Watersnoodramp 1953

31 januari 2019 at 14:02

 
Oude ‘troep’

Mijn oma had een voorliefde voor het bewaren van dingen, die soms om onverklaarbare redenen de prullenbak nooit hebben bereikt. Als kind vroeg ik haar weleens wat ze toch met die oude spullen, destijds ‘troep’ in mijn ogen, moest. Steevast antwoordde zij: ‘Da’s mooi voor later’. ‘Hmm, ‘later’ zijn die dingen nog ouder; dan kan je het beter nu gelijk wegdoen’, was mijn kindergedachte.

De oude spullen zijn uiteindelijk naar mijn moeder gegaan en een groot deel daarvan is bij mij terecht gekomen. Zo bevonden zich tussen haar ‘erfenis’ twee uitgaven van De Spiegel, Christelijk Nationaal Weekblad; No. 20 van 14 februari 1953 en No. 22 van 28 februari 1953 betreffende de watersnoodramp. Aangezien mijn grootouders niet geabonneerd waren op dit Christelijk Nationaal Weekblad en zij destijds ‘hoog en droog’ hebben gezeten, moet de watersnoodramp en alle gevolgen daarvan wel zodanig indrukwekkend voor mijn oma zijn geweest, dat zij deze uitgaven heeft aangeschaft en het belangrijk genoeg vond om ze door te geven aan het nageslacht.

 

Spiegel no. 20

Spiegel No. 20 van 14 februari 1953; voorzijde en bladzijde 16.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Spiegel no. 21

Spiegel No. 21 van 28 februari 1953; voorzijde en bladzijde 3.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Watersnoodramp

Ten zuiden van IJsland ontwikkelde zich op 29 januari 1953 een noordwesterstorm. Via Schotland koerste de storm verder zuidwaarts en draaide op de noordelijke Noordzee naar noordnoordwest. Op zaterdag 31 januari 1953 stevende het stormveld recht op onze westkust af, waarbij de storm in de avond toenam tot een windkracht 10. Toch heerste er de gedachte onder de bevolking, dat het allemaal wel mee zou vallen.

Het tegendeel bleek echter waar. Om twee uur ’s nachts kwam het water al over de dijken en vloedplanken. De zware storm zorgde samen met springtij voor een gevaarlijke en zeldzame hoge stormvloed. Het ging mis toen rond drie uur ’s nachts de dijken bij Kruiningen, Kortgene en Oude Tonge bezweken onder het uitzonderlijke hoge en beukende water.
Het verwoestende water was niet meer te stoppen. Tussen vier en zes uur ’s nachts braken overal in Zeeland, West-Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden dijken door, waardoor het water zodanig snel de polders in stroomde, dat in enkele dorpen het water binnen een half uur tot wel drie meter hoog stond. Huizen stortten in of werden meegesleurd door de stroming en complete gehuchten werden vernietigd.

De volgende dag zakte het water in eerste instantie iets tijdens de eb. Bewoners zochten een hoger heenkomen in afwachting van hulp. In de middag kondigde zich echter een tweede nog hogere vloedgolf aan, waardoor het water hoger kwam te staan dan de nacht ervoor. Veel huizen, die de eerste stormvloed hadden doorstaan, bezweken alsnog. De storm ging pas op 3 februari liggen. Zondag 8 februari werd een dag van nationale rouw; er waren inmiddels 1795 doden te betreuren. De Ramp, aanvankelijk ook wel aangeduid als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, zou uiteindelijk officieel 1836 slachtoffers eisen.

 

 

 

 

Bijzondere vondst

Het zal een jaartje of dertig geleden zijn, dat ik op een rommelmarkt voor een habbekrats een lijst met een ronduit wanstaltig portret gekocht heb. In tegenstelling tot de replica was de lijst prachtig. Bij het omwisselen van de afbeelding kwam er na enkele dunne kartonnetjes een stevig karton tevoorschijn. Op de achterkant was dit karton beplakt met een advertentiepagina uit de Zeeuwse Courant; op de voorkant pronkte een meest intrigerende foto van Vlissingen. Door het origineel onder een loep te bekijken wordt je haast meegezogen in de ruimte achter de deur, waarin zich een persoon bevindt…

 

Watersnoodramp Vlissingen

Mijn bijzondere vondst. In Vlissingen werd de hoogste waterstand gemeten: 4.55 m+ NAP.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Het moet gezegd: mijn oma had volkomen gelijk! Geen kostbare erfenis, maar daardoor zeker niet minder waardevol. Terwijl ik als kind vol afgrijzen de voorkant met het kadaver van een koe bekeek, lees ik nu als volwassene aandachtig de berichtgeving in de weekbladen, gecompleteerd met indringende foto’s. Een tijdsbeeld van de grootste natuurramp in de Nederlandse naoorlogse geschiedenis, die voor heel wat families rampzalige gevolgen met zich meebracht. Mooi dat deze ‘oude troep’ bewaard is gebleven. De exemplaren van de Spiegel en de foto zijn door mij zorgvuldig opgeborgen in een (schat)kist tussen allerhande oude dingen, die bewust de prullenbak nooit hebben bereikt. Da’s mooi voor later…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Een plaats voor herinneringen aan slachtoffers van de watersnood 1953 vindt u op de website De Ramp (zie ook: meer info).
Bronnen: Wikipedia, Watersnoodmuseum, KNMI (watersnoodramp) en KNMI (stormvloed)
 
 

Grootmoe Leen en Grootmoe Wies

24 oktober 2018 at 01:51

 
Jaren geleden kreeg ik van een familielid een plastic tasje met foto’s. Ik ‘moest maar kijken of ik er iets mee kon…’ Het tasje bleek een handjevol ‘pareltjes’ te bevatten. Een zeer welkome aanvulling op de toch al geringe hoeveelheid oude familiefoto’s, die binnen onze familie circuleert.
Bijzondere vondsten waren de foto’s van mijn betovergrootmoeders Helena van Deelen en Louise Jansen. Grootmoe Leen en Grootmoe Wies, de beide grootmoeders van mijn oma.

Helena werd als vierde dochter van de Bennekommer boerenknecht, dagloner en arbeider Aalbert van Deelen en de uit Otterlo afkomstige boerenmeid en arbeidster Dientje Freriks op 11 oktober 1858 ’s avonds om acht uur geboren in Otterlo. Tot aan haar huwelijk zou Helena in Otterlo blijven wonen.
Op 26 april 1879 trouwde Helena, twintig jaar oud, in Ede met de zeven jaar oudere Wageninger arbeider Casper Vermeer, weduwnaar van Grietje Riggelink. Na het huwelijk gingen Helena en Casper in Bennekom wonen. Op 30 oktober van hetzelfde jaar werd hun oudste zoon geboren, die slechts achttien dagen oud zou worden. Er volgden nog twee zonen, vijf dochters en twee levenloos geboren kinderen. In 1916 werd Helena weduwe; zij zelf overleed in Bennekom op 17 januari 1938, negenenzeventig jaar oud.

 

Helena van Deelen

Helena van Deelen
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 

Geboorteakte Helena van Deelen

Geboorteakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 

Gerecontrueerde PK van Helena van Deelen

Gerecontrueerde persoonskaart van Helena van Deelen.
Bron: archieval.nl

 

Overlijdensakte Helena van Deelen

Overlijdensakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 
Louise werd op 15 oktober 1860 ’s avonds om negen uur in Ede geboren als oudste dochter van de uit Ede afkomstige smid en arbeider Cornelis Jansen en spinster Gerritje van de Weerd. Het gezin liet zich op 21 november 1870 uitschrijven van Ede Dorp 71 naar Woudenberg om later weer in Ede neer te strijken.
Louise trouwde, 20 jaar oud, op 16 april 1881 in Ede met de Bennekommer boerenknecht en arbeider Rut Hulstein. Ook Rut en Louise vestigden zich na hun trouwen in Bennekom. Hun oudste zoon werd geboren op 6 november van hetzelfde jaar. Er zouden nog drie zonen en zes dochters volgen. Louise overleed op 25 december 1932 te Bennekom op tweeënzeventigjarige leeftijd; ruim drie weken later gevolgd door haar man.

 

Louise Jansen

Louise Jansen
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 

Geboorteakte Louise Jansen

Geboorteakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief

 

Gereconstrueerde PK van Louise Jansen

Gereconstrueerde persoonskaart van Louise Jansen.
Bron: archieval.nl

 
Opvallend is de vermelding ‘Groep de Laar’ op de gereconstrueerde persoonskaart. In de ‘Straatreconstructie van J.G. Hartgers’ wordt dit niet vermeld. Vanaf 1921 zijn in het arme noordoostelijke gebied van Bennekom met verspreide bebouwing de straatnamen ‘Laarweg’ en (het inmiddels verdwenen) ‘Laarpad’ ingevoerd. Onderscheid wordt er tevens gemaakt tussen ‘Laarweg’ en ‘De Laar’. De vermelde huisnummers 34, 35a en 17 ontbreken bij de adressen, die J.G. Hartgers vermeldt voor ‘De Laar’. Het is dan ook aannemelijk dat ‘Groep de Laar’ een deel was van ‘De Laar’ en mogelijk het vroegere ‘Laarpad’.

 

Overlijdensakte Louise Jansen

Overlijdensakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief

 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

De ‘verdwenen’ Joseph Ubeda

30 augustus 2018 at 13:03

 
Joseph Ubeda werd op 16 november 1830 ’s nachts om één uur geboren in Nijmegen. Hij was de derde zoon uit een gezin met veertien kinderen, waarvan de oudste voortkwam uit een relatie van moeder Maria Giesbers met een, voor ons althans, onbekende man. Zijn vader was de uit het Spaanse Huèrcal de Almeria afkomstige José Antonio Rueda de Ubeda; stamvader van de familie Ubeda in Nederland.

 

Geboorteakte Joseph Ubeda

Geboorteakte van Joseph Ubeda.
Bron: Gelders Archief

 
Dat Joseph hoogstwaarschijnlijk naar het buitenland was vertrokken leek aannemelijk. In Nederland was maar weinig informatie over hem te vinden. Het lotingsregister van Nijmegen vermeldde, naast de gebruikelijke gegevens, alleen ‘No. 208’. Dat leverde dus geen enkel aanknopingspunt op. De periode, waarin hij het ouderlijk huis verlaten zou hebben, balanceerde bovendien op het randje van de invoering van het vastbladig bevolkingsregister, wat het ‘opsporen’ bemoeilijkte.
Uiteindelijk wordt zijn vermelding gevonden in het bevolkingsregister van Amsterdam: ingeschreven op het adres Elandsgracht-Klaverbladsgang No. 224 A, ongehuwd, Rooms Katholiek, knecht van beroep en ‘dienst genomen zonder kennisgeving’. Dit was meteen het voorlopig laatste teken van leven van Joseph in Nederland.

 

De Elandsgracht (NZ) met ‘Fort Sjako’ rond 1885. Een stukje verderop tussen de nummers 52 en 56 bevond zich de Klaverbladsgang.
Bron: Elandsgracht (embedded)

 

Bevolkingsregister Amsterdam

Aanknopingspunt in het bevolkingsregister van Amsterdam: ‘dienst genomen zonder kennisgeving’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Met als enig aanknopingspunt ‘dienst genomen zonder kennisgeving’, kon het spitten in de militaire stamboeken dus beginnen. Aangezien zijn oudere broers bij het Regiment Infanterie waren terechtgekomen, zou dat de eerste gok moeten zijn. Zijn vermelding werd al snel gevonden in de klapper van het 3e Regiment Infanterie. De inschrijving in het stamboek leverde verwijzingen en inschrijfnummers naar en van andere regimenten op.

Joseph had volgens zijn signalement een lengte van 1.603 meter, een ovaal gezicht, een rond voorhoofd, een spitse kin, normale neus en lippen, bruin haar, blauwe ogen, bruine wenkbrauwen en een litteken boven zijn linker oog. Als laatste woonplaats werd Rotterdam vermeld, waar hij werkzaam was geweest als knecht in een koffiehuis.
Op 25 April 1849 werd hij als reserve milicien voor de tijd van vijf jaar ingedeeld bij het 7e Regiment Infanterie als nummerwisselaar van Eduardus Wilhelmus Friebels van de lichting van 1849 van Nijmegen. Daar zal vast een welkome beloning tegenover gestaan hebben.
Vanaf 20 Mei 1850 kwam hij in actieve dienst, amper 3 maanden later gevolgd door groot verlof.

 

Inschrijving stamboek 7e Regiment Infanterie

Gedeelte van de inschrijving in het stamboek van het 7e Regiment Infanterie.
Bron: FamilySearch

 
Joseph ging op 5 maart 1851 als milicien over naar het 3e Regiment Infanterie met een vrijwillige verbintenis voor de tijd van zes jaar. Hij kreeg hiervoor een premie van 20 gulden. Ruim drie jaar later, op 15 mei 1854, werd Joseph geroyeerd als milicien en als vrijwilliger aangemerkt. Op 18 december 1856 werd hij ‘gereëngageerd’ voor de tijd van zes jaar, ingaande 5 maart 1857, met een handgeld van 25 gulden.
Op 1 mei van datzelfde jaar besloot Joseph een nieuwe verbintenis te tekenen voor de tijd van zes jaar bij het Koloniaal Werfdepot, ingaande op de dag van inscheping naar de overzeese bezettingen in Oost-Indië en met een premie van 85 gulden.

Het lijkt voor de hand liggend dat Joseph heeft ingetekend bij het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indisch Leger in Harderwijk. Het Koloniaal Werfdepot was het legeronderdeel dat in Nederland rekruten aanwierf en de soldaten in een zesweekse opleiding klaarstoomde voor hun dienst in de Oost. In de tijd van Joseph was dit een beroepsleger, aangezien de grondwet de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniën verbood, en viel na inscheping onder het Ministerie van Koloniën.

 

Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat

Het Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat te Harderwijk.
Bron: Wikipedia (public domain)

 
Lang hebben zijn werkzaamheden voor het Koloniaal Werfdepot niet geduurd. Gelet op de vermelde data is het zelfs nog maar de vraag of hij zijn bestemming in Oost-Indië bereikt zal hebben. Op 12 juli 1857 stapte Joseph namelijk over aan boord van het schip Willem en Carel met bestemming West-Indië, dienende als jager 2e klas in het 27e Bataljon Jagers.

 

Stamboek Koloniaal Werfdepot

Gedeelte uit het stamboek van het Koloniaal Werfdepot.
Bron: FamilySearch

 

Stamboek Suriname Joseph Ubeda

Inschrijving van Joseph Ubeda in het West-Indisch stamboek.
Bron: GaHetNa

 
Uiteindelijk zou hij terecht komen in de Surinaamse militaire post Republiek aan de Coropinakreek. Deze post was destijds alleen bereikbaar over het water en lag in het Paragebied, het oudste plantagegebied van Suriname, dat bekend stond om de productie van suiker en houtskool voor brandstof.
Waarschijnlijk heeft Joseph nog de slavenopstand in de plantage Vier Kinderen van 1857 meegemaakt, die uitbrak na het aantreden van een nieuwe directeur. Nadat de opstandigheid van de slaven al zo’n acht maanden gaande was, werden er uiteindelijk 120 militairen van de militaire post Republiek op de ongeveer 180 slaven afgestuurd, waarbij 17 ‘belhamels en opstokers’ werden opgepakt.

Joseph overleed plotseling in de militaire post Republiek op 8 maart 1859, nalatende 7 gulden en 9 cent; een bedrag dat omgerekend vandaag de dag rond 75 euro zal liggen.

 

Militaire post Republiek

Aquarel ‘Military post ‘Republiek’ by the Coropina Creek’ rond 1860 (bewerkt).
Bron: Nationaal Museum van Wereldculturen (Rechten: CC BY-SA 4.0)


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: FamilySearch, GaHetNa, Wikipedia (Republiek), Wikipedia (Koloniaal Werfdepot) en Paranen tussen stad en bos
 
 

Amateurschilder Albertus Johannes van Ludolphi

2 augustus 2018 at 22:01

 
In de familie Ludolphi ‘wemelt’ het van de creatieve individuen. Van schrijvers tot glasmakers en ‘ververs’. Bij velen moeten we het doen met de vermeldingen in registraties of akten. Toch zijn er van de schrijvers nog gepubliceerde boeken te vinden op het internet of in de Universiteitsbibliotheek van Groningen. Van de schilders in de familie is er heel wat minder bekend, met uitzondering van Albertus Johannes van Ludolphi.

 

Geboorteakte Albertus Johannes van Ludolphi

Geboorteakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Albertus Johannes werd op 9 april 1812 geboren in het Groningse Appingedam als zoon van Jan Watzes van Ludolphi en zijn eerste vrouw Martjen Jans Kokmeijer, ook wel Niewold. Vader Jan, afkomstig van het Bolwerk bij Appingedam, was ‘verver’ en ‘glazemaker’.
Blijkbaar koos Albertus Johannes al vroeg voor het kunstenaarsleven, want hij was van 1827 tot aan zijn overlijden werkzaam als schilder in Appingedam. Zijn onderwerpen bestonden uit figuurvoorstellingen, interieurs en kaars- of lamplichtstukken.

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst in het Lokaal van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Op dat moment was hij woonachtig in het Drentse Smilde. Jaren geleden heb ik dit schilderij nog mogen aanschouwen, maar eerlijk gezegd kon het mij niet echt bekoren.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Amsterdam

Uit de Middelburgsche Courant van 13 juni 1844.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Amsterdam

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst te Amsterdam.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Amsterdam inhoud

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’.
Bron: RKD

 
Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde Albertus Johannes de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ ten huize van de Weduwe Bontekoe aan de Grote Markt te Groningen in 1845. Hij woonde toen weer in zijn oude woonplaats Appingedam.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Groningen

Uit de Leeuwarder Courant van 13 mei 1845.
Bron: Delpher.nl


 
Tentoonstelling Groningen

Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde hij de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ te Groningen in 1945.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Groningen i

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderijen ‘Een barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’.
Bron: RKD

 
Op 54-jarige leeftijd besloot Albertus Johannes om toch maar eens te trouwen. De bruid was Helena Nuwer, geboren te Appingedam op 23 maart 1820 als dochter van zadelmaker Lodewijk Nuwer en Anje Ogiers. Het huwelijk vond plaats te Appingedam op 22 november 1866.
Helena werkte als dienstmeid en kreeg op 22 september 1851 een zoon Lodewijk. Zijn vader is onbekend. Acht jaar later, op 27 maart 1860, zou zoon Lodewijk in Jukwerd komen te overlijden. Hij woonde op dat moment samen met zijn moeder in Appingedam.

 

Huwelijk Ludolphi-Nuwer

Huwelijksakte van Albertus Johannes van Ludolphi en Helena Nuwer.
Bron: AlleGroningers

 
Een jaar of drie geleden is het schilderij ‘Spekdikken eten’ van Albertus Johannes op een veilig onder de hamer gegaan. Het kunstwerkje was met olieverf op paneel aangebracht en had het formaat van 35 bij 27 centimeter. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar wat deze voor mij onbekende spekdik nou eigenlijk is. Het blijkt een soort kleine pannenkoek te zijn van roggemeel, eieren en stroop, die als lokale specialiteit onder meer in het Groninger Westerwolde en in het Oost-Friese Reiderland rond Nieuwjaar wordt gegeten. De spekdik wordt met een stukje vet spek en vaak enkele stukjes droge worst gebakken in een knijpijzer.

 

Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi

‘Spekdikken eten’ door Albertus Johannes van Ludolphi.


 
Spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi (detail

Detail uit het schilderij ‘Spekdikken eten’.

 
Zoals gezegd bleef Albertus Johannes tot aan zijn overlijden schilderen. Hij overleed te Appingedam op 3 april 1883 op zeventigjarige leeftijd. Helena ging hem twee jaar eerder al voor. Zij overleed eveneens te Appingedam op 19 februari 1881, zevenenvijftig jaar oud.

 

Overlijden Albertus Johannes van Ludolphi

Overlijdensakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Tekst: © Uit de oude Koekstrommel
Bronnen: Wikipedia en RKD
 
 

Theodorus, van Pauselijk Zouaaf tot landloper

2 februari 2017 at 15:56

 
De link van het Zouavenmuseum naar een namenlijst van Nederlandse zouaven intrigeert me. Puur uit nieuwsgierigheid en absoluut niet met de verwachting of het vermoeden een zouaaf in de familie te hebben geef ik lukraak wat familienamen in. De naam van Theodorus Ubeda verschijnt al snel in de lijst. Een familielid, dat is duidelijk. Net zoals het direct duidelijk is dat zijn geboortejaar onmogelijk correct kan zijn. Het opgegeven jaartal is 1830. In dat geval zou het een zoon betreffen van de uit Spanje gevluchte José Antonio Rueda, die zich in Nijmegen vestigde en uit veiligheidsoverwegingen zijn moeders achternaam Ubeda heeft aangenomen voor de Burgerlijke Stand. Theodorus past niet in het rijtje met kinderen. Het betreft hier echter de kleinzoon van José, geboren in 1850. De oom van mijn oma. En daarmee is de zoektocht begonnen…

 

Geboorteakte Theodorus Ubeda

Geboorteakte van Theodorus Ubeda; Burgerlijke Stand Nijmegen 3 april 1850.
Bron: FamilySearch

 
Theodorus wordt om drie uur ’s nachts op 3 april 1850 in Nijmegen geboren als Theodorus Peperkamp, aangezien zijn moeder Wilhelmina Peperkamp hem ongehuwd ter wereld heeft gezet. Later in het jaar, op 21 november, wordt Theodorus wettelijk erkend bij het huwelijk tussen zijn ouders Johannes Ubeda en Wilhelmina Peperkamp. Johannes is op dat moment werkzaam als houthakker en Wilhelmina als naaister.
In welke straat Theodorus wordt geboren is onbekend. Vermoedelijk zal dit in het huis van zijn grootouders zijn geweest, aangezien Johannes vanuit een ander adres dan Wilhelmina en Theodorus met zijn gezin aan het Karrengas (Wijk B nr. 595) gaat wonen. In dit huis, dat nog met andere gezinnen gedeeld moet worden, brengt Theodorus zijn eerste levensjaar door.

 

Karrengas Nijmegen

Het Karrengas in Nijmegen, waar Theodorus het eerste jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Bevolkingsregister Karrengas 1850

Bevolkingsregister Karrengas Nijmegen 1850
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het gezin neemt vervolgens intrek in het huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 524) waar de ouders van Wilhelmina, Theodorus Peperkamp en Cornelia Martens, en haar broer Hendrikus ook woonachtig zijn. Lang zullen ze hier niet wonen, want vóór november 1851 verhuizen ze naar de Bloemerstraat (Wijk B nr. 199). Hier zal het gezin worden uitgebreid met twee zonen en drie dochters. Eén dochtertje overlijdt jammerlijk genoeg op tweejarige leeftijd.

Johannes en Wilhelmina houden het weer voor gezien op de Bloemerstraat en keren terug naar het Zwanengas. Dit keer wordt het nummer 534. Johannes is intussen metselaarsknecht en de jonge Theodorus borstelmakersleerling.

 

Zwanengas Nijmegen

Het Zwanengas in Nijmegen.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Intussen doet Paus Pius IX vanaf 1860 herhaaldelijk een oproep aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde Rooms-Katholieke mannen te sturen om samen met Frankrijk de Kerkelijke Staat te verdedigden tegen de aanvallen van Victor Emanuel II, koning van Italië, en diens bondgenoot Giuseppe Garibaldi, een antiklerikaal liberaal-nationalist. Deze beide heren strijden voor staatkundige eenheid in het land, wat dus een gevaar zou opleveren voor de onafhankelijkheid van de Kerkelijke Staat.

De ‘Roomse’ Theodorus besluit gehoor te geven aan de oproep en vertrekt op 26 november 1867, pas zeventien jaar oud, uit Nijmegen met bestemming Rome om zich als vrijwilliger aan te sluiten bij het ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’, de ‘Zuavi Pontifici’, onder leiding van een Franse generaal. Het woord ‘zouaaf’ komt via het Franse ‘zouave’, oorspronkelijk ‘zuavas’, van het Arabische ‘zouaoua’, de naam van een Berberstam in Algerije, die zich aan de Fransen had onderworpen en waaruit een keurkorps van het Franse leger was gevormd.

 

Uniformen van de Pauselijke Zouaven

Uniformen van de Pauselijke Zouaven.
Bron (bewerkt): historiek.net

 
Met op zak een door de pastoor opgemaakte aanbevelingsbrief waaruit zijn katholieke toewijding blijkt, gaat de reis via het Pensionaat Saint Louis in het Brabantse Oudenbosch, het voornaamste verzamel -en vertrekpunt van de aspirant-zouaven vanuit Nederland in de jaren 1864-1870. De vrijwilligers gaan van hieruit door naar Brussel voor een medische keuring. Worden zij goedgekeurd dan tekenen zij een tweejarig dienstverband. Vanuit Brussel vervolgt de reis per stoomtrein naar Marseille en vandaar per schip naar Civitavecchia, een havenplaats in de buurt van Rome. In Rome volgt een tweede en strengere keuring.
Op 5 augustus 1870 roept Frankrijk zijn troepen terug, omdat het zojuist de oorlog heeft verklaard aan Pruisen. Door deze terugtrekking weet het Italiaanse leger het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat te bezetten. De eenheid van Italië met Rome als nieuwe hoofdstad is nu gerealiseerd. Paus Pius IX trekt zich, om verder bloedvergieten te voorkomen, als vrijwillige gevangene terug in het Vaticaan. Het Regiment der Pauselijke Zouaven wordt ontbonden en de zouaven worden huiswaarts gestuurd.

Theodorus verlaat Rome na het verlopen van zijn tweejarig dienstverband. Een meegegeven militair paspoort geldt als reisdocumentatie. Op 8 januari 1870 laat hij zich weer inschrijven in het huis van zijn ouders aan het Zwanengas. Ongetwijfeld zal hij, zoals dat geldt voor alle terugkerende Pauselijke Zouaven, als held zijn onthaald door zijn familie en de katholieke gemeenschap.
De Nederlandse overheid was echter minder enthousiast. Is er vooraf geen verlof aangevraagd om in vreemde krijgsdienst te treden dan verliest de zouaaf bij thuiskomst zijn staatsburgerschap en heeft hij als staatloze geen enkel recht meer op welke vorm van ondersteuning dan ook door de overheid. Slechts een kleine tweehonderd van de ruim drieduizend vrijwilligers hebben hun nationaliteit behouden door een verzoek in te dienen bij Koning Willem III.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1860

Op 26 november 1867 vertrekt Theodorus met bestemming Rome en laat zich op 8 januari 1870 weer in Nijmegen inschrijven.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Vertrek naar Rome 26 november 1867

Vertrek naar Rome op 26 november 1867.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Inschrijving Nijmegen 8 januari 1870

Inschrijving Nijmegen op 8 januari 1870 in het ouderlijk huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 534).
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Het jaar daarop vertrekt Theodorus op 21 april voor ruim een jaar naar Zaltbommel. De reden van zijn verblijf daar is onbekend, maar het zou te maken kunnen hebben met de behoorlijk aanwezige industrie en dus werkgelegenheid in die plaats. Op 25 juli 1872 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis in Nijmegen.

 

Uitschrijving Nijmegen 21 april 1871

Vertrek naar Zaltbommel op 21 april 1871.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Inschrijving Zaltbommel 21 april 1871

Inschrijving in Zaltbommel op 21 april 1871. Het verblijfadres is onbekend.
Bron: FamilySearch

 

Inschrijving Nijmegen 25 juli 1872

Inschrijving in Nijmegen op 25 juli 1872 vanuit Zaltbommel, wederom in het ouderlijk huis aan het Zwanengas.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Een maand later trouwt hij met de Nijmeegse Berendina Faber, geboren op 26 februari 1849 als dochter van Adrianus Faber en Hendrina Reijntjes. Theodorus is op dat moment borstelmaker van beroep. Naast de geboorteakten van Theodorus en Berendina wordt een extract van de Nationale Militie Provincie Gelderland overlegd met daarin de mededeling dat ‘hem bij de loting is ten deel gevallen No. 102, en dat hij vervolgens door Gedeputeerde Staten, uit hoofde van ‘ligchaamsgebrek’ van de dienst is vrijgesteld.’ Door dit extract kan gesteld worden dat Theodorus zijn staatsburgerschap niet is verloren.
Volgens het lotingsregister van Nijmegen blijkt het te gaan om bijziendheid, artikel 340. Dit artikel is terug te vinden in het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water (Koninklijk Besluit van den 25sten Maart 1862), en luidt:

‘N°. 340. Bijziendheid (myopia) op beide oogen, of op het regteroog, in dien graad, dat na opheffing van het accommodatie-vermogen op het regteroog, hiermede door den hollen bril n°. 8 (hebbende een negatief brandpunt van 216 Ned. strepen), uit den brillen toestel, letters, cijfers of figuren van 3 Nederlandsche duimen hoogte, breedte en daaraan geëvenredigde dikte, geschreven met wit krijt, op een zwart, goed verlicht bord, op een afstand van 8 Nederlandsche ellen goed of althans beter gezien worden dan door hoogere nummers (zwakkere glazen) uit dien toestel; of wel dat, zonder opheffing van het accomodatie-vermogen door denzelfden bril, zeer kleine drukletters of figuren ter grootte ongeveer van een Nederlandsche streep (bijv. n°. 3 van Jaeger), op een afstand van één Nederlandsche palm goed of althans beter gezien worden, dan door zwakkere glazen.’

Uit het lotingsregister van Nijmegen en de inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie kan worden opgemaakt dat de ‘aangifte der inschrijving’ is gedaan door zijn vader. Op 10 mei 1870 wordt Theodorus ingelijfd bij het 8e Regiment Infanterie. Vervolgens is hij ‘voor de dienst ongeschikt verklaard wegens bijziendheid, blijkens besluit van Heeren Gedeputeerde Staten van den 25 Mei 1870 no.39’ en aldus ‘den 25 Mei 1870 ingevolge art. 116 der militiewet uit de dienst ontslagen’.

 

Lotingsregister Theodorus Ubeda

Lotingsregister van Nijmegen.
Bron: militieregisters.nl

 

Stamboek Theodorus Ubeda

Inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie..
Bron: FamilySearch

 

Extract van de Nationale Militie in de huwelijksbijlagen.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872

Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872.
Bron: Gelders Archief

 
Het stel trekt in bij de ouders van Theodorus en zijn nog thuis wonende broers en zussen in het huis aan het Zwanengas. In het voorjaar van 1875 verhuizen Theodorus en Berendina met hun inmiddels drie geboren kinderen Johannes, Adrianus Theodorus en Theodorus naar de Bloemerstraat (Wijk B) nummer 184 op de derde verdieping. In de jaren die volgen variëren de huisnummers aan de Bloemerstraat van 184 naar 30 en 31. Het lijkt erop dat er in die tijd een herziening van de huisnummering heeft plaatsgevonden en dat de nummers 184 en 30 betrekking hebben op hetzelfde huis.

Het zit Theodorus en Berendina beslist niet mee. Hun zoontje Adrianus Theodorus overlijdt met drie maanden en net nu ze de nieuwe woning betrokken hebben overlijdt ook hun zoontje Theodorus in de leeftijd van vier maanden. Het jaar erop begint goed: er wordt een zoontje geboren dat eveneens de naam Theodorus krijgt. Toch slaat het noodlot wel heel drastisch toe in de twaalf jaar die volgen, alhoewel de kindersterfte in die tijd sowieso vrij hoog is. Vijf kinderen komen levenloos ter wereld, dochtertje Maria Wilhelmina overlijdt op eenjarige leeftijd en zoontje Petrus Wilhelmus redt het nog net geen elf maanden. Uiteindelijk wordt nog zoon Willem Petrus geboren, die evenals zijn broers Johannes en Theodorus de volwassen leeftijd weet te bereiken.

 

Bloemerstraat rond 1895

De Bloemerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
In de tussentijd is het gezin verhuisd van Bloemerstraat 31 naar het Zwanengas 64 en 71 om uit te komen op de Hamerstraat 30. Alhoewel ‘Hamerstraat’ duidelijk genoteerd staat in het bevolkingsregister roept dit toch wel wat vragen op. Het gezin betrekt deze woning in ieder geval vóór 1901. Bij mijn weten was dit destijds nog de Verlengde Molenstraat en werd ter gelegenheid van de onthulling van het beeld van Bisschop F.H. Hamer op 28 september 1902 de straat pas officieel naar de bisschop vernoemd.

 

Hamerstraat Nijmegen 1895

De Hamerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Facebookgroep Oud Nijmegen

 
Hoe het Berendina aan het begin van de twintigste eeuw vergaat is mij onbekend. Zij overlijdt op 26 december 1923 op vierenzeventigjarige leeftijd in Nijmegen. Met Theodorus gaat het in ieder geval niet de goede kant op. Op 12 januari 1900 wordt hij door het Kantongerecht van Nijmegen veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens dronkenschap, aangezien dit al de vierde keer is dat hij hiervoor wordt opgepakt. Deze straf zit Theodorus uit in de gevangenis van Hoorn van 14 april tot 13 juli 1900.
Op 26 november 1900 wordt er het bevel tot voorlopige aanhouding uitgevaardigd door de rechter commissaris van ‘s-Hertogenbosch in verband met landloperij. Op 11 december 1900 wordt Theodorus veroordeeld voor landloperij door de Arrondissementsrechtbank ‘s-Hertogenbosch en voor drie jaar naar de Rijkswerkinrichtingen in Veenhuizen gestuurd. Van 15-17 december 1900 zat Theodorus in hechtenis in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch. In zijn signalementsbeschrijving wordt als kenmerk vermeld: twee stijve vingers aan de rechterhand.

 

Theodorus Ubeda gevangenis Hoorn

Registratie in het boek van de gevangenis in Hoorn.
Bron: NoordHollands Archief

 
Ondanks dat landlopers een bekend verschijnsel zijn op het platteland en vaak in de gemeenschap worden geaccepteerd, omdat ze nuttig zijn als dagloner, worden ze vooral door de gegoede burgerij in de negentiende eeuw niet meer getolereerd en al bij voorbaat verdacht. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht uit 1809 wordt daarom landloperij als een overtreding opgenomen; rondzwerven zonder aantoonbare middelen van bestaan wordt strafbaar gesteld. De gedachte hierachter is, dat iemand die sterk genoeg is om rond te reizen, ook sterk genoeg is om te kunnen werken. Dat er vaak geen werkgelegenheid is, wordt daarbij genegeerd. Men is voornamelijk bang voor diefstal en ander crimineel gedrag.
De opgepakte landlopers worden veelal ‘tewerkgesteld’ in het oosten van Nederland, waar ze in heropvoedingskampen onder andere aan landontginning in de veengronden, op het land en in de fabrieken werken.
Dit lot valt ook Theodorus ten deel. Hij wordt naar de Rijkswerkinrichting van de strafkolonie Veenhuizen gestuurd door de rechter, waar hij op 6 maart 1901 wordt ingeschreven als ‘inwoner’. Het transport gaat met een groep per trein en vanaf Assen op een schip van de Drentse Stoombootmaatschappij.

Hoogstwaarschijnlijk zal Theodorus in het Tweede Gesticht van Veenhuizen terecht zijn gekomen. Veenhuizen II is de inrichting voor bedelaars en landlopers, de zogeheten ‘verpleegden’. Zij worden als zieken gezien: mensen die moeten genezen van hun luiheid. Later zou het Tweede Gesticht ook onderdak bieden aan souteneurs en andere wetsovertreders.
Uit de gegevens op de signalementskaart weten we dat Theodorus een lengte heeft van één meter vijfenzestig, donkerbruin haar, lichtblauwe ogen, donker behaard is en een litteken heeft op zijn voorhoofd. Ook is hij niet in het bezit van identiteitspapieren. En… geen eerdere veroordeling en geen militaire diensten!

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda 1

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 1.
Bron: alledrenten.nl


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 2

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 2.
Bron: alledrenten.nl


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 3

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 3.
Bron: alledrenten.nl

 
De meetsessie volgens de Bertillon-methode neemt een uur in beslag. Vervolgens wordt er gebaad, geknipt en ontluist. Theodorus wordt ondergebracht in het Gesticht. Daar krijgt hij een genummerd uniform uitgereikt, bestaande uit een pet, twee bruine buizen met een groene kraag, twee bruine broeken, twee katoenen of halflinnen onderbroeken, twee katoenen halsdoeken, twee katoenen zakdoeken, drie paar wollen kousen, een paar klompen en een paar draagbroekbanden.
 

Kledij Veenhuizen

Kledij Veenhuizen (Gevangenismuseum Veenhuizen)
© Uit de oude Koektrommel

 
De omstandigheden in de kolonie zijn ellendig; er heersen ziekten en het zware werk eist zijn tol. ’s Winters is het er bovendien erg onaangenaam door de stank van de turfkachels. Tussen de middag wordt er warm gegeten. De vreselijke gortsoep smaakt nog viezer als met het leegeten van het bord de tekst ‘Teveel is ongezond’ verschijnt. En uiteraard is de zondagse kerkdienst verplicht.

Theodorus wordt ziek en opgenomen in het nieuwgebouwde hospitaal ‘Vertrouw op God’, door de bewoners ook wel ‘Gauw bij God’ genoemd. En dit laatste blijkt in zijn geval te kloppen. Theodorus overlijdt in het hospitaal op 2 april 1906, de dag voor hij zesenvijftig zal worden, na een zwaar en veelbewogen leven.

 

Overlijdensakte Theodorus Ubeda

Overlijdensakte Theodorus Ubeda, Veenhuizen 2 april 1906.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Brabants Historisch Informatie Centrum, Zouavenmuseum, Wikipedia Zouaaf, Mededelingen.Over-Blog, Wikipedia Landloper, Geheugen van Drenthe, Allemaal Familie, Gelders Archief, Regionaal Archief Nijmegen en Alle Drenten
 
 

De Knollys Roos Ceremonie

30 november 2016 at 15:54

 
Via mijn Engelse voorouder Richard Knowles kom ik uit bij de roemruchte familie Knollys (uitgesproken als ‘Knowles’). Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zo vond ik ook het verhaal over de ‘Knollys Roos Ceremonie’.

We schrijven het jaar 1381. Lady Constance Beverley woont met haar echtgenoot Sir Robert Knollys aan de westkant van ‘Seething Lane’ in Londen, in die tijd ‘Cevenden Lane’ of ‘Syvenden Lane’ genoemd. Terwijl Sir Robert op dat moment aan de zijde van zijn vriend Jan van Gent (Hertog van Lancaster en de vierde zoon van Koning Edward III van Engeland) in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tegen Frankrijk vecht heeft Lady Constance de verantwoordelijkheid over het huis.
Al sinds het echtpaar in 1370 het huis met belendend perceel kocht ergerde Lady Constance zich mateloos aan het in haar richting opwaaiende kaf van het gedorste veld tegenover hun huis. Sir Robert en Lady Constance besluiten hierop om in 1379 het betreffende veld aan de oostkant van de straat te kopen om er een rozentuin aan te planten. Het probleem is echter dat een hoofdweg de beide percelen doorkruist. Lady Constance, niet voor één gat te vangen, vindt tijdens de afwezigheid van Sir Robert de oplossing in het laten bouwen van een voetgangersbrug over de weg als verbinding tussen beide gronden. Een mooie bijkomstigheid, en zeker niet minder belangrijk, is dat ze op die manier ook haar schoenen niet meer hoeft te bevuilen aan de modderige straat. Echter, voor de bouw van de voetbrug ‘vergeet’ ze voor het gemak de bouwvergunning aan te vragen. (Of wellicht is zij als echtgenote wettelijk gezien niet eens bij machte om deze vergunning aan te vragen.)
 

All Hallows Barking kerk

De All Hallows Barking kerk met de Syvenden Lane naar boven.
Bron (bewerkt): living-in-the-past.com


 
Helaas voor Lady Constance wordt de overtreding niet door de vingers gezien. Ze zal zich moeten verantwoorden voor haar daad. De Raad van de City of London, met aan het hoofd Lord Mayor Sir William Walworth, belegt een vergadering om de kwestie te bespreken en komt met het besluit dat het opleggen van een boete zeker op zijn plaats zou zijn. Regels zijn immers regels.
Sir Robert is echter een uiterst gerespecteerde en invloedrijke man, die niet alleen voor het land tegen Frankrijk vecht, maar die tevens erg populair is bij de inwoners van Londen door zijn cruciale rol bij het neerslaan van de boerenopstand eerder dat jaar. Een forse straf zou wel heel ondankbaar overkomen. Bovendien is Sir Knollys ook nog eens goed bevriend met de Lord Mayor.
Op 23 juli 1381 wordt besloten dat er een symbolische boete zal worden opgelegd; Sir Robert (en zijn erfgenamen of nazaten) moet jaarlijks tot ‘in eeuwigheid’ op 24 juni, de dag van het Sint-Jans feest dat drie dagen na de Midzomerzonnewende gevierd wordt, een rode roos uit de tuin van Syverden Lane aanbieden aan de dienstdoend edelman van Guildhall, het gemeentehuis:

To all persons who these present letters shall see or hear, the Mayor Aldermen and Commonalty of the City of London Greeting, know ye that we have granted unto Messire Robert Knolles Knight, our dear and well beloved fellow citizen, and to Constance his wife, leave to make a Haut-pas of the height of 14 feet extending from the house of the said Robert and Constance his wife on the west side thereof to another house to them belonging on the east side thereof, beyond the lane of Syvendenlane in the parish of All Hallows Berkyngechirche, near the Tower of London, rendering yearly to the Chamberlain of the Guild Hall of the said City for the time being one red rose at the feast of St. John the Baptist.

Na deze uitspraak wordt met terugwerkende kracht alsnog toestemming verleend voor de bouw van de voetgangersbrug met een hoogte van veertien voet en is de zaak daarmee afgedaan.

Helaas is er geen documentatie bekend over hoe Sir Robert op de gehele zaak heeft gereageerd bij thuiskomst, maar aangezien zijn vrouw bekend staat om haar ontzagwekkende en sterke persoonlijkheid, zal de gang van zaken hem nauwelijks hebben verbaasd.
De taak van het in ontvangst nemen van de ‘afbetaling’ komt in handen te liggen van de Lord Mayor. Daarbij is het wel grappig om te weten dat een zoon van Sir Robert en Lady Constance, Thomas Knollys, in 1399 en 1410 zelf Lord Mayor van Londen was. Dat zullen gezellige familieonderonsjes zijn geweest!

De ceremonie heeft eeuwenlang bestaan. Waarschijnlijk tot 1666, het jaar waarin de ‘Grote Brand’ van Londen plaatsvond en de rozentuin vermoedelijk is vernietigd. Daarna raakt het in de vergetelheid. Tot de ceremonie door vicaris Tubby Clayton van de All Hallows-by-the-Tower kerk, ook wel All Hallows Barking kerk genoemd, in 1924 nieuw leven ingeblazen wordt. Weliswaar niet meer op Sint-Jans dag, maar op een dag in de maand juni, wanneer de Lord Mayor hiervoor beschikbaar is.
 

Knollys Roos Ceremonie

Knollys Roos Ceremonie
Bronnen: Knollys glas-in-loodraam in de All Hallows-by-the-Tower kerk (lostcityoflondon.co.uk), Knollys wapen (pinterest.com), Roos (lostcityoflondon.co.uk) en de processie (ianvisits.co.uk)


 
Tijdens de viering van de huidige Knollys Roos Ceremonie komen genodigden en nazaten van de Knollys familie bijeen in de kerk van All Hallows-by-the-Tower, waar een dienst wordt gehouden. Na de dienst begeeft het gezelschap zich naar Seething Lane Garden, de plek waarvan gezegd wordt dat het de locatie is van de rozentuin van Lady Constance. De leiding van de ceremonie ligt in handen van de Master of the Worshipful Company of Watermen and Ligtermen of the river Thames, van oorsprong het gilde van de vervoerders van mensen en goederen over de rivier de Theems. In een korte toespraak legt hij de geschiedenis van het ontstaan van de ceremonie uit, knipt vervolgens in alle ernst een rode roos af, die hij met uiterste zorgvuldigheid heeft uitgekozen en legt de roos op een fluwelen kussen, dat gedragen zal worden door de vicaris van de kerk. Dan volgt er een kleurrijke processie door de straten van het oude Londen richting het Mansion House, de ambtswoning van de Lord Mayor, alwaar deze staat te wachten op de jaarlijkse afbetaling van de boete. In een besloten ceremonie wordt de roos dan aan hem aangeboden.

De bewuste voetgangersbrug was trouwens een veel korter leven beschoren; die werd naar aller waarschijnlijkheid al aan het begin van de zestiende eeuw afgebroken…
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: mylondonpassion.com, sightseer.tvianvisits.co.uktraditionalcustomsandceremonies.wordpress.com en british-history.ac.uk
 
 

De zussen Maria Alexandrina en Alexandrina Maria

2 oktober 2016 at 17:39

 

De laatste tijd worden, haast in een stroomversnelling, allerhande archieven openbaar inzichtelijk gemaakt op het internet. Gelukkig maar, zou ik haast zeggen, dat scheelt heel wat uurtjes onderzoek op locatie. Met regelmaat speur ik dan ook de registers af op zoek naar nieuwe gegevens van de personen in mijn stambomen. En zo nu en dan stuit je toch op een verwarrende ontdekking!

Maria Alexandrina van Hirtum, de overgrootmoeder van mijn man, kwam, voor zover ik het heb kunnen nagaan, uit een gezin met vier kinderen. Drie jongens en één meisje was het gezin Van Hirtum-Boerebach rijk, zo veronderstelde ik. Zij was hoogstwaarschijnlijk naar haar beide grootmoeders vernoemd: aan vaders kant Anna Maria (van Santfoort) en aan moeders kant Alexandrina (Mulder). Maria Alexandrina trouwde op 24 juni 1908 in Hilversum met de in Nieuwer-Amstel geboren ‘reiziger’ Andreas Petrus Maria Jacobus Regter.

De verwarring ontstaat op het moment dat ik een andere huwelijksakte onder ogen krijg betreffende een, in eerste instantie vermelde, Maria Alexandrina van Hirtum met dezelfde ouders, dezelfde huwelijksplaats, echter met een andere echtgenoot, namelijk Willem van Poelgeest. Dit huwelijk vond plaats op 30 september van datzelfde jaar 1908.
Het blijkt te gaan om een voor mij onbekende vijf jaar jongere zus van Maria Alexandrina. Officieel aangegeven als Alexandrina Maria, maar bij de zoekgegevens van diverse instanties worden deze namen structureel door elkaar gebruikt. Zelfs de Duitse punctualiteit heeft in de overlijdensakte een steekje laten vallen! Nou gebiedt mij de eerlijkheid dan ook te zeggen dat hun ouders in mijn ogen niet echt een hoog staaltje van creativiteit hebben laten zien bij de naamkeuze van hun enige twee dochters!

 

Huwelijksakte Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest

Huwelijksakte van Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest.
Bron: FamilySearch

 

Alexandrina Maria, zo blijkt, werd geboren op 14 juni 1885 om zes uur ’s morgens in het ouderlijke huis in ‘het gehucht Orten’, zoals het zo mooi beschreven staat in de aangifte bij de Burgerlijke Stand van ’s Hertogenbosch. Dit huis stond in Wijk K en had huisnummer honderdtwee. Uit de gegevens van een kaart van het Informatiebureau van het Rode Kruis blijkt dat Alexandrina Maria in 1889 vanuit ‘s-Hertogenbosch naar Naarden verhuisde. Op 9 november 1892 werd zij ingeschreven in Bussum en op 4 juni 1897 vertrok zij naar Hilversum.

 

Woonplaatsen van Alexandrina Maria

Kaart van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis met de inschrijvingen in de gemeenten.
Bron: Rode Kruis

 

Op drieëntwintig-jarige leeftijd trouwde zij met de één jaar jongere en van oorsprong uit het Zegveldse Meije komende schilder Willem van Poelgeest. Het burgerlijke huwelijk werd, zoals vermeld, voltrokken op 30 september 1908 in Hilversum. Zij kregen tien kinderen: zeven zonen en drie dochters, allemaal geboren in Hilversum. Willem startte met enige hulp zijn eigen huis-en decoratie schildersbedrijf en kreeg eens het postkantoor op de Neude in Utrecht als opdracht.

 

Burgerlijke Stand Alexandrina Maria van Hirtum

Geboortevermelding Burgerlijke Stand van ‘s-Hertogenbosch in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant van 16 juni 1885.
Bron: delpher.nl

 

Geboorteregister Alexandrina Maria van Hirtum

Geboorteregister van het jaar 1885 van Gemeente ‘s-Hertogenbosch.
Bron: FamilySearch

 

Geboorteaangifte van Alexandrina Maria. Bron: zoekakten.nl

Geboorteaangifte van Alexandrina Maria.
Bron: FamilySearch

 

Op een bepaald moment zijn Alexandrina en Willem in Duitsland terecht gekomen. Dit blijkt uit de Duitse overlijdensakte van Alexandrina. Het echtpaar woonde volgens de akte op Apfelstraße 6 in Burg bij Magdeburg. Op 27 september 1944 werd Alexandrina opgenomen in het ‘Kreiskrankenhause’ van Burg, waar zij een dag later, op 28 september 1944, om kwart voor twee ’s nachts zou komen te overlijden aan de gevolgen van een longontsteking. Zij werd begraven op de Stadsbegraafplaats van Burg, Veld 1, Rij 32, Nr. 10.

 

Ziekenhuisopname Alexandrina Maria

Ziekenhuisopname van Alexandrina Maria.
Bron: Rode Kruis

 

Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria

Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria.
Bron: Archief Rode Kruis

 

Graf Alexandrina Maria

Documentatie betreffende de Stadsbegraafplaats in Burg.
Bron: Rode Kruis

 

Wat Alexandrina Maria en Willem ertoe heeft gedreven of heeft verplicht naar Duitsland te vertrekken en wanneer dit is geweest heb ik tot nu toe nog niet kunnen achterhalen. Feit is wel dat volgens de Nederlandse overlijdensakte, welke is opgemaakt op 27 augustus 1946 naar aanleiding van een via het Rode Kruis ontvangen uittreksel uit het overlijdensregister der gemeente Burg in Duitsland, Alexandrina Maria nog steeds als inwoonster van Hilversum werd beschouwd en dus ook nooit officieel is uitgeschreven uit de gemeente.

 

Kennisgeving overlijden Alexandrina Maria

Kennisgeving van het overlijden van Alexandrina Maria, d.d. 10 augustus 1946.
Bron: Rode Kruis

 

Nederlandse overlijdensakte Alexandrina Maria van Hirtum

Overlijdensakte van Gemeente Hilversum.
Bron: FamilySearch

 

Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Zoekakten, Delpher en Rode Kruis

 

De geschiedenis van het ijs

30 juni 2016 at 16:06

 

In eerste instantie was mijn opa Albertus Cornelis (Cees) Enklaar smid van beroep, maar na de crisisjaren van de vorige eeuw besloot hij zich toe te leggen op het verkopen van zelfgemaakt ijs. Zo trok hij met zijn ijscokar door de straten van Nijmegen om ‘het lekkerste ijs van Nijmegen’ aan de man te brengen. Overigens was deze eigen fabricage van ijs geheel tot groot ongenoegen van mijn oma, die daarvoor als onvrijwillig proefpersoon moest dienen. Teveel zout, te weinig zout. Dikwijls vroeg zij zich hardop af of ‘hij haar soms wou vergiftigen…?!’.
Uiteraard moest je met je tijd meegaan en de ijscokar werd daarom ingeruild voor een ‘bedrijfsauto’. Heel wat zijn er versleten. Bovendien waren het niet de meest nieuwe en solide auto’s, waardoor het kon gebeuren dat afgevallen onderdelen de bedrijfsauto spontaan in konden halen tijdens het rijden. Zo kon mijn vader zich nog goed herinneren dat hij als klein jochie terug moest rennen om een uitgevallen autodeur van de straat te rapen!
 

Albertus Cornelis Enklaar

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscokar
© Uit de oude Koektrommel

 

De geschiedenis van ijs gaat terug tot aan het Romeinse tijdperk. De Romeinen maakten van sneeuw uit de bergen, gemengd met honing, rozenwater en fruit al een soort van sorbet. De Chinezen zouden op hun beurt rond 700 een mengeling van melk, bloem en kamfer in een metalen buis in sneeuw hebben gekoeld, om zo een ijsje te maken.
Na eeuwen zonder historisch bewijs dat Europeanen ijs aten, kwam de herintroductie na de verre reizen van Marco Polo in de dertiende eeuw. Hij bracht in 1292 de ‘sherbet’ mee naar Italië, gemaakt volgens de techniek van de Chinezen, die een mengsel van water en salpeter gebruikten om het water kunstmatig te bevriezen.

In de zestiende eeuw won de Siciliaanse poelier Ruggeri met een creatie van ‘een bevroren zoetigheidje’ op een roemrijke wedstrijd van de Catharina de Medici: het roomijs. Ruggeri was op slag beroemd en werd gevraagd door alle grote vorstenhoven. Toch besloot hij uiteindelijk weer terug te keren naar zijn beroep als poelier.
Het inmiddels enorme succes van het Italiaanse ijs vroeg om een grootschaliger bereiding. In 1686 opende de Siciliaan Francesco Procopio de Coltelli daarom met succes in Parijs de salon annex ijsfabriekje ‘Café Procope’. Men kon nu voor het eerst kennismaken met zijn bevroren mengsel van melk, room, ei en boter.
 

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscowagen

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscowagen.
© Uit de oude Koektrommel

 

Halverwege de achttiende eeuw namen Europese immigranten het inmiddels populaire ijsje mee naar de Verenigde Staten. Nog altijd was ijs echter vooral voor de rijkere lagen van de bevolking. Immers, de productie en het koel houden van ijs was vrij duur.
Door de ontwikkelingen in de Industriële Revolutie ontstond halverwege de negentiende eeuw de mogelijkheid om ijs veel gemakkelijker en goedkoper koel te houden. Vanaf dat moment werd ijs ook voor het ‘gewone volk’ betaalbaar, waardoor de ijsindustrie opkwam. Pas na de Tweede Wereldoorlog, toen de eerste diepvriezers verschenen en de eerste grote ijsfabrieken werden opgericht, begon de commercialisatie in Europa.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: isgeschiedenis.nl, nl.wikipedia.org en lekkertafelen.nl

 

Ome Dirk deel 2

13 mei 2016 at 11:20

 
Enige tijd geleden plaatste ik een post over ome Dirk, de jongeman die op een avond een pakje shag ging halen en vervolgens in Nederlands-Indië terechtkwam. Nou, ome Dirk houdt me wel bezig, hoor! Het slechte weer van laatst noopte me, hoe vervelend nou, tot het doorspitten van oude kranten uit Nederlands-Indië. Dat leverde enkele interessante resultaten op die het verhaal van ome Dirk weer een stukje completer maken.

Dirk vertrok inderdaad op achttienjarige leeftijd naar Nederlands-Indië, waar hij zich in eerste instantie vestigde in Bandoeng, de hoofdstad van de provicie West-Java op het eiland Java. Zo is te lezen in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ onder ‘Bevolking van Batavia Gevestigd’ dat hij verhuisd was van Bandoeng naar Senen 4 in Batavia, de huidige hoofdstad Jakarta van Indonesië aan de noordkust van Java.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 3 december 1928

 
Alhoewel het inmiddels bekend was dat hij inderdaad in het KNIL had gediend was de connectie met het leger snel gevonden. Volgens het programma voor de cabaretuitvoering van de militaire toneelvereniging ‘Het Masker’, voelden de heren Ubeda en van de Sluis zich geroepen (of gedwongen) de zang voor het onderdeel ‘Hans en Griet’ voor hun rekening te nemen.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 27 september 1929

 
Op 4 juni 1931 treedt D. Ubeda in het huwelijk met E. Bendy. De voorletter ‘E’ blijkt te staan voor ‘Elsiana’. Deze voorletter komst overigens overeen met die van Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok (op West-Java), genoemd op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ (zie vorige post over ome Dirk).

 

Huwelijk D. Ubeda en E. Bendy

Bron: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië van 6 juni 1931

 
Dirk en Elsiana worden op 27 augustus 1931 de ouders van een zoon. Het gezin woont op dat moment dus nog steeds in Batavia.

 

Geboorte zoon Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 2 september 1931

 
Dan besluiten Dirk en Elsiana het ruime sop te kiezen met bestemming Nederland, want op 23 mei 1934 vertrokken ze met het s.s. Johan de Witt van Batavia naar Amsterdam. De reis zou gaan via Genua, Villefranche en Southampton. De passagierslijst in het ‘Soerabaijasch Handelsblad’ van 23 mei 1934 vermeldt: D. Ubeda, Mevrouw Ubeda en kind.
Naar alle waarschijnlijkheid hadden ze op dat moment nog een kind. Het zou gaan om een dochter, die op 6 juni 1933 in Meester Cornelis (het huidige Jatinegara), wat een stadsdeel van Batavia was, zou zijn geboren. Zij was ten tijde van de reis dus nog geen jaar oud. Wellicht dat zij daarom niet vermeld werd in de passagierslijst of dat zij in Nederlands-Indië is achtergebleven. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de zoon is achtergebleven of dat mijn informatie betreffende de dochter niet correct is.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Soerabaijasch Handelsblad van 23 mei 1934

 
Op 14 november 1934 keerde het gezin weer terug naar Nederlands-Indië. Deze keer met het m.s. Indrapoera vanuit Rotterdam. De verwachting was aan te komen op 13 december 1934 te Tg. Priok. In ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ van 28 november 1934 staat op de passagierslijst: Fam. D. Ubeda 1 k.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 28 november 1934

 
In 1935 verhuisd het gezin, of in ieder geval ome Dirk, naar de Molenaarsweg 13 in Batavia. Uit gegevens van de eerder genoemde Japanse interneringskaart kunnen we er vanuit gaan dat Elsiana ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Achter de Kerk in Depok op West-Java woonde of verbleef.

Tot zover de berichtgevingen van ome Dirk in Nederlands-Indië. Wordt ongetwijfeld vervolgd!
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel

 

D. Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 1 februari 1935


 
 

Opa en Opoe Jansen

10 mei 2016 at 15:35

 
Een foto van rond 1926 met daarop de eigenaar van een schildersbedrijf in Bennekom, Jan de Groot, en zijn personeel. Onder het personeel valt ook mijn overgrootvader Hendrik Jansen. Naar alle waarschijnlijkheid is het de man met snor zittend op de trap. Wat zijn beroep als schilder betreft treedt hij daarmee in de voetsporen van zijn vader Jan Jansen.

 

Hendrik Jansen

Jan de Groot met zijn personeel rond 1926
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom

 
Mijn overgrootvader wordt op 4 november 1887 geboren in Bennekom als zoon van Jan Jansen en Reintje Hendrika Magrieta Buis . Op de foto moet hij dus tegen de veertig jaar oud zijn.
Als Hendrik zeven jaar oud is overlijdt zijn vader en op vijftienjarige leeftijd verliest hij ook zijn moeder. Bij wie hij en zijn twee broertjes Gerrit en Jan en zusje Neeltje in huis komen of wie als voogd wordt aangesteld is helaas niet bekend.

 

Geboorte Hendrik Jansen, Ede 4 november 1887

Geboorteakte van Hendrik Jansen; Ede, 4 november 1887.
Bron: FamilySearch

 
Op 2 september 1911 trouwt hij in Gemeente Ede met de inmiddels zwangere Fokelina van Ludolphij, naaister van beroep. Zij is de jongste dochter van kleermaker Christiaan Ludolphij en Grietje Dijkhuis en wordt op 21 juni 1891 in Midwolda geboren. Vader Christiaan brengt de Ludolphi-tak dus van het Groningse Midwolda naar het Gelderse Arnhem. Dit moet ergens tussen 1898 en 1908 gebeurd zijn. Fokelina woont tot aan haar huwelijk in Arnhem.

 

Geboorte Fokelina van Ludolphij, Midwolda 21 juni 1891

Geboorteakte van Fokelina van Ludolphij; Midwolda, 21 juni 1891.
Bron: AlleGroningers

 

Huwelijksakte Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij

Huwelijksakte van Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij; Ede, 2 september 1911.
Bron: FamilySearch

 
Mijn pasgetrouwde overgrootouders gaan in Bennekom Dorp wonen. Daar worden mijn opa Jan en zijn broertje Christiaan (Chris) geboren. Vervolgens vertrekt het gezin op 25 januari 1916 voor een jaartje naar Wageningen om op 10 januari 1917 weer terug te keren naar hun oude adres in Bennekom. Hier zullen zij wonen tot 1921, het jaar dat zij verhuizen naar Brinkerweg 40, waar zoon Rijnder Hendrikus (Drikus) en dochter Margrietha Neeltje (voor mij bekend als ‘Tante Zus’) geboren worden. Tussen 15 oktober 1921 en 8 december 1922 komen de ouders van Fokelina op dit adres bij het gezin inwonen, om daarna weer terug te keren naar Arnhem. Na vier jaar vertrekken mijn overgrootouders in november naar De Laar 11a, in februari 1928 vervolgens naar De Laar 7c, in 1930 naar  Strooijweg 27 om op 11 maart 1937 uiteindelijk uit te komen op Prins Bernhardlaan 39.

 

Strooijweg Bennekom

De Strooijweg in Bennekom.
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom

 
Opa en Opoe Jansen heb ik nog mogen kennen. Als je er op bezoek kwam kreeg je als kind steevast een glaasje ranja. Eigenlijk mocht ik dat van mijn moeder niet aannemen, want opoe stofte volgens haar de glazen namelijk af met de stofdoek waar hun kat doorgaans op lag te slapen. Dat kwam doordat ze ‘vergeetachtig’ was, maar mijn moeder vond het toch maar een ‘vieze bedoening’. Zelf zag ik destijds het probleem niet zo.

Van opa kan ik mij niet veel meer herinneren, behalve dat hij heel oud was. Althans, dat vond ik als klein kind zijnde. Nou was toentertijd iedereen van boven de pakweg vijftig jaar in mijn ogen al hoogbejaard! Opa had wel een intrigerende ‘toeter’ vanwege zijn doofheid. Wilde je iets tegen hem zeggen dan moest je hem aantikken. Hij pakte dan zijn toeter en vervolgens werd je geacht daarin te praten. Echter, opa was zo doof dat je vaak de longen uit je lijf moest schreeuwen wilde hij je enigszins kunnen verstaan! Een leuk spelletje voor ons als klein- en achterkleinkinderen. We hadden heel wat te vertellen, hoor!

Opoe Jansen kwam tot haar overlijden altijd bij al haar klein- en achterkleinkinderen op verjaardagsvisite. Nog zie ik haar stilletjes zitten in de fauteuil met haar lange haren in een vlecht om haar hoofd vastgespeld en haar dikke panty veel te losjes om haar benen (waar je als kind al niet op let). Geduldig wachtte ze tot je het presentje bij haar kwam halen. Als een soort van audiëntie. Maar dat hoorde zo bij ‘oudere mevrouwen’.

Bijna een halve eeuw later (en hoogbejaard!) besef je pas hoe bijzonder en mooi dergelijke herinneringen aan je overgrootouders eigenlijk zijn…

 

Opa en Opoe Jansen

Opa en Opoe Jansen op respectievelijk 82-jarige en 78-jarige leeftijd
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel