Het beroep smid

20 maart 2016 at 16:26

 
In de stamboom van familie Regter wordt voor Joannes Bernardus Regter het beroep smid vermeld, evenals voor zijn zoon Petrus Franciscus overigens. Zijn beroep zal aan Joannes Bernardus waarschijnlijk ook zijn leven hebben gekost, want al op 39-jarige leeftijd overlijdt hij op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan ‘zinkenziekte’ als gevolg van de blootstelling aan metaaldamp, die ontstaat bij het verhitten of verbranden van onder andere zink.

Het beroep van smid bestaat sinds men omstreeks 3000 voor Christus begon met het winnen en bewerken van metalen. In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. Zo komt in de Bijbel in het boek Genesis de smid Tubal-Kaïn voor. Hij wordt de stamvader genoemd van ‘allen die brons en ijzer bewerken’. In de Griekse mythologie is Hephaistos de god van de smeedkunst, het vuur en de vulkanen. In de Romeinse mythologie wordt hij Vulcanus genoemd. Zijn Etruskische tegenhanger is Sethklans.

De patroonheilige van onder andere de smeden is Sint Eloy (Eligius van Noyon). Zijn Christelijke gedenkdag valt op 1 december, ook wel ‘koude Eloy’ genoemd, en de zondag na 24 juni (translatiefeest), ook bekend als ‘warme Eloy’. Sint Eloy is de beschermheilige tegen geldgebrek, epidemieën, steenpuisten, zweren, zenuwziekten, kindergeschreeuw en paardenziekten.

 

Altaarportret van Sint Eloy, Schwabach, 1508.
Bron: Wikipedia (Licentie CC BY-SA 4.0)

 
Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één smid. De smid was uiterst belangrijk voor boeren en ambachtslieden. Hij maakte immers de benodigde gereedschap als ploegen, schoppen, harken en schoffels en de gereedschappen voor bijvoorbeeld de wagenmaker, kuiper, schoenmaker en timmerman.

Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om de verrichtingen van de smid gade te slaan.

 

Smederij.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto’s genomen in Museumdorp Allingawier.)

 
Voor het leger was de zwaardveger, oftewel de wapensmid, onmisbaar. De wapensmid legde zich toe op de vervaardiging van zwaarden, dolken, hellebaarden, helmen, maliënkolders en harnassen, waarbij sommige wapensmeden zich specialiseerden tot bijvoorbeeld harnasmaker. Het vervaardigen van een harnas was een kostbare aangelegenheid, aangezien dit zeer arbeidsintensief was. De prijs van een harnas kon soms gelijk zijn aan de prijs van een boerderij.
Tevens hield de wapensmid zich bezig met het polijsten van zwaarden, het schoonmaken en repareren van (vuur)wapens en het vervaardigen van (vuur)wapens. Smeden waren ook nodig voor het vervaardigen van bijvoorbeeld katapulten, blijdes, belegeringstorens en stormrammen. Zijn eindproduct werd vaak voorzien van een persoonlijk merk.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor. Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Museumsmederij Elburg, verreverwanten.nl, Wiki Delft en Wikipedia (Eligius)