Ons konijn Paqual likt dagelijks zijn voerbak helemaal schoon. Eten is zijn lust en zijn leven. Hij beschikt over een zodanig gezonde eetlust, dat hij het liefst de koelkast zou plunderen als hij daartoe de kans krijgt. Vanaf dag één staat hij daarom onder een streng dieet. Een keurig afgewogen hoeveelheid droogvoer, aangevuld met lekkernijen in de vorm van fruit en groenten. Hooi heeft hij de hele dag tot zijn beschikking.

In wezen verschil ik niet zoveel met Paqual, bedacht ik mij onlangs. Niet dat ik elk kruimeltje van de vloer af lebber, maar mijn lekkere genealogische trek is net zo groot als zijn verlangen naar voedsel. Ik heb mijzelf daarom op een streng genealogisch dieet gezet. Dagelijks een keurig afgemeten hoeveelheid tijd, aangevuld met versnaperingen in de vorm van schrijven en werken aan mijn website.
Op sommige dagen is het dieet uitstekend vol te houden. Zeker als er even geen zier te beleven valt in genealogieland. Op andere dagen raak ik al snel door mijn rantsoen heen door alle verleidingen waaraan ik word blootgesteld. De geest is gewillig maar het vlees is zwak. Nog even een rondje laptoppen eindigt al rap in over de schreef gaan. Dan betrap ik mijzelf een uur later toch op het transcriberen van een akte. Da’s smullen geblazen!

De archiefinstellingen maken het er voor mij ook niet makkelijker op. Tijdens de afgelopen Coronamaanden was archiefbezoek niet of slechts mondjesmaat mogelijk. Men dacht er goed aan te doen om allerhande archiefstukken digitaal beschikbaar te stellen. Als troost. Ik voel mij werkelijk als onze tamme knager in de dierenwinkel. Daar is geen wilskracht tegen opgewassen.
Gelukkig bestaan er instellingen die bedacht zijn op de mogelijke bijeffecten van stamboomonderzoek. Publiceerde het Nationaal Archief recentelijk nog een uitgebreide lijst van archieven met nieuwe scans, The National Archives in Engeland houdt rekening met de overmatig gebruikende familiespeurder. Maximaal tien gratis aan te vragen stukken per dag met een dertig-dagen-max van vijftig items. Kijk! Daar wordt meegedacht. Probleem is wel dat dit aantal per geregistreerd e-mailadres geldt. Een beetje goocheme genealoog tovert binnen een mum van tijd nóg een aantal adressen uit de mouw.

Tegenwoordig valt steeds vaker als kennisgeving door forumleden aan beginnende onderzoekers te lezen: ‘Pas op, het is verslavend.’ Dat is mij destijds nooit verteld. Jammer. Men had mij op zijn minst kunnen attenderen op de gevolgen van ongeremde nuttiging. Voorkomen is beter dan genezen. Misschien zou een waarschuwingsboodschap verplicht gesteld moeten worden. Pontificaal boven elke pagina die met genealogie te maken heeft.
Verslaafd vind ik trouwens niet het juiste woord. Heeft zo’n nare bijklank. Zo zou ik mijzelf ook niet willen noemen. Per slot van rekening overleef ik de computervrije vakanties prima zonder vertoon van afkickverschijnselen. Misschien zit ik nog in de ontkenningsfase. Dat kan. Ach, zolang ik ’s morgens vroeg niet voor een interventie van mijn bed gelicht word door mijn gezinsleden is er weinig aan de hand, denk ik dan maar.

Geniet, maar speur met mate!

Tanja
 
 

 
Ik ben in afwachting van de Hamburger Wilhelm Max. De aflevering over deze erflater in het nieuwe televisieprogramma De Erfgenaam bedoel ik dan. Verder uit de school klappen is onmogelijk zonder er direct een spoileralert van te maken. Mag trouwens ook niet van de redactie. Dat hij niet meer in het land der levenden vertoeft, moge duidelijk zijn.

De mensheid wil bedrogen worden. Dat waren de woorden van Tijl Uilenspiegel tegen zijn fratsengabber Lamme Goedzak. Het cassettebandje met dit ingesproken verhaal heb ik in mijn vroege jeugd volledig stukgedraaid. De deugniet verkocht keurig ingepakte paardenvijgen als medicijn aan goedgelovige lieden. Daar moest ik onmiddellijk aan denken bij het zien van de eerste aflevering. Inmiddels drie uitzendingen verder gaat mijn genealogische hart nog steeds niet sneller kloppen van dit kijkcijferkanon. Een toneelvoorstelling lijkt het wel, waarin de acteurs hun rol van de vleesgeworden grollenkompanen uit mijn kindertijd, overigens met verve, vertolken.

De stoelendans in het theaterstuk is ingezet. De erfrechtelijk genealoog neemt in de bijrol van Lamme Goedzak plaats op de zetel van, dikwijls zijn opdrachtgever, de notaris. Daarbij weet hij op voortreffelijke wijze de momenten van omhoog krullende mondhoeken tot een absoluut minimum te reduceren. Een knap staaltje methodacting van de deskundige, die tevens dienst doet als souffleur. Wil je een kijkje nemen achter zijn schermen, let dan op de verrichtingen van de presentator. Deze Tijl Uilenspiegel neemt een dubbelrol voor zijn rekening door stuivertje te wisselen met de erfgenamenonderzoeker. Al wapperend met een pen in zijn hand bladert hij door de originele bevolkingsregisters om in de volgende scene de oude buurt van de testateur te gaan verkennen op zoek naar aanwijzingen. Serieus? Voilà. Een paardenvijg in cadeauverpakking wordt aangeboden. Aan de goedgelovige toeschouwer de eer om zich te laten verleiden. I don’t buy that shit.

De overige bijrolspelers verschijnen ten tonele. Niet iedereen heeft zich succesvol door de auditieronde weten heen te slaan. De niet-familie-gerelateerde-persoon, die weliswaar eertijds heeft omgekeken naar intussen wijlen de vermogende, vist achter het net. Met een beetje mazzel mag hij figureren als leverancier van oude familiefoto’s om het decor mee op te sieren. Een glansrijke rol is weggelegd voor de geslaagde auditant, die zich soms nog net tot een zesdegraads bloedverwant en dus erfgenaam van de voor hem volstrekt onbekende suikeroom mag beschouwen. Het schouwspel wordt aangevuld met stukjes reality-tv, waarin de door de spontaan opdoemende camera overvallen personages hun licht laten schijnen over de mogelijkheden tot het opsporen van gezochte erfverwanten.

Ik ben geen begunstigde van Wilhelm Max. Gekend heb ik hem ook niet. Deze naam op papier kreeg een gezicht, nadat de redacteur mij begin dit jaar benaderde vanwege mijn kennis van een bepaalde genealogische materie. De Duitser maakt volgende week zijn postume debuut in de toneeluitvoering. Kijken ga ik zeker. Nieuwsgierig naar welk plot de toneelschrijver in petto heeft. Toch vrees ik na deze climaxakte de schouwburg vóór aanvang van het volgende bedrijf voortijdig te hebben verlaten.

Tanja
 
 

 
Samuel Knowles, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, brengt zijn jeugd door in de Boteringestraat. Zijn ouders zijn de Engelse handschoenmaker Richard Knowles en de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin.

 

Doop Samuel Knowles

Doopinschrijving van Samuel Knowles.
Bron: AlleGroningers


 
A-Kerk Groningen

De A-Kerk in Groningen; 1649, Atlas van Loon.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Evenals de andere kinderen uit het gezin, besluit ook Samuel niet te kiezen voor een leven in de stad Groningen. Hij vertrekt naar Amsterdam. Daar gaat hij op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand. Het schepenhuwelijk volgt op 18 maart 1664.
Samuel is op dat moment wijnverlater van beroep en woont aan de Nes. Elisabeth, Lijsbeth genoemd, is woonachtig op de Vijgendam. Zij is de dochter van de Engelse Carel Goethand, ook bekend als Charles Goodhand, een vooraanstaand lid van de ‘Engelse Kerk’.

 

Huwelijksinschrijving Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Huwelijksinschrijving van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand; Amsterdam, 22 februari 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Schepenhuwelijk Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Inschrijving schepenhuwelijk van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand.
Bron: FamilySearch


 
Nes Amsterdam

Gezicht op de Grote en Kleine Vleeshal aan de Nes te Amsterdam. Links de Grote Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Pietersgasthuis. Rechts de Kleine Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Margarethaklooster. In het midden de Boeren- of Riviervismarkt; Jacob van Meurs (mogelijk)1663-1664.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Op 10 mei 1664 legt Samuel als ‘wijncoper’ zijn poorter eed af. Nou laat het beroep wijnkoper weinig aan de verbeelding over. De invulling van het beroep wijnverlater daarentegen moest toch wel worden opgezocht.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Samuel Knowles legt in Amsterdam op 10 mei 1664 zijn poorter eed af.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De gezworen wijnverlater, wijnroeier of wijnpeiler stelde met behulp van een peilstok of wijnroede en wiskundige berekeningen de hoeveelheid vloeistof in een vat vast om te bepalen hoeveel belasting er betaald diende te worden. Belastbare vloeistoffen waren onder andere olie, wijn, traan, bier, wijn, cognac en overige gedistilleerde ‘wateren’, azijn en zeep. Het bepalen van de hoeveelheid vloeistof werd ‘roeien’ genoemd; vandaar het beroep ‘wijnroeier’. De wijnverlater had tevens het recht om wijnen te ‘versnijden’, wat inhield dat hij verschillende wijnen mocht mengen.
De wijnroeiers handelden in dienst van de Gildebroeders van het Kuipers en Wijnverlaters Gilde van de stad. Particulieren en handelaren konden tegen betaling een beroep op hun doen. Dit werd geregeld via het comptoir. Er werd betaald per grootte van een geijkt vat. Zodra een vat voldeed aan de door de stad voorgeschreven maat, werd het van een merkteken voorzien, waarbij elk merkteken stond voor een bepaalde inhoudsmaat. Op deze manier ontstond in steden of wijnstapelplaatsen een eigen systeem van wijnroeierstekens.
Ondanks het verschil in technieken waren de wiskunde berekeningen, die werden gebruikt voor het meten van lange afstanden, hoogten en onregelmatige percelen, hetzelfde als die voor het meten van de grootte van vaten en de hoeveelheid vloeistof. De beroepen van landmeter en wijnroeier gingen dan ook vaak samen.

 

Schoolboeck van de Wynroyeryen

Uit het ‘Oprecht, grondich en rechtsinnigh Schoolboeck van de Wynroyeryen’ van 1663.
Bron: archive.org


 
Wijnroeiersteken

Wijnroeiersteken.
Bron: Erfgoed Breda

 
Buiten de vermelding van wijnverlater in de huwelijksinschrijving, is over Samuel verder geen documentatie te vinden met betrekking tot dit beroep. Mogelijk is het beroep van wijnkoper voor hem een uitbreiding geweest van het beroep wijnverlater. Zijn naam komt wel voor in de lijst met namen van wijnkopers, die terug te vinden is in de documentatie van het Amsterdamse Wijnkopersgilde.

 

Vier overlieden van het wijnkopersgilde te Amsterdam.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
Lijst van wijnverkopers

Vermelding in de lijst met namen van wijnkopers.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Op 15 december 1664 wordt een zoontje Naetaniel gedoopt in de Amsterdamse Oudezijds Kapel. Doopgetuige is Samuels zwager Pietter Arijaensz van Antwaerpen, die getrouwd is met de eveneens naar Amsterdam vertrokken zus Catheleijntie Knowles. Waarschijnlijk wonen Samuel en Lijsbeth dan al op de Oudezijds Achterburgwal.
Samuel heeft zijn zoontje niet mogen zien opgroeien; hij overlijdt al jong op 25-jarige leeftijd en wordt op 6 november 1666 begraven in de Zuiderkerk. Weduwe Lijsbeth gaat exact twee jaar later in Amsterdam in ondertrouw met de uit Vianen afkomstige wijnverlater Albertus van Cuijlenburg. Zij wordt op 22 maart 1684 begraven in de Oude Kerk.

 

Begraafinschrijving Samuel Knowles

Begraafinschrijving van Samuel Knowles in het gaarderboek van de Zuiderkerk.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: AlleGroningers, Stadsarchief Amsterdam, Archive, Verhalenwiki, Erfgoed Breda, Lens on Leeuwenhoek en DBNL
 
 

 
Peter Andreas wordt geboren op 11 mei 1832 in het Duitse Osterledde en dezelfde dag in de Rooms-Katholieke St. Mauritiuskerk van Ibbenbüren gedoopt. Hij is de zoon van mijnwerker Georg Heinrich Glassmeijer en Anna Maria Elisabeth Heman.

 

Doop P.A. Glassmeijer

Doopinschrijving van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Matricula Online

 
Met op zak het ‘Wanderboek No. 39’, afgegeven op 8 april 1852 door de Landraad te Tecklenburg, meldt hij zich, conform de gestelde verplichting in de Vreemdelingenwet van 1849, bij de Amsterdamse politie voor het aanvragen van een reis- en verblijfpas. Daar wordt hij op 10 mei 1852 voor de eerste keer ingeschreven in het vreemdelingenregister. Tot 25 februari 1853 wordt zijn pas nog twee keer voor drie maanden verlengd. Hij lijkt hierna terug te keren naar Duitsland, aangezien zijn volgende inschrijving in het vreemdelingenregister dateert van 29 april 1857. Niets is minder waar. In de tussenliggende jaren is hij terug te vinden op diverse aansluitende adressen in het Amsterdamse bevolkingsregister.

 

Vreemdelingenregister

Inschrijving in het vreemdelingenregister van Amsterdam.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Het ‘Wanderbuch’ was een officieel document, veelal uitgegeven aan (handels)reizigers of aan een gezel, die ter afsluiting van zijn opleiding of leertijd als ambachtsman in de leer ging bij een meester. Naast de noodzakelijke informatie als naam, beroep, plaats van herkomst, geboortedatum en veelal een medische verklaring dat de gezel geen besmettelijke ziekte bij zich droeg, bevatte het Wanderbuch tevens een beschrijving van het signalement. De blanco pagina’s in het boekje waren bestemd voor de lokale autoriteiten om hun stempel van goedkeuring af te geven en voor de werkgevers om aan het einde van de dienstbetrekking de vorderingen van de werknemer in te beschrijven.
Bij vertrek uit de stad werd door de lokale autoriteit een stempel van goedkeuring afgegeven en de datum van vertrek uit de stad en de volgende geplande stad genoteerd in het Wanderbuch. Dit laatste diende ter controle voor de volgende plaats die werd aangedaan, aangezien men vreesde voor dagenlange bedeltochten van de reiziger. Bij juist gebruik van het boekje was precies de afgelegde route van de gezel terug te vinden aan de hand van de vermelde steden waar hij zich (tijdelijk) vestigde.
Het Wanderbuch bleef in het bezit van de gezel en werd nergens gedocumenteerd of gearchiveerd. De bewaard gebleven boekjes zijn dus veelal binnen de familie terug te vinden, alhoewel tegenwoordig een toenemend aantal in Duitse bibliotheken en archieven opduiken.

 

Wanderbuch

Enkele bladzijden uit het Wanderbuch van Albert Strauß (1816).
Bron: Wikimedia Commons (Licentie: Public Domain)

 
In Amsterdam moest de reis- en verblijfpas elke drie maanden verlengd worden. In het register was aanvankelijk ruimte voor drie verlengingen, waardoor de vreemdeling met één inschrijving dus een jaar in de stad kon blijven. Bij een langer verblijf moest de pas vernieuwd worden en werd de vreemdeling opnieuw ingeschreven in het vreemdelingenregister.

In het vreemdelingenregister wordt voor Peter Andreas als beroep vermeld ‘bierbrouwer, thans ‘bakker’. De reden van zijn verblijf is het uitoefenen van zijn beroep. Peter Andreas heeft een lengte van één meter zeventig, een hoog voorhoofd, een ovaal aangezicht, blauwe ogen, een stompe neus, een matige mond, een gezonde kleur en donkerblond haar en wenkbrauwen en later in zijn leven een donkerblonde baard.

 

Vreemdelingenregister

Gedeelte uit het vreemdelingenregister.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Doorgaans kreeg een gezel niet betaald voor zijn diensten, maar werkte tegen kost en inwoning. Dat zal voor Peter Andreas ook het geval zijn geweest. Zijn eerste verblijf in Amsterdam is ten huize van de zelf uit Duitsland afkomstige broodbakker Joseph Bernhard Grafwinkel aan de Haarlemmerdijk 323 bij de Korte Singel, waar Peter Andreas tot februari 1853 zal wonen. Vanaf 28 mei 1859 gaat hij in de leer bij broodbakker J. van Eden aan de Weesperstraat en van 14 juni 1860 tot aan zijn huwelijk is zijn werkgever broodbakker Vincent Ledoux aan de Kalverstraat 66.

Op 11 mei 1864 trouwt hij in Amsterdam met de Amsterdamse Johanna Maria Elisabeth Huver en valt daarmee niet langer onder de Vreemdelingenwet. Het stel krijgt vijf kinderen, waarvan het oudste zoontje met vijftien maanden komt te overlijden aan zware koortsen als gevolg van bronchitis. Eind mei 1880 verhuist het gezin van Amsterdam naar Nieuwer-Amstel, waar Peter Andreas zijn werk als broodbakker voortzet, om vervolgens op 1 mei 1896 weer naar Amsterdam terug te keren. Daar overlijdt Peter Andreas in het huis aan de Lindengracht 94 op 7 oktober 1904 aan Nephritis chronica, Emphysema pulmonum.

 

Overlijdensakte Peter Andreas Glassmeijer

Overlijdensakte van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overlijdensverklaring Peter Andreas Glassmeijer

Overlijdensverklaring van Peter Andreas Glassmeijer.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Stadsarchief Amsterdam, forum.genealogy.net, GenWiki en Wikipedia
 
 

 
Bij ons komt er praktisch geen ‘Hollandse pot’ op tafel. In de wintermaanden wordt er nog weleens een uitstapje gemaakt naar een stamppot of erwtensoep, maar doorgaans is het toch ‘exotischer’ wat de pot schaft. Dat lijkt haast genetisch bepaald te zijn. Mijn oma schotelde ons haar eigen creaties voor van uit het buitenland meegebrachte recepten. Indisch koken leerde ik van mijn vader, die weliswaar zelf van Spaanse afkomst is, maar regelmatig een kijkje in de Indische keuken van mijn grootouders buren nam.

Benieuwd naar wat mijn voorouders eigenlijk dagelijks op hun bord kregen voorgeschoteld, wist een oriëntatierondje op internet mij behoorlijk te verrassen met het één en ander aan te vinden eeuwenoude kookboeken. Deze kookboeken waren uiteraard wel geschreven voor en soms door de ‘hogere stand’. De gewone arbeider zal het met heel wat soberder en minder ‘exquise’ hapjes hebben moeten doen. Toch geven de recepten wel een goed beeld van de voorhanden zijnde producten en de heersende eetgewoonten van onze voorouders.
 
 
Eten door de eeuwen heen
Oude recepten
Oude kookboeken
 
 
 

Eten door de eeuwen heen
 
Zestiende eeuw

In een groot deel van Europa waren, weliswaar onder verschillende benamingen, dezelfde recepten te vinden. Men had een voorkeur voor combinaties van zoet, zout en zuur, scherp gekruide zoetzure sauzen, fel gekleurde gerechten en schijngerechten waarbij het eten zodanig bewerkt werd, dat het oorspronkelijke product niet meer te herkennen was (bijvoorbeeld lamsgehakt in de vorm van een vis). Toevoeging van zout kwam praktisch niet voor, aangezien producten voor de houdbaarheid vaak al gepekeld waren.

Verrassend om te lezen vond ik het vroege gebruik van kruiden en specerijen. Alhoewel mij vroeger tijdens de geschiedenisles is geleerd dat het de VOC-schepen waren die specerijen meebrachten van de Oost, werden vóór de VOC-tijd peper, gember, kaneel kruidnagel, komijn, kardemom, foelie, saffraan en nootmuskaat blijkbaar, zij het zeker niet op de laatste plaats als statussymbool, al veelvuldig gebruikt door de welgestelde klasse. Een product als rietsuiker was ronduit prijzig te noemen; de gewone man moest het doen met honing.

Voor de vastenperioden, een tijd van bezinning en onthouding die de mens dichter bij God moest brengen, waren recepten met vis als hoofdingrediënt geschreven. De vastenperioden en -dagen konden in totaal wel zo’n vijf maanden per jaar bedragen. Vlees, eieren en zuivelproducten waren dan verboden; men at brood, groenten en vis.

Nieuwe producten verschenen, zoals de kalkoen uit Amerika, Spaanse peper en de daaruit gekweekte paprika, sperziebonen, artisjokken, kappertjes, bloemkool, broccoli, olijfolie, zoete(re) sinaasappels en mais en tomaten, die in eerste instantie als sierplanten hun bestemming vonden. Daarnaast werd cacao geïntroduceerd, gedronken als warme chocoladedrank van water, specerijen en suiker.

Werden de veelal éénpotsgerechten eerst nog gegeten met een lepel van een houten bord of van een telloor, ook wel teljoor (een schijf oud brood), later in de zestiende eeuw deden de tinnen borden en de tweetand-vork hun intrede. Elke gast gebruikte zijn eigen meegebrachte bestek; glazen en drinkbekers werden wel gedeeld met tafelgenoten.

 

Boerenbruiloft

De Boerenbruiloft van Pieter Bruegel de Oude, 1566-69. De schotels worden aangedragen op een deur die uit de hengsels is gelicht. Het hoofdvoedsel is brood, pap en soep. Links onder zijn de aarden kruiken te zien waar het bier wordt uitgeschonken.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Zeventiende eeuw

Oosterse specerijen en rietsuiker werden, door de grote hoeveelheden die op de markt verschenen als gevolg van de specerijenhandel door de VOC, goedkoper en daarmee beschikbaar voor een groter deel van de bevolking.

Een ontbijt met kaas, noten, olijven, gedroogde of verse vruchten, bloedworst, pap, boter, brood en vis, in het bijzonder zoute haring, spiering en vette vis als spekbokking, was in de zeventiende eeuw bij de welgestelde burger niet ongebruikelijk. Dit werd met name in de grote steden door zowel kinderen als volwassenen weggespoeld met licht bier. In feite werd bier het meest gedronken. Het was goedkoop en ‘gezonder’ dan het sterk vervuilde water. Wijn werd, soms aangelengd met water of vermengd met suiker, honing en specerijen, beschouwd als een feestdrank. Brandewijn en jenever waren thuis doorgaans ook uitstekend vertegenwoordigd.
’s Middags werd er warm gegeten. De maaltijd bestond uit een stoofpot of vlees, of in de vastenperioden en -dagen vis, en groenten. Hartige taarten deden het ook goed en groenten waren populair. De elite trok weg uit de stad en stichtte landgoederen of buitenplaatsen, waar zij hun eigen groenten, bloemen, kruiden en fruit lieten kweken.

 

Ontbijtje

Stillevens met dergelijke producten worden ook wel ‘Ontbijtjes’ genoemd. Door Floris Claesz. van Dijck, rond 1615.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In de tweede helft van de zeventiende eeuw kwamen koffie en thee op de markt. Het eerste Nederlandse koffiehuis opende in 1663 in Amsterdam zijn deuren. In Nederland slaagde men erin om zaden te verzamelen van de koffieplant, die verscheept werden naar Batavia. Al snel ontstonden op de eilanden Java, Sumatra en Celebes koffieplantages, waardoor Nederland een goedlopende koffiehandel in handen had.

Het was ook de eeuw waarin de ‘koek- en zopietent’ zijn intrede deed tijdens de strenge winters. Zopie is afgeleid van ‘zoopje’, een verkleiningsvorm van het Middelnederlandse ‘soop’ voor ‘slok’ of ‘teug’, dat op zijn beurt weer is afgeleid van het werkwoord ‘zuipen’. Het zou in de zin van ‘koek- en zopie’ een verzamelnaam worden voor warme en alcoholhoudende dranken als (brande)wijn, bier of rum, die vaak werden gemixt met kruiden. Bekend is het latere recept bestaande uit een mengsel van bockbier en rum, waaraan ei, kaneel en kruidnagel werd toegevoegd.

De gewone man at zijn maaltijd inmiddels van tinnen of aardewerken borden. De hogere stand pronkte liever met het uit de Oost afkomstige Chinees en Japans porselein op de dis. Daarbij was het niet meer gepast om drinkbekers en -glazen met disgenoten te delen. Eetgerei werd beschikbaar gesteld door de gastheer of -dame, met uitzondering van het eigen mes, dat nog steeds als iets persoonlijks werd gezien.

 
Achttiende eeuw

Het bier werd als volksdrank nummer één van de troon gestoten door koffie en thee. Koffie- en theehuizen waren ongekend populair. Daarnaast kwam het thuis drinken van koffie in zwang. Prijzig was dat nog wel, aangezien er naast serviesgoed de nodige attributen nodig waren om koffie te kunnen zetten. Rond 1740 werd het ook bij de arbeidersklasse, zowel in de steden als op het platteland, gebruikelijk. Thee was meer een vrouwendrank. Dames van de hogere sociale klasse organiseerden theevisites, waarbij allerhande zoetigheden werden geserveerd. Uit deze tijd stamt dan ook de traditie van een zoete lekkernij bij de thee of koffie.

In menig welgesteld huishouden werd een Franse kok aangesteld. Onder invloed van de Franse keuken werden recepten verfijnder, sauzen fijner van structuur, specerijen aanzienlijk minder gebruikt en de oester herontdekt.
De nieuwe producten schorseneren, truffel, spruitjes, doperwten, knolselderij, pompoen en de uit Engeland overgekomen pudding en punch vonden hun weg naar de keuken. Door het indikken en daarna drogen van bouillon maakte men voor het eerst bouillontabletten. De aardappel, die in Europa al zo’n twee eeuwen bekend was, maar eigenlijk slechts in tijden van slechte oogst als ‘reservegroente’ gegeten werd, kreeg de rol van volksvoedsel. De hoge graanprijzen en veepest droegen hier ook hun steentje aan bij. Vooral bij het arme deel van de bevolking verscheen de aardappel soms wel drie keer daags op het bord. Als smaakmaker werd dan vet, azijn, raapolie, karnemelk of mosterd toegevoegd. De iets luxere warme prak bestond naast aardappelen uit gekookte groenten als erwten of bonen met spek en als toetje karnemelkse gortepap met stroop.

Koffie- en theeserviezen werden ontworpen en het bestek was nu compleet zoals wij het kennen.

 

Keuken uit de 18e eeuw

De keuken door Willem Joseph Laquy (ca. 1760-ca. 1771).
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Negentiende eeuw

Met uitzondering van boekweit werd er tot in de tweede helft van de negentiende eeuw op producten als tarwe en rogge een behoorlijk bedrag aan gemaalbelasting geheven. De minderbedeelden waren om deze reden hoofdzakelijk aangewezen op producten gemaakt van boekweit of boekweitmeel en de aardappel als hoofdvoedsel bij elke maaltijd. Mede door de afschaffing van deze gemaalbelasting in 1856 en mislukte aardappeloogsten keerden brood, belegd met spek(vet), reuzel, vis en kaas, en overige graanproducten terug op ieders bord.

Door de beter gesitueerden werd er regelmatig ‘buiten de deur’ gegeten. Macaroni verscheen als bijgerecht in kookboeken en de ‘Hollandse pot’ was nu steevast op tafel te vinden.

 

Keuken uit de 19e eeuw

Negentiende eeuwse keuken in Kasteel Doorwerth met bakoven, gietijzeren fornuis en warmwaterreservoir.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Uitvindingen werden gedaan om voedsel langer te kunnen bewaren. Het was de Franse suikerbakker Nicolas Appert, die in 1809 de door Keizer Napoleon Bonaparte uitgeloofde beloning won voor het bedenken van een methode voor voedselbewaring om zijn troepen tijdens een veldtocht te kunnen bevoorraden. De suikerbakker ontdekte dat eten, dat wordt verhit in een luchtdicht afgesloten glazen pot, lang goed blijft. Sindsdien kennen we het wecken van voedsel, waardoor seizoensproducten het hele jaar door gegeten konden worden. Voortbordurende op dit idee brachten andere uitvinders enkele jaren later ingeblikt eten op de markt. De blikken waren onbreekbaar en lichter en eenvoudiger, dus goedkoper, te produceren dan de glazen voorloper. Soldaten konden zelfs op lange veldtochten nog van voedsel worden voorzien. Daarnaast kwam de goedkope bietensuiker als vervanging voor rietsuiker in gebruik als conserveermiddel.

 

Wecken

Door het wecken van voedsel konden seizoensproducten het hele jaar door gegeten worden.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Kookscholen en huishoudscholen werden opgericht. De kookscholen waren bedoeld voor dochters uit de betere kringen om opgeleid te worden tot kooklerares. De oprichting van de huishoudscholen had in eerste instantie als doelstelling de arbeidersdochters uit de nieuwe arbeidersklasse, die was ontstaan door de industrialisatie, te leren hun gezin goedkope, eenvoudige doch voedzame maaltijden voor te kunnen zetten. Deze arbeidersdochters gingen echter al op vroege leeftijd uit werken, wat ertoe leidde dat men noodgedwongen de huishoudscholen al snel vulde met burgermeisjes.
 
 
 

Oude recepten

Onderstaand vindt u enkele uitgelichte recepten met een korte introductie.

 
Oliebollen

Over de herkomst van de oliebol doen heel wat theorieën en verhalen de ronde. Aannemelijk is wel, dat de oliekoek de platte voorloper mag worden genoemd van de ons bekende oliebol. In 1869 werd in ‘Het Woordenboek der Nederlandsche taal’ als betekenis voor oliebol aangegeven: ‘Bolvormige koek in olie gebakken; gemeenlijk Oliekoek en ook Smeerbol genoemd.’

De oliekoek werd in een laagje olie gebakken, waardoor het onmogelijk was om een mooie ronde bol te krijgen. In de loop der tijd ging men over tot het gebruik van een diepere laag olie. Dit resulteerde in bollere koeken. Deze feestelijke en voedzame traktatie werd gegeten tijdens oogstfeesten en de midwintertijd van 21 december tot 6 januari tussen de vroegere vastenperioden in.

 

Oliekoeken

Recept voor ‘Olie-koecken’ uit ‘De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster’ (1668).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Om Olie-koecken te backen
Neemt tot 2 pont Tarwe-meel / 2 pondt lange Rosijnen / als die schoon gewassen zijn / laetse in lauw water wat staen zwellen : een kop van de beste Appelen / schilt die en snijtse in heel kleyne stucken / de klockhuysen wel uyt gedaen / een vierendeel of anderhalf gepelde Amandelen / een loodt Caneel / een vierendeel loots witte Gember / een weynigh Nagelen dit wel onder een gestoten : een half kommeken gesmolten Boter / een groote lepel gist / en niet wel een pintjen lauwe Soetemelck / want het moet heel dick beslagen zijn dat het beslagh noch tay om de Lepel blijft / en dan alle het andere daer in geroert en soo laten opgaen / neemt daer toe een mengelen van de beste Raep-olie / doet daer in een korst broot een halve Appel / zetter op het vier en laet het uyt branden / keert het broot en Appel altemet om / tot het zwart en hart wort / gieter dan een schootien schoon water in / en laet het dan in de lucht kout worden / en daer naer weder op ’t vier geset / als ghy die wilt gebruycken.

 
Vlees, vis en gevogelte

Er werd gegeten wat er voor handen was. In de zeventiende eeuwse kookboeken passeren wat vlees betreft, naast ‘wildtbraedt’ als konijn, haas, hert en (speen)varken, voornamelijk rund- en kalfsvlees, schapen- en lamsvlees en geitenvlees de revue. In principe werd elk deel van het dier, van kop tot staart, wel gegeten of ergens voor gebruikt.

Op het menu stonden tevens gezouten, gerookte en gedroogde zee- en riviervissen, schelpdieren en kreeftachtigen. Speciaal voor de vastenperioden, waarin vlees, eieren en zuivelproducten verboden waren, werden in de kookboeken recepten met vis als hoofdingrediënt opgetekend.

Over gevogelte deed men blijkbaar ook niet moeilijk; als het eetbaar was, dan kwam het op het bord terecht. Gevuld, gestoofd, gebraden of in pasteien en stoofpotten belandden reiger, pauw, zwaan, gans, patrijs, kalkoen, fazant, plevier, water- en houtsnip, duif, eend, meeuw, hoen, kwartel, kievit, leeuwerik, mus, lijster, merel, ortolaan, spreeuw en vink op het bord.

 

Recept

Recept ‘Om wit Vlees of Amandelnat te maaken, op zijn Engels’ uit ‘De geoeffende en ervaren keukenmeester of de verstandige kok’ (1701).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Om wit Vlees of Amandelnat te maaken, op zijn Engels
Het zy van Kalfsvlees, Kapoenen, Kiekens, ander Gevogelte ofte Vis; kook eerst het Vlees of de Vis op zig zelfs, neemt dan een mingele sterk Schaapenat, doet het in een Pot, en daar by wat Tijm, Majoleyn, Spenasie en Andivy te zamen gebonden, wanneer dit kookt zoo doet er in een goed deel Osse ende Schaapemerg, met wat heele Foelie en eenige gekneusde Kruydnagelen, wijders een pint witte Wijn, met ettelijke Klaauwtjes Gengber: wanneer tezamen een wijl gekookt hebben, zoo neemt ontschelde of wit gemaakte Amandelen, stamptse met wat Sop in een Mortier, en giet het door een doek in het Vleesnat: kookt middelerwijl in een andere Pot, Korenten, Pruymen, Rozijnen en wat heele Kaneel in Verjuys en Suyker, met eenige weynige gesneeden Dadelen; zied het tot dat de meeste Verjuys verkookt of als een Siroop geworden is: neemt dan de Fruyten uyt u Siroop, en indien gy dezelve hoog geverfd ziet, zoo maaktse wit, met warme zoete Room, en vermengt het met u Wijn-nat, neemt ‘er dan u Gevogelte of Vis uyt, legtse droog in de Schotel, gieter u nat over, legt de Pruymen enz. daar boven op, verçierd de rand der Schootel met sneedjes Oranje-Appelen, Limoenen en Suyker, en laatse zoo ter Tafel brengen.

 
Poffertjes

Poffertjes werden vóór de tweede helft van de negentiende eeuw over het algemeen gemaakt van boekweitmeel. Boekweit was, in tegenstelling tot bijvoorbeeld tarwe en rogge, tot die tijd vrij van gemaalbelasting of viel in een lager imposttarief om de gewone man te ontzien.
Boekweitzaden bevatten net als granen veel zetmeel en eiwitten, maar geen gluten, die nodig zijn om brood luchtig te maken. Hierdoor was boekweitmeel minder geschikt voor het bakken van broden. Gekookt in water, melk of karnemelk werd boekweit gegeten als grutten; het meel werd gebruikt in pannenkoeken, poffertjes en wafels. De armeluisversie van poffertjes bestond uit boekweitmeel, water en gist; de versie voor de rijke lui uit een mix van boekweitmeel en tarwemeel of patentbloem, melk, gist en eieren.

Mogelijk zouden poffertjes, ook wel ‘broedertjes’ genoemd, ontstaan in een Nederlands klooster in de buurt van Woerden. Door een tekort aan tarwebloem werd er door de kloosterlingen, die leveranciers van hosties aan kerken waren, geëxperimenteerd met boekweitmeel. Dat zou de naam ‘broedertjes’ verklaren.

Poffertjes of broedertjes werden al rond 1720 op kermissen gegeten. Op de meeste kermissen stond meer dan één poffertjeskraam. Voor het bakken van poffertjes gebruikte men grote platen met kleine holtes, die werden verwarmd met houtblokken of geschild eikenhout, ook wel talhout genoemd. Voor het insmeren van de bakplaten met boter werd doorgaans een stokje gebruikt, dat was voorzien van een stukje linnen.

 

Poffertjes

Recept voor poffertjes uit ‘Volmaakte grond-beginzelen der keuken-kunde’ (1769).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Poffertjes, worden gemeenlyk van half tarwe en half boekwyte meel gebakken, met half melk en water beslagen, en twee eyeren op een pond met gist; worden in een pan gebakken.
Men kan dit ook alleen van tarwe meel met vier of vyf eyeren doen, maar geen tien, gelyk andere zeggen, want dan zo zoude het zo droog als gort zyn, doch al genoeg van zulke koks; dat men ‘er korenten na genoegen in doen kan, spreekt van zelve.

 
Vlaai

Voor zover bekend ligt de oorsprong van de vlaai, van oudsher ‘vlade’ genoemd, bij de Germanen. Het deeg, ingekerfd en overgoten met honing of vruchtensap of bedekt met vijgen, werd in het zogeheten ‘vladehuis’ gebakken op een door vuur verhitte steen. In feite was het een offerbrood, dat door de priesters op speciale dagen werd gewijd, waaronder eerste Paasdag.
Toen de vlaai in Limburg zijn intrede deed, werd die alleen geserveerd na de mis of de processie en bij speciale gelegenheden als kermissen, bruiloften en verjaardagen.

 

Appelvlaij

Recept voor ‘Appelvlaij’ uit ‘Kookboek van borgen Dijksterhuis en Menkema’ (18e en 19e eeuw).
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Appelvlaij te maken
Neemt guldelingen geschilt, en in stucken gesneden / doetse in een pot met water rinse wijn en boter / laatse alzo staan smooren, wrijftse dan wel in stucken, doet er dan bij half soo veel witte broot, 3. doren van eijeren en suker onder malkanderen gemengt / het is goedt.

Waarschijnlijk is men, zoals bij overige vlaairecepten in het kookboekje wel geschreven wordt, vergeten te vermelden: ‘dan onder op ’t vuir geset en als ander gebacken‘.

 
Tulpenbollen

In tijden van voedselschaarste, zoals in de Eerste en Tweede Wereldoorlog, bestond in Nederland distributie, waarbij diverse levensmiddelen en goederen alleen verkrijgbaar waren tegen betaling en inlevering van bonnen. Het moest in deze tijden van schaarste leiden tot een eerlijke verdeling over de bevolking. De voornaamste reden was dan ook om hamsteren en prijsopdrijving tegen te gaan.

In de Eerste Wereldoorlog waren onder andere vlees en brood gerantsoeneerd. Door het tekort aan grondstoffen werd ook de samenstelling veranderd, waardoor er producten op de markt kwamen als eenheidsworst, regeringsbrood en volksbiscuit. Ook een product als koffie werd zo schaars, dat er geroosterde bloembollen werden verkocht om er koffie van te zetten.

Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog nam het aantal in distributie gebrachte voedingsmiddelen gestaag toe en werden veel ingrediënten vervangen door surrogaten, zoals bijvoorbeeld koffie van granen en cichorei. En zelfs de surrogaten kwamen op de bon. (Zie ook: Distributiestamkaart)
Doordat het transport van voedsel als gevolg van de Spoorwegstaking in september 1944 en een tekort aan brandstof zo goed als onmogelijk was of werd gemaakt door de bezetter, waren aardappelen en brood eigenlijk niet meer te verkrijgen. In december 1944 werden daardoor al tulpenbollen als voedingsmiddel en surrogaat voor aardappelen gebruikt.

Over tulpenbollen als vervanging van aardappelen deelde de Voedingsraad in januari 1945 het volgende mede:
‘Inderdaad zijn tulpenbollen hier uitstekend voor te gebruiken. Andere soorten bloembollen, b.v. hyacint en narcissen, zijn vergiftig, terwijl crocussen en gladiolen sterk zijn af te raden.
De tulpenbollen zijn niet rauw, doch uitsluitend gekookt te gebruiken. Als men weet, dat geschilde aardappelen een calorische waarde hebben van 90 en tulpenbollen van 158, dan zijn deze laatsten dus een goede voeding. Men pelt de bollen, snijdt ze door om het kiempje te verwijderen. Daarna kookt men ze met weinig water in 15 min. gaar. De bollen zijn dan goed te gebruiken in stamppot en soep. Ook kan men ze raspen voor bindmiddel. Maakt men een beslag van 100 gr. geraspte tulpenbollen, 1 lepel bloem, een uitje, kruiden en wat zout, dan kan men in olie heerlijke pikante koekjes bakken.
Op dezelfde manier als men aardappelmeel maakt bereidt men tulpenmeel.
Rasp de tulpenbollen en spoel dit in ruim, koud water. Goed doorroeren en door een zeef het vocht opvangen. Een tijd laten staan, dan krijgt men een wit bezinksel. Water afgooien en versch water bijvoegen, net zoo lang, totdat het meel mooi wit is. Goed laten drogen. De pulp is dan nog te verwerken in soep.
Ook kan men een lekker koekje maken door de gekookte bollen in plakjes te snijden en deze met wat zout te roosteren.
Natuurlijk kunnen de bollen niet te lang worden bewaard, want tegen het voorjaar gaan ze uitloopen. Men doet dan beter de bollen te malen en dat goed te drogen.’

 

Tulpenbollen

Recept voor tulpenbollensoep.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Recept tulpenbollensoep
Benodigdheden:
4 tot 6 tulpenbollen
1 ui
1 tl slaolie
1 tl Maggi aroma
1 tl kerriepoeder
1 liter groentebouillon

Pel en snipper de ui. Pel de tulpenbollen. Snijd ze doormidden en verwijder de kiem. Rasp daarna de bollen op een fijne rasp. Doe dit kort voordat ze in de pan gaan. De pulp verkleurt snel. Verhit de olie in een kleine pan. Fruit de ui en kerriepoeder. Doe er de groentebouillon en aroma bij. Breng aan de kook, roer de tulpenrasp erdoor en verhit nog even.
 
 
 

Oude kookboeken

Tot in de zeventiende eeuw waren kookboeken bestemd voor de hogere stand en beroepskoks en opgetekend door beroepskoks in dienst van de adel of door artsen. Het was gebruikelijk dat recepten voor huismiddeltjes tegen allerhande kwalen en ziekten in de kookboeken werden vermeld. In de loop van de achttiende eeuw verschenen er goedkope edities voor het huispersoneel en de keukenmeiden, met daarin meer aandacht voor bijvoorbeeld het tafeldekken en aansnijden van vlees. Niet zelden waren deze kookboeken geschreven door ‘dames van stand’, die daarvoor uit een eigen verzameling recepten putten. Een dergelijke verzameling bestond doorgaans uit (mondeling) overgeleverde familierecepten en de binnen de vriendenkring uitgewisselde recepten.
 
Een notabel boecxken van cokeryen (rond 1514)
Het eerste gedrukte Nederlandstalige kookboek. Via de link vindt u een introductie en transcriptie van dit kookboek.

Eenen seer schoonen ende excellenten Cocboeck (1593)
Transcriptie van het laatmiddeleeuwse kookboek van de arts Carel Baten.

Koocboec oft familieren keukenboec (1612)
Transcriptie van het Zuid-Nederlands kookboek van M. Antonius Magirus uit de Spaanse Nederlanden.

De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster (1668)
De verstandige kock oft sorghvuldige huyshoudster, vermeerdert met de winter-provisie ende slacht-tydt. Hier is achter by-ghevoeght De verstandige confituur-maker. Het eerste origineel Nederlandse kookboek.

De geoeffende en ervaren keukenmeester of de verstandige kok (1701)
Nederlandse vertaling van ‘Le Cuisinier Français’ uit 1651 met Franse recepten uit de zeventiende eeuw van beroepskok François de La Varenne.

De volmaakte Hollandsche keuken-meid (1746)
Recepten voor de keuken en de huisapotheek en de wijze van het presenteren van gerechten op tafel volgens Frans gebruik.

De Volmaakte Geldersche Keuken-Meid (1756)
Verfijnde recepten met Franse invloeden, waaronder veel recepten met groenten, riviervis en wild, en recepten voor de huisapotheek.

Volmaakte grond-beginzelen der keuken-kunde (1769)
Een beknopte uitgave van ‘De volmaakte Hollandsche keuken-meid’ met gecomprimeerde en extra recepten, speciaal bedoeld voor de minder kapitaalkrachtigen.

De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores (1769)
Een totaal herziene en sterk uitgebreide herdruk van ‘De Stichtsche Keuken-Meid’ uit 1754. De recepten kennen een middeleeuwse invloed. Nadruk ligt op het verwerken van de opbrengsten van de moestuin en jacht.

Volkoomen Neerlandsch Kookkundig Woordenboek Voorgesteld in de Friesche Keukenmeid en Verstandige Huishoudster (1772)
Recepten voor vlees, vis, gevogelte, groenten, gebak, confituren, het zouten, pekelen en roken van vlees en spek, het maken van worsten, het drogen en inleggen van groenten en fruit en het vervaardigen van dranken en likeuren.

Vervolg op De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores (1774)
Zoals de titel al zegt: vervolg op ‘De Nieuwe, Welervarene Utrechtsche Keuken-Meid, Confituurmaakster, en Huis-Doctores’, met meer recepten voor de keuken en een zeer uitgebreide huisapotheek.

Kookboek van borgen Dijksterhuis en Menkema (18e en 19e eeuw)
Handgeschreven recepten uit het archief van borgen Dijksterhuis en Menkema.

Receptenboek van Cornelia Anna van Westrenen (begin 19e eeuw)
Receptenboek van Cornelia Anna van Westrenen met latere toevoegingen.

Aaltje de volmaakte en zuinige keukenmeid (2e druk, 1804)
Bedoeld voor koks, keukenmeiden en huisvrouwen.

De fijne keuken of de kok voor lekkerbekken (1846)
Recepten voor de gewone en fijne keuken voor zowel beginnende als volleerde koks, keukenmeiden en huismoeders.

Eenvoudige berekende recepten (1901)
Huishoudschoolkookboek; extreem zuinige manier van koken van de Hollandse burgerpot. Het is het eerste reclamekookboek met producten van Honig, Scholten’s Aardappelzetmeelfabrieken en Calvé.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Jij maakt geschiedenis (Wayback Machine), KBNL, Historische Kring Huizen, Historisch Nieuwsblad, Nederlands Openlucht Museum, Wikipedia (Nederlandse gerechten en lekkernijen), Delpher, Smulweb, DBNL, Mocca d’Or, Scientias, Archeolife, Etymologiebank en Culturescope
 
 

 
Een bezoek aan de Cunerakerk in Rhenen leidt mij naar een grafsteen aan de zuidkant. Zeker niet eentje met de meest prachtige inscriptie en al helemaal niet eentje, die al eeuwenlang voor de kerkgangers en bezoekers uitgebreide gegevens ten toon heeft gespreid. De inmiddels behoorlijk versleten inscriptie luidt kort maar krachtig: ‘I.H.V.D.D.’ en wordt opgesierd met een ‘5’.

 

Het interieur van de Cunerakerk (door Bartholomeus van Bassen, 1638).
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
Graf nummer 5

Graf nummer 5 met de inscriptie I.H.V.D.D.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
In de registers van de Cunerakerk zijn de eigenaren van graf nummer 5, oorspronkelijk gelegen aan de oostzijde in de kerk, terug te vinden. De eerste vermelding komt uit 1648 ‘Den Samereis Schipper daer Ruttger Buddingh voor betaelen sul’. In 1680 wordt Jan Hendriks van der Does voor het eerst genoemd: ‘Jan Hend’ van der Does actum den 5 Juni 1680’. Al bladerend door de registers komen de volgende vermeldingen nog boven water: ‘Jan Henricxen van der Does door sijn vrou een groefstede waer op uijtgehouwen staet I.H.V.D.D. get.: met No. 5’ (31 augustus 1700), ‘Den Samereus Schipper nu Jan Hend: van der Does’ (rond 1700), ‘De Sammereus Schipper daar Rutger Buddinngh voor betaeld nu de erftgenamen van Jan Hendrikx van der Does daer op staet uijtgehouwen I.H.V.D.D.’ (28 en 29 april 1719), ‘De Sammereus Schipper daar Rutger Budding voor betaald nu Jan Hoolhorst, en d’Wed van Dirk Cornelisse van den Oosterkamp in plaats van d’erfgenamen van Jan Hendrikse van der Does daar op staat uitgehouwen I.H.V.D.D. No. 5 (datum onbekend) en tenslotte ‘Jan Hoolhorst en de kinderen van de wed. van Dirk Cornelissen van den Oostercamp in plaats van Jan Hendrikzen van der Does daar op staat uitgehouwen I.H.V.D.D.’ (17 februari 1787).

 

Aantekening van graf nummer 5 in 1648.
Bron: FamilySearch


 
Eerste vermelding van Jan Hendriks van der Does

De eerste vermelding van Jan Hendriks van der Does in 1680.
Bron: FamilySearch


 
Grafrechten 31 augustus 1700

‘Aenbrenge van de groefsteden in de kercke van Rhenen, gedaen den lesten augusti 1700 op den stadthuijse’.
Bron: FamilySearch


 
Vermelding april 1719

Aantekening uit april 1719.
Bron: FamilySearch


 
Grafrechten

De eerste vermelding van Jan Hoolhorst en zijn tante Christina van der Does.
Bron: FamilySearch


 
Laatste vermelding in 1787

De laatste vermelding van Christina van der Does bij de wijziging van 17 februari 1787.
Bron: FamilySearch

 
Grafeigenaar Jan Hendriks van der Does en zijn dochter Christina, de weduwe van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp waarover gemeld wordt, zijn mijn voorouders. Jan trouwt op 24 september 1671 in de Cunerakerk met Janneken Hermans van Isendoorn. Zij krijgen in ieder geval drie zonen en drie dochters, waarvan Christina de hekkensluiter van het gezin is.

 

Huwelijk Does-Isendoorn

Huwelijksinschrijving van Jan Hendriks van der Does en Janneken van Isendoorn; Rhenen, 24 september 1671.
Bron: Utrechts Archief

 
Christina, ook wel Christijntje of Stijntje genoemd, wordt op 6 oktober 1689 gedoopt in de Cunerakerk. In deze kerk legt zij op 24 december 1705 belijdenis van geloof af. Enkele weken later, op 17 januari 1706, trouwt zij daar op zestienjarige leeftijd met de tien jaar oudere Dirk Cornelissen van den Oosterkamp.

 

Doopinschrijving van Christina van der Does.
Bron: Utrechts Archief


 
Belijdenis Christina van der Does

Christijn Janssen van der Does legt belijdenis van geloof af.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Oosterkamp-Does

Huwelijksinschrijving van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp en Christina van der Does; Rhenen, 17 januari 1706.
Bron: Utrechts Archief

 
Christina en Dirk hebben tot 17 december 1711 ‘2 hont land genaamd de Del, gelegen buiten de Westpoort’ in pacht van het weeshuis, zo wordt vermeld in de pachtcedullen. Op 10 juni 1720 laten zij in Veenendaal bij notaris Elias Verschuur vastleggen, dat zij elkaar benoemen als voogd over hun na te laten onmondige kinderen. Het stel is dan vier dochters en drie zonen rijk. Uiteindelijk zullen dit in totaal elf kinderen worden; zeven dochters en vier zonen.

 

Minutenakte

Notariële akte, waarin Dirk en zijn vrouw Stijntje elkaar benoemen als voogd over hun na te laten onmondige kinderen.
Bron: Utrechts Archief

 
Transcriptie:
‘Op huijden den 10 Junii 1720 compareerde voor mij Elias Verschuijr openbaar Notaris bij den Ed. hove van Utrecht geëedt en bij de Ed. Achtb. Magistraat der stad Rhenen geadmitteerd in Venendaal resideerende en voor de naargenoemde getuigen Dirk Cornelis vanden Oostercamp en Stijntje Vander Does egteluijden woonende binnen Rhenen mij Notaris en getuijgen bekend zijnde beijde gesond van lichaam met ons gaande en staande, en haar verstand en spraake wel hebbende en gebruijkende soo uijtterlijk bleek en niet anders konde verder bemerkt en verklaarde uijt overdenkinge van sekerheijd des doods en van onsekere tijd en uire vandien de langstlevende van hun beijde te stellen en nomineeren tot momboir of momboirse over haarlieder natelatene onmundige kind of kinderen en erfgenamen met magt om een of meer momboir of momboiren aande zijde van de eerstoverlijdende bestaande te mogen assumeeren surrogeeren of substitueeren secludeerende ten dien eijnde de Ed. Achtb. Heeren vande Vroedschap en Weeskamer der stad Rhenen en alle andere oppermomboiren die ‘tselve soude mogen concerneeren, deselve ten dien aansien bedankende bij desen, versoekende daar van acte die dese is aldus gedaan en gepasseerd binnen Rhenen ten huijse van den procureur Dirk van Ommeren ter presentie van denselven van Ommeren mitsgaders Henrik van Ommeren en Jacobus Wijnen getuijgen hier toe versogt.’

In tegenstelling tot de familie van den Oosterkamp is er aan de kant van Dirk en Christina maar een enkele vermelding terug te vinden in de documentatie. Zo worden zij beiden op 29 december 1724 als getuigen verhoord in een zaak tegen Hendrick van Ommeren. In het huis van Hendrick van Ommeren in Rhenen zou er onenigheid zijn geweest tussen hem en de dienstmeid Everijn Roelofs, die in hetzelfde huis woonachtig is. Hierbij zou Hendrick haar hebben geslagen.

Na het overlijden van Dirk woont Christina buiten de Westpoort van Rhenen. In stukken van 23 maart 1742 en 1747 staat geschreven ‘… en de andere buyten de Westpoort derselve stad mitsgaders in een stuk lants annex den buijtenmoolen geleegen groot twee mergen of groot en kleyn t selve in de naebescreve bepalinge gelegen is daer oost, zuijd en noordwaarts de gemene weegen en westwaarts (en in 1747 ook noordwaarts) Willem Hoolhorst ende weduwe van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp naest gelegen zijn…’. Deze Willem Jacobs van Hoolhorst is getrouwd met Lijsbeth van der Does, de oudste zus van Christina. Het is hun zoon Jan Hoolhorst, die samen met zijn tante Christina de rechten van graf 5 betaalt.

 

De Westpoort vanuit de stad gezien (Rembrandt van Rijn, 1647/1648. Collectie Teylers Museum, Haarlem).
Bron: Erfgoed Magazine (embedded)

 
Christina wordt op 4 juni 1781 op éénennegentigjarige leeftijd in de Cunerakerk begraven. De rechten van graf nummer 5 rusten daarna bij haar kinderen en neef Jan Hoolhorst.

 

Begraafinschrijving van Christina van der Does

Begraafinschrijving van Christina van der Does in het gaarderboek.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Jean Huver stapt op 2 mei 1821 te Amsterdam in het huwelijksbootje met de Amsterdamse Joanna Maria Wilik. Volgens de huwelijksakte is Jean afkomstig ‘van Sarrinzsming, Departement den Moesel in Frankrijk’, hetgeen wordt ‘ingeklopt’ als Sarreguemines. In het ‘herkomstonderzoek’ van het Stadsarchief Amsterdam is geen aanwijzing te vinden voor de huidige benaming van de in de akte genoemde plaats.
Toch werpen de toegevoegde extracten van de gemeente Sarreinsming in de huwelijksbijlagen licht op de zaak. Met deze plaats als aanknopingspunt blijkt de Huver-lijn tot halverwege de zeventiende eeuw terug te vinden via de kerkboeken van het Franse ‘Archives Moselle’. Via de vrouwelijke lijnen zelfs nog iets verder.

 

Doopextract Jean Huver

Het doopextract van Jean Huver in de huwelijksbijlagen.
Bron: FamilySearch

 
Jean wordt op 25 juli 1787 geboren in Sarreinsming en een dag later Rooms Katholiek gedoopt. Hij is het oudste kind van Bernardus Huwer en Margaritha Fölker, ook wel Felcken. Zijn ouders trouwen op 13 juni 1786 in de Katholieke St. Cyriacuskerk van Sarreinsming. Vader Bernardus is landbouwer van beroep; een enkele keer wordt ook het beroep kleermaker vermeld. Mogelijk is dit een winterse huisnijverheid om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Hij is de zoon van landbouwer en wever Henricus Huver en Catharine Maurer. Moeder Margaritha is de dochter van kleermaker Henri Fölker en Anna Maria Gutfreund.

Nadat Jeans moeder op drieëndertigjarige leeftijd op 3 juni 1797 in Sarreguemines is overleden, hertrouwt zijn vader als snel, en wel op 1 augustus van datzelfde jaar in Sarreinsming met de uit Zetting afkomstige Anna Maria Rauch. Jeans vader overlijdt op tweeënvijftigjarige leeftijd op 7 april 1807 in Sarreguemines. Het huwelijk van Jeans stiefmoeder op 21 november 1816 in Sarreinsming met Christophe Jung zal hij waarschijnlijk niet hebben bijgewoond. Eerder dat jaar nam hij namelijk het besluit om naar Amsterdam te vertrekken.

 

Emigratie Huver

‘Sedert den jaren 1816 alhier in het land gekomen’.
Bron: FamilySearch

 
Sarreinsming ligt in het grensgebied van Duitsland en Frankrijk in het Franse departement Moselle (Moezel) en wisselde in de loop der tijd nogal eens van eigenaar. Zo werd Jean geboren in Frankrijk, maar bij zijn overlijden wordt als geboorteplaats aangegeven ‘Sarigmin in Duitschland’.
Dit is eveneens terug te zien aan de namen. Over het algemeen worden de namen geschreven in de Duitse variant, afgewisseld en later gevolgd door de Franse variant.

Door de ligging op het plateau Lorrain Nord op de helling van een heuvel tussen het Grosswald en de oevers van de Saar was Sarreinsming eeuwenlang een dorp van boeren en wijnmakers. De wijnstokken bevonden zich langs het water ten oosten van het dorp. De boeren, die veelal vlas en hennep verbouwden, hadden geen vaste werknemers in dienst; het hele gezin hielp mee in het bedrijf.
Het oorspronkelijke dorp bestond uit enkele huizen rond de kerk en een paar straten naar beneden richting de Saar. Op het eilandje in de Saar lag het kasteel van Sarreinsming met een watermolen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd het kasteel, de molen en het gehele dorp vernietigd.

 

Het vlas

Het vlas; prent uit 1874, De Ruyter & Meijer Amsterdam.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In 1720 leek het de luitenant-generaal van het baljuwschap van de naburige hoofdplaats Sarreguemines een goed idee om de molen te laten herbouwen. Hij stelde het de inwoners van Sarreinsming verplicht om mee te werken in de steengroeven en bij het transporteren van stenen. Zijn plan viel niet in goede aarde bij de inwoners. Zij weigerden pertinent, met als gevolg dat een rechtszaak werd aangespannen bij de rechtbank van Sarreguemines. De inwoners van Sarreinsming werden in het ongelijk gesteld, waarop zij bij de rechtbank van Nancy in hoger beroep gingen. Ook in hoger beroep werden de inwoners verplicht gesteld om mee te werken aan de herbouw van de molen. Zo gebeurde het, dat uiteindelijk in 1727 de eerste steen werd gelegd.
Eén van de oudst bekende molenaars was André Meijer, die getrouwd was met Appollonia Huver. André was molenaar in de Saarmolen van 1766 tot 1770. Appollonia is de dochter van Joannes Henricus Huwer, broer van Jeans overgrootvader en Appollonias peetvader Hanss Peter Huber, en Magdalena Bast.

 

Sarreinsming

De molen van Sarreinsming.
Bron: Wikipedia (Auteur: Voschix; Licentie CC BY-SA 3.0; bewerkt) en De Grote Bosatlas 48e druk 1976)

 
Zoals vermeld vertrekt Jean in 1816 naar Amsterdam. Bekend is dat hij vlak vóór zijn huwelijk op de Groenburgwal 17 woont, waar ook de groenververijen zijn gevestigd. Hij is kleermaker van beroep. Joanna Maria woont dan op de Nes 18. De jonggehuwden blijven op de Nes wonen. Zoon Jean Bernard Valentin wordt op 30 september 1823 op nummer 119 geboren. Tien jaar later volgt op 21 september een dochter Johanna Maria Elisabeth. Het gezin is dan woonachtig op de Nes 107. Het ligt in de lijn der verwachting, dat er in de tussenliggende tien jaar nog enkele kinderen geboren worden. Deze zijn echter niet te traceren in Nederland. Zoon Jean Bernard Valentin is in 1842 in ieder geval kostwinner voor zijn moeder, die dan inmiddels weduwe is, en wordt om die reden voor één jaar vrijgesteld van dienst voor de Nationale Militie. Zij wonen op dat moment op de Nes 8 hoek Barberstraat boven de bakker.

Jean wordt niet oud. Hij overlijdt op 26 maart 1834 in zijn huis op de Nes 107 in Amsterdam, zevenenveertig jaar oud. Zijn vrouw Joanna Maria overlijdt op drieënzeventigjarige leeftijd op 20 januari 1870 in de Karthuizerstraat 232 aan ‘Vitium cordis, Oedema pulmonum et cerebri’.

 

Overlijdensakte Jean Huver

Overlijdensakte van Jean Huver.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overlijdensverklaring van Joanna Maria Wilik

Overlijdensoorzaak van Joanna Maria Wilik.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Archives Moselle, Stadsarchief Amsterdam, FamilySearch en Sarreinsming
 
 

 
Mijn overgrootvader Jan Vermeer werd op 14 november 1880 in Bennekom geboren als zoon van Casper Vermeer en zijn tweede vrouw Helena van Deelen. Vader Casper was eerder weduwnaar van Grietje Riggelink. Zijn jeugd bracht mijn overgrootvader door aan de Dorpsstraat 179a; dit huis zou later de nummering 44-46 krijgen.
Jan was niet groot. Met zijn lengte van 1 meter en 52 centimeter werd hij daarom ook door de Militieraad vrijgesteld van de dienst uit hoofde van ‘te zijn onder de maat’. Misschien hadden zij daar wel een punt!

 

Geboorteakte Jan Vermeer

Geboorteakte van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Extract Nationale Militie Jan Vermeer

Extract van de Nationale Militie. Jan Vermeer was met zijn 1.52 meter ‘onder de maat’.
Bron: FamilySearch


 
Militieregister Jan Vermeer

Gedeelte uit het militieregister.
Bron: ArchieVal

 
Op 2 december 1905 trouwde Jan, arbeider en opperman van beroep, in Ede met mijn overgrootmoeder Teunisje Hulstein. Teunisje, Teun genoemd, werd op 11 september 1885 in Bennekom geboren. Zij was de dochter van Rut Hulstein en Louise Jansen. Teunisje groeide op aan de Laarweg 62, na omnummering in 1962 nummer 10 geworden.
Op zeventienjarige leeftijd verruilde zij op 26 juni 1903 voor ruim een jaar Bennekom voor Den Haag. Waarschijnlijk zal zij daar als dienstbode aan de slag zijn gegaan. In Den Haag was de behoefte groot aan dienstboden, die doorgaans per jaar werden ‘besteed’.

 

Geboorteakte Teunisje Hulstein

Geboorteakte van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal


 
Huwelijksakte Jan Vermeer en Teunisje Hulstein

Huwelijksakte van Jan Vermeer en Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal

 
Als pasgetrouwd stel namen mijn overgrootouders hun intrek in een woning op de Laarweg 69, in 1921 gevolgd door Groep de Laar 12. Waar Groep de Laar precies heeft gelegen is onduidelijk. Vanaf 1921 zijn in het arme noordoostelijke gebied van Bennekom met verspreide bebouwing de straatnamen ‘Laarweg’ en (het inmiddels verdwenen) ‘Laarpad’ ingevoerd. Onderscheid wordt er tevens gemaakt tussen ‘Laarweg’ en ‘De Laar’. Huisnummer 12 voor ‘De Laar’ ontbreekt in de ‘Straatreconstructie van J.G. Hartgers’. Het is dan ook aannemelijk dat ‘Groep de Laar’ een deel was van ‘De Laar’ en mogelijk het vroegere ‘Laarpad’.

 

Gereconstrueerde persoonskaart van Jan Vermeer

Gereconstrueerde persoonskaart van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Gereconstrueerde persoonskaart van Teunisje Hulstein

Gereconstrueerde persoonskaart van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal

 
In 1930 woonden mijn overgrootouders inmiddels op de Laarweg 14. Na omnummering in 1941 werd dit nummer 20. Voordat het huis in 1967 werd gesloopt, heeft mijn vader nog een foto gemaakt. Deze foto had in mijn ouderlijk huis een mooi plekje op de muur boven de voorzetkachel in de voorkamer.
De deel werd ‘studio’ genoemd. Hier repeteerde toneelvereniging KDS (Kunst Door Studie), opgericht in 1931, waar in de loop der jaren heel wat familieleden lid van zijn geweest, waaronder mijn ouders, die tevens grimeurs waren voor de toneelvereniging, en mijn grootouders. Zelf stond ik destijds in de kinderwagen achter de coulissen. Later werd er om toerbeurten bij de leden thuis gerepeteerd. Als kind mocht ik er soms bij aanwezig zijn als ‘wij’ aan de beurt waren. Wat een feest! Nog altijd bewaar ik een oud politie-uniform en een ‘deftig bontje’, die ooit gebruikt zijn voor een toneelvoorstelling.

 

Laarweg

Het huis aan de Laarweg 14, door omnummering nummer 20 geworden. Toneelvereniging KDS repeteerde in de deel, de ‘studio’ genoemd.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Toneelvereniging KDS

Toneelvereniging KDS (Kunst Door Studie).
Staande v.l.n.r.: Marie Meijer, Jo van Beek-van Ingen, Antje Vermeer-de Wit (echtgenote van Rut Hulstein, zittend de tweede man van links), Leen Borst, mijn oma Teun Jansen-Vermeer, Teus Zaaier, Mien Veldhuisen-Meijer en mijn oudoom Chris Jansen.
Zittend v.l.n.r.: dhr. Meijer (tevens souffleur), mijn oudoom Rut Vermeer, Bart Hoefakker, Wim Wolve en mijn opa Jan Jansen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Toneeluitvoering KDS

Toneeluitvoering van Toneelvereniging KDS.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Mijn overgrootouders kregen negen kinderen: zes dochters en drie zonen. Mijn oudtantes Helena (Lena),  Louise (Wies; mijn peettante), Catharina (Trien) en Dientje (Dien) heb ik allemaal mogen kennen. Dochter Rika werd slechts zes jaar oud en de hekkensluiter van het gezin was mijn oma Teunisje (Teun).
De zonen heetten Rut. De ‘eerste’ Rut was de tweelingbroer van Dientje. Zij waren te vroeg geboren en mij is altijd verteld, dat de twee kinderen in kistjes bij de kachel stonden als een soort couveuse. Ondanks het feit dat Dientje veel kleiner zou zijn geweest dan Rut, heeft zij het wel gehaald en is Rut na tien dagen alsnog overleden. De ‘volgende’ Rut werd slechts zestien maanden oud; een half jaar na zijn overlijden is mijn oudoom Rut nog geboren.

 

Het gezin Vermeer-Hulstein

Jan Vermeer en Teunisje Hulstein met hun kinderen (v.l.n.r.) Dien, Trien, Teun, Rut, Lena en Wies.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
IJscowagen Laarweg

Teunisje Hulstein en Jan Vermeer met hun kinderen Teunisje en Rut bij de ijscowagen van Holewijn op de Laarweg.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Helaas heb ik deze overgrootouders van mijn oma’s kant nooit mogen kennen. Mijn overgrootvader is op vijfenzeventigjarige leeftijd in Bennekom overleden op 24 juni 1956. Mijn overgrootmoeder volgde hem bijna zeven jaar later op 19 april 1963 op zevenenzeventigjarige leeftijd.

 

Overlijdensakte Jan Vermeer

Overlijdensakte van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Overlijdensakte Teunisje Hulstein

Overlijdensakte van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Eind vorig jaar ontving ik van Etienne Huyghe een verzoek om de website Uit de oude Koektrommel te mogen vermelden en uit te leggen tijdens de Februari-sessie Genealogie voor amateur-genealogen in de leeftijd tussen zestig en negentig jaar.
Al voor het vijfde jaar wordt er maandelijks in Lokaal Diensten Centrum Speltincx te Gentbrugge een sessie Genealogie georganiseerd, waarbij onder andere aan de hand van een Power Point presentatie allerhande genealogie-gerelateerde onderwerpen worden belicht. Ldc Speltincx is één van de tien lokale dienstencentra van het OCMW (Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn) Gent, die als doel hebben de buurtbewoners, vooral de senioren, zo lang mogelijk op een kwaliteitsvolle manier thuis te laten wonen.

Tijdens de sessie van 7 februari jongstleden werd uitvoerig aandacht besteed aan de website, waarbij getracht werd ‘de veelzijdigheid en praktische kant van de site te belichten’, aldus Etienne Huyghe. Hij vervolgt, ik citeer: ‘…zou ik alle mensen die belangstellen in genealogie willen aanraden deze site ‘tenminste’ te overlopen……, het is niet enkel een welkome afwisseling, maar vooral een bijdrage in je ontwikkeling als amateur-genealoog en op termijn zal blijken dat het een niet te verwaarlozen factor is in tijd.’ En met betrekking tot de pagina België: ‘Mijns inziens overzichtelijk, nuttig en praktisch met vooral de ontelbare links naar sites, waarop iets kan gevonden worden.
Deze waarderende woorden zijn voor mij als webbeheerder een mooie opsteker en extra stimulans om de weg te vervolgen, die ik met mijn website ben ingeslagen.

Etienne Huyghe is met zijn ‘vergevorderde leeftijd’ als vrijwilliger betrokken bij de begeleiding van de genealogie-sessies en sinds zeven jaar als wandelgids voor OCMW Gent. Via zelfstudie heeft hij zich het werken met de PC en het stamboomonderzoek eigen gemaakt. Waarvoor mijn respect! Met veel hulp en steun heeft hij zijn steentje weten bij te dragen om samen met zijn medestanders van het eerste uur het genealogie-initiatief te doen slagen.
Als groot bewonderaar van de Nederlandse prestaties en inspanningen betreffende genealogie stelt hij zich ten doel de achterstand ten opzichte van de Belgische buurlanden in te halen. Hij realiseert zich, dat hem dat gezien zijn leeftijd niet zal lukken. Zijn hoop is daarom gevestigd op de jongere generatie(s). Daarnaast is hij van mening, dat senioren, die maar blijven denken dat ze te oud zijn om ‘over te schakelen’, het niet bij het rechte eind hebben en heeft hij de stille wens, dat zij toch de daad bij het woord zullen voegen.

Zijn verhaal raakt mij en zet mij tegelijkertijd aan tot nadenken. Mijn visie met betrekking tot genealogie verschilt in wezen niet zoveel. Zelf ben ik een groot voorstander van het, bij voorkeur gratis, openbaar toegankelijk maken van digitale bronnen ten behoeve van genealogisch onderzoek. Op die manier komt genealogie ook binnen handbereik te liggen van geïnteresseerden met een financiële of mobiele beperking. Hoe belangrijk kan het zijn te weten waar jouw wortels liggen. Immers, geen heden zonder verleden. Je bent wie jouw voorouders waren.

In Nederland mogen we ons best ‘verwend’ noemen met dergelijke, in snel toenemende mate, openbare bronnen, die mede door de inzet van vele vrijwilligers beschikbaar zijn of worden gemaakt. Bovendien wordt er via diverse archiefinstellingen en historische verenigingen het nodige georganiseerd met betrekking tot geschiedkundige en genealogische onderwerpen. Echter, er lijkt, zeker op plaatselijk niveau, weinig belangstelling te bestaan om tegen geringe kosten genealogie bereikbaar te maken voor het geïnteresseerde publiek, dat haast lijkt te verdwalen in de hedendaagse digitale wereld en zeker een steuntje in de rug kan gebruiken. Mijns inziens mogen wij een voorbeeld nemen aan het prachtige Gentbrugse initiatief!
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Met speciale dank aan Etienne Huyghe.
Webblog sessies genealogie: Speltincx Genealogie
OCMW Gent Speltincx: informatie
 
 

 
Oude ‘troep’

Mijn oma had een voorliefde voor het bewaren van dingen, die soms om onverklaarbare redenen de prullenbak nooit hebben bereikt. Als kind vroeg ik haar weleens wat ze toch met die oude spullen, destijds ‘troep’ in mijn ogen, moest. Steevast antwoordde zij: ‘Da’s mooi voor later’. ‘Hmm, ‘later’ zijn die dingen nog ouder; dan kan je het beter nu gelijk wegdoen’, was mijn kindergedachte.

De oude spullen zijn uiteindelijk naar mijn moeder gegaan en een groot deel daarvan is bij mij terecht gekomen. Zo bevonden zich tussen haar ‘erfenis’ twee uitgaven van De Spiegel, Christelijk Nationaal Weekblad; No. 20 van 14 februari 1953 en No. 22 van 28 februari 1953 betreffende de watersnoodramp. Aangezien mijn grootouders niet geabonneerd waren op dit Christelijk Nationaal Weekblad en zij destijds ‘hoog en droog’ hebben gezeten, moet de watersnoodramp en alle gevolgen daarvan wel zodanig indrukwekkend voor mijn oma zijn geweest, dat zij deze uitgaven heeft aangeschaft en het belangrijk genoeg vond om ze door te geven aan het nageslacht.

 

Spiegel No. 20 van 14 februari 1953; voorzijde en bladzijde 16.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Spiegel no. 21

Spiegel No. 21 van 28 februari 1953; voorzijde en bladzijde 3.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Watersnoodramp

Ten zuiden van IJsland ontwikkelde zich op 29 januari 1953 een noordwesterstorm. Via Schotland koerste de storm verder zuidwaarts en draaide op de noordelijke Noordzee naar noordnoordwest. Op zaterdag 31 januari 1953 stevende het stormveld recht op onze westkust af, waarbij de storm in de avond toenam tot een windkracht 10. Toch heerste er de gedachte onder de bevolking, dat het allemaal wel mee zou vallen.

Het tegendeel bleek echter waar. Om twee uur ’s nachts kwam het water al over de dijken en vloedplanken. De zware storm zorgde samen met springtij voor een gevaarlijke en zeldzame hoge stormvloed. Het ging mis toen rond drie uur ’s nachts de dijken bij Kruiningen, Kortgene en Oude Tonge bezweken onder het uitzonderlijke hoge en beukende water.
Het verwoestende water was niet meer te stoppen. Tussen vier en zes uur ’s nachts braken overal in Zeeland, West-Brabant en op de Zuid-Hollandse eilanden dijken door, waardoor het water zodanig snel de polders in stroomde, dat in enkele dorpen het water binnen een half uur tot wel drie meter hoog stond. Huizen stortten in of werden meegesleurd door de stroming en complete gehuchten werden vernietigd.

De volgende dag zakte het water in eerste instantie iets tijdens de eb. Bewoners zochten een hoger heenkomen in afwachting van hulp. In de middag kondigde zich echter een tweede nog hogere vloedgolf aan, waardoor het water hoger kwam te staan dan de nacht ervoor. Veel huizen, die de eerste stormvloed hadden doorstaan, bezweken alsnog. De storm ging pas op 3 februari liggen. Zondag 8 februari werd een dag van nationale rouw; er waren inmiddels 1795 doden te betreuren. De Ramp, aanvankelijk ook wel aangeduid als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, zou uiteindelijk officieel 1836 slachtoffers eisen.

 

Watersnoodramp van 1953

Watersnoodramp 1953
Bron: Rijkswaterstaat/Rens Jacobs


 

 
 

Bijzondere vondst

Het zal een jaartje of dertig geleden zijn, dat ik op een rommelmarkt voor een habbekrats een lijst met een ronduit wanstaltig portret gekocht heb. In tegenstelling tot de replica was de lijst prachtig. Bij het omwisselen van de afbeelding kwam er na enkele dunne kartonnetjes een stevig karton tevoorschijn. Op de achterkant was dit karton beplakt met een advertentiepagina uit de Zeeuwse Courant; op de voorkant pronkte een meest intrigerende foto van Vlissingen. Door het origineel onder een loep te bekijken wordt je haast meegezogen in de ruimte achter de deur, waarin zich een persoon bevindt…

 

Watersnoodramp Vlissingen

Mijn bijzondere vondst. In Vlissingen werd de hoogste waterstand gemeten: 4.55 m+ NAP.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Het moet gezegd: mijn oma had volkomen gelijk! Geen kostbare erfenis, maar daardoor zeker niet minder waardevol. Terwijl ik als kind vol afgrijzen de voorkant met het kadaver van een koe bekeek, lees ik nu als volwassene aandachtig de berichtgeving in de weekbladen, gecompleteerd met indringende foto’s. Een tijdsbeeld van de grootste natuurramp in de Nederlandse naoorlogse geschiedenis, die voor heel wat families rampzalige gevolgen met zich meebracht. Mooi dat deze ‘oude troep’ bewaard is gebleven. De exemplaren van de Spiegel en de foto zijn door mij zorgvuldig opgeborgen in een (schat)kist tussen allerhande oude dingen, die bewust de prullenbak nooit hebben bereikt. Da’s mooi voor later…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Een plaats voor herinneringen aan slachtoffers van de watersnood 1953 vindt u op de website De Ramp (zie ook: meer info).
Bronnen: Wikipedia, Watersnoodmuseum, KNMI (watersnoodramp) en KNMI (stormvloed)