Loting Nationale Militie

6 januari 2019 at 17:21

 
Invoering dienstplicht

Toen in 1810 het Koninkrijk Holland opging in het Keizerrijk Frankrijk werd onder Lodewijk Napoleon ook in ons land de militaire dienstplicht (conscriptie) ingevoerd. Dat hield in dat iedere man van twintig jaar of ouder zich moest inschrijven. Door middel van loting werd bepaald welke ‘loteling’ in het Franse leger dienst moest nemen.
De dienstplicht werd zeker niet overal met gejuich ontvangen. Op verscheidene momenten vonden zogeheten ‘conscriptieoproeren’ plaats, die door de Napoleontische autoriteiten met harde hand werden neergeslagen.

 

Spotprent op de conscriptie

Spotprent uit 1813 op de conscriptie van de Hollandse boerenzonen voor het Franse leger (door Hermanus Fock).
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
Na het vertrek van de Fransen en de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden bleef deze dienstplicht grotendeels gehandhaafd door de vaststelling van het Reglement van Algemene Volkswapening, Landstorm en Landmilitie. In de Grondwet van 29 maart 1814 werd bepaald dat van elke honderd inwoners er één aangewezen diende te worden als milicien. Dit was noodzakelijk aangezien het binnen een kanton niet mogelijk was om het vastgestelde contingent manschappen te rekruteren uit vrijwilligers. Het aantal rekruten werd zo aangevuld met lotelingen. Op 27 februari 1815 werd de eerste Militiewet van kracht; op 8 januari 1817 vervangen door de Wet omtrent de Inrigting der Nationale Militie.

De duur van deze dienstplicht was destijds vijf jaar, gevolgd door een periode van vijf jaar als reserve. Echter, de feitelijke dienstplicht was veel korter; over het algemeen slechts een korte periode in het eerste jaar, daarna vermeld als reserve. Voor de lichtingen van 1882 en 1883 gold een zesjarige dienstplicht, vanaf 1884 gevolgd door een diensttijd van zeven jaar. Deze diensttijd hield in dat de mannen één tot anderhalf jaar daadwerkelijk in dienst waren. Na die tijd gingen zij met groot verlof en moesten daarna nog twee keer op herhaling voor een periode van vijf tot zes weken.
 
 
Loting

Met de wet van 1817 bestond vanaf dat moment de Nederlandse krijgsmacht onder meer uit beroepsmilitairen (waaronder tot 1829 de buitenlandse huurlegers), de Landstorm, de Landmilitie en vrijwilligers, aangevuld met het aan de districten opgelegde aantal ingelote dienstplichtigen. Iedere mannelijke inwoner moest zich in januari of februari (afhankelijk van het kanton; in Wageningen vanaf 1893 in oktober) van het jaar, waarin hij negentien zou worden, inschrijven in de woongemeente van zijn ouders, ongeacht zijn eigen woongemeente.
Om een geregelde aanvulling van de krijgsmacht te garanderen waren de provincies ingedeeld in militiedistricten van ongeveer 100.000 inwoners, ieder verdeeld in tien kantons, met aan het hoofd een militiecommissaris en een militieraad. In elke tot een kanton behorende gemeente werd afzonderlijk geloot onder leiding van de militiecommissaris, waarbij de loting plaatsvond in een kroeg, herberg, school of op het gemeentehuis. Dit lotingssysteem van dienstplichtigen werd in 1938 afgeschaft.
 
 
Lotingsdag

De lotingsdag, ook wel ‘de officiële dag van de dronkenschap’, was de dag waarop geloot werd voor de Nationale Militie. Deze dag ging vaak gepaard met een overmatige consumptie van sterke drank door de lotelingen, wat niet zelden leidde tot overlast of ongeregeldheden. Soms werd er in de vroege ochtend al zoveel gedronken, dat zelfstandig een lotnummer trekken al een grote uitdaging bleek te zijn. Na de loting trokken de lotelingen massaal de kroeg in om de uitslag te vieren of om juist de teleurstelling te verdrinken.
Om de overlast enigszins te beperken werden er gemeentelijke voorzorgsmaatregelen getroffen als het tijdelijk sluiten van tapperijen, het sommeren van de kroeghouders geen lotelingen toe te laten, het vervroegen van de loting of de loting verplaatsen naar drankvrije ruimten.
Bij lotingsdag hoorden ook veel landelijke en plaatselijke tradities, waaronder het verschijnen in Zondags pak, het spelden van het lotnummer op het hoofddeksel of jas, het versieren van het hoofddeksel met linten of bloemen, het gebruiken van de lange Goudse pijp, het eten van pannenkoeken en het langs de huizen gaan voor koffie en krentenstoet.

 

Lotingsdag

De burgemeester van Baarn en Eemnes waarschuwt de lotelingen; De Gooi- en Eemlander, 29 januari 1876.
Bron: Delpher


 
Lotingsdag1

De pastoor van Oudenbosch heeft eerder al een andere oplossing gevonden; Delftsche Courant, 4 oktober 1874.
Bron: Delpher


 
Lintjes lotingsdag

Traditie op lotingsdag in Staphorst en Rouveen; Leeuwarder Courant, 16 februari 1881.
Bron: Delpher


 
 
Wijze van loting

Het aantal nummers werd afgestemd op het aantal ingeschrevenen. Deze nummers werden op papiertjes geschreven en opgerold in een glazen kom gedaan. Vervolgens werden de lotelingen, die om gestommel en gedruis in de zaal te voorkomen hun schoenen uit moesten trekken, beurtelings naar voren geroepen om een lot te trekken. Daarna werd door de onderofficier de lengte gemeten en werd deze samen met de uiterlijke kenmerken en het lotnummer genoteerd in het lotingsregister. Aangezien dit een tijdrovende onderneming was, werd in 1928 een ander lotingssysteem ingevoerd. Niet iedere ingeschrevene hoefde meer afzonderlijk een lot te trekken, maar er werd één lotnummer getrokken, welke gekoppeld werd aan het nummer van het inschrijvingsregister. De resterende lotnummers werden op volgorde van inschrijving toegekend.
De loteling wilde maar al te graag zelf bij de loting aanwezig zijn om ‘zijn lot niet in handen van een ander te leggen’. Bij verhindering kon hij zich laten vertegenwoordigen door zijn ouders of voogd of bij schriftelijke machtiging door een derde. Was ook dit niet mogelijk, dan representeerde de aanwezige burgemeester of raadslid de afwezige loteling. Op verzuim van de inschrijvingsplicht stond een forse boete. Het geen gehoor geven aan de dienstplicht werd beschouwd als desertie.

 

Loting Nationale Militie

Loting voor de Nationale Militie (1880; Publiek Domein).
Bron: Wikipedia


 
Loteling

Inschrijving van Paqual Ubeda als loteling.
Bron: FamilySearch


 
 
Vrijstelling

Een klein deel van de miliciens nam vrijwillig dienst; een ander deel kreeg vrijstelling en de overgebleven mannen werden door het lot aangewezen. Het was mogelijk om onder meer in de volgende gevallen vrijstelling te krijgen:

• Ziekte of lichaamsgebrek, waardoor men op dat moment niet in staat werd geacht de dienstplicht te kunnen vervullen. (Zie verder in dit artikel.)
• Broederplicht. Het kon zijn dat meerdere broers al in dienst waren of de dienstplicht reeds hadden vervuld. In een gezin met een even aantal zonen was de helft dienstplichtig; in een gezin met een oneven aantal zonen was dit het ‘kleinere’ deel. Men werd dan ‘door den Militieraad uit hoofde van Broederdienst van den dienst vrijgesteld’.
• Enige wettige zoon.
• Gevangenschap ten tijde van de loting. Na het uitzitten van de straf diende men zich alsnog in te laten schrijven.
• Kostwinnerschap (tot 1861). Indien er voor een zoon de noodzaak was om in het levensonderhoud van (één) van zijn wettige ouders te voorzien. In dat geval gold voor de eventuele opvolgende broer, die volgens de regels niet hoefde te dienen, dat hij verplicht was zijn dienstplicht nu wel te vervullen.
• Buitenlandse zeevaart of koopvaardij (tot 1861). Hiervoor gold dat men in de twee jaar voorafgaande aan de loting het beroep al moest hebben uitgeoefend.
• Geestelijken van alle gezindten en studenten godgeleerdheid (tot 1861).
• Huwelijk (tot 1861). In het Koninkrijk der Nederlanden onder Willem I kon een jongeman trouwen als het achttiende levensjaar ten volle was bereikt. Het was niet mogelijk om te trouwen indien men nog dienstplichtig was. Vandaar dat in de huwelijksbijlagen een bewijs te vinden is betreffende de voldoening van de verplichting. Wel kon aan militairen met verlof dispensatie worden verleend door de eigen commandant via de Minister van Oorlog. Hierbij ging het vaak om verlofgangers, die hun vierde dienstjaar hadden volbracht of in ieder geval één dienstjaar achter de rug hadden.

In de meeste gevallen gold een vrijstelling van een jaar, waarna men zich opnieuw aan diende te melden. Dit kon zich vijf tot zeven jaar herhalen, gelijk aan de duur van de diensttijd. Het was ook mogelijk om finaal vrijgesteld te worden zonder verdere meldingsplicht.
 
 
Vervanging

Kon men geen vrijstelling verkrijgen, dan was het mogelijk om zich tegen betaling, al dan niet geholpen door een bemiddelingsmaatschappij, te laten vervangen door een ‘remplaçant’ oftewel een ‘vervanger’ of een ‘nummerwisselaar’.
Een remplaçant was iemand, die zich dat jaar niet hoefde aan te melden en dus vrijwillig dienst nam. Van deze plaatsvervanging werd bij notariële akte een contract opgesteld. Bij het aanstellen van een plaatsvervanger gold voor de opvolgende broer vervolgens een vrijstelling wegens broederdienst. Voor de opvolgende broer van de plaatsvervanger zelf gold deze vrijstelling echter niet.
Een andere mogelijkheid was het aanstellen van een nummerwisselaar. Dit was iemand, die voor dezelfde lichting was uitgeloot door een hoger lotnummer; er werd dan geruild voor een lager lotnummer. Voor de opvolgende broer van de nummerwisselaar met het oorspronkelijke hogere lotnummer was er geen vrijstelling, terwijl deze vrijstelling wel gold voor de opvolgende broer van de nummerwisselaar met het oorspronkelijke lagere lotnummer.
Met het ‘afkopen’ van de dienstplicht was een aardig bedrag gemoeid en dus niet voor iedereen weggelegd. Aangezien dit ‘remplaçantensysteem’ van grote invloed was op het aantal vrijwilligers, immers men verdiende als vervanger veel meer dan door zich aan te melden als vrijwilliger, werd dit systeem in 1898 afgeschaft en vervangen door de persoonlijke dienstplicht.

 

Nummerwisselaar

Joseph Ubeda van de lichting 1849 Gemeente Nijmegen was uitgeloot. Hij werd nummerwisselaar met Eduardus Wilhelmus Friebels.
Bron: FamilySearch


 
 
Militieregisters

De militieregisters bestaan uit het inschrijvingsregister, een alfabetische namenlijst en het lotingsregister. In het inschrijvingsregister, opgesteld op volgorde van binnenkomst, werden de inschrijvingen genoteerd. Van deze inschrijvingen werd een alfabetische namenlijst opgesteld, in tweevoud opgemaakt en gecontroleerd. Na loting werden de lotnummers toegevoegd in het inschrijvingsregister, op de namenlijst en in het lotingsregister. Het lotingsregister, in tweevoud opgemaakt op volgorde van lotnummer, werd doorgaans samengesteld uit de gegevens van het inschrijvingsregister, aangevuld met zaken als lichamelijke of medische informatie, reden voor vrijstelling en gegevens over een eventuele plaatsvervanger of inlijving.
Van de alfabetische namenlijst ging één exemplaar terug naar de gemeente en het tweede exemplaar werd door de militiecommissaris ingeleverd bij de Commissaris van de Koning. De lotingsregisters gingen naar de Militieraad, die, geassisteerd door een geneesheer, belast was met de beoordeling van de redenen tot vrijstelling, het onderzoek naar plaatsvervanging en de goedkeuring van nummerwisseling. Deze gegevens werden vervolgens ingevuld in het lotingsregister, waarna één exemplaar terug ging naar de gemeente en het tweede exemplaar door de militiecommissaris ingeleverd werd bij de Commissaris van de Koning.

 

Lotingsregister Theodorus Ubeda

Inschrijvingsregister van Gemeente Nijmegen.
Bron: militieregisters.nl


 
 
Dienstplichtwet

Door het instellen van de Dienstplichtwet per 1 maart 1922 kwam er een einde aan de Nationale Militie als zodanig. Na een periode van wijzigingen en aanvullingen betreffende de dienstplicht is vanaf 1 mei 1997 de dienstplicht in Nederland officieel opgeschort, maar zeker niet afgeschaft. Het Nederlandse leger werd vanaf dat moment een beroepsleger, wat inhoudt dat burgers niet in militaire dienst hoeven, zolang de veiligheidssituatie dat niet vereist.
 
 
Ziekten of een lichaamsgebreken

Zoals eerder vermeld was het mogelijk om vrijstelling te krijgen in het geval van een ziekte of lichaamsgebrek. Deze ziekten en lichaamsgebreken werden vastgesteld, gewijzigd of herzien bij Koninklijk Besluit en gepubliceerd in het Staatsblad, te vinden via de hieronder genoemde links.
In de registers worden de ziekten en lichaamsgebreken aangeduid met een nummer, welke u terug kunt vinden in het Reglement op geneeskundig onderzoek omtrent geschiktheid Nationale Militie. Kijkt u daarvoor in de laatste bepaling voorafgaande aan het betreffende jaar.

 

Inschrijvingsregister vermelding afkeuring

Op 10 mei 1870 wordt Theodorus Ubeda ingelijfd bij het 8e Regiment Infanterie. Vervolgens is hij ‘voor de dienst ongeschikt verklaard wegens bijziendheid Art. 340, blijkens besluit van Heeren Gedeputeerde Staten van den 25 Mei 1870 no.39’ en aldus ‘den 25 Mei 1870 ingevolge art. 116 der militiewet uit de dienst ontslagen’.
Bron: militieregisters.nl


 
Ziekten en gebreken

In de bepaling van 1862 vinden we vervolgens de beschrijving terug van No. 340.
Bron: Delpher

 
De reglementen op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de dienst met daarin een overzicht van ziekten en gebreken met bijbehorende nummers (vanaf 1862 vermeld onder Artikel 11): 1816 (Google Books vanaf pagina 693), 1817 (Google Books vanaf pagina 831; vervangt 1816), 1821 (wijziging), 1836 (wijziging), 1862 (vervanging), 1871 (vervanging), 1878 (wijziging), 1881 (wijziging), 1883 (vervanging; Vrijwilligers Zee- en Landmacht), 1883 (vervanging; Vrijwilliger, plaatsvervanger of nummerwisselaar Militie), 1883 (vervanging; Schutterijen), 1883 (wijziging), 1897 (wijziging), 1904 (vervanging; Vrijwilligers Zee- en Landmacht), 1904 (vervanging; Militieplichtigen), 1912 (wijziging), 1918 (vervanging; Landmacht), 1918 (vervanging; KM en KMR) en 1949 (vervanging).
 
 
Stamboeken en militieregisters

Voor inzage in de Nederlandse stamboeken kunt u terecht op Stamboeken onderofficieren en manschappen (1812-1923) en Stamboeken Officieren (1813-1910). De militieregisters van een aantal gemeenten vindt u op Militieregisters. Daarnaast kunt u enkele registers van de Nationale Militie vinden via Militaire registers en onderscheidingen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: o.a. Vele Handen, Stadsarchief Amsterdam, Universiteit Leiden, UVA, Huygens en Drents Archief
 
 

Oude recepten

23 december 2018 at 14:27

 
Benieuwd naar nog meer recepten uit de achttiende en negentiende eeuw? Bekijk dan het ‘Kookboek 18e en 19e eeuw’ van borgen Dijksterhuis en Menkema via Groninger Archieven.

 

Oude recepten

Recept voor ‘Appelvlaij’ uit het ‘Kookboek 18e en 19e eeuw’ van borgen Dijksterhuis en Menkema.
© Uit de oude Koektrommel


 
 

Carte de visite en Kabinetkaart

30 oktober 2018 at 13:05

 
Carte de visite

De ‘carte de visite’, vanaf ongeveer 1854 in gebruik, bestond uit een afdruk op klein formaat, geplakt op een stukje stevig karton van ongeveer 6,5 bij 8,5 centimeter. Voor het portret werd doorgaans de albuminedruk gebruikt; in die tijd de goedkoopste en makkelijkste manier om meerdere scherpe en gedetailleerde afdrukken op papier te maken. Voor het eerst sinds de introductie van de fotografie in 1839 waren er portretfoto’s beschikbaar voor een groter deel van de bevolking. Het monteren van de afdruk op karton was overigens noodzakelijk vanwege de neiging van albuminefoto’s om te krullen.

 

Carte de visite

Carte de visite (albuminedruk); fotograaf Alexandre Ken ; Parijs 1850-1874.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
Het was gebruikelijk om niet één afdruk te kopen, maar een set van zes tot twaalf stuks, zodat er ook exemplaren uitgedeeld konden worden aan familie, vrienden, kennissen of zakenrelaties. Vaak werden de cartes de visite verzameld in speciale insteekalbums. Ook het verzamelen van portretten van leden van het Koningshuis, politici en beroemdheden was een populaire bezigheid van met name vrouwen uit de betere kringen. Een bekende Nederlandse carte de visite-fotograaf was Israël Kiek. Aan hem is het begrip ‘kiekje’ te danken.

Een carte de visite werd niet enkel voor portretten en afdrukken van landschappen of gebouwen gebruikt, maar ook voor bidprentjes. Niet zelden werd hiervoor een post-mortem portret gebruikt, wat in die tijd vrij gebruikelijk was om de gedachtenis aan een overleden dierbare te bewaren. De carte de visite bood de mogelijkheid om exemplaren te versturen naar familieleden.

 

Blad met cartes de visite

Blad met cartes de visite (albuminedruk) 1860-1870.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
In de beginjaren van de carte de visite was de kartonnen ondergrond en achterzijde blanco. Later verscheen summier de naam van de fotograaf onder de foto, al snel gevolgd door een uitvoeriger naamsvermelding of zelfs hele reclameteksten van de betreffende fotograaf op de achterzijde. Een hoog staaltje typografisch werk was de belettering in goud op zwart of donkerrood of op een ondergrond in pasteltint. De achterzijden waren hierdoor soms nog gewilder als verzamelobject dan de portretten zelf.

 

Carte de visite; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een carte de visite door Stubers, circa 1882-1888.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Door de concurrentie van de kabinetkaart en na 1900 de andere vormen van fotografie, liep tegen het begin van de Eerste Wereldoorlog de vraag naar cartes de visite sterk terug.
 
 
 
Kabinetkaart

Vanaf 1866 kwam een groter formaat van de carte de visite in trek; de zogenaamde ‘cabinet card’, ‘kabinetfoto of -kaart’ of ‘kastkaart’. Deze benaming was afkomstig van de kast in de fotostudio, waarin de foto’s stonden uitgestald. De afmeting was ongeveer 11 bij 17 centimeter en de kabinetkaart was iets dikker dan de carte de visite. Deze kabinetkaarten werden meestal eenmaal afgedrukt en pronkten in speciale houders in kasten, op het tafelblad of op de schoorsteenmantel. Evenals voor de carte de visite werden er voor deze kaarten ook speciale albums op de markt gebracht waar achterin enkele pagina’s gereserveerd waren voor de oude familie-cartes de visite.

 

Kabinetkaart voorkant

Kabinetkaart: huwelijksfoto 1870-1880; Groh & Bro. Photographic Studio, Wisconsin.
Bron: Wikipedia (Public Domain)


 
Kabinetkaart achterkant

Achterzijde van de bovenstaande kabinetkaart.
Bron: Wikipedia (Public Domain)

 
Het uiterlijk van de kabinetkaarten vertoonde vanaf 1880 een sterke verandering in kleur- en tekstgebruik. Daarnaast werd de albuminedruk geleidelijk aan vervangen door onder andere de natte collodiumdruk en de gelatinezilverdruk.
Het grotere formaat zorgde er tevens voor, dat eventuele gezichtsgebreken of -onvolkomenheden duidelijker zichtbaar werden. Fotografen namen om deze reden wel kunstenaars in dienst om foto’s te retoucheren door het negatief te bewerken.

 

Cabinet Card; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een kabinetkaart door L. Bergman, circa 1882.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)


 
Achterzijde kabinetkaarten

Enkele voorbeelden van achterzijden van kabinetkaarten.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Als gevolg van de introductie van de fotografische ansichtkaart en de betaalbare Kodak-camera, waardoor men zelf foto’s ging maken, nam rond 1900 de populariteit van de kabinetkaart af. De wereldwijde productie van kabinetkaarten zou tot halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw blijven bestaan.
 
 
 
Dateren

Het dateren van een carte de visite of een kabinetkaart is niet zo eenvoudig en kan het beste aan deskundigen worden overgelaten. Toch zijn er wel enkele kenmerken, die mogelijk een indicatie kunnen geven van de periode. U dient er wel rekening mee te houden, dat de voorraad kaartjes door de fotograaf geheel werd opgebruikt, alvorens er nieuwe kaartjes in gebruik werden genomen. Bovendien werd het karton nogal eens hergebruikt of zijn foto’s later op nieuwer karton gemonteerd. De onderstaande kenmerken zijn een samenvatting van diverse bronnen op het internet. Aanvullingen of verbeteringen zijn welkom!

Dikte van het karton
De foto’s werden geplakt op stevig karton. Postkaarten en ‘slappe’ exemplaren zijn van na 1900.
• Tot 1880 geplakt op rechthoekig dun karton
• Van 1880 tot 1890 geplakt op rechthoekig dik karton
• Van 1890 tot 1900 geplakt op dik karton, veelal slechter van kwaliteit. In deze tijd zien we het gebruik van de afgeronde hoeken en het reliëf in het karton.

Dikte van de carte de visite
• 1854-1870 0,3-0,5 mm
• 1870-1885 0,5-0,7 mm
• 1885-1890 0,7-1,0 mm
• 1890-1914 1,0-1,2 mm

Gewicht van de carte de visite
In het begin werd er nog gebruik gemaakt van dun karton. In de loop der jaren werd het karton dikker. Globaal kunnen de volgende gewichten worden gegeven voor datering.
• 1860-1870 1,5-2,5 gram
• 1864-1874 2,5-3,5 gram
• 1874-1886 3,5-4,5 gram
• 1879-1893 4,5-5,2 gram
• 1886-1910 meer dan 5,2 gram

Kleur van het karton
• Tot 1880 wit tot roomwit. Deze kleuren zouden later weer terugkomen, maar dan op dikker karton.
• Van 1880 tot 1890 kleuren als bruin, zwart en groen.
• Van 1882 tot 1888 matte voorzijde in lichtgeel en een glanzende achterzijde.

Uiterlijk van het karton
• Tot 1880 gouden of rood gedrukte rand met een enkele of dubbele lijn; een rode of zwarte lijn om de foto.
• Rond 1885 brede gouden of zilveren lijnen.
• Van 1885 tot 1892 gouden of zilveren rand.
• Van 1889 tot 1896 afgeronde hoeken en een gouden of zilveren randlijn.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor zowel het karton als de belettering.

Belettering van het karton
• Tot 1880 de naam en eventueel het adres van de fotograaf worden vaak klein en netjes afgedrukt onder de afbeelding of op de achterzijde met eventueel de vermelding van de studionaam.
• Van 1880 tot 1900 artistiek vormgegeven tekst aan de voorzijde en extra versiering aan de achterzijde, vaak in cursieve stijl. De naam van de studio neemt vaak de volledige achterzijde van de kaart in beslag.
• Van 1880 tot 1895 gouden tekst op zwart karton.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor de belettering en/of versiering.

Portret
• Tot 1870 hadden de foto’s rechte hoeken, daarna verschijnen exemplaren met afgeronde hoeken.
• Tot 1870/1880 keken mannen recht in de lens en vrouwen meer naar opzij.
• Van 1860 tot 1870 was voor gewone portretten het beeld ten voeten uit, daarna meestal tot de knie of buste.
• Vanaf 1880 krijgen de foto’s meer achtergrond.
• Vanaf 1890 waren de foto’s tot aan de buste doorgaans scherp en de onderkant vervaagd.
• Tot 1890 werden mannen en vrouwen nauwelijks als koppel geportretteerd.

Bijschriften
Mogelijk zijn er teksten bijgeschreven op de carte de visite of de kabinetkaart. In het geval het een naam betreft zou deze van de geportretteerde kunnen zijn, maar het kan bijvoorbeeld net zo goed de naam zijn van degene voor wie de kaart bestemd was. Voorzichtigheid is ook geboden bij een vermelde datum. Dit hoeft niet direct de opnamedatum te zijn.

Kleding
Kleding, hoofddeksels en haardracht kunnen een goede indicatie geven van een bepaalde periode. Met name dameskleding was veel meer aan mode onderhevig als herenkleding. (Zie bijvoorbeeld Vrouwenmode en Kleding)

 

Cabinet Card

Kabinetkaart uit 1885 met de handgeschreven tekst: ‘Yours with best wishes, S. M. Burroughs’.
Bron: Welcome Collection (Public Domain; CC BY 4.0)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: UofL Libraries, Kabinetfoto (Wayback Machine), Ontdek jouw verhaal, D.P. Huijsmans, Wikipedia (Carte de visite), City Gallery, HCO en Wikipedia (Cabinet Card)
 
 

Hollandgangers

7 oktober 2018 at 01:26

 
Hollandgangers, hannekemaaiers, pikmaaiers of poepen

Vrolijk werd er in de Duitse dorpen afscheid genomen van de mannen die, gewoonlijk na Pinksteren, voor een seizoen hun geluk gingen beproeven bij hun westerburen. ‘Hollandgänger’, of zoals ze in ons land werden genoemd: ‘Hollandgangers’, ‘hannekemaaiers’, ‘pikmaaiers’ of ‘poepen’. Hannekemaaier was een samentrekking van Hannes, de verkleinvorm van de voornaam Johann, en het woord maaier. Dit had te maken met Sint Johannesdag op 24 juni; traditioneel de dag waarop het gras gemaaid werd. Pikmaaier voor de maaier met de korte zeis en de bijnaam ‘poepen’ zou ontstaan zijn doordat ze elkaar vaak aanspraken met het Duitse woord ‘Bube’ voor ‘jongen’ of ‘kerel’.

Al sinds het begin van de zeventiende eeuw kwamen de seizoenarbeiders, vaak bitter arme keuterboeren uit Westfalen en het Osnabrücker- en Münsterland en later tevens uit het noordwesten van Duitsland, naar Holland om hun schamele inkomsten aan te vullen door voor de werkgever gras te maaien en te hooien voor de winterse stalvoeding van het melkvee of veen te baggeren voor de turfwinning.

 

Auszug der Hollandgänger (Zeichnung)

Die Hollandgänger, Tekening door L. Preller, Emslandmuseum Lingen.
Bron: euregio-history.net (CC0 1.0 Universal Public Domain)


 
 
Oorzaak van de trek naar Holland

De meeste Hollandgangers waren in eerste instantie afkomstig uit het prinsbisdom Osnabrück. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) had heel wat geld opgeslurpt in het prinsbisdom. Om de enorme schuldenlast weg te werken werd een ingrijpende belastingpolitiek gevoerd, met als gevolg dat de bevolking drastisch verarmde.
Bovendien speelde, naast de enorme bevolkingsgroei, het verbod op erfdeling een belangrijke rol. In de praktijk kwam het erop neer dat de oudste zoon het familiebedrijf erfde om versnippering van het bedrijf tegen te gaan. De overige kinderen moesten het doen met een vaak geringe afkoopsom. Dit hield in dat niet-ervende kinderen van boeren, ‘Hüsselten’ genoemd, geen eigen grond bezaten en tevens niet konden ‘introuwen’. Voor hen lag de oplossing in het huren (‘heuern’) van een stukje land en bewoning. Op deze manier ontstond het systeem van ‘Heuerleute’. Onder deze vaak toch wel armlastige Heuerleute was een aanzienlijk aantal Hollandgangers te vinden.
 
 
Routes

Bepakt met gereedschap en een ‘Essensack’ met kleding, eieren, spek, gerookt varkensvlees en brood werd er zoveel mogelijk in groepen vertrokken vanuit de woonplaats, waarbij gaandeweg de reis naar Holland de verschillende groepen zich bij elkaar aansloten. De afstand tussen het gebied van afkomst en de plaats van bestemming bedroeg al snel zo’n tweehonderd tot driehonderd kilometer; een tocht die hoofdzakelijk te voet werd afgelegd. Soms ging de reis naar Noord-Holland per schip naar Amsterdam en legde men aan bij de Oude Brug, ook wel ‘moffenbrug’ genoemd.

Gemakkelijk was de reis zeker niet. De wegen waren soms slecht en uitgestrekte veengebieden belemmerden een rechtstreekse doorgang, waardoor er twee natuurlijke routes genomen konden worden. De noordelijke route liep via een smalle strook tussen de Dollard en het Bourtanger Veen naar Groningen en Friesland. De hoofdroute liep, met de aftakking naar het noorden, door Lingen en het Graafschap Bentheim tussen de venen via de smalle rivierbedding van de Vecht naar de Zuiderzee. Sommigen namen vervolgens het pad naar het zuiden richting Brabant, Zeeland of België.

 

Route

Routes van de Hollandgangers.


 
 
Werkzaamheden

In het voorjaar werkten de boeren op het eigen land. Vervolgens vertrokken zij naar Holland voor seizoenswerk om in de nazomer weer de werkzaamheden op het eigen land te hervatten. Dat was broodnodig aangezien de inkomsten van het eigen land en de winterse huisnijverheid als wolspinnen, breien, weven, klompen- en bezemmaken en mandenvlechten niet genoeg opleverde om een gezin van te kunnen onderhouden. Vaak boden zij zichzelf aan op de ‘poepenmarkt’; doorgaans een hoekje op de veemarkt. In veel gevallen keerden zij jarenlang terug naar dezelfde werkgever.

Holland kende een periode van economische bloei, waardoor er een permanente vraag was naar arbeidskrachten. De Hollandgangers hadden door de werkzaamheden in hun thuisland doorgaans de nodige ervaring in het aangeboden werk. Hierdoor lag het vinden van werk en een hoger loon in het vooruitzicht.
Naast het werk op het land waren ‘in de hoogtijdagen’ veel seizoenwerkers werkzaam op de walvis- en koopvaardijvaart, als tichelwerker op de steenbakkerijen, als polderjongens bij de aanleg van vaarten en dijken, als blekersboden op de blekerijen en als tuinlieden op de buitenplaatsen. Door de interesse in ons land voor Duitse koopwaar, waaronder het Westfaalse linnen, besloten sommige Hollandgangers extra verdiensten te genereren door deze goederen in manden op de rug mee te nemen.

 

Hannekemaaiers

In Noord-Holland en Friesland sliepen de Hannekemaaiers in de schuur of de stal van de boer. De Oost-Friezen waren herkenbaar aan hun kleding; op warme dagen maaiden ze in hun rode hemd. De Friese boerinnen waren weg van deze stof en al snel werd gevraagd om het jaar daarop deze stof mee te brengen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto genomen in Museumdorp Allingawier.)


 
 
Onder invloed van de verslechterende economische omstandigheden in Holland, de juist toenemende welvaart in eigen land en de emigratiestroom naar Amerika nam in de tweede helft van de negentiende eeuw het aantal Hollandgangers steeds meer af
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (Hannekemaaier), Verre Verwanten, Barendse, Members Home, Achter de Breede Sloot, HK Losser en Museumdorp Allingawier
 
 

Doop onder conditie

13 juni 2018 at 21:52

 
Al bladerende door de Katholieke doopregisters kunt u de vermelding ‘op conditie’, ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’ tegenkomen. Letterlijk betekent dit ‘onder voorwaarde’. Bij een dergelijke vermelding kunt u ervan uitgaan dat er tijdens of vlak na de geboorte van de gedoopte een ‘nooddoop’ heeft plaatsgevonden door veelal de vroedvrouw.

 

Doop sub conditione

19 Octobris (1657) baptizata est sub conditione (erat enim ob periculum baptizata ab obstetrice Adriana Petri Ooms)…; Op 19 oktober (1657) is onder voorwaarde gedoopt (was namelijk vanwege (stervens)gevaar gedoopt door vroedvrouw Adriana Petrus Ooms)…
Bron: FamilySearch


 
 
Voorgeborchte

Kinderen, die tijdens de geboorte of voor de kerkelijke doop kwamen te overlijden, zouden volgens de theorie van Paus Gregorius I uit 593, overigens geen officiële leer van de Katholieke Kerk, nog steeds belast zijn met de erfzonde, waardoor opname in de hemel uitgesloten was. Zij gingen echter ook niet naar de hel of het vagevuur aangezien zij nog geen zonden hadden begaan, maar kwamen terecht in het ‘voorgeborchte’ of ‘limbus puerorum’, een ‘wachtkamer van de hemel’, alwaar hen het eeuwige geluk wachtte tot de Dag des Oordeels, echter zonder de directe aanschouwing van God.

Deze ongedoopte kinderen werden anoniem, een naam werd immers pas bij het doopsel gegeven, en zonder enig ceremonieel in ongewijde grond begraven tussen zondaars als heidenen, criminelen en zelfmoordenaars. Dit kon zelfs ’s avonds of ’s nachts ‘stil’ en zonder de aanwezigheid van de ouders plaatsvinden.

Op 21 april 2007 heeft Paus Benedictus XVI officieel het voorgeborchte voor ongedoopte overleden kinderen achterhaald verklaard. De barmhartigheid van God wordt aangenomen zó groot te zijn dat hij al diegenen, die rechtvaardig geleefd hebben of buiten hun schuld om niet gedoopt zijn, in de hemel toelaat.
 
 
Nooddoop

Het was dus zaak voor Katholieken om een kind zo snel mogelijk, het liefst dezelfde dag nog maar zeker binnen drie dagen, te laten dopen, zodat bij onverhoopt overlijden het kind verlost zou zijn van de erfzonde.

Om deze reden konden vroedvrouwen of ouders, bij afwezigheid van een priester, zelf het doopsel toedienen tijdens een bevalling, waarbij het leven van het kind in acuut gevaar was. In dergelijke omstandigheden kon eigenlijk iedereen een nooddoop uitvoeren, mits men zich hield aan de strikte doopregels die door de Katholieke Kerk waren opgelegd. Bij voorkeur werd de nooddoop overgelaten aan een Katholiek, maar ook een niet-gedoopte of zelfs ongelovige persoon kwam in aanmerking. Toch zal het in de meeste gevallen de vroedvrouw zijn geweest, die deze taak vervulde.
 
 
Doop ‘in utero’

Een doopsel kon alleen geldig zijn door het uitspreken van de voorgeschreven bewoordingen en het besprenkelen met doopwater van het lichaam en met voorkeur het hoofdje. In noodgevallen, wanneer er de angst bestond dat het kind de tocht door het geboortekanaal niet zou overleven, werd het kind gedoopt terwijl het zich nog in de baarmoeder bevond, oftewel gedoopt ‘in utero’. Hiervoor gebruikte men een doopspuit gevuld met wijwater.
 
 
Doop ‘sub conditione’

Een kind kon niet twee maal gedoopt worden. In het geval dat er werd getwijfeld aan de geldigheid of volledigheid van de toegediende nooddoop stond de Katholieke Kerk het toe ‘voor de zekerheid’ het doopsel ‘onder conditie’ of ‘sub conditione’, oftewel ‘onder voorwaarde’ door een priester te laten verrichten. Hierbij werd het kind gedoopt onder de voorwaarde: ‘Si non es baptizatus, ego te baptizo in nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti.’, ‘Als je niet gedoopt bent, doop ik je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’
Dit doopsel kon, in aanwezigheid van doopgetuigen, plaatsvinden in het ouderlijk huis (in domo parentum), in de kerk (in ecclesia) of met een plechtigheid (cum caeremoniis).

Niet alleen in de Katholieke Kerk kende men de doop onder conditie, maar ook in de Orthodoxe Kerken, de Oriëntaals-Orthodoxe Kerk en de Assyrische Kerk van het Oosten, waar de wijze van doopbediening in hoofdzaak overeenstemt.

 

Doop op conditie

Joannes Hendricks werd op 29 september 1738 te Schaijk ‘op conditie’ gedoopt. Met Joannes kwam het helemaal goed: hij overleed op 26 augustus 1837 te Schaijk op 88-jarige leeftijd.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: o.a. DBNL, Heemkunde Vlaanderen, De Baets, Wikipedia Voorgeborchte, Katholiek.nl en Brugse Verenigingen
 
 

Scheepssoldijboeken VOC

19 mei 2018 at 17:23

 
Scheepssoldijboeken

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) hield in scheepssoldijboeken de personeelsadministratie bij volgens vastgestelde regels. Voor elk VOC-schip, dat tussen 1700 en 1795 afvoer, werd een lijst van opvarenden opgesteld. De opvarenden waren in dienst van één van de zes Kamers van de VOC, gevestigd in Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen.
Elk schip had dus zijn eigen soldijboek en voor ieder betaald bemanningslid was een dubbele pagina gereserveerd. Daarop staan onder meer de persoonsgegevens, naam, plaats van herkomst, datum en plaats van vertrek en aankomst, wanneer hij uit dienst ging en met welke reden, de hoogte van het soldij, hoeveel daarvan als voorschot was betaald en met welk familielid eventuele schulden en tegoeden konden worden verrekend.
De scheepssoldijboeken werden in tweevoud opgemaakt; één exemplaar ging naar het soldijkantoor in Batavia, één exemplaar werd teruggezonden naar de Kamer van uitreding.

Alle opvarenden die aan boord gingen, werden eerst genoteerd in de monsterrol; de scheepsdocumenten die op elk zeeschip aanwezig dienden te zijn. Het waren bemanningslijsten met vermelding van naam, rang, gage, woonplaats en leeftijd, evenals de naam, het type en de grootte van het betreffende schip.
Vervolgens werden alle uitgaven aan boord ten laste van de rekening genoteerd in het journaal. Pas aan het einde van de reis werden alle gegevens ingeschreven in het scheepssoldijboek.

Elke betaalde opvarende had dus een eigen rekening met een nummer. Bovenaan de rekening staat dit nummer, de naam van het schip, de Kamer van uitreding en het jaar van vertrek vermeld. Behalve aan het einde van een scheepsreis, kon de rekening ook tussentijds worden gesloten bij overplaatsing, vermissing, overlijden of wanneer men in Kaap de Goede Hoop achter bleef.

 

Scheepssoldijboek

Scheepssoldijboek.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Debetzijde

Op de linker bladzijde, ook wel de debetzijde, staan de persoonsgegevens (naam, plaats van herkomst en rang of functie) en de uitgaven van de opvarende. In de meeste gevallen werd als eerste uitgavenpost de twee maandlonen genoteerd, die de opvarende als ‘gage op de hand’ had ontvangen bij indiensttreding.
Daarnaast werd vermeld of de werknemer een zogeheten maandbrief en/of schuldbrief had ondertekend. Overige onkosten werden meestal gemaakt voor de aanschaf van de scheepskist, uitrusting of voor goederen die uit de boedel van een overleden opvarende waren gekocht.

Als voorbeeld de debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman van Aalte(n), ziekentrooster, vertrokken op 21 september 1767 voor Kamer Amsterdam met het schip Woestduijn naar Batavia.
Er was geen maandbrief (niet vermaakt). Hij kreeg twee maanden gage op de hand, in totaal ƒ 48,-. Een schuldbrief van ƒ 300,- was er getekend ten bate van J. Debruijn. Verder waren er onkosten gemaakt voor de aanschaf van 1 ps (pees=stuks) kist voor ƒ 9,15 en 4 ps kelder voor ƒ 16,-. Een kelder is een in vakken verdeelde kist voor en met (vierkante) flessen drank, zodat deze staande bewaard en vervoerd konden worden.
Vervolgens is op 18 augustus 1769 een bedrag van ƒ 452,90 aan hem uitbetaald en is uit zijn tegoed de schuldbrief van ƒ 300,- voldaan aan J. Starink.

 

Debetzijde scheepssoldijboek

Debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Creditzijde

Op de rechter bladzijde, ook wel de creditzijde, staat het verdiende loon van de opvarende als tegoed geboekt. Het salaris op de uitreis werd uitbetaald als de opvarende bij Kaap de Goede Hoop van boord ging of als het schip aankwam op de plaats van bestemming. Gebruikelijk werden in Azië per jaar zes maandlonen uitbetaald.

Als voorbeeld de debetzijde van de rekening van Gerrit Hopman. In Batavia is op 20 april 1768 zijn soldij vanaf de datum van vertrek als tegoed ingeboekt. Het is een bedrag van ƒ 168,-; 7 maandlonen van ƒ 24,-. Een bedrag van ƒ 205,15  ‘quaadt’ staat nog open. De terugreis wordt uitgevoerd in opdracht van Kamer Zeeland.
Tevens zien we het credit van ƒ 300,- van de ingediende schuldbrief vermeld staan en het opgebouwde loon van de terugreis, te weten ƒ 452,90, waaronder ƒ 300,- voor het ‘douceur’.

 

Creditzijde van de rekening van Gerrit Hopman.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Maandbrief

Er werd altijd vermeld of de opvarende wel of geen maandbrief had ondertekend. Dit is te zien aan de vermelding ‘wel vermaakt’ of ‘niet vermaakt’.
Had de opvarende een maandbrief ondertekend, dan had de VOC de verplichting om maximaal drie maandlonen per jaar uit zijn tegoed uit te betalen aan de echtgenote, de ouders of de kinderen als financiële ondersteuning. De maandbrief was op naam gesteld en in het bezit van de ontvanger van deze ondersteuning. De begunstigde staat vermeld in de rekening.

 

Maandbrief vermaakt

Soldaat Michiel Verkenst uit Leiden heeft aan zijn vrouw Anna Vermeulen drie maandlonen vermaakt.
Bron: Open Archieven


 
 
Schuldbrief

Een schuldbrief of transportbrief of -ceel, ook wel obligatie of ‘vaderlandse schuld’ genoemd, is een overdraagbare schuldbekentenis, die veelal door een opvarende ondertekend werd. Ook dit wordt vermeld op de debetzijde en door de VOC uit het tegoed van de opvarende uitbetaald. Tevens wordt vermeld of er sprake is van een eventuele (gedeeltelijke) terugbetaling.

Een werknemer van de VOC kon een schuldbrief ondertekenen tot maximaal ƒ 300,-, afhankelijk van het maandloon. Deze schuldbrief was vaak op naam gesteld, maar overdraagbaar en werd aan de toonder uitbetaald. Als het saldo ‘te quaadt (kwaad)’ was, oftewel een negatief saldo, werd de transportbrief, na de eventuele maandbrief, bij voorrang voldaan. De VOC betaalde in dat geval in Azië maar beperkt het loon uit.

Schuldbrieven werden vaak verleend aan ronselaars voor de VOC, ook wel ‘volkshouders’, ‘ceel- of zielverkopers’ of ‘zielkopers’ genoemd. Deze ronselaars verschaften dakloze vreemdelingen onderdak en voorzagen hen soms van een zeemansuitrusting. De ronselaar ontving hiervoor een schuldbrief, die werd voldaan door de VOC nadat de geronselde genoeg had verdiend om de schuld te kunnen betalen. Het bezit van een schuldbrief was echter risicovol, aangezien het aantal opvarenden dat tijdens de reis overleed aanzienlijk was. Om deze reden werden de schuldbrieven doorverkocht aan transportkopers of speculanten.
In 1786 werd dit systeem afgeschaft; de ronselaars kregen vanaf dat moment een premie van 55 of 60 gulden.

 

Schuldbrief

Vermelding van een schuld(brief).
Bron: Open Archieven


 
 
Absent

U kunt bij het zoeken naar een opvarende de vermelding ‘absent’ tegenkomen. In de meeste gevallen betreft het een opvarende, die de gage op de hand al had ontvangen, maar voor het afvaren niet is komen opdagen of absent of vermist is bij het afzeilen in Azië. Absent kon ook inhouden dat iemand niet meer geschikt was voor het werk of geplaatst was op een andere schip. Deze personen hebben geen rekening in het desbetreffende scheepssoldijboek.

 

Absent bij afvaart

Lijst met absenten voor het uitzeilen in Batavia van het schip Geertruijda voor Kamer Amsterdam in 1787.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Gerepatrieerd

In de transcripties van de databanken wordt gesproken over ‘gerepatrieerd’. Dit houdt in dat de opvarende is teruggekeerd naar Nederland en is afgemonsterd.
 
 
Kaap de Goede Hoop

Het was de VOC-schepen verplicht om zowel op de uit- als op de thuisreis bij Kaap de Goede Hoop aan te leggen. Het gebeurde met regelmaat dat opvarenden in Kaap de Goede Hoop het schip verlieten of daar opstapten om met een schip naar Nederland terug te keren of naar Azië te varen. Werknemers die op de Kaap in dienst werden genomen, kwamen vaak in dienst bij Kamer Amsterdam.
In het scheepssoldijboek van het betreffende schip staan enkel de financiële gegevens van deze reis. In het scheepssoldijboek van de oorspronkelijke afvaart is het negatieve en positieve saldo van die reis terug te vinden.

 

Opstappers

Jacobus Bakker voer met het schip de Batavier naar Kaap de Goede Hoop. Na negen maanden aan land vertoefd te hebben stapte hij op het schip de Vrijheijd naar Azië.
Bron: Nationaal Archief


 
Opstappers 1

Vermelding van de gesloten rekeningen van Jacobus Bakker in het scheepssoldijboek van het schip de Vrijheijd.
Bron: Nationaal Archief


 
 
Databanken scheepssoldijboeken

Databanken met scans van de scheepssoldijboeken kunt u vinden via GaHetNa en Open Archieven (Personeelsadministratie). Tevens vindt u op GaHetNa een collectie met de scans van testamenten, verleden voor notarissen in de VOC-vestigingen in Indië over de periode 1675-1799.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (Ronselen), Ontdek Jouw Verhaal, VOC Site en GaHetNa
 
 

Herenhuis Oude Ebbingestraat

24 februari 2018 at 17:26

 
Afgelopen zomer heb ik nog koffie gedronken in het pand, dat in opdracht van mijn voorouder Andreas Ludolphi in 1660 als zijn herenhuis werd gebouwd op de hoek van de Groninger Oude Ebbingestraat en Jacobijnerstraat. Hoe bijzonder!

In 1308 schenkt ridder en prefect Ludolphus van Gronebeke, vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht, het huis van Lutbertus Heddinga met enige bijgebouwen en de bijbehorende grond aan de prior Conrardus, zijnde zijn bloedverwant, en de fraters van het Dominicanenklooster in Winsum. Dit huis is gelegen aan de tegenwoordige Jacobijnerstraat. Het kloosterterrein strekt zich uit van deze straat tot aan de toenmalige stadsmuur en wordt begrensd aan de westzijde door de Oude Ebbingestraat en aan de oostzijde door het Kattenhage. Het klooster wordt in 1310 in de Orde opgenomen.

 

Verkorte vertaling: Ludolphus, ridder, heer van Gronebeke en prefect van Groningen, heeft overgedragen aan zijn bloedverwant Conradus, prior, en de broeders van het convent te Winsum het huis en hof van Lutbertus Heddinga, gelegen bij de stadsmuur van Groningen. (Uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896), nr. 228)
Bron: Cartago

 
Na de ‘Reductie van Groningen’, de capitulatie van Stad Groningen voor het leger van prins Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg op 22 juli 1594, wordt het klooster opgeheven. Het merendeel van de nog aanwezige monniken verlaat de stad en daarmee zal het kloostercomplex enige tijd later in handen komen van de provincie.
Het kloostercomplex wordt verdeeld. In 1609 richt men een deel van het complex in tot Stedelijk Tuchthuis. In 1611 neemt de provincie het over en in het kader van bezuinigingen wordt het Tuchthuis in 1624 opgeheven. Een ander deel van het kloostercomplex krijgt de bestemming van weeshuis. In 1621 wordt het Groene Weeshuis hier ondergebracht en in 1660 staan de Staten van Groningen een deel van het complex af ten behoeve van een diaconieweeshuis, ook wel het Blauwe Weeshuis genoemd. In 1673 worden het Groene en het Blauwe Weeshuis samengevoegd en In 1858 wordt het oude kloostergebouw vervangen door een nieuw weeshuis, het Groene Weeshuis, op dezelfde plaats. De kloosterkerk is vanaf 1660 tot aan de afbraak in 1674 in gebruik als buskruidmakerij en geschutgieterij.

 

Noord-oostelijk deel Groningen rond 1575

Noord-oostelijk deel van Groningen Stad rond 1575 met links boven het Jacobijnerklooster.
Bron: commons.wikimedia.org

 
In 1660 verkoopt het weeshuis de zuidwesthoek van het terrein aan mijn voorouder raadsheer Andreas Ludolphi en zijn echtgenoot Hebelia Catharina Noorthoorn, die tot die tijd in de Oosterstraat wonen. Voor het ontwerpen van zijn herenhuis is mogelijk de hulp ingeroepen van de provinciale fabrieksmeester en stadsbouwmeester Coenraet Roeleffs, ontwerper van de Nieuwe Kerk in Groningen.
Het tot ver in de Jacobijnerstraat doorlopende pand krijgt een diep zadeldak. De voorgevel wordt rijk versierd met festoenen of guirlandes en twee kleine ovalen ‘oeil de boeuf’ ramen met omlijstingen. (De letterlijke vertaling voor het Franse ‘oeil de boeuf’ is ‘runderoog’, maar is ook de uitdrukking voor ‘schot in de roos’.) Bovenin wordt er een groter oeil de boeuf- raam geplaatst met omlijsting en afhangende festoenen. De top wordt bekroond door een klein tympaan met daarin de vermelding van het jaartal 1661. Voor verbreding van het gevelvlak en een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting worden aan beide zijden van het middendeel van de gevel tegen de ‘trappen’ gebruik gemaakt van sierlijke klauwstukken of vleugelstukken. Beneden komt een karakteristiek bordes voor de voordeur. Het achterste gedeelte van het complex biedt plaats voor de koetsen en paarden. De grond ten noorden van het huis zal tuin blijven tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1744 blijft het herenhuis in handen van de familie Ludolphi. De laatste bewoonster uit de familie is kleindochter Richardina Ludolphi, die getrouwd is met de latere burgemeester van Groningen Scato Gockinga.

 

Voorgevel hoek Jacobijnerstraat Groningen

Het herenhuis in januari 1923 voor de grote verbouwing.
Bron: commons.wikimedia.org (Hoek Oude Ebbingestraat-Jacobijnerstraat, voor- en zijgevel; 20093731 – rce | Door: BotMultichillT – January 1923 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Beeldbank Cultureel Erfgoed)


 
Oude Ebbingestraat Groningen

Het herenhuis van Andreas Ludolphi aan de Oude Ebbingestraat.
Bron: commons.wikimedia.org (Maker: Gouwenaar; Datum: 14 oktober 2009; Licentie: Public Domain)

 
Er verandert weinig aan het uiterlijk van het pand tot de toenmalige eigenaar, Nicolaas Cristofer Hensen, in 1923 drastisch aan het verbouwen gaat voor zijn confectiemagazijn met ‘heeren-, jongeheeren- en kinderkleeding’ . Met name de benedenverdieping wordt behoorlijk onder handen genomen en het bordes moet het veld ruimen. Daarnaast worden er teksten op de voor- en zijgevels aangebracht. De blauwdruk laat zien dat het oorspronkelijke idee voor de tekst op de voorgevel ‘N.C. Hensen Heeren Modes’ zou moeten worden, echter er is uiteindelijk blijkbaar gekozen voor de tekst ‘N.C. Hensen Kleeding naar Maat’.

 

Blauwdruk

Blauwdruk ‘Plan verbouwing perceel hoek O. Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen-Groningen’.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)


 
Statistische berekening

Statistische berekening van de ijzeren balken en kolommen benodigd voor de verbouwing van de percelen hoek Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen te Groningen.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 
Het pand zal ongeveer een eeuw in deze familie blijven. Op 9 november 1971 wordt het herenhuis ingeschreven in het register van beschermde rijksmonumenten. In 2016 is volgens de gegevens van het Kadaster het gehele pand met binnenterrein en parkeerplaatsen door een familielid aan een particuliere belegger verkocht voor ruim twee miljoen euro…

 

Advertentie N.C. Hensen

Advertentie N.C. Hensen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1919.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staat in Groningen, Pelgrimeren in Groningen, Wikipedia (Reductie van Groningen), Wikipedia (Klauwstuk), Wikipedia (Oeil de Boeuf), Wikipedia (Festoen), Cartago en Vestigingslocaties
 
 

Doodsbriefjes

13 november 2017 at 23:17

 
Geschiedenis

De overlijdensaangifte werd veelal gedaan door aangevers of familieleden van de overledene, die tevens een verklaring van de doodsoorzaak aflegden. In sommige begraafregisters uit de achttiende eeuw kan je, zij het sporadisch en afhankelijk van de gemeente, nog wel eens een vermelding van een doodsoorzaak tegenkomen. Geleidelijk aan groeide het besef bij geneeskundigen en instanties dat het toch van belang zou kunnen zijn om vast te stellen welke (vaak besmettelijke) ziekten het meest voorkwamen, welke met regelmaat terugkeerden en in welke maand en op welke leeftijd men het grootste risico liep te sterven, zodat men voorzorgsmaatregelen kon nemen.

Een eerste registratie van ziekten en doodsoorzaken was er in 1755 voor de gemeente ‘s-Gravenhage. In de periode tussen 1755 en 1773 werden daar sterftegegevens gepubliceerd, die ingedeeld waren naar éénenzeventig doodsoorzaken. Erg nauwkeurig waren deze registraties overigens niet. Andere plaatsen volgden, waaronder Amsterdam waar in 1773 op last van de burgemeesters werd begonnen met het noteren van de doodsoorzaken. De Amsterdamse lijsten waren vrij volledig aangezien daar sinds 1775 niemand zonder toestemmingsbriefje begraven mocht worden. Vanaf 1777 werd hier naast de doodsoorzaak tevens de leeftijd van de overledene vastgelegd.

Door de invoering van de Wet op de Uitoefening van de Geneeskunst en de Wet op het Geneeskundig Staatstoezicht in 1865 en definitief geregeld door de invoering van de Begraafwet in 1869 was de arts, die iemands dood vaststelde, verplicht een verklaring van overlijden op te maken. Daarin werd de doodsoorzaak opgetekend, de zogeheten ‘doodsbriefjes’. Bij afwezigheid van een behandelend arts was deze taak weggelegd voor een door de gemeente aangewezen lijkschouwer om op deze manier onder andere het begraven van schijndoden te voorkomen. Zonder deze verklaring mocht niet langer meer tot begraven overgegaan worden. Bovendien was de gemeente verplicht de gegevens over de doodsoorzaak, aangevuld met gegevens over geslacht, leeftijd, burgerlijke staat en beroep, op te sturen naar de Inspectie van het Geneeskundig Staatstoezicht. Vanaf 1901 zijn de statistiek van de sterfte en van de doodsoorzaken door het Centraal Bureau voor de Statistiek samengesteld.

 

Overlijdensverklaring uit 1869

Doodsbriefje uit 1869 met vermelding van de primaire en secundaire oorzaak.
Bron: Archieven.nl


 
Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880

Voorgedrukte overlijdensverklaring uit 1880, af te geven aan het ‘Bureau van den Burgerlijken Stand’ bij de aangifte van het overlijden.
Bron: FamilySearch


 
 
Overlijdensverklaringen A en B

Vanaf 1926 dienen er twee verklaringen te worden opgemaakt: het doodsbriefje of formulier A, ook wel A-verklaring en een doodsbriefje of formulier B, ook wel B-verklaring. Deze documenten zijn wettelijk vereist voor een doodverklaring.

Op de A-verklaring werd in eerste instantie de naam van de overledene aangegeven, de overlijdensdatum en de doodsoorzaak. Hierbij was het niet noodzakelijk om het tijdstip van overlijden te vermelden. Vanaf 1 april 1956 bevat het doodsbriefje A niet meer de exacte doodsoorzaak en valt daarmee ook niet onder het medisch beroepsgeheim.
Op de A-verklaring wordt iemand dus officieel doodverklaard. Deze verklaring kan worden afgegeven aan de nabestaanden, maar meestal wordt deze direct overgedragen aan de uitvaartondernemer om het overlijden aan te kunnen geven bij de Burgerlijke Stand. Vervolgens en pas dan wordt er een verlof tot begraving of cremeren afgegeven door de gemeente.

De B-verklaring is een uitgebreider document. Op deze verklaring wordt de doodsoorzaak van de overledene aangegeven en de omstandigheden die hebben geleid tot het overlijden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een natuurlijke dood, een niet-natuurlijke dood en doodgeboren. De B-verklaring valt wel onder het medisch beroepsgeheim. Om deze reden is in artikel 12a van de Wet op de Lijkbezorging bepaald dat de B-verklaring in een gesloten enveloppe aan de ambtenaar van de burgerlijke stand moet worden verstrekt. Aan deze enveloppe is een strook bevestigd waarop de identiteit van de overledene staat vermeld. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand scheurt de strook af voor de gemeentelijke administratie. De enveloppe wordt ongeopend, en voorzien van het nummer van de overlijdensakte, opgestuurd naar de medisch ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daar worden de gegevens anoniem verwerkt ten behoeve van de statistiek.
 
 
Niet-natuurlijk overlijden

Als de schouwarts zeker weet dat er geen sprake is van of als hij twijfelt aan een natuurlijke oorzaak van het overlijden geeft deze geen verklaring van natuurlijk overlijden af en wordt dit overlijden aan de gemeentelijk lijkschouwer gemeld. Deze verricht vervolgens zelf een lijkschouw.

Een niet-natuurlijk dood is een overlijden als gevolg van een ongeval, misdrijf, zelfdoding of levensbeëindigend handelen. Wanneer een minderjarige is overleden, moet de gemeentelijke schouwarts altijd gewaarschuwd worden. Ook een doodgeboorte moet altijd apart worden aangegeven. In al deze gevallen mag alleen de gemeentelijke schouwarts de verklaringen invullen. Als ook deze twijfelt aan of niet overtuigd is van het natuurlijke karakter van het overlijden en geen verklaring van overlijden kan afgeven, brengt hij verslag uit aan de Officier van Justitie. De Officier van Justitie beoordeelt of het vermoeden bestaat dat een strafbaar feit is gepleegd en als dit het geval is of een gerechtelijke sectie gelast moet worden.

Als de gemeentelijk schouwarts alsnog tot de conclusie komt dat er sprake is van een natuurlijk overlijden dan kan deze de A-verklaring en de B-verklaring invullen. Wordt de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een natuurlijk overlijden dan vult deze wel de B-verklaring in, maar niet de A-verklaring. In plaats daarvan worden twee zogeheten ‘Artikel 10-formulieren’ (genoemd naar artikel 10 van de Wet op de Lijkbezorging) ingevuld. Het ene formulier wordt in plaats van de A-verklaring gestuurd naar de Burgerlijke Stand; het andere formulier gaat naar de Officier van Justitie. Als de Burgerlijke Stand geen verklaring van overlijden maar een ‘Artikel 10-formulier’ ontvangt, wordt er niet eerder een verlof tot begraven of cremeren afgegeven voordat een brief van de Officier van Justitie is ontvangen met de daartoe verleende toestemming, zodra het lichaam van de overledene is vrijgegeven.

 

Gevonden verdronken persoon

Een (vermoedelijk) niet-natuurlijk overlijden: een verdronken manspersoon, gevonden op 12 februari 1787 in Amsterdam.
Bron: FamilySearch


 
 
Gedigitaliseerde archieven

Er bestond geen ‘bewaarplicht’ voor de doodsbriefjes. Dat houdt in dat veel doodbriefjes zijn vernietigd en dus niet meer bij het Gemeente- of Streekarchief te achterhalen zijn. Wilt u weten of overlijdensverklaringen in een bepaalde gemeente bewaard zijn gebleven, dan kunt u dit opzoeken in het desbetreffende archief (doorgaans het archief van de Burgerlijke Stand of het archief van het gemeentebestuur) of contact opnemen met de gemeentelijke instelling.

Toch is er ook al een start gemaakt om de bewaard gebleven of teruggevonden doodsbriefjes te indexeren en digitaal doorzoekbaar te maken. Hieronder volgt een overzicht van de weinige bronnen die mij bekend zijn. Zodra er nieuwe aanvullingen gevonden worden, zullen deze worden toegevoegd.
 
 
Amsterdam
Overlijdensverklaringen van Amsterdam vindt u via het Stadsarchief Amsterdam in de registers waarin aantekening werd gehouden van overledenen die bij de Burgerlijke Stand waren ingeschreven in de periode 1914 tot 1925. Het betreft de registers 1020-1047. De jaren 1854-1940 vindt u in de registers 341-519, ingedeeld naar wijknummer en adres of later naar nummer van de overlijdensakte.
Weliswaar worden in deze bevolkingsstatistiek geen namen vermeld, maar aan de hand van de vermelde gegevens en datum van overlijden is het zeker mogelijk de doodsoorzaak van een gezocht persoon te achterhalen.
Om eindeloos bladeren te voorkomen als u niet beschikt over de juiste buurtcode kunt u gebruik maken van de ‘Tabel buurtindeling‘ of zoeken op straatnaam, waarbij de gegevens worden vertoond.

Amsterdam
Geen overlijdensverklaringen, maar scans met registraties van overleden personen in Amsterdam met vermelding van de doodsoorzaak of vindplaats: verdronken en vermoorde personen (1777-1795, 1795-1807 en 1807-1811) en overlijden met vermelding van de doodsoorzaak (1783-1809 en 1810-1812)

Jongens Aalmoezeniersweeshuis Amsterdam; Ramp Westerkerk 1704
De jongens uit het Aalmoezeniersweeshuis zaten tijdens de dienst van 27 juli 1704 op de jongensgalerij van de Westerkerk, toen het gewelf boven hun hoofd plots instortte. Zes weesjongens overleefden de ramp in de Westerkerk niet en vierenveertig weesjongens raakten gewond. De lijst van doden en gewonden met vermelding van hun letsel vindt u onder inventarisnummer 648.
Website: Stadsarchief Amsterdam

Bommelerwaard
In het Regionaal Archief Rivierenland kunt u de scans vinden van de overlijdensverklaringen uit de gemeenten Poederoijen, Zuilichem, Rossum, Brakel, Heerewaarden en Hedel over de periode 1869-1956.
Directe link: RAR
Deze overlijdensverklaringen en scans zijn tevens te vinden via Open Archieven

Den Haag-Overlijdensverklaringen militairen in Franse krijgsdienst
Scans van overlijdensverklaringen uit de registers van Den Haag betreffende overleden militairen in Franse krijgsdienst over de periode 1792-1815; A-B, C-F, G-H, I-K, L-M, N-R, S-U en V-Z.

Dordrecht
Transcripties van verklaringen van de heel- en vroedmeesters van Dordrecht betreffende de doodsoorzaak van niet op natuurlijke wijze overleden personen in de periode 1845-1852.
Website: DortenaZOEKer

Heerde
Van 1877 tot 1955 zijn er in Heerde (Gelderland) doodsbriefjes bewaard gebleven. In de doodsbriefjes staat de doodsoorzaak van de overledenen en in een kleiner aantal ook een voorafgaande ziekte. Van mensen die in een andere gemeente zijn overleden, zoals in het ziekenhuis in Zwolle, is geen doodsbriefje in Heerde ingeleverd en is de doodsoorzaak dus niet bekend.
In de pdf-bestanden vindt u allereerst een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis. Daarna volgt, voor zover bekend, de alfabetische lijst met overledenen en de doodsoorzaken; 1863–1882 (vanaf 1877 voorzien van de doodsoorzaken), 1883–1902, 1903–1922, 1923–1940 en 1941–1955.

Blokhuispoort Leeuwarden
Op de website van de strafgevangenis de Blokhuispoort in Leeuwarden vindt u een overzichtslijst van ‘inmates’, die zijn overleden in de bijzondere Strafgevangenis en Huis van Bewaring van Leeuwarden in de periode van 1874 tot 1969. Onderaan deze zelfde pagina kunt u de complete lijst ‘Overleden gevangenen van Leeuwarden 1784-2008’ downloaden als pdf-bestand. In deze lijst worden in de meeste gevallen tevens de doodsoorzaken vermeld.

Roosendaal-Nispen
In de databank van het West-Brabants Archief vindt u de overlijdensoorzaken van personen overleden in de plaats Roosendaal-Nispen in de periode 1864-1938.
Directe link: West-Brabants Archief

Vries
Scans van doodverklaringen uit de Drentse gemeente Vries uit de periode 1872 tot 1882.
(momenteel niet beschikbaar)

Weesp
Vermeldingen van doodsoorzaken uit de periode van 1731 tot 1912.
Website: Archieven
 
 
Verklaringen medische termen

De betekenis van medische termen en begrippen kunt u vinden in het online Nederlands medisch en geneeskundig woordenboek (zoeken kunt u via de index bovenaan de pagina) of in de encyclopedie van Dokterdokter.
Een alfabetische lijst met de Latijnse medische termen en de Nederlandse betekenis vindt u tevens in de hierboven genoemde pdf-bestanden van Heerde.
Kunt u niet helemaal uit de omschreven doodsoorzaak komen, dan is de lijst met doodsoorzaken en spellingsvarianten een handig hulpmiddel. Deze lijst is (rechtstreeks op uw computer!) te downloaden via de invoerinstructies van Vele Handen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Streekarchief Bommelerwaard, Uitvaart.nl, Wikipedia, Uitvaartverzekeringen, CBS, Format.nl
 
 

Joodse begraafplaatsen en grafstenen

25 oktober 2017 at 13:46

 
Voor een Joodse begraafplaats geldt eeuwige grafrust. Om deze reden mogen Joodse begraafplaatsen dan ook niet worden geruimd volgens de wetten van het jodendom. Het is een plaats waar voorouders ongestoord wachten op de komst van de ‘masjiach’ (Messias); het moment dat alle rechtvaardigen zullen opstaan voor het eeuwige leven. Alleen bij hoge uitzondering mag de grafrust van de overledenen worden verstoord. Of eigenlijk alleen dan als een graf of een hele begraafplaats om een uiterst dringende reden moet worden ontruimd.

De begraafplaats ligt van oorsprong niet binnen de bebouwde kom. Ondanks dat de begraafplaats gewijde grond is, wordt een lijk als onrein gezien en daarvoor niet begraven binnen de bebouwing.
Over het algemeen zijn de Joodse begraafplaatsen in Nederland in te delen in Sefardische en Asjkenazische begraafplaatsen. Sefardische begraafplaatsen worden gekenmerkt door liggende grafstenen, terwijl op Asjkenazische begraafplaatsen de grafstenen rechtop staan. Daarnaast zijn de Joodse graven in ons land op het zuidoosten gericht in de richting van Jeruzalem.
Ondanks dat het Joodse geloof ieder mens als gelijke ziet en zo ook begraven wordt, is er vaak toch een onderscheid te vinden in de vorm, bewerking en grootte van de gedenksteen.

 

Graf Mordechai Maisel nw

Het graf van Mordechai Maisel uit 1601 op de Oude Joodse Begraafplaats in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
De Hebreeuwse tekst op Joodse grafstenen begint en eindigt bijna altijd met dezelfde tekens. Beginnend met פנ (PN), wat staat voor ‘Po Niqbar’ bij mannen en ‘Po Niqbara’ voor vrouwen (hier is begraven), of met פט (PT), wat staat voor ‘Po Tamoen’ bij mannen en ‘Po Temoena’ bij vrouwen (hier is geborgen) en eindigend met תנצבה, (TNTBH) wat staat voor ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’ (Moge zijn of haar ziel gebonden zijn in de bundel der levenden). Dit is te vergelijken met het Latijnse R.I.P. (‘requiescat in pace’ oftewel rust in vrede) op Christelijke grafstenen.

Op de oudste zerken is meestal alleen de voornaam van de overledene te vinden, gevolgd door de vadersnaam oftewel patroniem. Op latere stenen staat veelal in het Hebreeuws de voor- en achternaam. Vaak zijn ook de woorden ‘bat’ (dochter van) of ‘ben’ (zoon van) te zien en worden soms naast de Joodse data de Christelijke data erbij vermeld. (Het Joodse jaartal kan naar de Gregoriaanse ongeveer omgerekend worden door de eerste 5 weg te laten en er 1240 bij op te tellen).
Tevens kunnen op de zerken afkortingen voorkomen in Latijnse karakters. Soms als afkorting van een Hebreeuwse tekst als Z.L. van ‘Zichrona Liwracha’ (Zijn nagedachtenis zij ten zegen) of T.M.K. de afkorting van ‘Tehi Menoechato Kawod’ (Moge zijn of haar rust eervol zijn), maar vaker als afkorting van een Nederlandse tekst als Z.R.I.V. of H.R.I.V. de afkorting van ‘Zij of Hij Ruste In Vrede’ en tenslotte Z.R.H.A. of Z.R.Z.A., wat wil zeggen ‘Zalig Ruste Haar of Zijn As’. (U vindt hier Ivriet afkortingen die voorkomen op Nederlands Joodse grafstenen).

 

Joodse begraafplaats Třebíč nw

De Joodse begraafplaats boven de Joodse wijk van Třebíč in Tsjechië.
© Uit de oude Koektrommel

 
De graven van mensen met de naam Cohen of variaties daarvan zijn meestal aan de buitenkant van de begraafplaats te vinden of langs de paden die voor de ‘Kohaniem’ door middel van speciale bordjes toegankelijk worden verklaard, het zogeheten ‘Kohaniempad’. ‘Kohen’ is Hebreeuws voor priester. De Kohaniem worden beschouwd als afstammelingen in de mannelijke lijn van de eerste Hogepriester Aäron. Zij leidden de diensten in de Tempel, geassisteerd door de Levi’iem, de afstammelingen van Levi, de derde zoon van aartsvader Jacob. Het is een priester namelijk verboden een begraafplaats te betreden, omdat deze onrein is. Het Kohaniempad is echter niet onrein en zo kan een priester toch het graf van familie bezoeken.

Op sommige zerken zijn afbeeldingen of symbolen aangebracht. Op een priestergraf staan twee zegenende handen afgebeeld. De handen worden zo gehouden bij het uitspreken van de priesterzegen in een synagoge. De vingers kunnen het teken vormen van de Hebreeuwse letter ‘sjin’ van ‘Sjaddai’ (Almachtige).
Het graf van een afstammeling van Levi is te herkennen aan een (waterschenkende) kan en schaal. Dit is het symbool van de Leviet, die de kan en schaal hanteert bij de rituele handwassing van een kohen, voorafgaand aan de priesterzegen. Zo is een hert het symbool voor afstammelingen van Naftali met namen als Zvi, Hirsch en Naftali. De leeuw staat voor afstammelingen van Juda met namen als Aryeh, Judah, Leib en Loew en de stam Benjamin heeft een wolf als symbool.
Er zijn nog meer van dit soort symbolen, zoals een sjofarhoorn voor een sjofarblazer, een gebroken tak of boom voor een jong overleden persoon en het snijwerktuig van de ‘moheel’, de uitvoerder van besnijdenissen. Een open boek duidt op een rabbijn of geleerde, een vogel duidt op het graf van een vrouw, terwijl een gebroken kaars op het graf van een vrouw een vroege dood op jonge leeftijd symboliseert.
Na 1900 komt, waarschijnlijk onder invloed van de Zionistische Beweging, de Davidster vaker voor op Joodse grafmonumenten, evenals een tros druiven als embleem van Israël en de menorah.

 

Oude Joodse Begraafplaats in Praag nw

De oudste nog bestaande Joodse begraafplaats van Europa: de Oude Joodse Begraafplaats in de wijk Josefov in Praag.
© Uit de oude Koektrommel

 
Op de sabbat en de Joodse feest- en gedenkdagen zijn de begraafplaatsen voor bezoek gesloten. Een Joodse begraafplaats heeft dezelfde ‘heiligheid’ als een synagoge en ook hier dienen mannen hun hoofd te bedekken. Het wordt als respectloos beschouwd om over een graf te lopen of erop te staan, ertegenaan te leunen, er te eten, te drinken of te roken. Als men een grafsteen nader wil bekijken, benadert men deze van de zijkant.

Traditioneel worden er geen bloemen meegenomen. Als teken dat het graf wordt bezocht en de overledene niet vergeten is leggen Asjkenazim een steen(tje) en Sefardim in Nederland vaak wat gras op het graf. In de Chassidische en andere Sefardische gemeenschappen worden veelal kaarsen gebrand.
De oorsprong van dit gebruik van steentjes is oud en stamt mogelijk uit de oudtestamentische tijd, toen het Joodse volk een nomadisch bestaan leidde. Mensen werden begraven op de plek waar ze stierven en de vaak bovengrondse graven werden bedekt met hopen stenen. Zo lieten roofdieren de graven met rust. Andere bezoekers vulden de stenen vervolgens uit respect aan.
Door de eeuwen heen kreeg het leggen van de stenen op de graven een symbolische waarde. Stenen vergaan niet. Ze hebben eeuwigheidswaarde. De onvergankelijkheid van de stenen staat ook voor eeuwige liefde en geloof en het altijd durende respect; een herinnering aan en verbondenheid met de overledene.

 

Achtergelaten steentjes op een graf nw

Achtergelaten steentjes op een Joods graf met onderaan de afkorting van ‘Tehi Nisjmato Tseroera Bitsror Hachajim’.
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Indexen en foto’s van Joodse graven in Nederland

Op internet zijn van veel plaatsen transcripties met of zonder foto’s te vinden van Joodse graven. Toch wil ik de volgende websites en pdf-bestanden nog graag onder de aandacht brengen.
 
 
 
Dutch Jewry

Op deze website vindt u, naast vele andere databanken, een aantal links naar Joodse begraafplaatsen. Hieronder volgt een opsomming. Via de link komt u in een overzicht met namen en gegevens, waarbij in Amsterdam tevens de doodsoorzaak wordt vermeld.

Amsterdam-Begraafakten van de Portugees Israëlitische Gemeente

Begrafenisregister van de Portugees-Israëlietische gemeente Talmud Torah te Amsterdam 1639-1648

Amsterdam-begraafvergunningen Zeeburg

Amsterdam-Muiderberg 1834-1954

Joodse oorlogsgraven

Nijmegen begraafregister
 
 
 
Het Stenen Archief

Het Stenen Archief is een gemeenschappelijk digitalisatieproject van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap en Akevoth. U kunt op de kaart een provincie aanklikken. Vervolgens ziet u een overzicht van de plaatsen die inmiddels zijn gedigitaliseerd. Indien u op een plaatsnaam klikt verschijnt er een overzicht met namen en gegevens. Als u voor de naam op het vergrootglas klikt verschijnt er een foto van het betreffende graf met een volledige transcriptie en vertaling van de tekst op de grafsteen.
Zoekt u een naam, maar is de plaats van begraven niet bekend, dan kunt u zoeken in het gehele gedigitaliseerde overzicht.
Website: Het Stenen Archief
 
 
 
Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie

Op de website vindt u veel informatie, links en overzichten. Via onderstaande links komt u in een overzicht met namen en gegevens of een zoekscherm.

Overzicht Joodse begraafplaats Culemburg 1743-1811

Ashkenazische begraafplaats Walensingel Middelburg 1759-1946

Sefardische begraafplaats aan de Jodengang begraafplaats in Middelburg 1656-1727

Begraafplaatsen die onder beheer staan van de Joodse Gemeente Amsterdam (NIHS)

Joods-genealogische informatie over steden in Nederland
 
 
 
Website Schiltmeijer

Overzicht van begraven personen op de Joodse begraafplaatsen van Bloemendaal, Edam, Enkhuizen, Haarlem, Hoofddorp, Hoofddorp (In Mermoriam slachtdoffers WO II), Hoorn, Kortenhoef, Medemblik, Monnickendam en Zaandam.
Website: Schiltmeijer
 
 
 
Joodse begraafplaats Moscowa te Arnhem

Personen begraven op de Joodse begraafplaats Moscowa te Arnhem of waarvoor een gedenksteen aanwezig is. Het overzicht is op twee websites te vinden, die niet meer in gebruik zijn of nauwelijks worden bijgehouden. Voor de zekerheid worden derhalve beide websites vermeld, mocht één van de websites definitief van het internet verdwijnen.
Website: Way Back Machine
Website: Synagoge Arnhem
 
 
 
Joodse Begraafplaats Assen

Er is veel informatie te vinden op deze website, zoals een pdf-bestand met foto’s van een reeks grafstenen met de vertaling van de Hebreeuwse tekst, scans van het grafregister 1852-1904 en op dezelfde pagina een grafoverzicht met namen en gegevens, een pdf-bestand met gegevens van graven zonder grafsteen 1861-1941, alle overledenen 1793-heden, scans van het begrafenisregister (1861-1890, 1890-1941 en 1941-heden) en een namenoverzicht met gegevens van in Westerbork overleden personen en niet-Westerborkers die begraven zijn in Assen.
Website: Joodse Begraafplaats Assen
 
 
 
Stichting Historie Joods Groningen

De Stichting Historie Joods Groningen brengt de geschiedenis van de Joodse gemeenschappen in stad en provincie Groningen onder de aandacht. Op de website vindt u onder andere informatie over de Joodse begraafplaatsen in de provincie Groningen en kunt u op naam zoeken in de databank. Bij een gevonden persoon vindt u (genealogische) informatie en door te klikken op het nummer wordt de graffoto getoond.
Website: Historie Joods Groningen
 
 
 
Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg

De Stichting Eerherstel Joodse Begraafplaats Zeeburg heeft op het zuidelijkste deel van de Joodse begraafplaats Zeeburg een aantal stenen laten restaureren. Deze stenen dateren uit de periode maart 1883 tot maart 1885. In het pdf-bestand vindt u onder andere een namenoverzicht. Als u op een naam klikt verschijnt de graffoto met de transcriptie en vertaling van de graftekst aangevuld met genealogische gegevens.
Pdf-bestand: Eerherstel Zeeburg
Website: Eerherstel Zeeburg
 
 
Zie ook: Joodse personen in Nederland en Joodse personen in Duitsland
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen tekst: Wikipedia, Joodse begraafplaats Assen, NIHS, Wikipedia en literatuur.
 
 

Wageningse tabakscultuur

12 oktober 2017 at 22:49

 
Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch begin twintigste eeuw

Personeel van Sigarenfabriek Koch in het begin van de twintigste eeuw.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsstraat.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
Schimmelpenninck was de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)