De terechtstelling van Maritje de gifmengster

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn voorouderlijke lijn voorkomt, lijkt Maritje toch geen familie te zijn. Destijds had ik mij zeker gelukkig geprijsd niet tot haar familiekring te behoren. Nu, een kleine drie eeuwen later, moet ik in alle eerlijkheid bekennen het te betreuren dat de enige gemene deler de patroniem Jansen is. Een vijfvoudige familiemoordenares tussen al die hard ploeterende schaapherders en landbouwers zou toch een aangename en interessante afwisseling zijn in de Jansen-stamboom.

De ‘media’ spreekt van Maria. Waarschijnlijk met het sensatiebeluste doel om het contrast tussen die naam en haar daden nog groter te maken. Maritje Jansen. Geboren in 1677 in Bennekom als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Bennekomse Rijnsteeg, die gelegen is op het landgoed van kasteel Hoekelum. In 1697 duikt haar naam op in het kerkregister, wanneer Maritje op 21 december belijdenis van het geloof aflegt in de Nederduits-Gereformeerde Kerk van Bennekom.

 

Boerderij De Grampel
Bron: Drimble (embedded) (Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)


 
Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 
In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Drie jaar later gaat Maritje aan de slag als inwonende dienstmeid bij de paardenmeester Aart Gerritsen. Gedurende haar verblijf van zeven jaar bij hem leert zij het nodige over medicijnen en gif; iets wat haar later goed van pas zou komen.
In het jaar 1720 neemt zij haar intrek als boerenmeid bij Teunis Janssen. Hun relatie zal zich alleen tot het zakelijke beperken. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Hevig teleurgesteld over het feit dat Teunis zijn heil liever zocht bij andere vrouwen, zet de in leeftijd gevorderde Maritje haar teleurstelling om in wraak. Voor een luttel bedrag koopt ze rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende Wageningse apotheker Doyts, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar en wever Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen. Gerrit is een nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Hij heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Het stel trouwt op 21 juli 1726 in Bennekom. Dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje, en als gevolg daarvan de relatie met Gerrit, is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: FamilySearch

 
Na langdurige verhoren, waarbij drukmiddelen eerder regel dan uitzondering zijn, bekent Maritje uiteindelijk de vijfvoudige moord met voorbedachte rade op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen worden vanaf 1713 in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

Markt Arnhem

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en ’t Hof van Nassau (1649)

 
Nadat haar lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt Maritje op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept. Daar wordt zij met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel‘. De Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, is hiervoor een uitermate geschikte locatie; al het (handels)verkeer over deze weg gaat naar het noorden.

Hoe afschuwelijk haar daden ook geweest mogen zijn, de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland
 
 

Tags: