Geschiedenis van het ijs

 

In eerste instantie was mijn opa Albertus Cornelis (Cees) Enklaar smid van beroep, maar na de crisisjaren van de vorige eeuw besloot hij zich toe te leggen op het verkopen van zelfgemaakt ijs. Zo trok hij met zijn ijscokar door de straten van Nijmegen om ‘het lekkerste ijs van Nijmegen’ aan de man te brengen. Overigens was deze eigen fabricage van ijs geheel tot groot ongenoegen van mijn oma, die daarvoor als onvrijwillig proefpersoon moest dienen. Teveel zout, te weinig zout. Dikwijls vroeg zij zich hardop af of ‘hij haar soms wou vergiftigen…?!’.
Uiteraard moest je met je tijd meegaan en de ijscokar werd daarom ingeruild voor een ‘bedrijfsauto’. Heel wat zijn er versleten. Bovendien waren het niet de meest nieuwe en solide auto’s, waardoor het kon gebeuren dat afgevallen onderdelen de bedrijfsauto spontaan in konden halen tijdens het rijden. Zo kon mijn vader zich nog goed herinneren dat hij als klein jochie terug moest rennen om een uitgevallen autodeur van de straat te rapen!
 

Albertus Cornelis Enklaar

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscokar
© Uit de oude Koektrommel

 

De geschiedenis van ijs gaat terug tot aan het Romeinse tijdperk. De Romeinen maakten van sneeuw uit de bergen, gemengd met honing, rozenwater en fruit al een soort van sorbet. De Chinezen zouden op hun beurt rond 700 een mengeling van melk, bloem en kamfer in een metalen buis in sneeuw hebben gekoeld, om zo een ijsje te maken.
Na eeuwen zonder historisch bewijs dat Europeanen ijs aten, kwam de herintroductie na de verre reizen van Marco Polo in de dertiende eeuw. Hij bracht in 1292 de ‘sherbet’ mee naar Italië, gemaakt volgens de techniek van de Chinezen, die een mengsel van water en salpeter gebruikten om het water kunstmatig te bevriezen.

In de zestiende eeuw won de Siciliaanse poelier Ruggeri met een creatie van ‘een bevroren zoetigheidje’ op een roemrijke wedstrijd van de Catharina de Medici: het roomijs. Ruggeri was op slag beroemd en werd gevraagd door alle grote vorstenhoven. Toch besloot hij uiteindelijk weer terug te keren naar zijn beroep als poelier.
Het inmiddels enorme succes van het Italiaanse ijs vroeg om een grootschaliger bereiding. In 1686 opende de Siciliaan Francesco Procopio de Coltelli daarom met succes in Parijs de salon annex ijsfabriekje ‘Café Procope’. Men kon nu voor het eerst kennismaken met zijn bevroren mengsel van melk, room, ei en boter.
 

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscowagen

Albertus Cornelis Enklaar met zijn ijscowagen.
© Uit de oude Koektrommel

 

Halverwege de achttiende eeuw namen Europese immigranten het inmiddels populaire ijsje mee naar de Verenigde Staten. Nog altijd was ijs echter vooral voor de rijkere lagen van de bevolking. Immers, de productie en het koel houden van ijs was vrij duur.
Door de ontwikkelingen in de Industriële Revolutie ontstond halverwege de negentiende eeuw de mogelijkheid om ijs veel gemakkelijker en goedkoper koel te houden. Vanaf dat moment werd ijs ook voor het ‘gewone volk’ betaalbaar, waardoor de ijsindustrie opkwam. Pas na de Tweede Wereldoorlog, toen de eerste diepvriezers verschenen en de eerste grote ijsfabrieken werden opgericht, begon de commercialisatie in Europa.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: isgeschiedenis.nl, nl.wikipedia.org en lekkertafelen.nl