Vondeling Betje Goedhart

12 december 2017 at 16:01

 
Betje Goedhart. Dit is de naam van het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelingenhuis. Op 20 april 1840 om kwart voor twaalf ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor de deur. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelingenhuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek (Boek I Personen, 3e Titel, 2e Afdeling) is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelingenhuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: FamilySearch

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zal, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

Betje wordt dus opgenomen in het ‘Stadsbestedelingenhuis’ oftewel de ‘Inrichting voor Stadsbestedelingen’. Deze inrichting komt in 1828 in de plaats van het opgeheven Aalmoezeniersweeshuis. De stadsbestedelingen zijn vondelingen, wezen en verlatenen van hooguit vijftien jaar, die niet in aanmerking komen voor het Burgerweeshuis of een ander armbestuur. In het ‘Vondelingenboek’ is te lezen dat Betje is gevonden met het bericht: ‘Betje Goedhart oud 8 weken gedoop Grifiemeett‘.

 

Opname in het Stadsbestedelingenhuis

De opname van Betje in het register van het Stadsbestedelingenhuis.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Vondelingenboek Betje Goedhart

Uit het ‘Vondelingenboek’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1822 wordt voorgeschreven dat alle vondelingen, wezen en verlatenen binnen het rijk naar de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden, zodra zij de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.
Dit lot valt ook Betje ten deel. Op 7-jarige leeftijd wordt zij op 26 mei 1847 ‘Uitbesteed bij de M.v.W’. Haar aankomst in de kolonie Veenhuizen staat geregistreerd op 28 mei 1847. Na haar ontslag op 20 april 1860 keert zij als dienstbode terug naar Amsterdam. Achtereenvolgend staat zij in het bevolkingsregister ingeschreven op de Kalverstraat 357, de Leidsekruisstraat 134, de Papenburgsteed 580 en tenslotte op de Prinsengracht 239. Op 16 januari 1862 vertrekt Betje naar Weesperkarspel om op 25 januari 1866 naar Diemen te verhuizen. Het jaar daarop zal zij Diemen voorgoed verruilen voor Weesperkarspel.

 

Inschrijving Betje Goedhart M.v.W.

Inschrijving van Betje Goedhart in het register van de Maatschappij van Weldadigheid.
Bron: AlleKolonisten

 
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam