 1939-1940.
Bron: fotos.serc.nl

 

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963.
Bron: © Mart Spijker (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan Michael van den Berg, Pieter ten Brinke, Hans Holleman en Mart Spijker voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit hun eigen collectie.

Bronnen: Wikipedia, Delpher, Wagenings Fotoalbum, Digibron en Oud Wageningen

 

Het poëziealbum

18 mei 2017 at 22:59

 
Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie door Antonius Watson

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.

 

Album amoricum van Meindert van Idzarda

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 

Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: commons.wikimedia.org

 

Album amoricum van Egbert Philip van Visvliet

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Album amoricum van Burchard Grossmann

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: wereldaanboeken. ub.rug.nl

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: dbnl.org, nl.wikipedia.org en kunst-en-cultuur.infonu.nl.
 

Neef Niclaes Piquenoij

7 mei 2017 at 13:52

 
Het echtpaar Christophorus Knowles en Sara Louwens ken ik al jaren. Over Christophorus zijn met name via zijn beroep als predikant wel gegevens te vinden, zij het mondjesmaat. Sara en haar familie daarentegen blijven in nevelen gehuld. Tot de herontdekking van een naam in een kerkregister; ooit al eens gelezen, maar er om onverklaarbare redenen nooit iets mee gedaan: ‘… waer voor Niclaes Piquenoij als neve.’ Kijk, dat opent perspectieven. Had er een naam gestaan in de trant van Joannes Hendricksen dan waren we verder van huis geweest!

 

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663.
Bron: allegroningers.nl

 
De naam Niclaes Piquenoij is al snel gevonden in de variant Nicolaes Eliasz Pickenoy, een bekende kunstschilder van portretten en schutterstukken. Zijn ouders zijn de beide uit Antwerpen afkomstige wapen- en zegelsnijder Elias Claesz Pickenoy en Hijltgen Pickhof, alias Heijltje Laurens ’s Jonge. Na hun trouwen in 1586 gaan ze in de Warmoesstraat achter de Oude Kerk wonen. In deze kerk, gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, wordt Nicolaes dan op 10 januari 1588 gedoopt.
Nicolaes komt in de leer bij, naar men zegt, de meest succesvolle portretschilder van de oudere generatie Cornelis van der Voort. Wanneer dit zich afspeelt is niet bekend, maar het vroegst gedateerde portret van Nicolaes stamt uit 1617, zo’n vier jaar voor zijn huwelijk met de Amsterdamse Levina Bouwens, afkomstig uit een regentenfamilie. Levina is de dochter van Lieven Bouwens en Sara Gerrits van Tricht. En dat is niet het enige. Levina heeft namelijk ook een oudere zus Magdalena. En… Magdalena is getrouwd met de predikant Abelus Louwens uit Loppersum. Daar komt de naam Louwens in beeld! Dat maakt Nicolaes Eliasz Pickenoy dus de aangetrouwde oom van Sara.

 

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627)

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627).
Bron: nl.wikipedia.org

 
Nicolaes en Levina blijven na hun trouwen in de buurt van de Oude Kerk wonen op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Arend Jacobsz Steeg of Duifjessteeg. Hier worden acht van hun tien kinderen geboren, waaronder een zoon Nicolaes, die op 2 februari 1634 in de Oude Kerk is gedoopt. Neef Nicolaes is gevonden! Helaas is er over hem geen enkele verdere informatie te vinden. Ik besluit dan ook maar de levensloop van zijn vader verder te volgen om op die manier toch een aantal decennia uit het leven van neef Nicolaes mee te krijgen.
 

Doop Niclaes, Amsterdam 10 januari 1588, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof

Doop Niclaes, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof; Amsterdam 10 januari 1588 (Oude Kerk)
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Doop Nicolaes, Amsterdam 2 februari 1634 Oude Kerk NH

Doop Nicolaes, zoon van Nicolaes Elijasz en Levina Bouwens; Amsterdam, 2 februari 1634 (Oude Kerk).
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Nicolaes is in 1629 en 1634 overman van het Amsterdamse Sint Lucasgilde van kunstenaars en kunstambachtslieden, gezeteld in de Waag. In 1637 koopt de inmiddels populaire kunstschilder het grote huis op de hoek van de Sint Antoniesbreestraat, de huidige Jodenbreestraat en de Zwanenburgwal van de beroemde kunsthandelaar, en neef van Rembrandts vrouw Saskia, Hendrick Uylenburgh. Oorspronkelijk is dit het huis en atelier van leermeester Cornelis van der Voort. Na het overlijden van Cornelis in 1624 wordt de inventaris geveild en zijn kunsthandel overgenomen door Hendrick Uylenburgh. Vanaf 1615 zal dit pand gedurende dertig jaar dan ook bekend staan als portretwinkel en schilderswerkplaats. Het huis is gelegen in het centrum van de Amsterdamse kunstmarkt; een plek waar de elite zich in die tijd graag vestigt.

Rembrandt van Rijn wordt in 1639 zijn nieuwe buurman. Hij komt naast Nicolaes wonen in het grote koopmanshuis, het huidige Rembrandthuis. De huizen van Rembrandt en Nicolaes zijn gunstig op het noorden gelegen en dus uiterst geschikt om als werkplaats voor portretten en grote schuttersstukken te dienen.
Nicolaes staat bekend om zijn trage manier van werken. Op het moment dat hij benaderd wordt voor een opdracht kan hij daar om die reden dan ook geen tijd voor vrijmaken aangezien hij nog bezig is met een schuttersstuk. De opdracht gaat vervolgens via de ‘schilderswinkel’ van Hendrick Uylenburgh naar Rembrandt en zal bekend worden als ‘De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp’ (1632)’.

 

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.
Bron: beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/010097006236

 
De beide buurmannen krijgen in 1639, samen met nog enkele kunstenaars, de opdracht om een groepsportret van een schutterscompagnie voor de nieuwe Grote Zaal van de Kloveniersdoelen te maken. Voor Rembrandt wordt dit ‘Officieren en andere schutters van wijk II in Amsterdam onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch’ (1642), beter bekend als de ‘Nachtwacht’ en voor Nicolaes ‘Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde’ (1642). Anders dan Rembrandt zet Nicolaes alle mannen er goed zichtbaar op. Het zijn immers zijn opdrachtgevers en hebben per persoon zo’n zestig gulden betaald.

Vanwege zijn eerder genoemde trage werkwijze wordt er tussen zijn vroegere leerling Bartholomeus van der Helst en de apotheker Pieter Harbers, die op het bewuste schuttersstuk staat afgebeeld, een weddenschap aangegaan. Volgens Bartholomeus van der Helst zal Nicolaes niet in staat zijn om het schuttersstuk op de vastgestelde datum van 28 juli 1642 af te hebben. Pieter Harbers heeft er alle vertrouwen in dat het Nicolaes wel gaat lukken. De inzet is een ‘stuck schilderij met verscheyden conterfeijtsels’ dat hij voor de apotheker zal maken. In het geval dat de schilder de weddenschap gaat verliezen, krijgt de apotheker het schilderij. Verliest de apotheker de weddenschap dan moet hij de schilder het dubbele van de eerder overeengekomen prijs voor het portret betalen. Nicolaes moet een tandje hebben bijgezet, want hij weet het schilderij voor de afgesproken datum te voltooien…

 

Schutters van de compagnie van kapitein Jan Claesz. van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde (1642) door Nicolaes Eliasz Pickenoy

Schutters van de compagnie van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde (1642) door Nicolaes Eliasz Pickenoy.
Bron: geni.com

 
De beide schuttersstukken hebben een behoorlijk forse afmeting. Het vermoeden bestaat dat Rembrandt zijn ‘Nachtwacht’ buiten onder een afdak op zijn binnenplaats heeft geschilderd. Na voltooiing is het schilderij in opgerolde staat via een vrije uitgang onder het huis van buurman Nicolaes tot de Zwanenburgwal naar buiten gebracht. Waarschijnlijk heeft Nicolaes zijn schuttersstuk in zijn eigen werkplaats vervaardigd. Deze werkplaats zal dus hoger en groter zijn geweest dan die van Rembrandt.

Nicolaes verkoopt uiteindelijk het hoekhuis in 1645 voor negenduizend gulden. Twee jaar later wordt bij het huwelijk van zijn dochter vermeld dat hij woonachtig is op de Singel. Wanneer hij is overleden is niet bekend, maar in oktober 1656 wordt zijn vrouw Levina als zijnde zijn weduwe vermeld in een akte. Levina wordt op 29 november 1662 op het Amsterdamse Karthuizer Kerkhof begraven.

De familieband tussen de beide Amsterdamse en Groningse families moet goed zijn geweest, aangezien neef Nicolaes de moeite heeft genomen om zijn nicht Sara bij te staan. Zeker voor die tijd zal de reis een hele onderneming zijn geweest. En dankzij zijn naam heb ik nu, ruim driehonderdvijftig jaar later, aansluiting gekregen op nog eens tweehonderd jaar Groningse familiegeschiedenis. Hij moest eens weten!

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: scriptio.nl, rembrandthuis.nl, apps.carleton.edu, nl.wikipedia.org, dspace.library.uu.nl en nl.wikipedia.org
 
 

Stadsarchief Amsterdam

16 maart 2017 at 12:37

 
Voor het doorzoeken van de indexen op de website van het Stadsarchief Amsterdam loopt u waarschijnlijk, net als ik deed, de indexen apart af. Dat kan dus makkelijker! Het Stadsarchief geeft hier zelf de oplossing voor. Om alle indexen in één keer op naam te doorzoeken kunt u het volgende doen:

Klik op onderstaande link. Er wordt vervolgens een nieuw tabblad geopend. Zoals u in de URL en in het zoekscherm van de website kunt zien heb ik gezocht op de naam Enklaar. Verander in het zoekscherm deze naam in de naam die u wilt zoeken en u ziet een overzicht van alle indexen waarin deze naam voorkomt.
Het is handig om die URL in uw favorieten op te slaan, zodat u alleen de naam hoeft te wijzigen bij een volgende zoekopdracht.

https://archief.amsterdam/indexen/archiefkaarten_1939-1994/zoek/query.nl.pl?i1=1&a1=enklaar&x=0&z=a
 

Index Stadsarchief Amsterdam

Index Stadsarchief Amsterdam
Bron: Gemeente Amsterdam Stadsarchief


 

Sunlight zeep

15 maart 2017 at 15:22

 
Echt verzamelen doe ik het niet, maar kom ik eens iets tegen wat met Sunlight zeep te maken heeft, een stukje zeep of een vintage reclamebordje, dan is mijn interesse toch wel gewekt. En is de prijs ernaar dan neem ik het dankbaar mee.

Het bruine stuk zeep op de foto heeft mijn oma, samen met nog wat stukken, net na de Bevrijding van de Canadezen gekregen. Zeep was in de oorlog op de bon, dus was het heerlijk om weer genoeg zeep te hebben om lekker mee te kunnen wassen. Ze gebruikte daarvoor nog ouderwets de teil en het wasbord. Een sopje werd gemaakt van ‘geraspte’ zeep. Een zeepklopper heb ik haar nooit zien gebruiken, maar haar kennende vond ze dat waarschijnlijk een overbodige luxe.

‘Voor het geval dat’ hamsterde ze tot op late leeftijd nog altijd zeep en toiletpapier. Dat hing ze zeker niet aan de grote klok, want hamsteren was, en is overigens nog altijd, bij wet verboden. En als ik als kind zijnde niet aan mijn ouders had gevraagd waarom opa en oma zoveel van die spullen op zolder hadden liggen was ik hoogstwaarschijnlijk van het bestaan nooit op de hoogte geweest. Later tijdens de oliecrisis kwamen er ook nog eens vuilniszakken en panty’s bij. Iets waar mijn moeder ook gretig aan mee deed. Je wist immers maar nooit…

 

Sunlight zeep

Sunlight zeep
© Uit de oude Koektrommel

 
Sunlight zeep werd vanaf 1884 gemaakt door het Engelse Lever Brothers en werd zowel gebruikt voor het wassen van kleren als voor algemeen gebruik in het huishouden. Het doel van William Lever was om een goede huishoudzeep te ontwikkelen, te verpakken, het een populaire naam te geven en het te verkopen tegen een redelijke prijs. Zeep werd daardoor steeds meer een gemeengoed.
De gebruikte zeepformule werd uitgevonden door de chemicus William Hough Watson, die de nieuwe zeep ontwikkelde met behulp van glycerine en plantaardige oliën. Doordat het product kopra of pijnboompittenolie bevatte, schuimde het beter dan de conventionele, van dierlijke vetten gemaakte zeepsoorten.

Nadat Lever Brothers in 1907 te Schiedam een verkoopkantoor had geopend om de Sunlight zeep, in de volksmond ‘Sun-licht’, op de Nederlandse markt te brengen, was het de bedoeling van het bedrijf om ook een eigen fabriek in Nederland te vestigen. Daarvoor werd in 1909 een stuk grond in Vlaardingen gekocht. Het zou echter tot 1917 duren voordat de eerste productie plaatsvond. Een intensieve reclamecampagne moest de zeep aan de man, of liever gezegd aan de vrouw brengen. In 1930 ging Lever Brothers met Margarine Unie samen en vormde Unilever.

 

Reclame van Lever's Zeep Maatschappij Vlaardingen

Reclame van Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen.
Bron: oretro.nl (Via: pinterest.com)

 
In de Tweede Wereldoorlog was Sunlight zeep verkrijgbaar op de bon. In het begin ook nog in de bekende kleurrijke verpakking, maar naarmate de schaarste toenam in de witte oorlogsverpakking. Na 1946 heeft Sunlight het lettertype op de verpakking veranderd naar een meer bol lettertype. De vooroorlogse verpakking en de verpakking van na de oorlog zijn dus door het lettertype te herkennen.

Al die jaren zijn de gebruikte en ongebruikte zeepjes zorgvuldig door mijn oma bewaard tot ze aan mij, haar oudste kleinkind, zijn doorgegeven voor het ‘nageslacht’. Daar stelde zij veel belang in en ze wist dat ik dat met zekerheid ook zou doen. Samen met nog wat memorabilia pronken ze alweer jaren in mijn vitrinekast. De reële waarde is natuurlijk geheel te verwaarlozen, maar de herinnering en de verhalen maken het onbetaalbaar…

Tekst: Uit de oude Koektrommel

Bronnen: Poetsacademy, WO2Verzameling en Wikipedia.

 

Reclame Sunlight Zeep

Reclame Sunlight Zeep.
Bron: adviz.nl (Via: pinterest.com)


 

Hoe het omhakken van een boom kon leiden tot een oorlog

12 februari 2017 at 22:45

 
De familie van Kleij vindt zijn oorsprong, voor zover ik kan nagaan, in Meerkerk. Terwijl ik op zoek was naar de geschiedenis van deze plaats kwam ik het (gruwelijke) verhaal tegen over hoe in de veertiende eeuw in deze regio het omhakken van een boom kon leiden tot een oorlog.

Om het één en ander goed te kunnen begrijpen aan het verhaal is het handig om wat kennis te hebben van de regionale machtsverhoudingen ten tijde van het gebeuren.

Heer Otto van Arkel komt uit de gelijknamige en machtige familie, die in Gorcum zetelt. Meerkerk behoort toe aan het land van familie Van Vianen. Ameide wordt bestuurd door de familie Van Herlaer. De families Van Vianen en Van Herlaer hebben gemeenschappelijke belangen, aangezien Heilwich, de dochter van Jan van Herlaer is getrouwd met Hendrik van Vianen. Samen vormen zij in feite een front tegen de Van Arkels. Daarbij komt ook nog dat de familie van Arkel tot de Kabeljauwen behoort en de beide andere families tot de Hoeken.
 

Gezicht op Vianen

Gezicht op Vianen.
Bron: stedelijkmuseumvianen.nl

 
We schrijven het jaar 1388. Vier rijke kooplieden uit Gorcum zijn naar Utrecht geweest om wat zaken te regelen. Het is ‘meiavond’, de laatste dag van de grasmaand. De terugreis loopt via Vianen en terwijl ze daar een herberg passeren worden ze door een aantal bekenden naar binnen geroepen voor een maal en wat wijn. Het wordt een gezellig vertoeven, waarbij de wijn rijkelijk vloeit en de tijd langzaam doortikt.
In de herberg raken de Gorcummers ook in gesprek met een Meerkerkse boer. De boer heeft op zijn grond vele bomen staan. Aangezien het destijds al gebruikelijk is om op meiavond voor de huizen van ‘de aanzienlijkste der stad’ een meiboom te planten komt al snel de vraag van de Gorcummers aan de boer of zij soms een meiboom op zijn land mogen kappen om in Gorcum te planten. Dit vindt de boer geen enkel probleem. Het mogen er zelfs wel twee of drie zijn. Als dank betalen zij ‘het verteerde gelag’ van de boer en vertrekken richting Meerkerk.
 

Planten van een meiboom

Planten van een meiboom.
Bron (bewerkt): tegels-uit-rotterdam.com

 
Aangekomen bij het huis van de boer delen de vier kooplieden aan de boerin mede dat zij permissie hebben van haar man om meerdere bomen te kappen, maar dat zij er echter maar één hoeven te hebben. Direct daarop beginnen zij te hakken. De boerin is natuurlijk niet bekend met de afspraak en vertrouwt het zaakje niet. Zij zet vervolgens ‘de balg open’ en begint te roepen en te schreeuwen om de buren te alarmeren. De buren schieten, gewapend met wat maar voor handen is, te hulp en vallen als ‘dolle honden’ de indringers aan. Twee kooplieden vinden direct de dood en de overige twee worden dodelijk verwond.
De schipper die de Gorcummers vervoerde komt ongeschonden uit de strijd; hij krijgt niet ‘met die selve zaus’. Hij brengt ze alle vier naar Gorcum, waar Otto van Arkel en zijn zoon Jan onmiddellijk worden ingelicht, en toont ‘de lijken en doorhakte’.

Otto van Arkel besluit de zaak grondig te onderzoeken en informeert bij de schipper en de Meerkerkse boer naar de ware toedracht. De beide heren vertellen het gebeuren naar waarheid en Otto van Arkel weet voldoende. Hij schrijft een brief aan de Hendrik van Vianen, waarin hij erop aandringt dat de Meerkerkse boosdoeners gestraft zullen worden. Mocht de Hendrik van Vianen dat niet naar behoren doen, dan zal hij ‘zulks zelf komen doen’!
En precies deze laatste opmerking valt bij Hendrik van Vianen helemaal verkeerd. Hij spreekt schande over het gedrag van Otto van Arkel en besluit daarop de Meerkerkse moordenaars niet te vervolgen. Helaas is Otto van Arkel er op zijn beurt niet van gediend om beschimpt te worden en het feit dat de moordenaars van zijn burgers onbestraft blijven vindt hij onverteerbaar. Hij doet de Hendrik van Vianen ‘aanstonds den oorlog aanzeggen’.

Hij zendt zijn boden naar alle dorpen in het Land van Vianen en Ameide, met uitzondering van Meerkerk, met het bericht dat de bewoners drie dagen de tijd hebben om met hun goederen en hun vee te vluchten. Na deze drie dagen zal hij met zijn mannen naar de dorpen komen en deze verbranden, de goederen in beslag nemen en de achtergebleven mensen gevangen nemen. Zoals gezegd krijgt Meerkerk deze waarschuwing niet.
 

Kaart van de regio

Kaart van de regio.
Bron (bewerkt): multifacet.info

 
Na het verstrijken van de drie dagen gaat Jan van Arkel, de zoon van Heer Otto, met een ‘menighte van kloeke mannen’ op pad en verbrandt alle huizen van Meerkerk. Ook gaat hij nog op zoek naar ‘het quade wyf en de doodslagers’, maar zij hebben blijkbaar bijtijds weten te vluchten. Vervolgens rukt hij op naar de andere dorpen van de Heren van Vianen en Ameide, die tevens zeer gehavend worden, om bij Vianen uit te komen. Vianen wordt beschermd door een stadsmuur, maar dat blijkt geen obstakel te zijn voor Jan van Arkel en zijn ‘gewapent volk’. Hij schiet daar door ‘vurige steencloten’ ook de brand in.
Kort hierna vertrekt zijn vader Otto van Arkel met ‘enig volk’ naar Ameide. Hij verbrandt het hele dorp en doet het ‘Huys der Mey’ ‘met grote bussen dapper beschieten’. Dit slot wordt zwaar beschadigd en vervolgens belegerd. Heer Otto en een groot gedeelte van zijn mannen vinden onderdak in de kerk.
 

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer.
Bron: rijksmuseum.nl

 
Hendrik van Vianen en Jan van Herlaer overzien de situatie en beseffen dat zij de Van Arkels met, naar zeggen, een leger van twaalfduizend man, moeilijk het hoofd kunnen bieden. Aangezien Ameide te leen is gegeven door de St. Maartensdom in Utrecht besluiten ze hulp te zoeken bij de bisschop van Utrecht. De Raad van Utrecht reageert hierop door aan Otto van Arkel een brief te schrijven waarin zij hem dringend adviseren Ameide te verlaten of ‘het hele Neder-Sticht zou tegen hem ten strijde trekken’.
Heer Otto is niet erg onder de indruk van dit dreigement en stuurt daarop een bode naar Utrecht met de boodschap: ‘Ga segg dijn Heeren van Utrecht: soo stout sijn sij niet dat sij hier tegen mij verschijnen’. En daarmee was de zaak voor alle partijen afgedaan.
 

Sint Maartensdom Utrecht

Sint Maartensdom Utrecht door Pieter Jansz. Saenredam.
Bron: europeana.eu (Bibliothèque nationale de France, département Estampes et photographie, P152992)

 
De Heren van Vianen en Herlaer zien zich genoodzaakt om tot een andere strategie over te gaan. Zij wenden zich tot Hertog Albrecht van Beieren, Hertog van Beieren-Straubing en Graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, met het verzoek om zijn tussenkomst in de kwestie en het teweegbrengen van een verdrag met Otto van Arkel, zodat zij niet het onderspit zullen delven.
De oudste zoon van de hertog, Graaf Willem van Oostervant, is een goede vriend van Otto van Arkel. Hij besluit om met wat ‘edelmannen’ zijn vriend en zijn leger een bezoek te brengen.en wordt er vriendelijk ontvangen. Graaf Willem is eigenlijk nogal verbaasd zo’n overmacht aan strijdbare mannen aan te treffen. Onderhandelen lijkt daarom de beste optie en hij stelt een vredesverdrag voor.
 

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant.
Bron (bewerkt): vilters-vanhemel.be

 
Dat plan slaagt. Er wordt een wapenstilstand getroffen voor een periode van twee jaar. Echter, wel onder één conditie: Hendrik van Vianen moet zijn slot ‘Huys der Mey’ met alle toebehoren overdragen aan Otto van Arkel. Hiervoor zal Heer Otto aan de Hendrik van Vianen zestienduizend ‘Rijnsche guldens’ lenen, onder voorwaarde dat deze som binnen twee jaar weer aan hem gerestitueerd wordt. Mocht dit niet gebeuren dan zal het slot met de Heerlijkheid Ameide erfelijk in handen vallen van Heer Otto. Het beleg wordt opgeheven en de oorlog is daarmee voorlopig opgeschort.
 

Rijnse Goudgulden 1377-1402

Rijnse Goudgulden 1377-1402.
Bron: thecoinhunter.com

 
Na het verstrijken van de twee jaar gaan Otto van Arkel en zijn zoon Jan op reis. Voor zij aan de reis beginnen drukken ze de bewoners van Gorcum nog op het hart ‘dat zy tegen de Landen van Vianen niets zouden hebben te ondernemen, voor dat hy, en zynen zoon weder waren ’t huys gekomen’. De Heer van Vianen heeft namelijk nog steeds niet voldaan aan de terugbetaling van het geleende geld. Toch trekken ‘die van Gorinchem’ het harnas aan om gezamenlijk in het Land van Vianen alles te verbranden en verwoesten wat voor handen is.
Hendrik van Vianen en zijn broer Johan zien nu een mogelijkheid. Zonder een ‘bequaam veld-overste’ hebben de Gorcummers immers geen enkele kans. Samen met ‘het volk’ rijden ze de Gorcummers tegemoet en komt het tot een treffen bij het dorp Lakerveld. Velen sneuvelen op het slagveld of weten te vluchten. Echter, de ‘voornaamste en rijkste burgers’ worden gevangen genomen. Voor die gevangenen vraagt Van Vianen een fors losgeld van Gorcum; genoeg om het verpande slot van Ameide af te kunnen lossen…

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Bronnen: Wegwijzer en Google Books (Beschryvinge der stadt Gorinchem en landen van Arkel, 1755, door Cornelis van Zomeren, Teunis Horneer)
 

Werkzaamheden

9 februari 2017 at 14:22

 
Het hostingbedrijf waar de website Uit de oude Koektrommel is ondergebracht zal in de nacht van 10 op 11 februari a.s. enkele servers verhuizen van Rotterdam naar Amsterdam. De werkzaamheden beginnen om 1:00 uur en zullen rond 3:00 uur afgerond worden. Hierdoor kan het gebeuren dat de website enkele uren niet bereikbaar zal zijn. Excuses voor het eventuele ongemak.

 

Werk in uitvoering

© Uit de oude Koektrommel


 

Theodorus, van Pauselijk Zouaaf tot landloper

2 februari 2017 at 15:56

 
De link van het Zouavenmuseum naar een namenlijst van Nederlandse zouaven intrigeert me. Puur uit nieuwsgierigheid en absoluut niet met de verwachting of het vermoeden een zouaaf in de familie te hebben geef ik lukraak wat familienamen in. De naam van Theodorus Ubeda verschijnt al snel in de lijst. Een familielid, dat is duidelijk. Net zoals het direct duidelijk is dat zijn geboortejaar onmogelijk correct kan zijn. Het opgegeven jaartal is 1830. In dat geval zou het een zoon betreffen van de uit Spanje gevluchte José Antonio Rueda, die zich in Nijmegen vestigde en uit veiligheidsoverwegingen zijn moeders achternaam Ubeda heeft aangenomen voor de Burgerlijke Stand. Theodorus past niet in het rijtje met kinderen. Het betreft hier echter de kleinzoon van José, geboren in 1850. De oom van mijn oma. En daarmee is de zoektocht begonnen…

 

Geboorteakte Theodorus Ubeda

Geboorteakte van Theodorus Ubeda; Burgerlijke Stand Nijmegen 3 april 1850.
Bron: zoekakten.nl


 
Theodorus wordt om drie uur ’s nachts op 3 april 1850 in Nijmegen geboren als Theodorus Peperkamp, aangezien zijn moeder Wilhelmina Peperkamp hem ongehuwd ter wereld heeft gezet. Later in het jaar, op 21 november, wordt Theodorus wettelijk erkend bij het huwelijk tussen zijn ouders Johannes Ubeda en Wilhelmina Peperkamp. Johannes is op dat moment werkzaam als houthakker en Wilhelmina als naaister.
In welke straat Theodorus wordt geboren is onbekend. Vermoedelijk zal dit in het huis van zijn grootouders zijn geweest, aangezien Johannes vanuit een ander adres dan Wilhelmina en Theodorus met zijn gezin aan het Karrengas (Wijk B nr. 595) gaat wonen. In dit huis, dat nog met andere gezinnen gedeeld moet worden, brengt Theodorus zijn eerste levensjaar door.

 

Karrengas Nijmegen

Het Karrengas in Nijmegen, waar Theodorus het eerste jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Bevolkingsregister Karrengas 1850

Bevolkingsregister Karrengas Nijmegen 1850
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het gezin neemt vervolgens intrek in het huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 524) waar de ouders van Wilhelmina, Theodorus Peperkamp en Cornelia Martens, en haar broer Hendrikus ook woonachtig zijn. Lang zullen ze hier niet wonen, want vóór november 1851 verhuizen ze naar de Bloemerstraat (Wijk B nr. 199). Hier zal het gezin worden uitgebreid met twee zonen en drie dochters. Eén dochtertje overlijdt jammerlijk genoeg op tweejarige leeftijd.

Johannes en Wilhelmina houden het weer voor gezien op de Bloemerstraat en keren terug naar het Zwanengas. Dit keer wordt het nummer 534. Johannes is ondertussen metselaarsknecht en de jonge Theodorus borstelmakersleerling.

 

Zwanengas Nijmegen

Het Zwanengas in Nijmegen.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Intussen doet Paus Pius IX vanaf 1860 herhaaldelijk een oproep aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde Rooms-Katholieke mannen te sturen om samen met Frankrijk de Kerkelijke Staat te verdedigden tegen de aanvallen van Victor Emanuel II, koning van Italië, en diens bondgenoot Giuseppe Garibaldi, een antiklerikaal liberaal-nationalist. Deze beide heren strijden voor staatkundige eenheid in het land, wat dus een gevaar zou opleveren voor de onafhankelijkheid van de Kerkelijke Staat.

De ‘Roomse’ Theodorus besluit gehoor te geven aan de oproep en vertrekt op 26 november 1867, pas zeventien jaar oud, uit Nijmegen met bestemming Rome om zich als vrijwilliger aan te sluiten bij het ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’, de ‘Zuavi Pontifici’, onder leiding van een Franse generaal. Het woord ‘zouaaf’ komt via het Franse ‘zouave’, oorspronkelijk ‘zuavas’, van het Arabische ‘zouaoua’, de naam van een Berberstam in Algerije, die zich aan de Fransen had onderworpen en waaruit een keurkorps van het Franse leger was gevormd.

 

Uniformen van de Pauselijke Zouaven

Uniformen van de Pauselijke Zouaven.
Bron (bewerkt): historiek.net

 
Met op zak een door de pastoor opgemaakte aanbevelingsbrief waaruit zijn katholieke toewijding blijkt, gaat de reis via het Pensionaat Saint Louis in het Brabantse Oudenbosch, het voornaamste verzamel -en vertrekpunt van de aspirant-zouaven vanuit Nederland in de jaren 1864-1870. De vrijwilligers gaan van hieruit door naar Brussel voor een medische keuring. Worden zij goedgekeurd dan tekenen zij een tweejarig dienstverband. Vanuit Brussel vervolgt de reis per stoomtrein naar Marseille en vandaar per schip naar Civitavecchia, een havenplaats in de buurt van Rome. In Rome volgt een tweede en strengere keuring.
Op 5 augustus 1870 roept Frankrijk zijn troepen terug, omdat het zojuist de oorlog heeft verklaard aan Pruisen. Door deze terugtrekking weet het Italiaanse leger het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat te bezetten. De eenheid van Italië met Rome als nieuwe hoofdstad is nu gerealiseerd. Paus Pius IX trekt zich, om verder bloedvergieten te voorkomen, als vrijwillige gevangene terug in het Vaticaan. Het Regiment der Pauselijke Zouaven wordt ontbonden en de zouaven worden huiswaarts gestuurd.

Theodorus verlaat Rome na het verlopen van zijn tweejarig dienstverband. Een meegegeven militair paspoort geldt als reisdocumentatie. Op 8 januari 1870 laat hij zich weer inschrijven in het huis van zijn ouders aan het Zwanengas. Ongetwijfeld zal hij, zoals dat geldt voor alle terugkerende Pauselijke Zouaven, als held zijn onthaald door zijn familie en de katholieke gemeenschap.
De Nederlandse overheid was echter minder enthousiast. Is er vooraf geen verlof aangevraagd om in vreemde krijgsdienst te treden dan verliest de zouaaf bij thuiskomst zijn staatsburgerschap en heeft hij als staatloze geen enkel recht meer op welke vorm van ondersteuning dan ook door de overheid. Slechts een kleine tweehonderd van de ruim drieduizend vrijwilligers hebben hun nationaliteit behouden door een verzoek in te dienen bij Koning Willem III.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1860

Op 26 november 1867 vertrekt Theodorus met bestemming Rome en laat zich op 8 januari 1870 weer in Nijmegen inschrijven.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Vertrek naar Rome 26 november 1867

Vertrek naar Rome op 26 november 1867.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Inschrijving Nijmegen 8 januari 1870

Inschrijving Nijmegen op 8 januari 1870 in het ouderlijk huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 534).
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het jaar daarop vertrekt Theodorus op 21 april voor ruim een jaar naar Zaltbommel. De reden van zijn verblijf daar is onbekend, maar het zou te maken kunnen hebben met de behoorlijk aanwezige industrie en dus werkgelegenheid in die plaats. Op 25 juli 1872 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis in Nijmegen.

 

Uitschrijving Nijmegen 21 april 1871

Vertrek naar Zaltbommel op 21 april 1871.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Inschrijving Zaltbommel 21 april 1871

Inschrijving in Zaltbommel op 21 april 1871. Het verblijfadres is onbekend.
Bron: zoekakten.nl

 

Inschrijving Nijmegen 25 juli 1872

Inschrijving in Nijmegen op 25 juli 1872 vanuit Zaltbommel, wederom in het ouderlijk huis aan het Zwanengas.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Een maand later trouwt hij met de Nijmeegse Berendina Faber, geboren op 26 februari 1849 als dochter van Adrianus Faber en Hendrina Reijntjes. Theodorus is op dat moment borstelmaker van beroep. Naast de geboorteakten van Theodorus en Berendina wordt een extract van de Nationale Militie Provincie Gelderland overlegd met daarin de mededeling dat ‘hem bij de loting is ten deel gevallen No. 102, en dat hij vervolgens door Gedeputeerde Staten, uit hoofde van ‘ligchaamsgebrek’ van de dienst is vrijgesteld.’ Wellicht dat hij in Rome gewond is geraakt, want later in zijn leven zal blijken dat er als ‘kenmerk’ alleen een litteken van vier centimeter op zijn voorhoofd wordt geregistreerd. Bovendien kan er door dit extract gesteld worden dat Theodorus zijn staatsburgerschap niet is verloren.

 

Extract van de Nationale Militie in de huwelijksbijlagen.
Bron: zoekakten.nl

 

Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872

Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872.
Bron: Gelders Archief

 

Het stel trekt in bij de ouders van Theodorus en zijn nog thuis wonende broers en zussen in het huis aan het Zwanengas. In het voorjaar van 1875 verhuizen Theodorus en Berendina met hun inmiddels drie geboren kinderen Johannes, Adrianus Theodorus en Theodorus naar de Bloemerstraat (Wijk B) nummer 184 op de derde verdieping. In de jaren die volgen variëren de huisnummers aan de Bloemerstraat van 184 naar 30 en 31. Het lijkt erop dat er in die tijd een herziening van de huisnummering heeft plaatsgevonden en dat de nummers 184 en 30 betrekking hebben op hetzelfde huis.

 
Het zit Theodorus en Berendina beslist niet mee. Hun zoontje Adrianus Theodorus overlijdt met drie maanden en net nu ze de nieuwe woning betrokken hebben overlijdt ook hun zoontje Theodorus in de leeftijd van vier maanden. Het jaar erop begint goed: er wordt een zoontje geboren dat eveneens de naam Theodorus krijgt. Toch slaat het noodlot wel heel drastisch toe in de twaalf jaar die volgen, alhoewel de kindersterfte in die tijd sowieso vrij hoog is. Vijf kinderen komen levenloos ter wereld, dochtertje Maria Wilhelmina overlijdt op eenjarige leeftijd en zoontje Petrus Wilhelmus redt het nog net geen elf maanden. Uiteindelijk wordt nog zoon Willem Petrus geboren, die evenals zijn broers Johannes en Theodorus de volwassen leeftijd weet te bereiken.

 

Bloemerstraat rond 1895

De Bloemerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
In de tussentijd is het gezin verhuisd van Bloemerstraat 31 naar het Zwanengas 64 en 71 om uit te komen op de Hamerstraat 30. Alhoewel ‘Hamerstraat’ duidelijk genoteerd staat in het bevolkingsregister roept dit toch wel wat vragen op. Het gezin betrekt deze woning in ieder geval vóór 1901. Bij mijn weten was dit destijds nog de Verlengde Molenstraat en werd ter gelegenheid van de onthulling van het beeld van Bisschop F.H. Hamer op 28 september 1902 de straat pas officieel naar de bisschop vernoemd.

 

Hamerstraat Nijmegen 1895

De Hamerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Facebookgroep Oud Nijmegen

 
Hoe het Berendina aan het begin van de twintigste eeuw vergaat is mij onbekend. Zij overlijdt op 26 december 1923 op vierenzeventigjarige leeftijd in Nijmegen. Met Theodorus gaat het in ieder geval niet de goede kant op. Op 12 januari 1900 wordt hij door het Kantongerecht van Nijmegen veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens dronkenschap, aangezien dit al de vierde keer is dat hij hiervoor wordt opgepakt. Deze straf zit Theodorus uit in de gevangenis van Hoorn van 14 april tot 13 juli 1900. In december van hetzelfde jaar moet hij voor de Arrondissementsrechtbank van ’s-Hertogenbosch verschijnen wegens landloperij.

 

Theodorus Ubeda gevangenis Hoorn

Registratie in het boek van de gevangenis in Hoorn.
Bron: NoordHollands Archief

 
Ondanks dat landlopers een bekend verschijnsel zijn op het platteland en vaak in de gemeenschap worden geaccepteerd, omdat ze nuttig zijn als dagloner, worden ze vooral door de gegoede burgerij in de negentiende eeuw niet meer getolereerd en al bij voorbaat verdacht. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht uit 1809 wordt daarom landloperij als een overtreding opgenomen; rondzwerven zonder aantoonbare middelen van bestaan wordt strafbaar gesteld. De gedachte hierachter is, dat iemand die sterk genoeg is om rond te reizen, ook sterk genoeg is om te kunnen werken. Dat er vaak geen werkgelegenheid is, wordt daarbij genegeerd. Men is voornamelijk bang voor diefstal en ander crimineel gedrag.
De opgepakte landlopers worden veelal ‘tewerkgesteld’ in het oosten van Nederland, waar ze in heropvoedingskampen onder andere aan landontginning in de veengronden, op het land en in de fabrieken werken.
Dit lot valt ook Theodorus ten deel. Hij wordt naar de Rijkswerkinrichting van de strafkolonie Veenhuizen gestuurd door de rechter, waar hij op 6 maart 1901 wordt ingeschreven als ‘inwoner’. Het transport gaat met een groep per trein en vanaf Assen op een schip van de Drentse Stoombootmaatschappij.

Hoogstwaarschijnlijk zal Theodorus in het Tweede Gesticht van Veenhuizen terecht zijn gekomen. Veenhuizen II is de inrichting voor bedelaars en landlopers, de zogeheten ‘verpleegden’. Zij worden als zieken gezien: mensen die moeten genezen van hun luiheid. Later zou het Tweede Gesticht ook onderdak bieden aan souteneurs en andere wetsovertreders.
Uit de gegevens op de signalementskaart weten we dat Theodorus een lengte heeft van één meter vijfenzestig, donkerbruin haar, lichtblauwe ogen, donker behaard is en een litteken heeft op zijn voorhoofd. Ook is hij niet in het bezit van identiteitspapieren. En… geen eerdere veroordeling en geen militaire diensten!

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda 1

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 1.
Bron: alledrenten.nl

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda 2

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 2.
Bron: alledrenten.nl

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda 3

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 3.
Bron: alledrenten.nl

 
De meetsessie volgens de Bertillon-methode neemt een uur in beslag. Vervolgens wordt er gebaad, geknipt en ontluist. Theodorus wordt ondergebracht in het Gesticht. Daar krijgt hij een genummerd uniform uitgereikt, bestaande uit een pet, twee bruine buizen met een groene kraag, twee bruine broeken, twee katoenen of halflinnen onderbroeken, twee katoenen halsdoeken, twee katoenen zakdoeken, drie paar wollen kousen, een paar klompen en een paar draagbroekbanden.

 

Kledij Veenhuizen

Kledij Veenhuizen (Gevangenismuseum Veenhuizen)
© Uit de oude Koektrommel

 
De omstandigheden in de kolonie zijn ellendig; er heersen ziekten en het zware werk eist zijn tol. ’s Winters is het er bovendien erg onaangenaam door de stank van de turfkachels. Tussen de middag wordt er warm gegeten: op zondag, dinsdag en donderdag aardappels met groenten, op maandag groene erwtensoep, op woensdag en zaterdag gortsoep en op vrijdag stijve gort met stroop. Er komt geen vlees op tafel. De vreselijke gortsoep smaakt nog viezer als met het leegeten van het bord de tekst ‘Teveel is ongezond’ verschijnt. En uiteraard is de zondagse kerkdienst verplicht.

Theodorus wordt ziek en opgenomen in het nieuwgebouwde hospitaal ‘Vertrouw op God’, door de bewoners ook wel ‘Gauw bij God’ genoemd. En dit laatste blijkt in zijn geval te kloppen. Theodorus overlijdt in het hospitaal op 2 april 1906, de dag voor hij zesenvijftig zal worden, na een zwaar en veelbewogen leven.

 

Overlijdensakte Theodorus Ubeda

Overlijdensakte Theodorus Ubeda, Veenhuizen 2 april 1906.
Bron: zoekakten.nl

 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Bronnen: Brabants Historisch Informatie Centrum, Zouavenmuseum, Wikipedia Zouaaf, Mededelingen.Over-Blog, Wikipedia Landloper, Geheugen van Drenthe, Allemaal Familie, Gelders Archief, Regionaal Archief Nijmegen, Alle Drenten en Zoekakten.