Beste genealogievrienden,

Een veelbewogen jaar. Pittig en ingrijpend. Zo zou ik 2020 in het kort willen omschrijven. Een jaar waarin een ieder van ons op eigen wijze heeft ervaren hoe drastisch het coronavirus in het leven heeft toegeslagen en welk immens verdriet het soms veroorzaakte. Zo hebben we allemaal ons eigen verhaal.

Hoe vreemd het wellicht mag klinken, mijn inmiddels ruim negen maanden durende noodgedwongen thuisquarantaine heeft mij op persoonlijk vlak veel goeds gebracht. De beschikbare tijd moest en kon anders worden ingevuld. Denken aan wat nog wèl mogelijk was, maakte de weg vrij voor nieuwe uitdagingen en doelen. Mijn inventieve brein draaide heel wat overuren!
Het afgelopen jaar mocht ik via mijn website wederom vele persoonlijke verhalen ontvangen van genealogieliefhebbers. Zo af en toe zaten daar ook hartverwarmende berichten tussen. Gewoon zomaar. De woorden van dankbaarheid, erkentelijkheid en steun raakten mij. Het deed mij goed. Wat schuilt er toch ook veel goedheid in mensen.

Genealogie verbindt wereldwijd mensen met elkaar. Als genealogisch onderzoeker heb je het voorrecht om het leven van een ander te mogen verrijken. Iedere dag weer zijn talloze enthousiaste vrijwilligers bereid geheel belangeloos een helpende hand te bieden. We steunen elkaar waar nodig, ongeacht wie of wat je bent. We bundelen onze kennis om samen voor een ander de obstakels op het genealogische pad weg te nemen in de zoektocht naar de oorsprong van diens wortels. Hoe mooi is dat?!

Bij elke voorbijtikkende seconde komt het ‘normale’ leven telkens een klein stapje dichterbij. Kijk! Dat biedt een hoopvol vooruitzicht. Welgeteld heeft een etmaal 1440 minuten. Stel je jezelf eens voor op hoeveel momenten daarvan je kan besluiten om voor een ander het verschil te gaan maken. Om een beetje vriendelijkheid en behulpzaamheid de wereld in te sturen. Op genealogisch gebied of in het dagelijkse leven. Het kost je niks. En al lijkt het weinig wat je doet, je geeft soms veel meer dan je denkt…

Een gezond, voorspoedig en liefdevol 2021!

Hartelijke groet,
Tanja Enklaar
Uit de oude Koektrommel

 

 
 

 
Als klein meisje wisten de verhalen over de Spaanse afkomst van mijn oma mij mateloos te intrigeren. Compleet was deze familiegeschiedenis zeker niet. In feite bleef het met betrekking tot onze stamvader in Nederland beperkt tot het gegeven dat hij uit Spanje was gevlucht en in Nederland uit veiligheidsoverwegingen een andere achternaam had aangenomen. Úbeda. Van deze plaats in Spanje zou hij afkomstig zijn. Volgens de overlevering hadden zich ook militairen aan de deur gemeld om hem op te pakken, maar zij troffen hem daar niet aan. Het was allemaal een beetje vaag, niemand wist er precies het fijne van. Daarnaast was de periode waarin zich dit zou hebben afgespeeld volstrekt onbekend. Men ging er vanuit dat het mijn overgrootvader betrof. Dat geloofde ik grif. Had je mijn temperamentvolle tantes met hun toch wel exotische voorkomen in Spanje neergezet, dan zouden zij in het Iberische decor beslist niet zijn opgevallen.

Op volwassen leeftijd besloot ik op zoek te gaan naar enige bevestiging van hetgeen ik decennia geleden in mijn geheugen had opgeslagen. Al snel pikte ik het spoor op van José Antonio, geboren op 16 april 1790 in Huércal de Almeria als derde zoon van Francisco de Rueda Álvarez en Josefa Antonia de Úbeda de Rojo. Daar begon het familieverhaal stevig te rammelen. Niks geen Spaanse volbloed als overgrootvader. De, voor mijn Nijmeegse oudmoeder Maria Catharina Giesbers, Andalusische adonis met zijn blijkbaar zeer sterke genen moest vijf generaties terug gezocht worden. Bovendien werd duidelijk dat José de familienaam van zijn moeder in bruikleen had genomen en niet de naam van zijn herkomstplaats.

 

Almeria

Huércal de Almeria, de geboorteplaats van José.
Bron: De Grote Bosatlas 48e druk 1976 (bewerkt)

 
Mijn namengoochelende oudvader José maakt het de stamboomonderzoeker behoorlijk lastig. Niet alleen zijn achternaam kent diverse varianten. Hij schiep er blijkbaar ook genoegen in om met de voornamen Joseph en Jan enige twijfel te zaaien over zijn ware identiteit. De voornaam Joseph, weliswaar de vernederlandste vorm van José, lijkt bij zijn opgezette plan te horen om in de luwte te blijven. Of misschien was het zijn gevoel voor humor. Vond hij Joseph en Maria een uitermate geschikte combinatie en kwam de naam Jan hem goed uit. ‘Gossee, hoe schrijf je dat?’ Tja, als ongeletterd man had José eigenlijk geen idee. Ik kan mij levendig voorstellen, dat hij de zwoegende ambtenaar de bekende indringende ‘Ubeda-blik’ heeft toegeworpen en antwoordde: ‘Doe maar Jan dan. Whatever.‘.

Volgens eigen zeggen zou José al rond 1804 in militaire dienst zijn geweest. Hij wordt vermeld als comparant in de Akte van Bekendheid behorende bij de huwelijksbijlagen van Franciscus Boutier en Hendrina Bos. Deze verklaring wordt afgelegd op 11 januari 1828 voor de vrederechter van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Nijmegen. Joseph Ubeda, dagloner, oud negenendertig jaren, verklaart: ‘…, dat hij als geboorte uit Spanje slechts vier of vijf uren van de stad Dallier (geboortestad van Franciscus Boutier), en reeds sedert vier en twintig jaren zoo in miltairen dienst als anders in kennis met den rekuirant (Franciscus Boutier) geweest zijnde van den tijd zijner geboorte en het overlijden zijner ouders volkomen kennis draagt.’ Alle zes comparanten verklaren tevens ‘…, dat zij als den rekuirant sedert achttien honderd twaalf binnen Nijmegen gekend hebbende zoo van onderscheidene Spanjaards, als anders…’.
Alhoewel José niet in zijn eerste leugentje gestikt blijkt te zijn, moet er toch, zij het met enige argwaan, van de juistheid van deze onder ede afgelegde getuigenis uit worden gegaan. Dat zou betekenen dat José rond zijn veertiende jaar in het leger zat en in 1812 al in Nijmegen bivakkeert.

 

Minutenakte1

José vermeld als comparant in de Akte van Bekendheid.
Bron: FamilySearch


 
Minutenakte2

Verklaring van José en overige comparanten in de Akte van Bekendheid.
Bron: FamilySearch

 
Volgens een voor mij zeer betrouwbare mede-onderzoeker deserteert José uit het het Napoleontische leger. Zonder het betreffende en zich in het buitenland bevindende bewijsstuk onder ogen te hebben gezien, blijft dat vooralsnog een aanname. Dat zou wel een plausibele verklaring zijn voor de militairen aan de deur. Gedurende de jaren van Franse onderdrukking schroomde men niet families, buren of zelfs hele dorpen van dienstweigeraars en deserteurs onder druk te zetten. Maatregelen varieerden van zoektochten door de militaire politie, zware boetes aan ouders, dwang tot het ronselen van nieuwe soldaten tot het op kosten van de familie of buren inkwartieren van ‘garnisaires’ in de hoop dat de onderduikers tevoorschijn zouden komen om de getroffenen te ontlasten van deze extra kosten.

Over de jaren tussen 1812 en 1817 is weinig bekend. Maria heeft al een in 1813 geboren buitenechtelijke dochter Johanna. Wat betreft Johanna heb ik geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat zij een dochter van José zou zijn. Bij haar huwelijk wordt zij vermeld als onwettige dochter van Maria Gisbers, ‘thans gehuwd aan Joseph Ubeda, houthakker, wonende te Nijmegen’.
Het oudste ‘officiële’ kind van ‘Joseph en Maria’ samen, een zoon Paqual, ziet op 20 april 1817 het levenslicht in het Spaanse Jola, gelegen aan de Portugese grens in de autonome regio Extremadura. Niet toevallig een prima afgelegen onherbergzaam toevluchtsoord op steenworpafstand van het Parque Natural da Serra de São Mamede. Mijn fantasie gaat met mij op de loop. In gedachten zie ik het al helemaal voor mij. Joseph lopende naast de ezel met de hoogzwangere Maria er bovenop, in het woeste landschap zoekende naar een geschikte plek voor de lieftallige Maria om te kunnen bevallen. Die ezel heeft hij onderweg liefdevol voor haar geritseld. Dat ‘voor elkaar krijgen’ zit ontegenzeggelijk in de Ubeda-familie.
Voor het gemak ga ik er overigens vanuit, dat Maria haar José niet tijdens een welverdiende vakantie in Spanje heeft ontmoet. De kans is groot, dat het stel vanuit Nijmegen de benen heeft genomen naar Spanje en, nadat de kust veilig was, definitief is teruggekeerd.

 

Jola

De plaats Jola bij de grens met Portugal.
Bron: De Grote Bosatlas 48e druk 1976 (bewerkt)

 
Het Nijmeegse bevolkingsregister en de akten van de Burgerlijke Stand merken het koppel als getrouwd aan. Van een huwelijk in Nederland lijkt geen sprake. Als zij al getrouwd waren, dan zou een huwelijk in Spanje het meest voor de hand liggen.
Het oudst terug te vinden adres van het gezin is in 1827 Achter de Wal 550, de latere Walstraat en gelegen achter de in 1467 aangelegde stadswal. José, vermeld als Joseph Ovida, is arbeider en in 1817 vanuit Spanje naar Nijmegen gekomen. Ze hebben het niet breed. Elke veertien dagen ontvangen ze een bedeling van f 1,55 uit de Algemene Kas. Omgerekend ligt de huidige koopkracht rond € 16.55.
In 1840 staat het gezin ‘Ovieda’, bestaande uit acht personen, ingeschreven op het adres Achter de Wal 553. Daar zal José, weduwnaar sinds 1849, blijven wonen tot aan zijn overlijden in 1869. Mijn oudouders krijgen naast een levenloos geboren dochtertje in totaal twaalf kinderen, vier zonen en acht dochters, waarvan er maar drie de volwassen leeftijd niet weten te halen. Dat is op zich een hele prestatie. Zoon Joseph besluit het als militair overzee te zoeken. Hij overlijdt subiet in de militaire post te Republiek in Suriname.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1827

Inschrijving van het gezin in het bevolkingsregister van Nijmegen (1827).
Bron: RAN


 
Bevolkingsregister Nijmegen 1850

Inschrijving van José en zijn nog vier thuiswonende kinderen in het bevolkingsregister van Nijmegen (1850).
Bron: RAN

 
Het heeft er alle schijn van dat José een echte familieman was. Dat baseer ik niet alleen op het feit, dat na het overlijden van Maria zijn nog vier thuiswonende kinderen gezellig bij hem in zijn blijven wonen tot het voor hun ook tijd werd om uit te vliegen. Dochter Elisabeth keert, na vier maanden in Amsterdam voor het gezin van haar zwager en weduwnaar van haar zus Antoinetta te hebben gezorgd tot hij hertrouwt, terug naar het Nijmeegse ouderlijke nest. Ook voor de opvolgende Ubeda-generaties zou familieband een belangrijke rol blijven spelen.
Bijzonder voor die tijd vind ik, dat José nooit is hertrouwd. Hij zal in de blozende Hollandse deerne zijn ware liefde hebben gevonden…

 

Overlijdensakte José Ubeda

Overlijdensakte van José Ubeda.
Bron: Gelders Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Tijdens voorouderlijk onderzoek kunt u de benaming ‘wijnkoop’ tegenkomen. Wijnkoop, een van oorsprong Germaans gebruik, was algemeen verspreid en ook bekend in onder meer het Oostfries, Hoogduits en Deens. In feite was het de wijn, die als bewijs van een gesloten overeenkomst en ter bekrachtiging ervan door de kopende en verkopende partijen tezamen met getuigen werd gedronken. Of ook wel het gelag, waaraan de betrokken personen en getuigen, de wijnkoopslieden, deelnamen bij het sluiten van een handel, met name bij eigendomsoverdracht door koop. De van tevoren afgesproken kosten waren voor de opdrachtgever of werden door de partijen verrekend.

 

Wijnkoop Reneke Busch

Uit de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama, 1665-1710’.
Bron: Groninger Archieven

Transcriptie:
1665 Geslacht-register
Den 29 Martii is de wijnkoop geweest van Doctor Reneke Busch ende Siberdina Siccama tot Zuidhorm gebooren den 28 Aprilis 1643.

 

Wijnkoop Alagonda Busch

Uit de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama, 1665-1710’.
Bron: Groninger Archieven

Transcriptie:
Op donderdage den 10 Octob is de wijnkoop geweest van mijn jongste dochter Alagonda Busch met de Heer Gijsbert Matthias Kreechs.

 
De wijn kon door andere dranken vervangen worden. Bier bijvoorbeeld. In dat geval sprak men ook wel van ‘bierkoop’ of ‘wijnkoopsbier’, bier gedronken als wijnkoop. In de loop der tijd werd het geven van drank vervangen door het geven van geld. Daarmee kreeg wijnkoop geleidelijk aan de betekenis van handgeld of -gift. Als ‘arrha confirmatoria’, een verbintenis- of overeenkomstrecht, waarbij een (symbolisch) geldbedrag werd overhandigd ter bevestiging van een koopovereenkomst. Een aanbetaling dus. Deze geldsom werd doorgaans besteed aan een godsdienstig of liefdadig doel.

Eigenlijk is wijnkoop hetzelfde als lijfkoop. Dat lijkt niet erg positief te klinken als het een bezegeling van een overeenkomst betreft bij een voorgenomen huwelijk van een voorouder. Een soort van huwelijkshandel of vrouwkoop. Toch was dit destijds gebruikelijk in gegoede kringen. Zodra de huwelijksdag was bepaald, stelde men bij de ondertrouw ook de huwelijksvoorwaarden vast. Daarbij werd het wederzijdse goed door de ouders van het toekomstige bruidspaar tegen elkaar afgewogen en na overeenkomst in een huwelijkscontract opgesteld, dat doorgaans begon met de woorden: ‘Dat ter eere Gods en tot vermeerderinge des menschelijken geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen …’. Als viering van het overeengekomene volgde de wijnkoop. In eerste instantie was dit de verlovingsdronk. Later werd dit een maaltijd voor wederzijdse familieleden en vrienden. De term wijnkoop staat tegenwoordig, weliswaar in dialect, in sommige streken nog steeds als synoniem voor bruiloft.

 

"

William Unger naar Jan Steen Het huwelijk van Tobias en Sara: het tekenen van het huwelijkscontract (Tobias 7), 1868
Bron: RKD (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: DBNL, Nederland door de eeuwen heen (DBNL), Gutenberg, Westfries Genootschap en UvA-DARE
 
 

 
Ze doen geen pijn. Je gaat er niet aan dood. Tenzij jouw lichaam op exact hetzelfde moment besluit dat de tijd is aangebroken om naar de eeuwige jachtvelden te vertrekken. Dan nóg is het de vraag of die gebeurtenis daadwerkelijk een gevolg is van jouw actie. Drie woordjes. Tenminste, als je de populaire ‘snelle’ varianten niet meerekent. Twee, als je besluit het op formele wijze in de Engelse taal te willen uitdrukken. De Fransen maken er met één woord helemaal een makkie van. Dank je wel. Thank you. Merci.

Menig genealogische hulpverlener binnen de groepen op sociale media zal het bekend voorkomen. Men stelt een vraag. Een gecompliceerde vraag lijkt het, waarbij het noodzakelijk is je eerst door een introductie van een half A-viertje aan irrelevante gegevens heen te worstelen om bij de kernvraag uit te kunnen komen. Er vanuit gaande, dat je die bij de eerste keer lezen onmiddellijk begrepen hebt. Mijn brein vraagt doorgaans nog om een tweede keer. Drie keer op een minder intelligente dag.

We starten de tijdwaarneming. Voor de verwerking en afhandeling van zo’n vraagstuk zetten we een doorgewinterde onderzoeker in met een analytische hersencapaciteit, die bovendien bekwaam is in het snellezen. We klokken af op anderhalve minuut. Stap twee is het opstarten van een algemene zoeksite. Uiteraard heeft de geroutineerde proefpersoon de link daarnaartoe snel vindbaar op de computer staan. Geen getrut. De gezochte namen ingeven. Rekening houdende met variaties door gebruik te maken van een asterisk. Deze handeling neemt iets meer tijd in beslag, maar weet desondanks de totale duur van de zoektocht te verkorten. Hoppa, de teller staat inmiddels op tweeënhalve minuut.
Dan begint het echte recherchewerk. Met een beetje mazzel wordt bij de vermelding direct een link naar de betreffende registratie vertoond. Zo niet, dan is een duik in het archief onvermijdelijk. Het zit de detective mee. De gevolgde cursus paleografie werpt bovendien zijn vruchten af bij het ontcijferen van het oude handschrift. Link kopiëren. Plakken in een reactie onder de topic en voorzien van een bondige omschrijving van het gevondene. We tikken de tijd af op vijf minuten. Een topprestatie!

Gelet op de reacties van vraagstellers zijn er twee bijzondere categorieën waar te nemen. De excessieve dankbetuiger, die goedbedoeld in alle enthousiasme zoveel veren in jouw broek steekt, dat je moeiteloos naar Engeland kunt vliegen. En de geheelweigeraar, bij wie blijkbaar verzuimd is elke vorm van fatsoen met de paplepel in te gieten. Geen enkele respons dus.
Hulp is niet vanzelfsprekend. Een veelal wildvreemde persoon is bereid minimaal vijf minuten van zijn of haar evenzo kostbare tijd aan jou te besteden. Is een ‘Dank je wel’ als blijk van waardering dan werkelijk teveel gevraagd? Of, laten we eens gek doen, het klikken op ‘Leuk’? Het kan inderdaad een hele uitdaging zijn. Je weet immers maar nooit wat er gebeurd. Echter, wie niet waagt, wie niet wint. Probeer het eens. Gewoon doen. Je voelt er niks van.

Tanja
 
 

 
Ervaren. Dat ben je na minimaal twintig jaar voorouderlijk onderzoek te hebben verricht. Voldoe je daarbij aan de voorwaarde al die tijd géén gebruik te hebben gemaakt van GenVer? Proficiat, dan mag je toetreden tot het selecte gezelschap snoevende betweters! Ik verzin het niet, hè. Laat mij dat even duidelijk stellen.

Te pas en te onpas kom je de kennelijk noodzakelijke mededeling tegen: ‘Ik ben al zoveel jaar bezig met genealogie.’ Op de plek van ‘zoveel’ dien je jezelf een zodanig imponerend aantal decennia voor te stellen, dat je van verbazing van je stoel valt. Wauw! Wat zegt dat? Helemaal niets. Besteed je sinds een jaartje of tien dagelijks halve dagdelen aan stamboomonderzoek, dan steek je de het-vierde-lustrum-vierende-weekeindhobbyist al snel de loef af.
Of deze: ‘Ik ben in 1970 gestart met genealogie. Totaal heb ik zo’n 48.000 namen in mijn database.’ Chapeau! Je bent een fanatieke namenverzamelaar. Zijn deze namen ook gecompleteerd met alle mogelijke gegevens van de personen? En wat is de frequentie van onderzoek? Is er sprake van een sabbatical of wellicht meerdere sabbaticals? Het zegt wederom helemaal niets. Bovendien, kwaliteit gaat nog altijd boven kwantiteit. Die minimaal vereiste twintig jaar tik ik overigens net niet aan en, ik heb even gecheckt, mijn stamboomprogramma huisvest 3067 personen.

Dan is er nog het vloeken in de kerk. Heb je zin in een robbertje digitaal stoeien, dan moet je voor de aardigheid ‘GenVer’ tussen neus en lippen door laten vallen. Qua aantal reacties ben je nog nooit zo populair geweest kan ik je verzekeren. Je wordt plotsklaps niet meer serieus genomen. GenVer is namelijk door de elite van zichzelf-uiterst-serieus-nemende-stamboomonderzoekers met algemene stemmen aangenomen tot het absolute taboe in genealogieland.
Je kunt je afvragen waar die massahysterie vandaan komt. Deze niet meer onderhouden indexeringswebsite met links naar de archiefstukverfilmingen op FamilySearch maakt gebruik van een verouderde beveiligingsconfiguratie, zo valt te lezen. Daarnaast gaan de geruchten dat de site malware zou bevatten. Bewapend met goede antivirus software laat ik mij toch graag verleiden tot het betreden van dit onveilige strijdtoneel. De indexering van Amsterdamse huwelijksbijlagen vind ik er net wat handiger dan die op FamilySearch zelf. Gemak dient de mens. Dat men mij daardoor als een met-haar-laptop-Russische-roulette-speelster ziet, zegt toch niets over mijn wel of niet serieuze benadering van genealogie?

Gedegen onderzoek vergt primaire bronnen, waarbij het doel de middelen heiligt. Een persoonlijke keuze. Eigen verantwoordelijkheid ook. Doe wat je goeddunkt. Alles beter dan via gepubliceerde stambomen binnen een halve dag enkele eeuwen aan familiegeschiedenis uitgeplozen te hebben. Saillant detail is trouwens dat een indrukwekkend deel van al die capabele criticasters een onbeveiligde eigen website onderhoudt, waar een inlog voor nodig is of waar gebruik gemaakt kan worden van een contactformulier. Hoe dan?
Al zou ik de behoefte hebben, toetreding tot het clubje prestigieuzen zit er voor mij niet in. Vooralsnog ben ik een niet serieus te nemen onderzoekster zonder een bewonderenswaardige opvulling van mijn genealogische curriculum vitae. Beheerster van een optimaal beveiligde website. Dat dan weer wel.

Tanja
 
 

 
Ons konijn Paqual likt dagelijks zijn voerbak helemaal schoon. Eten is zijn lust en zijn leven. Hij beschikt over een zodanig gezonde eetlust, dat hij het liefst de koelkast zou plunderen als hij daartoe de kans krijgt. Vanaf dag één staat hij daarom onder een streng dieet. Een keurig afgewogen hoeveelheid droogvoer, aangevuld met lekkernijen in de vorm van fruit en groenten. Hooi heeft hij de hele dag tot zijn beschikking.

In wezen verschil ik niet zoveel met Paqual, bedacht ik mij onlangs. Niet dat ik elk kruimeltje van de vloer af lebber, maar mijn lekkere genealogische trek is net zo groot als zijn verlangen naar voedsel. Ik heb mijzelf daarom op een streng genealogisch dieet gezet. Dagelijks een keurig afgemeten hoeveelheid tijd, aangevuld met versnaperingen in de vorm van schrijven en werken aan mijn website.
Op sommige dagen is het dieet uitstekend vol te houden. Zeker als er even geen zier te beleven valt in genealogieland. Op andere dagen raak ik al snel door mijn rantsoen heen door alle verleidingen waaraan ik word blootgesteld. De geest is gewillig maar het vlees is zwak. Nog even een rondje laptoppen eindigt al rap in over de schreef gaan. Dan betrap ik mijzelf een uur later toch op het transcriberen van een akte. Da’s smullen geblazen!

De archiefinstellingen maken het er voor mij ook niet makkelijker op. Tijdens de afgelopen Coronamaanden was archiefbezoek niet of slechts mondjesmaat mogelijk. Men dacht er goed aan te doen om allerhande archiefstukken digitaal beschikbaar te stellen. Als troost. Ik voel mij werkelijk als onze tamme knager in de dierenwinkel. Daar is geen wilskracht tegen opgewassen.
Gelukkig bestaan er instellingen die bedacht zijn op de mogelijke bijeffecten van stamboomonderzoek. Publiceerde het Nationaal Archief recentelijk nog een uitgebreide lijst van archieven met nieuwe scans, The National Archives in Engeland houdt rekening met de overmatig gebruikende familiespeurder. Maximaal tien gratis aan te vragen stukken per dag met een dertig-dagen-max van vijftig items. Kijk! Daar wordt meegedacht. Probleem is wel dat dit aantal per geregistreerd e-mailadres geldt. Een beetje goocheme genealoog tovert binnen een mum van tijd nóg een aantal adressen uit de mouw.

Tegenwoordig valt steeds vaker als kennisgeving door forumleden aan beginnende onderzoekers te lezen: ‘Pas op, het is verslavend.’ Dat is mij destijds nooit verteld. Jammer. Men had mij op zijn minst kunnen attenderen op de gevolgen van ongeremde nuttiging. Voorkomen is beter dan genezen. Misschien zou een waarschuwingsboodschap verplicht gesteld moeten worden. Pontificaal boven elke pagina die met genealogie te maken heeft.
Verslaafd vind ik trouwens niet het juiste woord. Heeft zo’n nare bijklank. Zo zou ik mijzelf ook niet willen noemen. Per slot van rekening overleef ik de computervrije vakanties prima zonder vertoon van afkickverschijnselen. Misschien zit ik nog in de ontkenningsfase. Dat kan. Ach, zolang ik ’s morgens vroeg niet voor een interventie van mijn bed gelicht word door mijn gezinsleden is er weinig aan de hand, denk ik dan maar.

Geniet, maar speur met mate!

Tanja
 
 

 
Ik ben in afwachting van de Hamburger Wilhelm Max. De aflevering over deze erflater in het nieuwe televisieprogramma De Erfgenaam bedoel ik dan. Verder uit de school klappen is onmogelijk zonder er direct een spoileralert van te maken. Mag trouwens ook niet van de redactie. Dat hij niet meer in het land der levenden vertoeft, moge duidelijk zijn.

De mensheid wil bedrogen worden. Dat waren de woorden van Tijl Uilenspiegel tegen zijn fratsengabber Lamme Goedzak. Het cassettebandje met dit ingesproken verhaal heb ik in mijn vroege jeugd volledig stukgedraaid. De deugniet verkocht keurig ingepakte paardenvijgen als medicijn aan goedgelovige lieden. Daar moest ik onmiddellijk aan denken bij het zien van de eerste aflevering. Inmiddels drie uitzendingen verder gaat mijn genealogische hart nog steeds niet sneller kloppen van dit kijkcijferkanon. Een toneelvoorstelling lijkt het wel, waarin de acteurs hun rol van de vleesgeworden grollenkompanen uit mijn kindertijd, overigens met verve, vertolken.

De stoelendans in het theaterstuk is ingezet. De erfrechtelijk genealoog neemt in de bijrol van Lamme Goedzak plaats op de zetel van, dikwijls zijn opdrachtgever, de notaris. Daarbij weet hij op voortreffelijke wijze de momenten van omhoog krullende mondhoeken tot een absoluut minimum te reduceren. Een knap staaltje methodacting van de deskundige, die tevens dienst doet als souffleur. Wil je een kijkje nemen achter zijn schermen, let dan op de verrichtingen van de presentator. Deze Tijl Uilenspiegel neemt een dubbelrol voor zijn rekening door stuivertje te wisselen met de erfgenamenonderzoeker. Al wapperend met een pen in zijn hand bladert hij door de originele bevolkingsregisters om in de volgende scene de oude buurt van de testateur te gaan verkennen op zoek naar aanwijzingen. Serieus? Voilà. Een paardenvijg in cadeauverpakking wordt aangeboden. Aan de goedgelovige toeschouwer de eer om zich te laten verleiden. I don’t buy that shit.

De overige bijrolspelers verschijnen ten tonele. Niet iedereen heeft zich succesvol door de auditieronde weten heen te slaan. De niet-familie-gerelateerde-persoon, die weliswaar eertijds heeft omgekeken naar intussen wijlen de vermogende, vist achter het net. Met een beetje mazzel mag hij figureren als leverancier van oude familiefoto’s om het decor mee op te sieren. Een glansrijke rol is weggelegd voor de geslaagde auditant, die zich soms nog net tot een zesdegraads bloedverwant en dus erfgenaam van de voor hem volstrekt onbekende suikeroom mag beschouwen. Het schouwspel wordt aangevuld met stukjes reality-tv, waarin de door de spontaan opdoemende camera overvallen personages hun licht laten schijnen over de mogelijkheden tot het opsporen van gezochte erfverwanten.

Ik ben geen begunstigde van Wilhelm Max. Gekend heb ik hem ook niet. Deze naam op papier kreeg een gezicht, nadat de redacteur mij begin dit jaar benaderde vanwege mijn kennis van een bepaalde genealogische materie. De Duitser maakt volgende week zijn postume debuut in de toneeluitvoering. Kijken ga ik zeker. Nieuwsgierig naar welk plot de toneelschrijver in petto heeft. Toch vrees ik na deze climaxakte de schouwburg vóór aanvang van het volgende bedrijf voortijdig te hebben verlaten.

Tanja
 
 

 
Samuel Knowles, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, brengt zijn jeugd door in de Boteringestraat. Zijn ouders zijn de Engelse handschoenmaker Richard Knowles en de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin.

 

Doop Samuel Knowles

Doopinschrijving van Samuel Knowles.
Bron: AlleGroningers


 
A-Kerk Groningen

De A-Kerk in Groningen; 1649, Atlas van Loon.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Evenals de andere kinderen uit het gezin, besluit ook Samuel niet te kiezen voor een leven in de stad Groningen. Hij vertrekt naar Amsterdam. Daar gaat hij op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand. Het schepenhuwelijk volgt op 18 maart 1664.
Samuel is op dat moment wijnverlater van beroep en woont aan de Nes. Elisabeth, Lijsbeth genoemd, is woonachtig op de Vijgendam. Zij is de dochter van de Engelse Carel Goethand, ook bekend als Charles Goodhand, een vooraanstaand lid van de ‘Engelse Kerk’.

 

Huwelijksinschrijving Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Huwelijksinschrijving van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand; Amsterdam, 22 februari 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Schepenhuwelijk Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Inschrijving schepenhuwelijk van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand.
Bron: FamilySearch


 
Nes Amsterdam

Gezicht op de Grote en Kleine Vleeshal aan de Nes te Amsterdam. Links de Grote Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Pietersgasthuis. Rechts de Kleine Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Margarethaklooster. In het midden de Boeren- of Riviervismarkt; Jacob van Meurs (mogelijk)1663-1664.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Op 10 mei 1664 legt Samuel als ‘wijncoper’ zijn poorter eed af. Nou laat het beroep wijnkoper weinig aan de verbeelding over. De invulling van het beroep wijnverlater daarentegen moest toch wel worden opgezocht.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Samuel Knowles legt in Amsterdam op 10 mei 1664 zijn poorter eed af.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De gezworen wijnverlater, wijnroeier of wijnpeiler stelde met behulp van een peilstok of wijnroede en wiskundige berekeningen de hoeveelheid vloeistof in een vat vast om te bepalen hoeveel belasting er betaald diende te worden. Belastbare vloeistoffen waren onder andere olie, wijn, traan, bier, wijn, cognac en overige gedistilleerde ‘wateren’, azijn en zeep. Het bepalen van de hoeveelheid vloeistof werd ‘roeien’ genoemd; vandaar het beroep ‘wijnroeier’. De wijnverlater had tevens het recht om wijnen te ‘versnijden’, wat inhield dat hij verschillende wijnen mocht mengen.
De wijnroeiers handelden in dienst van de Gildebroeders van het Kuipers en Wijnverlaters Gilde van de stad. Particulieren en handelaren konden tegen betaling een beroep op hun doen. Dit werd geregeld via het comptoir. Er werd betaald per grootte van een geijkt vat. Zodra een vat voldeed aan de door de stad voorgeschreven maat, werd het van een merkteken voorzien, waarbij elk merkteken stond voor een bepaalde inhoudsmaat. Op deze manier ontstond in steden of wijnstapelplaatsen een eigen systeem van wijnroeierstekens.
Ondanks het verschil in technieken waren de wiskunde berekeningen, die werden gebruikt voor het meten van lange afstanden, hoogten en onregelmatige percelen, hetzelfde als die voor het meten van de grootte van vaten en de hoeveelheid vloeistof. De beroepen van landmeter en wijnroeier gingen dan ook vaak samen.

 

Schoolboeck van de Wynroyeryen

Uit het ‘Oprecht, grondich en rechtsinnigh Schoolboeck van de Wynroyeryen’ van 1663.
Bron: archive.org


 
Wijnroeiersteken

Wijnroeiersteken.
Bron: Erfgoed Breda

 
Buiten de vermelding van wijnverlater in de huwelijksinschrijving, is over Samuel verder geen documentatie te vinden met betrekking tot dit beroep. Mogelijk is het beroep van wijnkoper voor hem een uitbreiding geweest van het beroep wijnverlater. Zijn naam komt wel voor in de lijst met namen van wijnkopers, die terug te vinden is in de documentatie van het Amsterdamse Wijnkopersgilde.

 

Vier overlieden van het wijnkopersgilde te Amsterdam.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
Lijst van wijnverkopers

Vermelding in de lijst met namen van wijnkopers.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Op 15 december 1664 wordt een zoontje Naetaniel gedoopt in de Amsterdamse Oudezijds Kapel. Doopgetuige is Samuels zwager Pietter Arijaensz van Antwaerpen, die getrouwd is met de eveneens naar Amsterdam vertrokken zus Catheleijntie Knowles. Waarschijnlijk wonen Samuel en Lijsbeth dan al op de Oudezijds Achterburgwal.
Samuel heeft zijn zoontje niet mogen zien opgroeien; hij overlijdt al jong op 25-jarige leeftijd en wordt op 6 november 1666 begraven in de Zuiderkerk. Weduwe Lijsbeth gaat exact twee jaar later in Amsterdam in ondertrouw met de uit Vianen afkomstige wijnverlater Albertus van Cuijlenburg. Zij wordt op 22 maart 1684 begraven in de Oude Kerk.

 

Begraafinschrijving Samuel Knowles

Begraafinschrijving van Samuel Knowles in het gaarderboek van de Zuiderkerk.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: AlleGroningers, Stadsarchief Amsterdam, Archive, Verhalenwiki, Erfgoed Breda, Lens on Leeuwenhoek en DBNL
 
 

 
Peter Andreas wordt geboren op 11 mei 1832 in het Duitse Osterledde en dezelfde dag in de Rooms-Katholieke St. Mauritiuskerk van Ibbenbüren gedoopt. Hij is de zoon van mijnwerker Georg Heinrich Glassmeijer en Anna Maria Elisabeth Heman.

 

Doop P.A. Glassmeijer

Doopinschrijving van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Matricula Online

 
Met op zak het ‘Wanderboek No. 39’, afgegeven op 8 april 1852 door de Landraad te Tecklenburg, meldt hij zich, conform de gestelde verplichting in de Vreemdelingenwet van 1849, bij de Amsterdamse politie voor het aanvragen van een reis- en verblijfpas. Daar wordt hij op 10 mei 1852 voor de eerste keer ingeschreven in het vreemdelingenregister. Tot 25 februari 1853 wordt zijn pas nog twee keer voor drie maanden verlengd. Hij lijkt hierna terug te keren naar Duitsland, aangezien zijn volgende inschrijving in het vreemdelingenregister dateert van 29 april 1857. Niets is minder waar. In de tussenliggende jaren is hij terug te vinden op diverse aansluitende adressen in het Amsterdamse bevolkingsregister.

 

Vreemdelingenregister

Inschrijving in het vreemdelingenregister van Amsterdam.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Het ‘Wanderbuch’ was een officieel document, veelal uitgegeven aan (handels)reizigers of aan een gezel, die ter afsluiting van zijn opleiding of leertijd als ambachtsman in de leer ging bij een meester. Naast de noodzakelijke informatie als naam, beroep, plaats van herkomst, geboortedatum en veelal een medische verklaring dat de gezel geen besmettelijke ziekte bij zich droeg, bevatte het Wanderbuch tevens een beschrijving van het signalement. De blanco pagina’s in het boekje waren bestemd voor de lokale autoriteiten om hun stempel van goedkeuring af te geven en voor de werkgevers om aan het einde van de dienstbetrekking de vorderingen van de werknemer in te beschrijven.
Bij vertrek uit de stad werd door de lokale autoriteit een stempel van goedkeuring afgegeven en de datum van vertrek uit de stad en de volgende geplande stad genoteerd in het Wanderbuch. Dit laatste diende ter controle voor de volgende plaats die werd aangedaan, aangezien men vreesde voor dagenlange bedeltochten van de reiziger. Bij juist gebruik van het boekje was precies de afgelegde route van de gezel terug te vinden aan de hand van de vermelde steden waar hij zich (tijdelijk) vestigde.
Het Wanderbuch bleef in het bezit van de gezel en werd nergens gedocumenteerd of gearchiveerd. De bewaard gebleven boekjes zijn dus veelal binnen de familie terug te vinden, alhoewel tegenwoordig een toenemend aantal in Duitse bibliotheken en archieven opduiken.

 

Wanderbuch

Enkele bladzijden uit het Wanderbuch van Albert Strauß (1816).
Bron: Wikimedia Commons (Licentie: Public Domain)

 
In Amsterdam moest de reis- en verblijfpas elke drie maanden verlengd worden. In het register was aanvankelijk ruimte voor drie verlengingen, waardoor de vreemdeling met één inschrijving dus een jaar in de stad kon blijven. Bij een langer verblijf moest de pas vernieuwd worden en werd de vreemdeling opnieuw ingeschreven in het vreemdelingenregister.

In het vreemdelingenregister wordt voor Peter Andreas als beroep vermeld ‘bierbrouwer, thans ‘bakker’. De reden van zijn verblijf is het uitoefenen van zijn beroep. Peter Andreas heeft een lengte van één meter zeventig, een hoog voorhoofd, een ovaal aangezicht, blauwe ogen, een stompe neus, een matige mond, een gezonde kleur en donkerblond haar en wenkbrauwen en later in zijn leven een donkerblonde baard.

 

Vreemdelingenregister

Gedeelte uit het vreemdelingenregister.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Doorgaans kreeg een gezel niet betaald voor zijn diensten, maar werkte tegen kost en inwoning. Dat zal voor Peter Andreas ook het geval zijn geweest. Zijn eerste verblijf in Amsterdam is ten huize van de zelf uit Duitsland afkomstige broodbakker Joseph Bernhard Grafwinkel aan de Haarlemmerdijk 323 bij de Korte Singel, waar Peter Andreas tot februari 1853 zal wonen. Vanaf 28 mei 1859 gaat hij in de leer bij broodbakker J. van Eden aan de Weesperstraat en van 14 juni 1860 tot aan zijn huwelijk is zijn werkgever broodbakker Vincent Ledoux aan de Kalverstraat 66.

Op 11 mei 1864 trouwt hij in Amsterdam met de Amsterdamse Johanna Maria Elisabeth Huver en valt daarmee niet langer onder de Vreemdelingenwet. Het stel krijgt vijf kinderen, waarvan het oudste zoontje met vijftien maanden komt te overlijden aan zware koortsen als gevolg van bronchitis. Eind mei 1880 verhuist het gezin van Amsterdam naar Nieuwer-Amstel, waar Peter Andreas zijn werk als broodbakker voortzet, om vervolgens op 1 mei 1896 weer naar Amsterdam terug te keren. Daar overlijdt Peter Andreas in het huis aan de Lindengracht 94 op 7 oktober 1904 aan Nephritis chronica, Emphysema pulmonum.

 

Overlijdensakte Peter Andreas Glassmeijer

Overlijdensakte van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overlijdensverklaring Peter Andreas Glassmeijer

Overlijdensverklaring van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Stadsarchief Amsterdam, forum.genealogy.net, GenWiki en Wikipedia
 
 

 
Bij ons komt er praktisch geen ‘Hollandse pot’ op tafel. In de wintermaanden wordt er nog weleens een uitstapje gemaakt naar een stamppot of erwtensoep, maar doorgaans is het toch ‘exotischer’ wat de pot schaft. Dat lijkt haast genetisch bepaald te zijn. Mijn oma schotelde ons haar eigen creaties voor van uit het buitenland meegebrachte recepten. Indisch koken leerde ik van mijn vader, die weliswaar zelf van Spaanse afkomst is, maar regelmatig een kijkje in de Indische keuken van mijn grootouders buren nam.

Benieuwd naar wat mijn voorouders eigenlijk dagelijks op hun bord kregen voorgeschoteld, wist een oriëntatierondje op internet mij behoorlijk te verrassen met het één en ander aan te vinden eeuwenoude kookboeken. Deze kookboeken waren uiteraard wel geschreven voor en soms door de ‘hogere stand’. De gewone arbeider zal het met heel wat soberder en minder ‘exquise’ hapjes hebben moeten doen. Toch geven de recepten wel een goed beeld van de voorhanden zijnde producten en de heersende eetgewoonten van onze voorouders.
 
 
Eten door de eeuwen heen
 
Zestiende eeuw

In een groot deel van Europa waren, weliswaar onder verschillende benamingen, dezelfde recepten te vinden. Men had een voorkeur voor combinaties van zoet, zout en zuur, scherp gekruide zoetzure sauzen, fel gekleurde gerechten en schijngerechten waarbij het eten zodanig bewerkt werd, dat het oorspronkelijke product niet meer te herkennen was (bijvoorbeeld lamsgehakt in de vorm van een vis). Toevoeging van zout kwam praktisch niet voor, aangezien producten voor de houdbaarheid vaak al gepekeld waren.

Verrassend om te lezen vond ik het vroege gebruik van kruiden en specerijen. Alhoewel mij vroeger tijdens de geschiedenisles is geleerd dat het de VOC-schepen waren die specerijen meebrachten van de Oost, werden vóór de VOC-tijd peper, gember, kaneel kruidnagel, komijn, kardemom, foelie, saffraan en nootmuskaat blijkbaar, zij het zeker niet op de laatste plaats als statussymbool, al veelvuldig gebruikt door de welgestelde klasse. Een product als rietsuiker was ronduit prijzig te noemen; de gewone man moest het doen met honing.

Voor de vastenperioden, een tijd van bezinning en onthouding die de mens dichter bij God moest brengen, waren recepten met vis als hoofdingrediënt geschreven. De vastenperioden en -dagen konden in totaal wel zo’n vijf maanden per jaar bedragen. Vlees, eieren en zuivelproducten waren dan verboden; men at brood, groenten en vis.

Nieuwe producten verschenen, zoals de kalkoen uit Amerika, Spaanse peper en de daaruit gekweekte paprika, sperziebonen, artisjokken, kappertjes, bloemkool, broccoli, olijfolie, zoete(re) sinaasappels en mais en tomaten, die in eerste instantie als sierplanten hun bestemming vonden. Daarnaast werd cacao geïntroduceerd, gedronken als warme chocoladedrank van water, specerijen en suiker.

Werden de veelal éénpotsgerechten eerst nog gegeten met een lepel van een houten bord of van een telloor, ook wel teljoor (een schijf oud brood), later in de zestiende eeuw deden de tinnen borden en de tweetand-vork hun intrede. Elke gast gebruikte zijn eigen meegebrachte bestek; glazen en drinkbekers werden wel gedeeld met tafelgenoten.

 

Boerenbruiloft

De Boerenbruiloft van Pieter Bruegel de Oude, 1566-69. De schotels worden aangedragen op een deur die uit de hengsels is gelicht. Het hoofdvoedsel is brood, pap en soep. Links onder zijn de aarden kruiken te zien waar het bier wordt uitgeschonken.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Zeventiende eeuw

Oosterse specerijen en rietsuiker werden, door de grote hoeveelheden die op de markt verschenen als gevolg van de specerijenhandel door de VOC, goedkoper en daarmee beschikbaar voor een groter deel van de bevolking.

Een ontbijt met kaas, noten, olijven, gedroogde of verse vruchten, bloedworst, pap, boter, brood en vis, in het bijzonder zoute haring, spiering en vette vis als spekbokking, was in de zeventiende eeuw bij de welgestelde burger niet ongebruikelijk. Dit werd met name in de grote steden door zowel kinderen als volwassenen weggespoeld met licht bier. In feite werd bier het meest gedronken. Het was goedkoop en ‘gezonder’ dan het sterk vervuilde water. Wijn werd, soms aangelengd met water of vermengd met suiker, honing en specerijen, beschouwd als een feestdrank. Brandewijn en jenever waren thuis doorgaans ook uitstekend vertegenwoordigd.
’s Middags werd er warm gegeten. De maaltijd bestond uit een stoofpot of vlees, of in de vastenperioden en -dagen vis, en groenten. Hartige taarten deden het ook goed en groenten waren populair. De elite trok weg uit de stad en stichtte landgoederen of buitenplaatsen, waar zij hun eigen groenten, bloemen, kruiden en fruit lieten kweken.

 

Ontbijtje

Stillevens met dergelijke producten worden ook wel ‘Ontbijtjes’ genoemd. Door Floris Claesz. van Dijck, rond 1615.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In de tweede helft van de zeventiende eeuw kwamen koffie en thee op de markt. Het eerste Nederlandse koffiehuis opende in 1663 in Amsterdam zijn deuren. In Nederland slaagde men erin om zaden te verzamelen van de koffieplant, die verscheept werden naar Batavia. Al snel ontstonden op de eilanden Java, Sumatra en Celebes koffieplantages, waardoor Nederland een goedlopende koffiehandel in handen had.

Het was ook de eeuw waarin de ‘koek- en zopietent’ zijn intrede deed tijdens de strenge winters. Zopie is afgeleid van ‘zoopje’, een verkleiningsvorm van het Middelnederlandse ‘soop’ voor ‘slok’ of ‘teug’, dat op zijn beurt weer is afgeleid van het werkwoord ‘zuipen’. Het zou in de zin van ‘koek- en zopie’ een verzamelnaam worden voor warme en alcoholhoudende dranken als (brande)wijn, bier of rum, die vaak werden gemixt met kruiden. Bekend is het latere recept bestaande uit een mengsel van bockbier en rum, waaraan ei, kaneel en kruidnagel werd toegevoegd.

De gewone man at zijn maaltijd inmiddels van tinnen of aardewerken borden. De hogere stand pronkte liever met het uit de Oost afkomstige Chinees en Japans porselein op de dis. Daarbij was het niet meer gepast om drinkbekers en -glazen met disgenoten te delen. Eetgerei werd beschikbaar gesteld door de gastheer of -dame, met uitzondering van het eigen mes, dat nog steeds als iets persoonlijks werd gezien.

 
Achttiende eeuw

Het bier werd als volksdrank nummer één van de troon gestoten door koffie en thee. Koffie- en theehuizen waren ongekend populair. Daarnaast kwam het thuis drinken van koffie in zwang. Prijzig was dat nog wel, aangezien er naast serviesgoed de nodige attributen nodig waren om koffie te kunnen zetten. Rond 1740 werd het ook bij de arbeidersklasse, zowel in de steden als op het platteland, gebruikelijk. Thee was meer een vrouwendrank. Dames van de hogere sociale klasse organiseerden theevisites, waarbij allerhande zoetigheden werden geserveerd. Uit deze tijd stamt dan ook de traditie van een zoete lekkernij bij de thee of koffie.

In menig welgesteld huishouden werd een Franse kok aangesteld. Onder invloed van de Franse keuken werden recepten verfijnder, sauzen fijner van structuur, specerijen aanzienlijk minder gebruikt en de oester herontdekt.
De nieuwe producten schorseneren, truffel, spruitjes, doperwten, knolselderij, pompoen en de uit Engeland overgekomen pudding en punch vonden hun weg naar de keuken. Door het indikken en daarna drogen van bouillon maakte men voor het eerst bouillontabletten. De aardappel, die in Europa al zo’n twee eeuwen bekend was, maar eigenlijk slechts in tijden van slechte oogst als ‘reservegroente’ gegeten werd, kreeg de rol van volksvoedsel. De hoge graanprijzen en veepest droegen hier ook hun steentje aan bij. Vooral bij het arme deel van de bevolking verscheen de aardappel soms wel drie keer daags op het bord. Als smaakmaker werd dan vet, azijn, raapolie, karnemelk of mosterd toegevoegd. De iets luxere warme prak bestond naast aardappelen uit gekookte groenten als erwten of bonen met spek en als toetje karnemelkse gortepap met stroop.

Koffie- en theeserviezen werden ontworpen en het bestek was nu compleet zoals wij het kennen.

 

Keuken uit de 18e eeuw

De keuken door Willem Joseph Laquy (ca. 1760-ca. 1771).
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Negentiende eeuw

Met uitzondering van boekweit werd er tot in de tweede helft van de negentiende eeuw op producten als tarwe en rogge een behoorlijk bedrag aan gemaalbelasting geheven. De minderbedeelden waren om deze reden hoofdzakelijk aangewezen op producten gemaakt van boekweit of boekweitmeel en de aardappel als hoofdvoedsel bij elke maaltijd. Mede door de afschaffing van deze gemaalbelasting in 1856 en mislukte aardappeloogsten keerden brood, belegd met spek(vet), reuzel, vis en kaas, en overige graanproducten terug op ieders bord.

Door de beter gesitueerden werd er regelmatig ‘buiten de deur’ gegeten. Macaroni verscheen als bijgerecht in kookboeken en de ‘Hollandse pot’ was nu steevast op tafel te vinden.

 

Keuken uit de 19e eeuw

Negentiende eeuwse keuken in Kasteel Doorwerth met bakoven, gietijzeren fornuis en warmwaterreservoir.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Uitvindingen werden gedaan om voedsel langer te kunnen bewaren. Het was de Franse suikerbakker Nicolas Appert, die in 1809 de door Keizer Napoleon Bonaparte uitgeloofde beloning won voor het bedenken van een methode voor voedselbewaring om zijn troepen tijdens een veldtocht te kunnen bevoorraden. De suikerbakker ontdekte dat eten, dat wordt verhit in een luchtdicht afgesloten glazen pot, lang goed blijft. Sindsdien kennen we het wecken van voedsel, waardoor seizoensproducten het hele jaar door gegeten konden worden. Voortbordurende op dit idee brachten andere uitvinders enkele jaren later ingeblikt eten op de markt. De blikken waren onbreekbaar en lichter en eenvoudiger, dus goedkoper, te produceren dan de glazen voorloper. Soldaten konden zelfs op lange veldtochten nog van voedsel worden voorzien. Daarnaast kwam de goedkope bietensuiker als vervanging voor rietsuiker in gebruik als conserveermiddel.

 

Wecken

Door het wecken van voedsel konden seizoensproducten het hele jaar door gegeten worden.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Kookscholen en huishoudscholen werden opgericht. De kookscholen waren bedoeld voor dochters uit de betere kringen om opgeleid te worden tot kooklerares. De oprichting van de huishoudscholen had in eerste instantie als doelstelling de arbeidersdochters uit de nieuwe arbeidersklasse, die was ontstaan door de industrialisatie, te leren hun gezin goedkope, eenvoudige doch voedzame maaltijden voor te kunnen zetten. Deze arbeidersdochters gingen echter al op vroege leeftijd uit werken, wat ertoe leidde dat men noodgedwongen de huishoudscholen al snel vulde met burgermeisjes.
 
 
 
Oude recepten

Onderstaand vindt u enkele uitgelichte recepten met een korte introductie.

 
Oliebollen

Over de herkomst van de oliebol doen heel wat theorieën en verhalen de ronde. Aannemelijk is wel, dat de oliekoek de platte voorloper mag worden genoemd van de ons bekende oliebol. In 1869 werd in ‘Het Woordenboek der Nederlandsche taal’ als betekenis voor oliebol aangegeven: ‘Bolvormige koek in olie gebakken; gemeenlijk Oliekoek en ook Smeerbol genoemd.’

De oliekoek werd in een laagje olie gebakken, waardoor het onmogelijk was om een mooie ronde bol te krijgen. In de loop der tijd ging men over tot het gebruik van een diepere laag olie. Dit resulteerde in bollere koeken. Deze feestelijke en voedzame traktatie werd gegeten tijdens oogstfeesten en de midwintertijd van 21 december tot 6 januari tussen de vroegere vastenperioden in.

 

Oliekoeken

Recept voor ‘Olie-koecken’ uit ‘De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster’ (1668).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Om Olie-koecken te backen
Neemt tot 2 pont Tarwe-meel / 2 pondt lange Rosijnen / als die schoon gewassen zijn / laetse in lauw water wat staen zwellen : een kop van de beste Appelen / schilt die en snijtse in heel kleyne stucken / de klockhuysen wel uyt gedaen / een vierendeel of anderhalf gepelde Amandelen / een loodt Caneel / een vierendeel loots witte Gember / een weynigh Nagelen dit wel onder een gestoten : een half kommeken gesmolten Boter / een groote lepel gist / en niet wel een pintjen lauwe Soetemelck / want het moet heel dick beslagen zijn dat het beslagh noch tay om de Lepel blijft / en dan alle het andere daer in geroert en soo laten opgaen / neemt daer toe een mengelen van de beste Raep-olie / doet daer in een korst broot een halve Appel / zetter op het vier en laet het uyt branden / keert het broot en Appel altemet om / tot het zwart en hart wort / gieter dan een schootien schoon water in / en laet het dan in de lucht kout worden / en daer naer weder op ’t vier geset / als ghy die wilt gebruycken.

 
Vlees, vis en gevogelte

Er werd gegeten wat er voor handen was. In de zeventiende eeuwse kookboeken passeren wat vlees betreft, naast ‘wildtbraedt’ als konijn, haas, hert en (speen)varken, voornamelijk rund- en kalfsvlees, schapen- en lamsvlees en geitenvlees de revue. In principe werd elk deel van het dier, van kop tot staart, wel gegeten of ergens voor gebruikt.

Op het menu stonden tevens gezouten, gerookte en gedroogde zee- en riviervissen, schelpdieren en kreeftachtigen. Speciaal voor de vastenperioden, waarin vlees, eieren en zuivelproducten verboden waren, werden in de kookboeken recepten met vis als hoofdingrediënt opgetekend.

Over gevogelte deed men blijkbaar ook niet moeilijk; als het eetbaar was, dan kwam het op het bord terecht. Gevuld, gestoofd, gebraden of in pasteien en stoofpotten belandden reiger, pauw, zwaan, gans, patrijs, kalkoen, fazant, plevier, water- en houtsnip, duif, eend, meeuw, hoen, kwartel, kievit, leeuwerik, mus, lijster, merel, ortolaan, spreeuw en vink op het bord.

 

Recept

Recept ‘Om wit Vlees of Amandelnat te maaken, op zijn Engels’ uit ‘De geoeffende en ervaren keukenmeester of de verstandige kok’ (1701).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Om wit Vlees of Amandelnat te maaken, op zijn Engels
Het zy van Kalfsvlees, Kapoenen, Kiekens, ander Gevogelte ofte Vis; kook eerst het Vlees of de Vis op zig zelfs, neemt dan een mingele sterk Schaapenat, doet het in een Pot, en daar by wat Tijm, Majoleyn, Spenasie en Andivy te zamen gebonden, wanneer dit kookt zoo doet er in een goed deel Osse ende Schaapemerg, met wat heele Foelie en eenige gekneusde Kruydnagelen, wijders een pint witte Wijn, met ettelijke Klaauwtjes Gengber: wanneer tezamen een wijl gekookt hebben, zoo neemt ontschelde of wit gemaakte Amandelen, stamptse met wat Sop in een Mortier, en giet het door een doek in het Vleesnat: kookt middelerwijl in een andere Pot, Korenten, Pruymen, Rozijnen en wat heele Kaneel in Verjuys en Suyker, met eenige weynige gesneeden Dadelen; zied het tot dat de meeste Verjuys verkookt of als een Siroop geworden is: neemt dan de Fruyten uyt u Siroop, en indien gy dezelve hoog geverfd ziet, zoo maaktse wit, met warme zoete Room, en vermengt het met u Wijn-nat, neemt ‘er dan u Gevogelte of Vis uyt, legtse droog in de Schotel, gieter u nat over, legt de Pruymen enz. daar boven op, verçierd de rand der Schootel met sneedjes Oranje-Appelen, Limoenen en Suyker, en laatse zoo ter Tafel brengen.

 
Poffertjes

Poffertjes werden vóór de tweede helft van de negentiende eeuw over het algemeen gemaakt van boekweitmeel. Boekweit was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld tarwe en rogge, tot die tijd vrij van gemaalbelasting of viel in een lager imposttarief om de gewone man te ontzien.
Boekweitzaden bevatten net als granen veel zetmeel en eiwitten, maar geen gluten, die nodig zijn om brood luchtig te maken. Hierdoor was boekweitmeel minder geschikt voor het bakken van broden. Gekookt in water, melk of karnemelk werd boekweit gegeten als grutten; het meel werd gebruikt in pannenkoeken, poffertjes en wafels. De armeluisversie van poffertjes bestond uit boekweitmeel, water en gist; de versie voor de rijke lui uit een mix van boekweitmeel en tarwemeel of patentbloem, melk, gist en eieren.

Mogelijk zouden poffertjes, ook wel ‘broedertjes’ genoemd, ontstaan in een Nederlands klooster in de buurt van Woerden. Door een tekort aan tarwebloem werd er door de kloosterlingen, die leveranciers van hosties aan kerken waren, geëxperimenteerd met boekweitmeel. Dat zou de naam ‘broedertjes’ verklaren.

Poffertjes of broedertjes werden al rond 1720 op kermissen gegeten. Op de meeste kermissen stond meer dan één poffertjeskraam. Voor het bakken van poffertjes gebruikte men grote platen met kleine holtes, die werden verwarmd met houtblokken of geschild eikenhout, ook wel talhout genoemd. Voor het insmeren van de bakplaten met boter werd doorgaans een stokje gebruikt, dat was voorzien van een stukje linnen.

 

Poffertjes

Recept voor poffertjes uit ‘Volmaakte grond-beginzelen der keuken-kunde’ (1769).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Poffertjes, worden gemeenlyk van half tarwe en half boekwyte meel gebakken, met half melk en water beslagen, en twee eyeren op een pond met gist; worden in een pan gebakken.
Men kan dit ook alleen van tarwe meel met vier of vyf eyeren doen, maar geen tien, gelyk andere zeggen, want dan zo zoude het zo droog als gort zyn, doch al genoeg van zulke koks; dat men ‘er korenten na genoegen in doen kan, spreekt van zelve.

 
Vlaai

Voor zover bekend ligt de oorsprong van de vlaai, van oudsher ‘vlade’ genoemd, bij de Germanen. Het deeg, ingekerfd en overgoten met honing of vruchtensap of bedekt met vijgen, werd in het zogeheten ‘vladehuis’ gebakken op een door vuur verhitte steen. In feite was het een offerbrood, dat door de priesters op speciale dagen werd gewijd, waaronder eerste Paasdag.
Toen de vlaai in Limburg zijn intrede deed, werd die alleen geserveerd na de mis of de processie en bij speciale gelegenheden als kermissen, bruiloften en verjaardagen.

 

Appelvlaij

Recept voor ‘Appelvlaij’ uit ‘Kookboek van borgen Dijksterhuis en Menkema’ (18e en 19e eeuw).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Appelvlaij te maken
Neemt guldelingen geschilt, en in stucken gesneden / doetse in een pot met water rinse wijn en boter / laatse alzo staan smooren, wrijftse dan wel in stucken, doet er dan bij half soo veel witte broot, 3. doren van eijeren en suker onder malkanderen gemengt / het is goedt.

Waarschijnlijk is men, zoals bij overige vlaairecepten in het kookboekje wel geschreven wordt, vergeten te vermelden: ‘dan onder op ’t vuir geset en als ander gebacken‘.

 
Tulpenbollen

In tijden van voedselschaarste, zoals in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestond in Nederland distributie, waarbij diverse levensmiddelen en goederen alleen verkrijgbaar waren tegen betaling en inlevering van bonnen. Het moest in deze tijden van schaarste leiden tot een eerlijke verdeling over de bevolking. De voornaamste reden was dan ook om hamsteren en prijsopdrijving tegen te gaan.

In de Eerste Wereldoorlog waren onder andere vlees en brood gerantsoeneerd. Door het tekort aan grondstoffen werd ook de samenstelling veranderd, waardoor er producten op de markt kwamen als eenheidsworst, regeringsbrood en volksbiscuit. Ook een product als koffie werd zo schaars, dat er geroosterde bloembollen werden verkocht om er koffie van te zetten.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog nam het aantal in distributie gebrachte voedingsmiddelen gestaag toe en werden veel ingrediënten vervangen door surrogaten, zoals bijvoorbeeld koffie van granen en cichorei. En zelfs de surrogaten kwamen op de bon. (Zie ook: Distributiestamkaart)
Doordat het transport van voedsel als gevolg van de Spoorwegstaking in september 1944 en een tekort aan brandstof zo goed als onmogelijk was of werd gemaakt door de bezetter, waren aardappelen en brood eigenlijk niet meer te verkrijgen. In december 1944 werden daardoor al tulpenbollen als voedingsmiddel en surrogaat voor aardappelen gebruikt.

Over tulpenbollen als vervanging van aardappelen deelde de Voedingsraad in januari 1945 het volgende mede:
‘Inderdaad zijn tulpenbollen hier uitstekend voor te gebruiken. Andere soorten bloembollen, b.v. hyacint en narcissen, zijn vergiftig, terwijl crocussen en gladiolen sterk zijn af te raden.
De tulpenbollen zijn niet rauw, doch uitsluitend gekookt te gebruiken. Als men weet, dat geschilde aardappelen een calorische waarde hebben van 90 en tulpenbollen van 158, dan zijn deze laatsten dus een goede voeding. Men pelt de bollen, snijdt ze door om het kiempje te verwijderen. Daarna kookt men ze met weinig water in 15 min. gaar. De bollen zijn dan goed te gebruiken in stamppot en soep. Ook kan men ze raspen voor bindmiddel. Maakt men een beslag van 100 gr. geraspte tulpenbollen, 1 lepel bloem, een uitje, kruiden en wat zout, dan kan men in olie heerlijke pikante koekjes bakken.
Op dezelfde manier als men aardappelmeel maakt bereidt men tulpenmeel.
Rasp de tulpenbollen en spoel dit in ruim, koud water. Goed doorroeren en door een zeef het vocht opvangen. Een tijd laten staan, dan krijgt men een wit bezinksel. Water afgooien en versch water bijvoegen, net zoo lang, totdat het meel mooi wit is. Goed laten drogen. De pulp is dan nog te verwerken in soep.
Ook kan men een lekker koekje maken door de gekookte bollen in plakjes te snijden en deze met wat zout te roosteren.
Natuurlijk kunnen de bollen niet te lang worden bewaard, want tegen het voorjaar gaan ze uitloopen. Men doet dan beter de bollen te malen en dat goed te drogen.’

 

Tulpenbollen

Recept voor tulpenbollensoep.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Recept tulpenbollensoep
Benodigdheden:
4 tot 6 tulpenbollen
1 ui
1 tl slaolie
1 tl Maggi aroma
1 tl kerriepoeder
1 liter groentebouillon

Pel en snipper de ui. Pel de tulpenbollen. Snijd ze doormidden en verwijder de kiem. Rasp daarna de bollen op een fijne rasp. Doe dit kort voordat ze in de pan gaan. De pulp verkleurt snel. Verhit de olie in een kleine pan. Fruit de ui en kerriepoeder. Doe er de groentebouillon en aroma bij. Breng aan de kook, roer de tulpenrasp erdoor en verhit nog even.
 
 
 
Oude kookboeken

Tot in de zeventiende eeuw waren kookboeken bestemd voor de hogere stand en beroepskoks en opgetekend door beroepskoks in dienst van de adel of door artsen. Het was gebruikelijk dat recepten voor huismiddeltjes tegen allerhande kwalen en ziekten in de kookboeken werden vermeld. In de loop van de achttiende eeuw verschenen er goedkope edities voor het huispersoneel en de keukenmeiden, met daarin meer aandacht voor bijvoorbeeld het tafeldekken en aansnijden van vlees. Niet zelden waren deze kookboeken geschreven door ‘dames van stand’, die daarvoor uit een eigen verzameling recepten putten. Een dergelijke verzameling bestond doorgaans uit (mondeling) overgeleverde familierecepten en de binnen de vriendenkring uitgewisselde recepten.
 
Een notabel boecxken van cokeryen (rond 1514)
Het eerste gedrukte Nederlandstalige kookboek. Via de link vindt u een introductie en transcriptie van dit kookboek.

Eenen seer schoonen ende excellenten Cocboeck (1593)
Transcriptie van het laatmiddeleeuwse kookboek van de arts Carel Baten.

Koocboec oft familieren keukenboec (1612)
Transcriptie van het Zuid-Nederlands kookboek van M. Antonius Magirus uit de Spaanse Nederlanden.

De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster (1668)
De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster, vermeerdert met de winter-provisie ende slacht-tydt. Hier is achter by-ghevoeght De verstandige confituur-maker. Het eerste origineel Nederlandse kookboek.

De geoeffende en ervaren keukenmeester of de verstandige kok (1701)
Nederlandse vertaling van ‘Le Cuisinier Français’ uit 1651 met Franse recepten uit de zeventiende eeuw van beroepskok François de La Varenne.

De volmaakte Hollandsche keuken-meid (1746)
Recepten voor de keuken en de huisapotheek en de wijze van het presenteren van gerechten op tafel volgens Frans gebruik.

De Volmaakte Geldersche Keuken-Meid (1756)
Verfijnde recepten met Franse invloeden, waaronder veel recepten met groenten, riviervis en wild, en recepten voor de huisapotheek.

Volmaakte grond-beginzelen der keuken-kunde (1769)
Een beknopte uitgave van ‘De volmaakte Hollandsche keuken-meid’ met gecomprimeerde en extra recepten, speciaal bedoeld voor de minder kapitaalkrachtigen.

De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores (1769)
Een totaal herziene en sterk uitgebreide herdruk van ‘De Stichtsche Keuken-Meid’ uit 1754. De recepten kennen een middeleeuwse invloed. Nadruk ligt op het verwerken van de opbrengsten van de moestuin en jacht.

Volkoomen Neerlandsch Kookkundig Woordenboek Voorgesteld in de Friesche Keukenmeid en Verstandige Huishoudster (1772)
Recepten voor vlees, vis, gevogelte, groenten, gebak, confituren, het zouten, pekelen en roken van vlees en spek, het maken van worsten, het drogen en inleggen van groenten en fruit en het vervaardigen van dranken en likeuren.

Vervolg op De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores (1774)
Zoals de titel al zegt: vervolg op ‘De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores’, met meer recepten voor de keuken en een zeer uitgebreide huisapotheek.

Kookboek van borgen Dijksterhuis en Menkema (18e en 19e eeuw)
Handgeschreven recepten uit het archief van borgen Dijksterhuis en Menkema.

Aaltje de volmaakte en zuinige keukenmeid (2e druk, 1804)
Bedoeld voor koks, keukenmeiden en huisvrouwen.

De fijne keuken of de kok voor lekkerbekken (1846)
Recepten voor de gewone en fijne keuken voor zowel beginnende als volleerde koks, keukenmeiden en huismoeders.

Eenvoudige berekende recepten (1901)
Huishoudschoolkookboek; extreem zuinige manier van koken van de Hollandse burgerpot. Het is het eerste reclamekookboek met producten van Honig, Scholten’s Aardappelzetmeelfabrieken en Calvé.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Jij maakt geschiedenis (Wayback Machine), KBNL, Historische Kring Huizen, Historisch Nieuwsblad, Nederlands Openlucht Museum, Wikipedia (Nederlandse gerechten en lekkernijen), Delpher, Smulweb, DBNL, Mocca d’Or, Scientias, Archeolife, Etymologiebank en Culturescope