Huiszittenhuizen Amsterdam

 
Huiszittenhuizen

De Huiszittenhuizen zijn de huizen van waaruit de bedeling aan ‘huiszittende armen’ plaatsvond. Dat waren officieel geregistreerde armen die niet in een gasthuis of tehuis waren gehuisvest, maar nog in hun eigen huis woonden.
Deze vorm van armenzorg is ontstaan uit de armenzorg van de kerk en kwam in de zeventiende eeuw onder de hoede van het stadsbestuur. Er was zowel aan de Oude Zijde een Huiszittenhuis (Oudezijds Huiszittenhuis of Oudezijds Huiszittenaalmoezeniershuis) aan het Waterlooplein, voorheen de Leprozenburgwal of Leprozengracht, als aan de Nieuwe Zijde een Huiszittenhuis (Nieuwezijds Huiszittenhuis) aan de Prinsengracht. In 1808 zijn de beide instellingen samengevoegd onder het bewind van de Regenten van de Huiszittende Stadsarmen. Een aanpassing van de Armenwet in 1870 betekende het einde van de Huiszittenhuizen en hun regenten. Bij raadsbesluit van 9 november 1870 werd de bedeling vanuit de Huiszittenhuizen opgeheven.

Het criterium om in aanmerking te komen was gerelateerd aan inkomen en aan kosten. Afhankelijk van de situatie kreeg iemand dan zomer- en/of winterhulp, bestaande uit bijvoorbeeld voedsel, kleding en stookmiddelen. Het aantal geregistreerde armen wisselde per jaargetijde en was in de winter tot zes maal zo groot. Dat was aanvankelijk ook de reden waarom de bedeling alleen in de wintermaanden plaatsvond, van Kerstmis tot Pasen. Noodgedwongen werd dat later dus het hele jaar door, echter met wisselende hoeveelheden.

De kosten van het huiszittenhuis werden niet altijd door de gemeente betaald, maar om de kosten te drukken ook door de kerkgemeenschap of diaconie van de religie waartoe men behoorde. Daarom staat er in de inschrijfboeken soms achter de religie een plaatsnaam waar het gezin vandaan kwam. Deze kerkgemeenschap diende te betalen of in ieder geval bij te dragen.

 

Gezicht op het Oudezijds Huiszittenhuis van Amsterdam, Jan Goeree, 1782

Gezicht op het Oudezijds Huiszittenhuis van Amsterdam (Jan Goeree, 1782).
Bron: Rijksmuseum


 
 
Inschrijfboeken

De inschrijfboeken van bedeelden zijn de registers waarin de namen (op alfabetische volgorde) en andere relevante gegevens werden bijgehouden van de Amsterdammers, die door de regenten ondersteund werden. Alle afgesloten registers van voor de fusie van 1808 zijn verloren gegaan.
Vanaf 1808 is echter een complete serie bewaard gebleven. In dat jaar koos men er voor de registratie voort te zetten in twee reeds bestaande inschrijfboeken van de regenten van het Nieuwezijds Huiszittenhuis. Deze inschrijfboeken waren samengesteld in 1803. Daardoor bevat de oudste serie gegevens van armen aan de Oude Zijde vanaf 1808, maar voor de Nieuwe Zijde al vanaf 1803.

De inschrijving kan zowel op naam van een man als op naam van een vrouw plaatsvinden. Als een ingeschreven vrouw een partner kreeg werd zijn naam als relatie bijgeschreven. Er vond dan geen verandering van de inschrijving op de naam van de man plaats.

Als iemand lang bedeling ontving kan hij in meer boeken voorkomen. Ook komt het voor dat iemand bedeling ontving, het daarna een tijdje niet meer nodig had, maar later weer opnieuw werd ingeschreven. Het kan ook zo zijn dat een persoon in de ene periode als ingeschrevene voorkomt en in een andere periode voorkomt als partner van een ingeschrevene.
Zodra de bedeling werd stopgezet werd de naam van de ontvanger doorgestreept. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij overlijden, vertrek uit Amsterdam of wanneer de ingeschrevene het niet meer nodig had.

 

Voorbeeld Huiszittenhuizen Amsterdam

Inschrijving Huiszittenhuis Amsterdam.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
De inschrijving is doorgaans ingedeeld in vijf kolommen:
 
Kolom 1

Het nummer van de inschrijving met eventueel een verwijzing naar de vorige bladzijde en het nummer van inschrijving in het voorgaande boek. In dat geval betreft het de mensen die in 1803 (Nieuwe Zijde) of 1808 (Oude Zijde) als eerste in het nieuwe register werden overgeschreven. Bij een deel van deze groep zie je voor kolom 4 ook het jaar van eerste bedeling aangegeven.
 
Kolom 2

Gegevens over de ingeschrevene en zijn of haar partner. Het betreft in eerste instantie de naam en adresgegevens. Voornamen zijn soms volledig opgenomen en soms zijn alleen voorletters vermeld. Daarnaast kunnen er aantekeningen in staan die de omvang van de bedeling beïnvloeden (bijvoorbeeld of iemand gebrekkig is of niet), bij welke kerk mensen ingeschreven zijn of het vervallen van de bedeling met een korte aantekening. Als de diaconie van de kerk de bedeling overnam is de vermelding onderstreept.
 
Kolom 3

Gegevens over eventuele kinderen. Het betreft de naam en het geboortejaar. Als de kinderen overleden zijn is hun naam doorgestreept.
 
Kolom 4

Winterbedeling. Aangetekend is het jaar waarin bedeling is gegeven. De betekenis van de cijfers is niet bekend.
 
Kolom 5

Zomerbedeling. Aangetekend is weer het jaar waarin bedeling in de zomer is gegeven.
 
 
Enkele afkortingen:

C of Cons.t   Consent (met toestemming van)
ELL of ELLt   Evangelisch-Luthers lidmaat
G   Gereformeerd dooplid
Geroy   Geroyeerd (verwijderd)
GL of GLt   Gereformeerd lidmaat
L   Luthers dooplid
RC   Roomsch Catholiek
 
 
Inzage in de inschrijfboeken

In totaal zijn er zes inschrijfboeken met inschrijvingen in te zien, verdeeld over drie perioden. Per periode zijn in het eerste boek de achternamen die beginnen met A tot K te vinden en in het tweede boek de achternamen die beginnen met L tot Z.

Inventarisnummer:
865: A — K 1803-1823
866: L — Z 1803-1823
867: A — K 1824-1850
868: L — Z 1824-1850
869: A — K 1851-1870
870: L — Z 1851-1870

Bronnen: Stadsarchief Amsterdam, Wikipedia en Theo Bakker