Watersnoodramp 1953

31 januari 2019 at 14:02

 
Oude ‘troep’

Mijn oma had een voorliefde voor het bewaren van dingen, die soms om onverklaarbare redenen de prullenbak nooit hebben bereikt. Als kind vroeg ik haar weleens wat ze toch met die oude spullen, destijds ‘troep’ in mijn ogen, moest. Steevast antwoordde zij: ‘Da’s mooi voor later’. ‘Hmm, ‘later’ zijn die dingen nog ouder; dan kan je het beter nu gelijk wegdoen’, was mijn kindergedachte.

De oude spullen zijn uiteindelijk naar mijn moeder gegaan en een groot deel daarvan is bij mij terecht gekomen. Zo bevonden zich tussen haar ‘erfenis’ twee uitgaven van De Spiegel, Christelijk Nationaal Weekblad; No. 20 van 14 februari 1953 en No. 22 van 28 februari 1953 betreffende de watersnoodramp. Aangezien mijn grootouders niet geabonneerd waren op dit Christelijk Nationaal Weekblad en zij destijds ‘hoog en droog’ hebben gezeten, moet de watersnoodramp en alle gevolgen daarvan wel zodanig indrukwekkend voor mijn oma zijn geweest, dat zij deze uitgaven heeft aangeschaft en het belangrijk genoeg vond om ze door te geven aan het nageslacht.

 

Spiegel no. 20

Spiegel No. 20 van 14 februari 1953; voorzijde en bladzijde 16.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Spiegel no. 21

Spiegel No. 21 van 28 februari 1953; voorzijde en bladzijde 3.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Watersnoodramp

Ten zuiden van IJsland ontwikkelde zich op 29 januari 1953 een noordwesterstorm. Via Schotland koerste de storm verder zuidwaarts en draaide op de noordelijke Noordzee naar noordnoordwest. Op zaterdag 31 januari 1953 stevende het stormveld recht op onze westkust af, waarbij de storm in de avond toenam tot een windkracht 10. Toch heerste er de gedachte onder de bevolking, dat het allemaal wel mee zou vallen.

Het tegendeel bleek echter waar. Om twee uur ’s nachts kwam het water al over de dijken en vloedplanken. De zware storm zorgde samen met springtij voor een gevaarlijke en zeldzame hoge stormvloed. Het ging mis toen rond drie uur ’s nachts de dijken bij Kruiningen, Kortgene en Oude Tonge bezweken onder het uitzonderlijke hoge en beukende water.
Het verwoestende water was niet meer te stoppen. Tussen vier en zes uur ’s nachts braken overal in Zeeland, West-Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden dijken door, waardoor het water zodanig snel de polders in stroomde, dat in enkele dorpen het water binnen een half uur tot wel drie meter hoog stond. Huizen stortten in of werden meegesleurd door de stroming en complete gehuchten werden vernietigd.

De volgende dag zakte het water in eerste instantie iets tijdens de eb. Bewoners zochten een hoger heenkomen in afwachting van hulp. In de middag kondigde zich echter een tweede nog hogere vloedgolf aan, waardoor het water hoger kwam te staan dan de nacht ervoor. Veel huizen, die de eerste stormvloed hadden doorstaan, bezweken alsnog. De storm ging pas op 3 februari liggen. Zondag 8 februari werd een dag van nationale rouw; er waren inmiddels 1795 doden te betreuren. De Ramp, aanvankelijk ook wel aangeduid als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, zou uiteindelijk officieel 1836 slachtoffers eisen.

 

Watersnoodramp van 1953

Watersnoodramp 1953
Bron: Rijkswaterstaat/Rens Jacobs


 

 

 

Bijzondere vondst

Het zal een jaartje of dertig geleden zijn, dat ik op een rommelmarkt voor een habbekrats een lijst met een ronduit wanstaltig portret gekocht heb. In tegenstelling tot de replica was de lijst prachtig. Bij het omwisselen van de afbeelding kwam er na enkele dunne kartonnetjes een stevig karton tevoorschijn. Op de achterkant was dit karton beplakt met een advertentiepagina uit de Zeeuwse Courant; op de voorkant pronkte een meest intrigerende foto van Vlissingen. Door het origineel onder een loep te bekijken wordt je haast meegezogen in de ruimte achter de deur, waarin zich een persoon bevindt…

 

Watersnoodramp Vlissingen

Mijn bijzondere vondst. In Vlissingen werd de hoogste waterstand gemeten: 4.55 m+ NAP.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Het moet gezegd: mijn oma had volkomen gelijk! Geen kostbare erfenis, maar daardoor zeker niet minder waardevol. Terwijl ik als kind vol afgrijzen de voorkant met het kadaver van een koe bekeek, lees ik nu als volwassene aandachtig de berichtgeving in de weekbladen, gecompleteerd met indringende foto’s. Een tijdsbeeld van de grootste natuurramp in de Nederlandse naoorlogse geschiedenis, die voor heel wat families rampzalige gevolgen met zich meebracht. Mooi dat deze ‘oude troep’ bewaard is gebleven. De exemplaren van de Spiegel en de foto zijn door mij zorgvuldig opgeborgen in een (schat)kist tussen allerhande oude dingen, die bewust de prullenbak nooit hebben bereikt. Da’s mooi voor later…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Een plaats voor herinneringen aan slachtoffers van de watersnood 1953 vindt u op de website De Ramp (zie ook: meer info).
Bronnen: Wikipedia, Watersnoodmuseum, KNMI (watersnoodramp) en KNMI (stormvloed)
 
 

Oude recepten

23 december 2018 at 14:27

 
Benieuwd naar nog meer recepten uit de achttiende en negentiende eeuw? Bekijk dan het ‘Kookboek 18e en 19e eeuw’ van borgen Dijksterhuis en Menkema via Groninger Archieven.

 

Oude recepten

Recept voor ‘Appelvlaij’ uit het ‘Kookboek 18e en 19e eeuw’ van borgen Dijksterhuis en Menkema.
© Uit de oude Koektrommel


 
 

Carte de visite en Kabinetkaart

30 oktober 2018 at 13:05

 
Carte de visite

De ‘carte de visite’, vanaf ongeveer 1854 in gebruik, bestond uit een afdruk op klein formaat, geplakt op een stukje stevig karton van ongeveer 6,5 bij 8,5 centimeter. Voor het portret werd doorgaans de albuminedruk gebruikt; in die tijd de goedkoopste en makkelijkste manier om meerdere scherpe en gedetailleerde afdrukken op papier te maken. Voor het eerst sinds de introductie van de fotografie in 1839 waren er portretfoto’s beschikbaar voor een groter deel van de bevolking. Het monteren van de afdruk op karton was overigens noodzakelijk vanwege de neiging van albuminefoto’s om te krullen.

 

Carte de visite

Carte de visite (albuminedruk); fotograaf Alexandre Ken ; Parijs 1850-1874.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
Het was gebruikelijk om niet één afdruk te kopen, maar een set van zes tot twaalf stuks, zodat er ook exemplaren uitgedeeld konden worden aan familie, vrienden, kennissen of zakenrelaties. Vaak werden de cartes de visite verzameld in speciale insteekalbums. Ook het verzamelen van portretten van leden van het Koningshuis, politici en beroemdheden was een populaire bezigheid van met name vrouwen uit de betere kringen. Een bekende Nederlandse carte de visite-fotograaf was Israël Kiek. Aan hem is het begrip ‘kiekje’ te danken.

Een carte de visite werd niet enkel voor portretten en afdrukken van landschappen of gebouwen gebruikt, maar ook voor bidprentjes. Niet zelden werd hiervoor een post-mortem portret gebruikt, wat in die tijd vrij gebruikelijk was om de gedachtenis aan een overleden dierbare te bewaren. De carte de visite bood de mogelijkheid om exemplaren te versturen naar familieleden.

 

Blad met cartes de visite

Blad met cartes de visite (albuminedruk) 1860-1870.
Bron: Rijksmuseum (Publiek Domein)

 
In de beginjaren van de carte de visite was de kartonnen ondergrond en achterzijde blanco. Later verscheen summier de naam van de fotograaf onder de foto, al snel gevolgd door een uitvoeriger naamsvermelding of zelfs hele reclameteksten van de betreffende fotograaf op de achterzijde. Een hoog staaltje typografisch werk was de belettering in goud op zwart of donkerrood of op een ondergrond in pasteltint. De achterzijden waren hierdoor soms nog gewilder als verzamelobject dan de portretten zelf.

 

Carte de visite; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een carte de visite door Stubers, circa 1882-1888.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Door de concurrentie van de kabinetkaart en na 1900 de andere vormen van fotografie, liep tegen het begin van de Eerste Wereldoorlog de vraag naar cartes de visite sterk terug.
 
 
 
Kabinetkaart

Vanaf 1866 kwam een groter formaat van de carte de visite in trek; de zogenaamde ‘cabinet card’, ‘kabinetfoto of -kaart’ of ‘kastkaart’. Deze benaming was afkomstig van de kast in de fotostudio, waarin de foto’s stonden uitgestald. De afmeting was ongeveer 11 bij 17 centimeter en de kabinetkaart was iets dikker dan de carte de visite. Deze kabinetkaarten werden meestal eenmaal afgedrukt en pronkten in speciale houders in kasten, op het tafelblad of op de schoorsteenmantel. Evenals voor de carte de visite werden er voor deze kaarten ook speciale albums op de markt gebracht waar achterin enkele pagina’s gereserveerd waren voor de oude familie-cartes de visite.

 

Kabinetkaart voorkant

Kabinetkaart: huwelijksfoto 1870-1880; Groh & Bro. Photographic Studio, Wisconsin.
Bron: Wikipedia (Public Domain)


 
Kabinetkaart achterkant

Achterzijde van de bovenstaande kabinetkaart.
Bron: Wikipedia (Public Domain)

 
Het uiterlijk van de kabinetkaarten vertoonde vanaf 1880 een sterke verandering in kleur- en tekstgebruik. Daarnaast werd de albuminedruk geleidelijk aan vervangen door onder andere de natte collodiumdruk en de gelatinezilverdruk.
Het grotere formaat zorgde er tevens voor, dat eventuele gezichtsgebreken of -onvolkomenheden duidelijker zichtbaar werden. Fotografen namen om deze reden wel kunstenaars in dienst om foto’s te retoucheren door het negatief te bewerken.

 

Cabinet Card; voor- en achterzijde

Voor- en achterzijde van een kabinetkaart door L. Bergman, circa 1882.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)


 
Achterzijde kabinetkaarten

Enkele voorbeelden van achterzijden van kabinetkaarten.
Bron: UofL Libraries (Licentie: CC BY 3.0)

 
Als gevolg van de introductie van de fotografische ansichtkaart en de betaalbare Kodak-camera, waardoor men zelf foto’s ging maken, nam rond 1900 de populariteit van de kabinetkaart af. De wereldwijde productie van kabinetkaarten zou tot halverwege de jaren twintig van de vorige eeuw blijven bestaan.
 
 
 
Dateren

Het dateren van een carte de visite of een kabinetkaart is niet zo eenvoudig en kan het beste aan deskundigen worden overgelaten. Toch zijn er wel enkele kenmerken, die mogelijk een indicatie kunnen geven van de periode. U dient er wel rekening mee te houden, dat de voorraad kaartjes door de fotograaf geheel werd opgebruikt, alvorens er nieuwe kaartjes in gebruik werden genomen. Bovendien werd het karton nogal eens hergebruikt of zijn foto’s later op nieuwer karton gemonteerd. De onderstaande kenmerken zijn een samenvatting van diverse bronnen op het internet. Aanvullingen of verbeteringen zijn welkom!

Dikte van het karton
De foto’s werden geplakt op stevig karton. Postkaarten en ‘slappe’ exemplaren zijn van na 1900.
• Tot 1880 geplakt op rechthoekig dun karton
• Van 1880 tot 1890 geplakt op rechthoekig dik karton
• Van 1890 tot 1900 geplakt op dik karton, veelal slechter van kwaliteit. In deze tijd zien we het gebruik van de afgeronde hoeken en het reliëf in het karton.

Dikte van de carte de visite
• 1854-1870 0,3-0,5 mm
• 1870-1885 0,5-0,7 mm
• 1885-1890 0,7-1,0 mm
• 1890-1914 1,0-1,2 mm

Gewicht van de carte de visite
In het begin werd er nog gebruik gemaakt van dun karton. In de loop der jaren werd het karton dikker. Globaal kunnen de volgende gewichten worden gegeven voor datering.
• 1860-1870 1,5-2,5 gram
• 1864-1874 2,5-3,5 gram
• 1874-1886 3,5-4,5 gram
• 1879-1893 4,5-5,2 gram
• 1886-1910 meer dan 5,2 gram

Kleur van het karton
• Tot 1880 wit tot roomwit. Deze kleuren zouden later weer terugkomen, maar dan op dikker karton.
• Van 1880 tot 1890 kleuren als bruin, zwart en groen.
• Van 1882 tot 1888 matte voorzijde in lichtgeel en een glanzende achterzijde.

Uiterlijk van het karton
• Tot 1880 gouden of rood gedrukte rand met een enkele of dubbele lijn; een rode of zwarte lijn om de foto.
• Rond 1885 brede gouden of zilveren lijnen.
• Van 1885 tot 1892 gouden of zilveren rand.
• Van 1889 tot 1896 afgeronde hoeken en een gouden of zilveren randlijn.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor zowel het karton als de belettering.

Belettering van het karton
• Tot 1880 de naam en eventueel het adres van de fotograaf worden vaak klein en netjes afgedrukt onder de afbeelding of op de achterzijde met eventueel de vermelding van de studionaam.
• Van 1880 tot 1900 artistiek vormgegeven tekst aan de voorzijde en extra versiering aan de achterzijde, vaak in cursieve stijl. De naam van de studio neemt vaak de volledige achterzijde van de kaart in beslag.
• Van 1880 tot 1895 gouden tekst op zwart karton.
• Van 1890 tot 1910 gebruik van reliëf voor de belettering en/of versiering.

Portret
• Tot 1870 hadden de foto’s rechte hoeken, daarna verschijnen exemplaren met afgeronde hoeken.
• Tot 1870/1880 keken mannen recht in de lens en vrouwen meer naar opzij.
• Van 1860 tot 1870 was voor gewone portretten het beeld ten voeten uit, daarna meestal tot de knie of buste.
• Vanaf 1880 krijgen de foto’s meer achtergrond.
• Vanaf 1890 waren de foto’s tot aan de buste doorgaans scherp en de onderkant vervaagd.
• Tot 1890 werden mannen en vrouwen nauwelijks als koppel geportretteerd.

Bijschriften
Mogelijk zijn er teksten bijgeschreven op de carte de visite of de kabinetkaart. In het geval het een naam betreft zou deze van de geportretteerde kunnen zijn, maar het kan bijvoorbeeld net zo goed de naam zijn van degene voor wie de kaart bestemd was. Voorzichtigheid is ook geboden bij een vermelde datum. Dit hoeft niet direct de opnamedatum te zijn.

Kleding
Kleding, hoofddeksels en haardracht kunnen een goede indicatie geven van een bepaalde periode. Met name dameskleding was veel meer aan mode onderhevig als herenkleding. (Zie bijvoorbeeld Vrouwenmode en Kleding)

 

Cabinet Card

Kabinetkaart uit 1885 met de handgeschreven tekst: ‘Yours with best wishes, S. M. Burroughs’.
Bron: Welcome Collection (Public Domain; CC BY 4.0)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: UofL Libraries, Kabinetfoto (Wayback Machine), Ontdek jouw verhaal, D.P. Huijsmans, Wikipedia (Carte de visite), City Gallery, HCO en Wikipedia (Cabinet Card)
 
 

Hollandgangers

7 oktober 2018 at 01:26

 
Hollandgangers, hannekemaaiers, pikmaaiers of poepen

Vrolijk werd er in de Duitse dorpen afscheid genomen van de mannen die, gewoonlijk na Pinksteren, voor een seizoen hun geluk gingen beproeven bij hun westerburen. ‘Hollandgänger’, of zoals ze in ons land werden genoemd: ‘Hollandgangers’, ‘hannekemaaiers’, ‘pikmaaiers’ of ‘poepen’. Hannekemaaier was een samentrekking van Hannes, de verkleinvorm van de voornaam Johann, en het woord maaier. Dit had te maken met Sint Johannesdag op 24 juni; traditioneel de dag waarop het gras gemaaid werd. Pikmaaier voor de maaier met de korte zeis en de bijnaam ‘poepen’ zou ontstaan zijn doordat ze elkaar vaak aanspraken met het Duitse woord ‘Bube’ voor ‘jongen’ of ‘kerel’.

Al sinds het begin van de zeventiende eeuw kwamen de seizoenarbeiders, vaak bitter arme keuterboeren uit Westfalen en het Osnabrücker- en Münsterland en later tevens uit het noordwesten van Duitsland, naar Holland om hun schamele inkomsten aan te vullen door voor de werkgever gras te maaien en te hooien voor de winterse stalvoeding van het melkvee of veen te baggeren voor de turfwinning.

 

Auszug der Hollandgänger (Zeichnung)

Die Hollandgänger, Tekening door L. Preller, Emslandmuseum Lingen.
Bron: euregio-history.net (CC0 1.0 Universal Public Domain)


 
 
Oorzaak van de trek naar Holland

De meeste Hollandgangers waren in eerste instantie afkomstig uit het prinsbisdom Osnabrück. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648) had heel wat geld opgeslurpt in het prinsbisdom. Om de enorme schuldenlast weg te werken werd een ingrijpende belastingpolitiek gevoerd, met als gevolg dat de bevolking drastisch verarmde.
Bovendien speelde, naast de enorme bevolkingsgroei, het verbod op erfdeling een belangrijke rol. In de praktijk kwam het erop neer dat de oudste zoon het familiebedrijf erfde om versnippering van het bedrijf tegen te gaan. De overige kinderen moesten het doen met een vaak geringe afkoopsom. Dit hield in dat niet-ervende kinderen van boeren, ‘Hüsselten’ genoemd, geen eigen grond bezaten en tevens niet konden ‘introuwen’. Voor hen lag de oplossing in het huren (‘heuern’) van een stukje land en bewoning. Op deze manier ontstond het systeem van ‘Heuerleute’. Onder deze vaak toch wel armlastige Heuerleute was een aanzienlijk aantal Hollandgangers te vinden.
 
 
Routes

Bepakt met gereedschap en een ‘Essensack’ met kleding, eieren, spek, gerookt varkensvlees en brood werd er zoveel mogelijk in groepen vertrokken vanuit de woonplaats, waarbij gaandeweg de reis naar Holland de verschillende groepen zich bij elkaar aansloten. De afstand tussen het gebied van afkomst en de plaats van bestemming bedroeg al snel zo’n tweehonderd tot driehonderd kilometer; een tocht die hoofdzakelijk te voet werd afgelegd. Soms ging de reis naar Noord-Holland per schip naar Amsterdam en legde men aan bij de Oude Brug, ook wel ‘moffenbrug’ genoemd.

Gemakkelijk was de reis zeker niet. De wegen waren soms slecht en uitgestrekte veengebieden belemmerden een rechtstreekse doorgang, waardoor er twee natuurlijke routes genomen konden worden. De noordelijke route liep via een smalle strook tussen de Dollard en het Bourtanger Veen naar Groningen en Friesland. De hoofdroute liep, met de aftakking naar het noorden, door Lingen en het Graafschap Bentheim tussen de venen via de smalle rivierbedding van de Vecht naar de Zuiderzee. Sommigen namen vervolgens het pad naar het zuiden richting Brabant, Zeeland of België.

 

Route

Routes van de Hollandgangers.


 
 
Werkzaamheden

In het voorjaar werkten de boeren op het eigen land. Vervolgens vertrokken zij naar Holland voor seizoenswerk om in de nazomer weer de werkzaamheden op het eigen land te hervatten. Dat was broodnodig aangezien de inkomsten van het eigen land en de winterse huisnijverheid als wolspinnen, breien, weven, klompen- en bezemmaken en mandenvlechten niet genoeg opleverde om een gezin van te kunnen onderhouden. Vaak boden zij zichzelf aan op de ‘poepenmarkt’; doorgaans een hoekje op de veemarkt. In veel gevallen keerden zij jarenlang terug naar dezelfde werkgever.

Holland kende een periode van economische bloei, waardoor er een permanente vraag was naar arbeidskrachten. De Hollandgangers hadden door de werkzaamheden in hun thuisland doorgaans de nodige ervaring in het aangeboden werk. Hierdoor lag het vinden van werk en een hoger loon in het vooruitzicht.
Naast het werk op het land waren ‘in de hoogtijdagen’ veel seizoenwerkers werkzaam op de walvis- en koopvaardijvaart, als tichelwerker op de steenbakkerijen, als polderjongens bij de aanleg van vaarten en dijken, als blekersboden op de blekerijen en als tuinlieden op de buitenplaatsen. Door de interesse in ons land voor Duitse koopwaar, waaronder het Westfaalse linnen, besloten sommige Hollandgangers extra verdiensten te genereren door deze goederen in manden op de rug mee te nemen.

 

Hannekemaaiers

In Noord-Holland en Friesland sliepen de Hannekemaaiers in de schuur of de stal van de boer. De Oost-Friezen waren herkenbaar aan hun kleding; op warme dagen maaiden ze in hun rode hemd. De Friese boerinnen waren weg van deze stof en al snel werd gevraagd om het jaar daarop deze stof mee te brengen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto genomen in Museumdorp Allingawier.)

 
Onder invloed van de verslechterende economische omstandigheden in Holland, de juist toenemende welvaart in eigen land en de emigratiestroom naar Amerika nam in de tweede helft van de negentiende eeuw het aantal Hollandgangers steeds meer af
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (Hannekemaaier), Verre Verwanten, Barendse, Members Home, Achter de Breede Sloot, HK Losser en Museumdorp Allingawier
 
 

Herenhuis Oude Ebbingestraat

24 februari 2018 at 17:26

 
Afgelopen zomer heb ik nog koffie gedronken in het pand, dat in opdracht van mijn voorouder Andreas Ludolphi in 1660 als zijn herenhuis werd gebouwd op de hoek van de Groninger Oude Ebbingestraat en Jacobijnerstraat. Hoe bijzonder!

In 1308 schenkt ridder en prefect Ludolphus van Gronebeke, vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht, het huis van Lutbertus Heddinga met enige bijgebouwen en de bijbehorende grond aan de prior Conrardus, zijnde zijn bloedverwant, en de fraters van het Dominicanenklooster in Winsum. Dit huis is gelegen aan de tegenwoordige Jacobijnerstraat. Het kloosterterrein strekt zich uit van deze straat tot aan de toenmalige stadsmuur en wordt begrensd aan de westzijde door de Oude Ebbingestraat en aan de oostzijde door het Kattenhage. Het klooster wordt in 1310 in de Orde opgenomen.

 

Verkorte vertaling: Ludolphus, ridder, heer van Gronebeke en prefect van Groningen, heeft overgedragen aan zijn bloedverwant Conradus, prior, en de broeders van het convent te Winsum het huis en hof van Lutbertus Heddinga, gelegen bij de stadsmuur van Groningen. (Uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896), nr. 228)
Bron: Cartago

 
Na de ‘Reductie van Groningen’, de capitulatie van Stad Groningen voor het leger van prins Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg op 22 juli 1594, wordt het klooster opgeheven. Het merendeel van de nog aanwezige monniken verlaat de stad en daarmee zal het kloostercomplex enige tijd later in handen komen van de provincie.
Het kloostercomplex wordt verdeeld. In 1609 richt men een deel van het complex in tot Stedelijk Tuchthuis. In 1611 neemt de provincie het over en in het kader van bezuinigingen wordt het Tuchthuis in 1624 opgeheven. Een ander deel van het kloostercomplex krijgt de bestemming van weeshuis. In 1621 wordt het Groene Weeshuis hier ondergebracht en in 1660 staan de Staten van Groningen een deel van het complex af ten behoeve van een diaconieweeshuis, ook wel het Blauwe Weeshuis genoemd. In 1673 worden het Groene en het Blauwe Weeshuis samengevoegd en In 1858 wordt het oude kloostergebouw vervangen door een nieuw weeshuis, het Groene Weeshuis, op dezelfde plaats. De kloosterkerk is vanaf 1660 tot aan de afbraak in 1674 in gebruik als buskruidmakerij en geschutgieterij.

 

Noord-oostelijk deel Groningen rond 1575

Noord-oostelijk deel van Groningen Stad rond 1575 met links boven het Jacobijnerklooster.
Bron: commons.wikimedia.org

 
In 1660 verkoopt het weeshuis de zuidwesthoek van het terrein aan mijn voorouder raadsheer Andreas Ludolphi en zijn echtgenoot Hebelia Catharina Noorthoorn, die tot die tijd in de Oosterstraat wonen. Voor het ontwerpen van zijn herenhuis is mogelijk de hulp ingeroepen van de provinciale fabrieksmeester en stadsbouwmeester Coenraet Roeleffs, ontwerper van de Nieuwe Kerk in Groningen.
Het tot ver in de Jacobijnerstraat doorlopende pand krijgt een diep zadeldak. De voorgevel wordt rijk versierd met festoenen of guirlandes en twee kleine ovalen ‘oeil de boeuf’ ramen met omlijstingen. (De letterlijke vertaling voor het Franse ‘oeil de boeuf’ is ‘runderoog’, maar is ook de uitdrukking voor ‘schot in de roos’.) Bovenin wordt er een groter oeil de boeuf- raam geplaatst met omlijsting en afhangende festoenen. De top wordt bekroond door een klein tympaan met daarin de vermelding van het jaartal 1661. Voor verbreding van het gevelvlak en een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting worden aan beide zijden van het middendeel van de gevel tegen de ‘trappen’ gebruik gemaakt van sierlijke klauwstukken of vleugelstukken. Beneden komt een karakteristiek bordes voor de voordeur. Het achterste gedeelte van het complex biedt plaats voor de koetsen en paarden. De grond ten noorden van het huis zal tuin blijven tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1744 blijft het herenhuis in handen van de familie Ludolphi. De laatste bewoonster uit de familie is kleindochter Richardina Ludolphi, die getrouwd is met de latere burgemeester van Groningen Scato Gockinga.

 

Voorgevel hoek Jacobijnerstraat Groningen

Het herenhuis in januari 1923 voor de grote verbouwing.
Bron: commons.wikimedia.org (Hoek Oude Ebbingestraat-Jacobijnerstraat, voor- en zijgevel; 20093731 – rce | Door: BotMultichillT – January 1923 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Beeldbank Cultureel Erfgoed)


 
Oude Ebbingestraat in Groningen

Het herenhuis van Andreas Ludolphi aan de Oude Ebbingestraat.
Bron: commons.wikimedia.org (Maker: Gouwenaar; Datum: 14 oktober 2009; Public Domain)

 
Er verandert weinig aan het uiterlijk van het pand tot de toenmalige eigenaar, Nicolaas Cristofer Hensen, in 1923 drastisch aan het verbouwen gaat voor zijn confectiemagazijn met ‘heeren-, jongeheeren- en kinderkleeding’ . Met name de benedenverdieping wordt behoorlijk onder handen genomen en het bordes moet het veld ruimen. Daarnaast worden er teksten op de voor- en zijgevels aangebracht. De blauwdruk laat zien dat het oorspronkelijke idee voor de tekst op de voorgevel ‘N.C. Hensen Heeren Modes’ zou moeten worden, echter er is uiteindelijk blijkbaar gekozen voor de tekst ‘N.C. Hensen Kleeding naar Maat’.

 

Blauwdruk

Blauwdruk ‘Plan verbouwing perceel hoek O. Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen-Groningen’.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)


 
Statistische berekening

Statistische berekening van de ijzeren balken en kolommen benodigd voor de verbouwing van de percelen hoek Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen te Groningen.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 
Het pand zal ongeveer een eeuw in deze familie blijven. Op 9 november 1971 wordt het herenhuis ingeschreven in het register van beschermde rijksmonumenten. In 2016 is volgens de gegevens van het Kadaster het gehele pand met binnenterrein en parkeerplaatsen door een familielid aan een particuliere belegger verkocht voor ruim twee miljoen euro…

 

Advertentie N.C. Hensen

Advertentie N.C. Hensen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1919.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staat in Groningen, Pelgrimeren in Groningen, Wikipedia (Reductie van Groningen), Wikipedia (Klauwstuk), Wikipedia (Oeil de Boeuf), Wikipedia (Festoen), Cartago en Vestigingslocaties
 
 

Wageningse tabakscultuur

12 oktober 2017 at 22:49

 
Tabaksindustrie

Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch

Personeel van Sigarenfabriek Koch in het begin van de twintigste eeuw.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.
 
 
Schimmelpenninck

Schimmelpenninck is de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck Wageningen

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsweg.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

De handschoen

19 augustus 2017 at 22:00

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers


 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Handschoen van Toetanchamon

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod

 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van bisschop Nicolaus Shiner, 1510

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van Bisschop Nicolaus Shiner (1510).
Bron: Go Leather Gloves

 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart

 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde handschoenen

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden

 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.

Van oudsher stond de overdracht van een handschoen dus symbool voor de bezegeling van een contract. Als teken hiervan had een welgestelde zeventiende eeuwse bruid vaak een paar kostbare bruidshandschoenen, versierd met huwelijkssymboliek. Deze bruidshandschoenen zijn regelmatig terug te vinden op huwelijksportretten, maar die van Johanna Le Maire zijn ook fysiek bewaard gebleven. Zij ging op 22 mei 1622 te Amsterdam in ondertrouw met de welgestelde Pieter van Son. Op haar huwelijksportret is te zien hoe zij haar bruidshandschoenen in haar hand houdt.

De handschoenen zijn gemaakt van wit wasleer, voorzien van rijk geborduurde geschulpte kappen met zijde, gouddraad en -cantille, parels en vergulde pailletten. Het borduurwerk vertoont een symmetrisch patroon van onder meer twee in elkaar gelegde handjes in bruin contour onder een met pijlen doorboord hart van pareltjes en twee toegewende vogeltjes. De handschoenen werden gesloten met drie paar roze veterbandjes, waarop een goudknopje werd geschoven.

 

Bruidsportret Johanna Le Maire

Bruidsportret van Johanna Le Maire door Nicolaes Eliasz. Pickenoy, die overigens de zwager van mijn voorouder was.
Bron: Rijksmuseum (Public Domain)


 
Handschoenen Johanna Le Maire

Bruidshandschoenen van Johanna Le Maire.
Bron: Rijksmuseum en © Uit de oude Koektrommel


 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum Amsterdam

 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Over dit onderwerp in een volgend artikel meer.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Go Leather Gloves, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden
 
 

De terechtstelling van Maritje de gifmengster

27 juli 2017 at 21:21

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn stamboom voorkomt lijkt Maritje toch geen familie te zijn en is de enige gemene deler de patroniem Jansen. Dat maakt haar levensverhaal echter niet minder intrigerend.

Maritje Jansen, in de ‘media’ vermeld onder de naam Maria, wordt in 1677 in Bennekom geboren als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Rijnsteeg in Bennekom, behorende bij het landgoed van kasteel Hoekelum. Op 21 december 1697 legt ze in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Bennekom belijdenis van het geloof af.

 

Boerderij De Grampel

Boerderij De Grampel
Bron: drimble.nl (Informatie: Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Gemaakt op: 1 mei 1977)


 
Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 
In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Maritje zal vanaf 1710 gedurende zeven jaar als inwonende dienstmeid aan het werk gaan bij een paardenmeester. Hier leert zij het nodige over medicijnen en gif.
In 1720 wordt zij boerenmeid bij Teunis Janssen met wie zij een relatie krijgt. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Maritje zet haar teleurstelling om in wraak en koopt rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende apotheker in Wageningen, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen, nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Gerrit heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Op 21 juli 1726 trouwt het stel in Bennekom. En dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje en daarmee de relatie met Gerrit is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: FamilySearch

 
Maritje bekent uiteindelijk de vijfvoudige moord op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Vanaf 1713 worden alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en 't Hof van Nassau in 1649

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en ’t Hof van Nassau (1649).
Bron: arneym.nl

 
Nadat het lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt ze op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept, aldaar met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel’.
Dat de Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, hiervoor een prima locatie is moge duidelijk zijn, aangezien al het (handels)verkeer over deze weg naar het noorden gaat.

Hoe afschuwelijk haar daden ook zijn geweest; de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

Krantenbericht De Tijd 12 februari 1885

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: delpher.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland
 
 

Lexkesveer

2 juli 2017 at 23:23

 
Als geboren en getogen ‘Woageningse’ heb ik heel wat tochtjes met het Lexkesveer gemaakt. Ondanks dat we het vroeger thuis niet ‘breed’ hadden kon er in de vakantie toch altijd wel een oversteek met de pont vanaf met als kers op de taart een ijsje aan de ‘overkant’.

Wageningen lag vroeger aan een ‘voorde’ in de Nederrijn, een doorwaadbare plek in de rivier. Oude bescheiden wijzen erop dat de Batavieren daar al ter plaatse hun overgang over de rivier hadden. Zodra er hoogwater dreigde werd hun vee uit de grazige weiden van de Betuwe in veiligheid gebracht op de heuvels van de Veluwe.

 

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant.
Bron: © Pieter ten Brinke (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende via Hans Holleman)

 
Het Lexkesveer, het oudste veer over de Nederrijn, is de veerverbinding tussen Wageningen aan de Veluwekant en Randwijk aan de Betuwekant. De veerverbinding bestaat al in de Middeleeuwen en lag op een belangrijke route vanuit het noorden, via de Diedenweg en de Holleweg, naar het zuiden via de Betuwe.
In de rekenboeken van de stad Nijmegen wordt in 1426 melding gemaakt van ‘den veer tot lexkenshuys’. In een akte van 3 juni 1492 wordt geschreven over een uiterwaarde, gelegen bij ‘Leexken aen ’t veerstat’, behorende tot de bezittingen van kasteel Grunsfoort bij Renkum. De Spanjaarden maken in de zestiende eeuw gretig gebruik van het veer. De Fransen hebben het veer niet nodig om Wageningen binnen te vallen; zij kunnen in 1795 op deze plek over het ijs de oversteek maken.

 

Wageningen, kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654

Kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654.
Bron: edward-wells.nl

 
De naam Lexkesveer is nauw verwant aan Lakemond, een buurtschap aan de zuidkant van de Nederrijn tegenover Wageningen, wat van 1539 tot 1817 bij Wageningen hoort. Lakemond (Lackemont, Leakmonde of Lackmonde) zelf zal zijn naam ontleend hebben aan een klein riviertje dat daar gestroomd moet hebben. Dit riviertje de ‘Lake’ (Lakia, Leckia of Lek) dankt zijn ontstaan aan de vele ‘lexkens’ oftewel ‘wellen’, die daar aanwezig zijn. Het Lexkesveer is dus in oorsprong een veer in de nabijheid van deze lexkens.

Van 1741 tot 1804 is het Lexkesveer in eigendom van Nijmegen en Wageningen. Voor een periode van zes jaar kan het veer en toebehoren gepacht worden. In 1783 behoort hiertoe ‘het groote Veerhuis, Schuur, Stallinge, Bouwhuis en het geene verder daartoe behoort’. In 1804 wordt door de Magistraat der stad Wageningen onder andere ‘de helft van het van ouds vermaard Lexkesvheer” verkocht en komt de pont daarmee in particuliere handen. Waarschijnlijk is Baron Lynden van Hemmen de nieuwe eigenaar geworden. Zijn kleinzoon zal enkele decennia later eigenaar zijn. In 1912 wordt gemeente Wageningen de nieuwe eigenaar van het Lexkesveer voor de som van achtendertigduizend gulden. In de koopsom zijn inbegrepen de ijzeren gierpont, het veerhuis en circa vijf hectaren landerijen. Om een idee te krijgen van de jaarlijkse pacht; van 1883 tot 1889 wordt een jaarlijks bedrag betaald van zeventienhonderd gulden. De zes jaren die erop volgen zal dit vierentwintighonderdveertig  gulden per jaar bedragen.
Dat de Rijn nog een schone rivier is blijkt wel uit een krantenartikel uit 1850. Baron Lynden van Hemmen en Baron de Constant Rebecque de Villars verpachten voor de tijd van zes jaar ‘de visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn, beneden het Lexkesveer tot boven het Heusdensche veer ’.

 

Amsterdamse Courant, 27 september 1783

Het ‘publicq verpagten in ’t nagemelde Veerhuis”; Amsterdamse Courant, 27 september 1783.
Bron: delpher.nl


 
Utrechtsche courant, 25 januari 1804

Verkoop door de Magistraat der Stad Wageningen; Utrechtsche courant van 25 januari 1804.
Bron: delpher.nl


 
Arnhemsche Courant, 3 september 1850

Het verpachten van de ‘visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn; Arnhemsche Courant, 3 september 1850.
Bron: delpher.nl

 
Halverwege de negentiende eeuw zijn Jacobus en Janna van de Pol de uitbaters van het Pension-Hotel ‘Het Lexkesveer’, gelegen aan de Wageningse kant van de veerverbinding. In 1875 koopt een lid van familie van de Pol het badhuis in de Rijn aan, dat tot dan in handen van een vennootschap is geweest. Tegelijkertijd vat hij het plan op om een rijtuigdienst tussen de stad en het badhuis te bewerkstelligen, hetgeen ‘velen te dezer plaatse met genoegen zullen vernemen’.

 

Pension-Hotel Lexesveer

Pension-Hotel Lexesveer
Bron: Historische Vereniging Oud Wageningen


 
Hotel Lexkesveer circa 1896-1910; collectie van de Lugt.

Hotel Lexkesveer circa 1906 met rechts het badhuis; collectie familie van de Lugt.
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum

 
Na het overlijden van Jacobus in 1872 zet de weduwe de onderneming voort. Dit mondt enkele jaren later uit in een slepende ‘quaestie’ tussen weduwe Van de Pol en de eigenaar van het Lexkesveer, baron Lynden van Hemmen, over het recht tot aanleggen van de gierpont. Volgens weduwe Van de Pol zijn de bovenste twee veerdammen of stoepen haar eigendom en verbiedt om deze reden het aanleggen, waardoor de overtocht wordt bemoeilijkt of helemaal niet kan plaatsvinden. In dit laatste geval geschiedt de overtocht per roeiboot. Een anonieme schrijver doet in een ingezonden bericht naar ‘Het nieuws van de dag; kleine courant’ precies uit de doeken hoe volgens hem de vork in de steel zit.

 

Het nieuws van den dag kleine courant, 20 december 1884

Ingezonden brief in ‘Het nieuws van den dag, kleine courant’ van 20 december 1884 met uitleg over de ‘quaestie’.
Bron: delpher.nl

 
Met dag- en nachtvaarten tot 1983 kan het haast niet anders dan dat er ook wel eens iets misgaat met of rond de pont. Zo komt het Lexkesveer op 20 december 1895 in aanvaring met de stoomboot Concordia. De schade aan beide vaartuigen is aanzienlijk; de brug van de pont is verbrijzeld en de bomen beschadigd. De stoomboot heeft een groot gat in het voorsteven.
In juni 1907 eindigt een zondagsritje voor een viertal met een enkeltje per trein naar huis. Een gezelschap uit Zutphen, bestaande uit twee heren en twee dames, wil vanuit de Betuwe met de automobiel met de veerpont oversteken. Op de afweg naar de pont stapt het gezelschap uit om te bekijken hoe de automobiel erop moet. Echter, de automobiel begint uit eigen beweging de helling af te rollen en belandt, ondanks verwoede pogingen om haar tegen te houden, in de Rijn.
Het wordt een tochtje van ruim twintig minuten voor de passagiers op een woensdagmiddag in oktober 1937. Een motorschip vaart zo dicht langs de pont dat de beide kabels, waarlangs de pont vaart, breken en het stuurloos tweehonderd meter de Rijn afdrijft tot het anker wordt uitgeworpen. Een opkomend motorschip brengt het veer weer naar de voorstoep, waar de passagiers veilig aan land kunnen.
Een ander voorval met een lange nasleep vindt plaats op 30 juli 1957, waardoor de veerpont is gezonken. Na uitgebreid onderzoek verschijnt in de bijlage van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959 het verslag van de Raad voor de Scheepsvaart.

 

Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart, bijvoegsel van de Ned Staatscourant van 10 september 1959, nr 175

Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart; bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959, nr. 175.
Bron: delpher.nl

 
In de loop der tijden heeft het Lexkesveer heel wat veranderingen ondergaan. Aan het Lexkesveer is in oktober 1900 de eerste ijzeren veerpont in de Rijn in de vaart gebracht. Vervaardigd en geleverd door de H.H. Meijer te Zaltbommel en Leeuwen, voor rekening van dhr. J. van de Pol. In 1928 wordt de pont voorzien van een degelijke en praktische afsluiting, namelijk valbomen. De stoompont van het Katerveer in Zwolle, die buiten dienst is gesteld, gaat in 1930 de inmiddels oude en afgedankte gierpont van het Lexkesveer vervangen. Hierdoor ontstaat er een snellere veerverbinding.

 

Het Lexkesveer rond 1919.
Bron: dordtsekaart.nl


 
Rotterdamsch nieuwsblad, 7 maart 1930

De stoompont van het Katerveer met op de voorgrond de oude afgedankte gierpont; Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 maart 1930.
Bron: delpher.nl

 
Aangezien de vervoersmiddelen steeds groter en zwaarder worden en elkaar amper kunnen passeren over de Wageningse Berg is er de noodzaak tot een oplossing. Als werkverschaffingsproject wordt de huidige Westbergweg grotendeels met de hand uitgegraven en op 15 mei 1939 feestelijk geopend. Goed nieuws voor de beheerder van het Lexkesveer, aangezien het veer nu veel makkelijker voor al het verkeer bereikbaar is. In januari 1952 komt er bovendien een nieuwe motorpont, waarmee nu zelfs de zwaarste voertuigen kunnen worden overgezet. Ruim vijf jaar later zal deze pont jammerlijk genoeg zinken.

 

Lexkesveer

Het Lexkesveer zoals we het nu kennen.
Bron: © Michael van den Berg (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Door de weersomstandigheden is de veerverbinding uiteraard lang niet altijd mogelijk. Zodra het maar enigszins kan wordt het vervoer over het water gedaan met een roeiboot. Toch kan het gebeuren dat de Nederrijn helemaal dichtgevroren is, zoals in de strenge winters van 1939-1940 en 1962-1963. Dan wordt er door middel van planken een voetpad over de Rijn aangelegd, zodat het verkeer voor voetgangers en wielrijders mogelijk is. Ook wordt er wel gebruik gemaakt van boompjes of staande takken op het ijs om een soort van hek langs een schoongemaakt voetpad te creëren. Op die manier kan er ondanks dat het veer buiten bedrijf is toch veergeld gevraagd worden.

 

Arnhemsche courant, 18 januari 1940

Een bericht van de ANWB, dat gedurende enkele weken in de kranten verscheen; Arnhemsche Courant van 18 januari 1940.
Bron: delpher.nl


 
Lexkesveer, winter 1939-1940

Lopend over de Rijn in de winter van 1939-1940.
Bron: fotos.serc.nl


 
Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963.
Bron: © Mart Spijker (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan Michael van den Berg, Pieter ten Brinke, Hans Holleman en Mart Spijker voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit hun eigen collectie.

Bronnen: Wikipedia, Delpher, Wagenings Fotoalbum, Digibron en Oud Wageningen
 
 

Het poëziealbum

18 mei 2017 at 22:59

 
Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie door Antonius Watson

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.

 

Album amoricum van Meindert van Idzarda

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek


 
Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: commons.wikimedia.org


 
Album amoricum van Egbert Philip van Visvliet

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Album amoricum van Burchard Grossmann

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: wereldaanboeken. ub.rug.nl

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: dbnl.org, nl.wikipedia.org en kunst-en-cultuur.infonu.nl
 
 

error: Helaas, uw saldo is niet toereikend voor deze actie.