De Knollys Roos Ceremonie

30 november 2016 at 15:54

 
Via mijn Engelse voorouder Richard Knowles kom ik uit bij de roemruchte familie Knollys (uitgesproken als ‘Knowles’). Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zo vond ik ook het verhaal over de ‘Knollys Roos Ceremonie’.

We schrijven het jaar 1381. Lady Constance Beverley woont met haar echtgenoot Sir Robert Knollys aan de westkant van ‘Seething Lane’ in Londen, in die tijd ‘Cevenden Lane’ of ‘Syvenden Lane’ genoemd. Terwijl Sir Robert op dat moment aan de zijde van zijn vriend Jan van Gent (Hertog van Lancaster en de vierde zoon van Koning Edward III van Engeland) in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tegen Frankrijk vecht heeft Lady Constance de verantwoordelijkheid over het huis.
Al sinds het echtpaar in 1370 het huis met belendend perceel kocht ergerde Lady Constance zich mateloos aan het in haar richting opwaaiende kaf van het gedorste veld tegenover hun huis. Sir Robert en Lady Constance besluiten hierop om in 1379 het betreffende veld aan de oostkant van de straat te kopen om er een rozentuin aan te planten. Het probleem is echter dat een hoofdweg de beide percelen doorkruist. Lady Constance, niet voor één gat te vangen, vindt tijdens de afwezigheid van Sir Robert de oplossing in het laten bouwen van een voetgangersbrug over de weg als verbinding tussen beide gronden. Een mooie bijkomstigheid, en zeker niet minder belangrijk, is dat ze op die manier ook haar schoenen niet meer hoeft te bevuilen aan de modderige straat. Echter, voor de bouw van de voetbrug ‘vergeet’ ze voor het gemak de bouwvergunning aan te vragen. (Of wellicht is zij als echtgenote wettelijk gezien niet eens bij machte om deze vergunning aan te vragen.)

 

All Hallows Barking kerk

De All Hallows Barking kerk met de Syvenden Lane naar boven.
Bron (bewerkt): Living in the past

 
Helaas voor Lady Constance wordt de overtreding niet door de vingers gezien. Ze zal zich moeten verantwoorden voor haar daad. De Raad van de City of London, met aan het hoofd Lord Mayor Sir William Walworth, belegt een vergadering om de kwestie te bespreken en komt met het besluit dat het opleggen van een boete zeker op zijn plaats zou zijn. Regels zijn immers regels.
Sir Robert is echter een uiterst gerespecteerde en invloedrijke man, die niet alleen voor het land tegen Frankrijk vecht, maar die tevens erg populair is bij de inwoners van Londen door zijn cruciale rol bij het neerslaan van de boerenopstand eerder dat jaar. Een forse straf zou wel heel ondankbaar overkomen. Bovendien is Sir Knollys ook nog eens goed bevriend met de Lord Mayor.
Op 23 juli 1381 wordt besloten dat er een symbolische boete zal worden opgelegd; Sir Robert (en zijn erfgenamen of nazaten) moet jaarlijks tot ‘in eeuwigheid’ op 24 juni, de dag van het Sint-Jans feest dat drie dagen na de Midzomerzonnewende gevierd wordt, een rode roos uit de tuin van Syverden Lane aanbieden aan de dienstdoend edelman van Guildhall, het gemeentehuis:

To all persons who these present letters shall see or hear, the Mayor Aldermen and Commonalty of the City of London Greeting, know ye that we have granted unto Messire Robert Knolles Knight, our dear and well beloved fellow citizen, and to Constance his wife, leave to make a Haut-pas of the height of 14 feet extending from the house of the said Robert and Constance his wife on the west side thereof to another house to them belonging on the east side thereof, beyond the lane of Syvendenlane in the parish of All Hallows Berkyngechirche, near the Tower of London, rendering yearly to the Chamberlain of the Guild Hall of the said City for the time being one red rose at the feast of St. John the Baptist.

Na deze uitspraak wordt met terugwerkende kracht alsnog toestemming verleend voor de bouw van de voetgangersbrug met een hoogte van veertien voet en is de zaak daarmee afgedaan.

Helaas is er geen documentatie bekend over hoe Sir Robert op de gehele zaak heeft gereageerd bij thuiskomst, maar aangezien zijn vrouw bekend staat om haar ontzagwekkende en sterke persoonlijkheid, zal de gang van zaken hem nauwelijks hebben verbaasd.
De taak van het in ontvangst nemen van de ‘afbetaling’ komt in handen te liggen van de Lord Mayor. Daarbij is het wel grappig om te weten dat een zoon van Sir Robert en Lady Constance, Thomas Knollys, in 1399 en 1410 zelf Lord Mayor van Londen was. Dat zullen gezellige familieonderonsjes zijn geweest!

De ceremonie heeft eeuwenlang bestaan. Waarschijnlijk tot 1666, het jaar waarin de ‘Grote Brand’ van Londen plaatsvond en de rozentuin vermoedelijk is vernietigd. Daarna raakt het in de vergetelheid. Tot de ceremonie door vicaris Tubby Clayton van de All Hallows-by-the-Tower kerk, ook wel All Hallows Barking kerk genoemd, in 1924 nieuw leven ingeblazen wordt. Weliswaar niet meer op Sint-Jans dag, maar op een dag in de maand juni, wanneer de Lord Mayor hiervoor beschikbaar is.

 

Knollys Roos Ceremonie

Knollys Roos Ceremonie
Bronnen: Knollys glas-in-loodraam in de All Hallows-by-the-Tower kerk (Lost City of London), Knollys wapen (onbekend), Roos (Lost City of London) en de processie (Ian Visits)

 
Tijdens de viering van de huidige Knollys Roos Ceremonie komen genodigden en nazaten van de Knollys familie bijeen in de kerk van All Hallows-by-the-Tower, waar een dienst wordt gehouden. Na de dienst begeeft het gezelschap zich naar Seething Lane Garden, de plek waarvan gezegd wordt dat het de locatie is van de rozentuin van Lady Constance. De leiding van de ceremonie ligt in handen van de Master of the Worshipful Company of Watermen and Ligtermen of the river Thames, van oorsprong het gilde van de vervoerders van mensen en goederen over de rivier de Theems. In een korte toespraak legt hij de geschiedenis van het ontstaan van de ceremonie uit, knipt vervolgens in alle ernst een rode roos af, die hij met uiterste zorgvuldigheid heeft uitgekozen en legt de roos op een fluwelen kussen, dat gedragen zal worden door de vicaris van de kerk. Dan volgt er een kleurrijke processie door de straten van het oude Londen richting het Mansion House, de ambtswoning van de Lord Mayor, alwaar deze staat te wachten op de jaarlijkse afbetaling van de boete. In een besloten ceremonie wordt de roos dan aan hem aangeboden.

De bewuste voetgangersbrug was trouwens een veel korter leven beschoren; die werd naar aller waarschijnlijkheid al aan het begin van de zestiende eeuw afgebroken…
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: My London Passion, SightseerIan VisitsTraditional Customs and Ceremonies en British History
 
 

Het drama bij Hulkestein

21 oktober 2016 at 12:43

 
Zondag 6 augustus 1826. Op deze dag vierde de Nederlandse Stoomboot Maatschappij de opening van een nieuwe bootverbinding, die wekelijks in de vaart zou komen tussen Rotterdam en Arnhem, met een feestelijke tocht van Arnhem naar Nijmegen en weer terug. Op de kade van Arnhem had zich een grote menigte geschaard om getuige te zijn van de afvaart om half tien ‘s morgens.
Aan boord bevonden zich een gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders en genodigden, waaronder Baron van Heeckeren van Kell, de commandant van de provincie Gelderland, kolonel Kuyck met zijn vrouw en één van zijn dochters, burgemeester van Arnhem Mr. Weerts met zijn vrouw en wethouders van Arnhem. De infanterie van het garnizoen zorgde gedurende de dag voor de muzikale begeleiding aan boord.

De tocht verliep voorspoedig en de stemming zat er goed in. Toen de boot tegen vier uur ’s middags weer bij Arnhem was aangekomen besloot men om niet bij de Schipbrug aan te leggen, maar om nog een stukje verder de Rijn af te varen.
Terwijl men aan boord net van tafel zou opstaan, naderde de stoomboot het landgoed Hulkestein waar de 47-jarige douairière Johan Brantsen (weduwe dus van de kort daarvoor overleden Jonkheer Mr. Johan Brantsen), Maria Leopoldina Catherina van Hasselt met haar twee jonge kinderen, de 12-jarige Diederica Wilhelmina Agatha en de 11-jarige Johan Conraad Louis Anthony woonde.
Vanuit de tuin liet zij saluutschoten afvuren met het geschut dat voor het landgoed was geplaatst. Dit werd door het gezelschap aan boord als een beleefdheid beschouwd en al snel stapten kolonel Kuyck van de 13de afdeling der infanterie, wethouder Jonkheer Mr. van Rappard en de belastingambtenaar Jonkheer Nahuys in een sloep en begaven zich naar de oever om weduwe Brantsen uit te nodigen aan boord van het stoomschip te komen.

Op dat moment, het was intussen rond vijf uur ’s middags, waren twee kinderen van de toenmalige burgemeester van Arnhem Mr. Johan Weerts, de 14-jarige Anna Margaretha Theodora Helena Johanna Wilhelmina en de 7-jarige Johan Alexander, het zoontje van de heer Dijckmeester uit Thiel en ‘eene jonge juffer’ uit Zutphen ook op het landgoed aanwezig. Weduwe Brantsen nam de uitnodiging aan en stapte, vergezeld door de heren, met haar gezelschap in de sloep op weg naar de boot, waar men zich al gereed maakte om de nieuwe bezoekers te ontvangen.
Vlak voordat de sloep de boot bereikte sloeg hij ineens om. Het verhaal gaat dat het vaartuig kantelde doordat een inzittende uit baldadigheid de sloep liet schommelen. Hoe dan ook, voor het ontvangstcomité het wist lag het hele gezelschap in het water. Terwijl op de stoomboot de muziek nog vrolijk doorklonk, omdat men er geen weet van had wat er gaande was, werd er aan de andere kant van de boot in het water gevochten voor het leven.
Uiteindelijk wist men de Jonkheer Nahuys en het zoontje van de heer Dijckmeester uit het water te redden. De juffer uit Zutphen had het geluk dat zij tegen de boot aandreef en zodoende ook gered kon worden. Alle overige zeven inzittenden van de sloep werden voor de ogen van de machteloze aanschouwers en familieleden met de stroom meegevoerd en verdronken. De ontsteltenis was verschrikkelijk, de algemene verslagenheid groot en de stad Arnhem was in diepe rouw. Het zou nog veertien dagen duren voordat het lichaam van douairière Johan Brantsen zou worden gevonden in de Rijn.

 

Het drama bij Hulkestein (aquarel van Johan Derk Gebly).
Bron: Heemkunde Renkum (embedded)

 

Krantenartikel Hulkestein

Krantenartikel over het drama bij Hulkestein uit de Middelburgsche Courant van 12 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
Familiebericht Brantsen

Familiebericht uit de Opregte Haarlemsche Courant van 17 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: delpher.nl en Heemkunde Stichting voor de gemeente Renkum
 
 

Hulckesteijn

19 oktober 2016 at 15:24

 
Hulckesteijn, waarvan het grondgebied zich uitstrekte van den Haspel tot aan de Klingelbeek, werd als ‘spijker’, een versterkt voorraad- en woonhuis, door Karel van Egmond (hertog van Gelre en graaf van Zutphen, 1467-1538) gebouwd. In het jaar 1533 kocht hij er, of liever gezegd was het een ‘handjeklap’ omdat hij hiervoor de van Kloris van den Erven gekochte aan de St. Jansbeek gelegen watermolen met toebehoren ruilde, van zijn barbier Herman Boetzeel nog een belendend erf bij. Zo staat er beschreven:

… ‘eynen Bomgart mitien Bouwhuys Loependerberg geheyten, by die Clingelbeeck opten Ryn-stroem geleghen, streckende die Ryncant langes bis aen onsen Spycker, wy dair doen tymmeren hebben geheyten Hulckensteyn…’

De oorsprong van de naam ‘Hulckesteijn’ is niet helemaal duidelijk. De overlevering zegt dat het huis genoemd is naar een boot van Karel van Egmond, de ‘Hulck’, die op deze plaats in de Rijn lag en in 1537 afgebroken moest worden.

Het landelijk gelegen Hulckesteijn, met aan de westkant enkele boerderijen van voornamelijk tabakkers, was in de zestiende eeuw aan de noordzijde ommuurd en grensde aan de huidige Utrechtseweg. Aan de oostkant van Hulckesteijn bevond zich de oudste galgenplaats van het rechtsgebied Arnhem, die ongeveer op de scheiding van Onderlangs en Bovenover/Utrechtseweg (‘de Haspel’) stond. De galg was zo geplaatst dat het vanaf de weg naar Utrecht en vanaf de Rijn goed te zien was als waarschuwing voor passerende reizigers. Over het gebruik van deze galg is maar weinig bekend. Waarschijnlijk is de galg ‘slechts’ tot het einde van de zestiende eeuw in gebruik geweest en is de functie overgenomen door de galgenberg ten noorden van de stad.

 

Hulckesteijn in 1551

Kaart van Hulckesteijn uit 1555; gezien vanaf de noordzijde met links de galgenplaats (Maker: Johan Gielis).
Bron: Gelders Archief (Licentie: Public Domain)

 
Na het overlijden van Karel van Egmond werd de nieuwe landsheer Karel V de eigenaar van het landgoed. Hij gaf het in 1555 in bruikleen aan Philips van Lalaing, graaf van Hoogstraten, stadhouder en kapitein-generaal van Gelre en Zutphen. Naderhand ging het over op Herman, graaf van den Berg, vrijheer van Boxmeer en Bijland, wiens zoon het in 1595 aan Johan Milfair verkocht om van het geld onder andere zijn schuldeisers te kunnen betalen. In 1599 kwam het in handen van het aanzienlijk geslacht van Karel van der Sande en ten slotte viel het in 1666 door erfenis ten deel aan de rijke regentenfamilie Brantsen.

 

Hulckesteijn rond 1740.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Hendrik Arentzen, de verst gevonden voorouder van de familie Hulstein, werd rond 1580 op ‘den Hullik’ geboren en was er pachter in 1605. Rond 1649 leefden op Hulckesteijn twee vrouwen: Marij Jansen, de vrouw van Hendrik Arentzen en Lijsenoije op Den Hulck. Tot de ‘Fransche tijt’ 1672, woonde de familie Hulstein op het landgoed.

 

The Van Hulckensteijn Estate

Hulckesteijn rond 1860.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 

Hulckesteijn in de tweede helft van de negentiende eeuw met op de achtergrond de toren van de Eusebiuskerk in Arnhem.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Het hek en de bijbehorende oprijlaan verbonden Hulkestein met de ingang aan de Utrechtseweg. Na de verkoop en verkaveling van het landgoed in 1894 en de definitieve aanleg en naamgeving van de Hulkesteinseweg in 1908 had het hek zijn feitelijke functie verloren.
In 1932 werd de heer Wennekes eigenaar van het huis Hulkestein. Hij schonk het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin. Dat dit hek niet altijd op Hulkestein heeft gestaan blijkt uit oudere foto’s met een andere toegang.
Helaas werd de buitenplaats door de oorlogshandelingen rond de Slag om Arnhem in september 1944 totaal verwoest.

 

Hulkestein met toegangspoort vóór 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 

Hulkestein met toegangspoort in 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 

Het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, werd in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem geschonken, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Arneym, Gelders Archief en Hoogstede
 
 

Grootvader Rut en de familienaam Hulstein

17 oktober 2016 at 16:54

 
Via de familielijn van mijn oma kom ik terecht bij de familie Hulstein met als meest recente mannelijke voorouder mijn betovergrootvader Rut Hulstein. Rut wordt op 8 augustus 1856 in Bennekom geboren. Hij is boerenknecht en landarbeider van beroep en trouwt in Ede op 16 april 1881 met Louise Jansen. Rut geldt in lijn als de vierde generatie landbouwers in Bennekom, alhoewel zijn vader ook een uitstapje maakte als schaapherder.

 

Mijn betovergrootvader Rut Hulstein.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Bij het horen van de naam ‘Hulstein’ val je in Bennekom en omgeving beslist niet van verbazing van je stoel. En niet alleen in deze omgeving komt de naam veelvuldig voor; met dank aan de oom van Rut, Cornelis Hulstein, die met zijn vrouw Rijkje van Roekel en hun kinderen het dappere besluit nam om naar het ‘verre Amerika’ te vertrekken, lopen er aan de andere kant van de oceaan ondertussen ook heel wat ‘Hulsteintjes’ rond. Waar ik destijds bij het uitzoeken van de genealogie absoluut geen weet van had was dat de naam ‘Hulstein’ mij uiteindelijk bij het huis Hulckesteijn zou brengen, waarvan het grondgebied zich uitstrekte van den Haspel tot aan de Klingelbeek bij Arnhem.

 

Hulckesteijn

Huis Hulckesteijn in de negentiende eeuw, gefotografeerd vanaf de noordelijke Rijnoever.
Bron: Gelders Archief (Licentie: Public Domain)

 
Bij mijn weten is de eerste officiële vermelding van de achternaam ‘van Hulsteijn’ te vinden in een akte van 4 april 1693 betreffende de aankoop van enkele percelen bouwland. Hierin wordt de naam van Aernt Hendrickse van Hulsteijn genoemd, de broer van Johannes Hendrickse die op zijn beurt weer de oudvader van Rut is. Alhoewel ik toch het vermoeden heb dat het hierbij om een toevoegde toponiem gaat, aangezien Aernt op Hulckesteijn is geboren.
Het is echter in de directe lijn Rut zijn betovergrootvader Hendrick Arents die de achternaam ‘Hulsteijn’ gaat dragen. Vanaf die tijd, dan hebben we het over het begin van de achttiende eeuw, zien we de achternaam in diverse varianten de revue passeren. Na de oude toevoegingen als ‘van den Hullik of Hulck’ en ‘van Hulckesteijn’ komen we onder andere ‘(van) Hulsteijn’, (van) Hulstijn’ en Hulstein tegen.

 

Huwelijk Hendrik Arents Hulsteijn en Geertruijd Cornelissen

Uit het kerkboek van de N.H. Gemeente in Arnhem: Hendrik Arents Hulsteijn en Geertruijd Cornelissen, 13 december 1753.
Bron: FamilySearch

 
Uiteraard is er over huis Hulckesteijn wel wat meer te vertellen. De geschiedenis van de buitenplaats en het drama van Hulckesteijn zullen daarom in twee volgende berichten aan bod komen.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

De zussen Maria Alexandrina en Alexandrina Maria

2 oktober 2016 at 17:39

 
De laatste tijd worden, haast in een stroomversnelling, allerhande archieven openbaar inzichtelijk gemaakt op het internet. Gelukkig maar, zou ik haast zeggen, dat scheelt heel wat uurtjes onderzoek op locatie. Met regelmaat speur ik dan ook de registers af op zoek naar nieuwe gegevens van de personen in mijn stambomen. En zo nu en dan stuit je toch op een verwarrende ontdekking!

Maria Alexandrina van Hirtum, de overgrootmoeder van mijn man, kwam, voor zover ik het heb kunnen nagaan, uit een gezin met vier kinderen. Drie jongens en één meisje was het gezin Van Hirtum-Boerebach rijk, zo veronderstelde ik. Zij was hoogstwaarschijnlijk naar haar beide grootmoeders vernoemd: aan vaders kant Anna Maria (van Santfoort) en aan moeders kant Alexandrina (Mulder). Maria Alexandrina trouwde op 24 juni 1908 in Hilversum met de in Nieuwer-Amstel geboren ‘reiziger’ Andreas Petrus Maria Jacobus Regter.

De verwarring ontstaat op het moment dat ik een andere huwelijksakte onder ogen krijg betreffende een, in eerste instantie vermelde, Maria Alexandrina van Hirtum met dezelfde ouders, dezelfde huwelijksplaats, echter met een andere echtgenoot, namelijk Willem van Poelgeest. Dit huwelijk vond plaats op 30 september van datzelfde jaar 1908.
Het blijkt te gaan om een voor mij onbekende vijf jaar jongere zus van Maria Alexandrina. Officieel aangegeven als Alexandrina Maria, maar bij de zoekgegevens van diverse instanties worden deze namen structureel door elkaar gebruikt. Zelfs de Duitse punctualiteit heeft in de overlijdensakte een steekje laten vallen! Nou gebiedt mij de eerlijkheid dan ook te zeggen dat hun ouders in mijn ogen niet echt een hoog staaltje van creativiteit hebben laten zien bij de naamkeuze van hun enige twee dochters!

 

Huwelijksakte Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest

Huwelijksakte van Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest.
Bron: FamilySearch

 
Alexandrina Maria, zo blijkt, werd geboren op 14 juni 1885 om zes uur ’s morgens in het ouderlijke huis in ‘het gehucht Orten’, zoals het zo mooi beschreven staat in de aangifte bij de Burgerlijke Stand van ’s Hertogenbosch. Dit huis stond in Wijk K en had huisnummer honderdtwee. Uit de gegevens van een kaart van het Informatiebureau van het Rode Kruis blijkt dat Alexandrina Maria in 1889 vanuit ‘s-Hertogenbosch naar Naarden verhuisde. Op 9 november 1892 werd zij ingeschreven in Bussum en op 4 juni 1897 vertrok zij naar Hilversum.

 

Woonplaatsen van Alexandrina Maria

Kaart van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis met de inschrijvingen in de gemeenten.
Bron: Archief Rode Kruis

 
Op drieëntwintig-jarige leeftijd trouwde zij met de één jaar jongere en van oorsprong uit het Zegveldse Meije komende schilder Willem van Poelgeest. Het burgerlijke huwelijk werd, zoals vermeld, voltrokken op 30 september 1908 in Hilversum. Zij kregen tien kinderen: zeven zonen en drie dochters, allemaal geboren in Hilversum. Willem startte met enige hulp zijn eigen huis-en decoratie schildersbedrijf en kreeg eens het postkantoor op de Neude in Utrecht als opdracht.

 

Burgerlijke Stand Alexandrina Maria van Hirtum

Geboortevermelding Burgerlijke Stand van ‘s-Hertogenbosch in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant van 16 juni 1885.
Bron: Delpher


 
Geboorteregister Alexandrina Maria van Hirtum

Geboorteregister van het jaar 1885 van Gemeente ‘s-Hertogenbosch.
Bron: FamilySearch


 
Geboorteaangifte van Alexandrina Maria. Bron: zoekakten.nl

Geboorteaangifte van Alexandrina Maria.
Bron: FamilySearch

 
Op een bepaald moment zijn Alexandrina en Willem in Duitsland terecht gekomen. Dit blijkt uit de Duitse overlijdensakte van Alexandrina. Het echtpaar woonde volgens de akte op Apfelstraße 6 in Burg bij Magdeburg. Op 27 september 1944 werd Alexandrina opgenomen in het ‘Kreiskrankenhause’ van Burg, waar zij een dag later, op 28 september 1944, om kwart voor twee ’s nachts zou komen te overlijden aan de gevolgen van een longontsteking. Zij werd begraven op de Stadsbegraafplaats van Burg, Veld 1, Rij 32, Nr. 10.

 

Ziekenhuisopname Alexandrina Maria

Ziekenhuisopname van Alexandrina Maria.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria

Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Graf Alexandrina Maria

Documentatie betreffende de Stadsbegraafplaats in Burg.
Bron: Archief Rode Kruis

 
Wat Alexandrina Maria en Willem ertoe heeft gedreven of heeft verplicht naar Duitsland te vertrekken en wanneer dit is geweest heb ik tot nu toe nog niet kunnen achterhalen. Feit is wel dat volgens de Nederlandse overlijdensakte, welke is opgemaakt op 27 augustus 1946 naar aanleiding van een via het Rode Kruis ontvangen uittreksel uit het overlijdensregister der gemeente Burg in Duitsland, Alexandrina Maria nog steeds als inwoonster van Hilversum werd beschouwd en dus ook nooit officieel is uitgeschreven uit de gemeente.

 

Kennisgeving overlijden Alexandrina Maria

Kennisgeving van het overlijden van Alexandrina Maria, d.d. 10 augustus 1946.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Nederlandse overlijdensakte Alexandrina Maria van Hirtum

Overlijdensakte van Gemeente Hilversum.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: FamilySearch, Delpher en Archief Rode Kruis
 
 

De gootsteen

29 augustus 2016 at 14:37

 
De ‘iets oudere’ onder ons zullen het ongetwijfeld herkennen: zo’n heerlijke ouderwetse keuken met granito aanrecht en een gootsteen met de kleine tegeltjes. Ik waan mij dan weer even terug bij mijn Opa en Oma thuis. Hoe mijn Oma met Ossegalzeep de handwas boende met behulp van een wasbord of hoe een wasje een nachtje in de Biotex werd getrokken in de spoelbak. Op het geribbelde zeepplekje lag zo’n lekker geurend stukje ‘vlokkenzeep’. De badkamer werd overigens opgesierd met een lavet in dezelfde stijl, waar ik als klein kind op moest klauteren als ik bij hun in ‘bad’ ging.
Wat was mijn oma, met haar rheumahanden, trouwens blij dat een wasautomaat betaalbaar werd!

 

Gootsteen van rond 1910.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 

Granito gootsteen en aanrechtblad van rond 1950, zoals mijn grootouders die hadden.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Alhoewel we tegenwoordig zouden moeten spreken van een ‘spoelbak’ zijn we het gebruik van de term ‘gootsteen’, welke afkomstig is van een sanitaire voorziening uit de Middeleeuwen, nog steeds niet verleerd.
Over de oorsprong van deze term zijn de meningen verdeeld. Zo wordt er wel gesproken over een goot die door het huis liep met daarin een steen om het afval tegen te houden dat niet in de riolering hoorde. Echter, de meest gehoorde versie is het gebruik van een uitgeholde steen, die van het aanrecht door de gevel naar buiten stak, al dan niet aangesloten op een afvoerpijp.
Hoe dan ook: de gootsteen was in ieder geval een waterbak van natuursteen, die zich dikwijls in een nis in de muur bevond. Het benodigde water kwam in vroegere tijden uit een waterketel, hangend aan een haak boven de gootsteen. De afvoer werd gevormd door een goot, die vaak één geheel vormde met de waterbak en door de muur buiten uitmondde. Van dit laatste zijn nog steeds enkele voorbeelden te vinden, zoals in de Houtzagerssteeg in Kampen.

 

Gootsteen Houtzagerssteeg Kampen

Uitmonding van de goot door de buitenmuur, zoals nog te zien is in de Houtzagerssteeg te Kampen.
Bron (bewerkt): onbekend, mogelijk Stadsarchief Kampen


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Divers, waaronder Mokums
Foto’s © Uit de oude Koektrommel zijn gemaakt in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem
 
 

Opa Cees de ijscoboer

30 juni 2016 at 16:06

 
Welk kind wil er nu niet een ijscoboer als opa?! Nou, mijn opa was dat. Jammer genoeg ken ik mijn opa alleen van de foto’s en de schaarse familieverhalen; hij was voor mijn geboorte al overleden.

In eerste instantie was mijn opa Albertus Cornelis ‘Cees’ Enklaar smid van beroep. In de adresboeken van Nijmegen worden vervolgens de beroepen arbeider, chauffeur en fabrieksarbeider vermeld. Fabrieksarbeider zal hij bij de Philips zijn geweest, alwaar heel wat andere familieleden hun beleg op de boterham verdienden.
Vervolgens besloot hij zich toe te leggen op het verkopen van zelfgemaakt ijs. Zo trok hij met zijn ijscokar door de straten van Nijmegen om ‘het lekkerste ijs van Nijmegen’ aan de man te brengen. Overigens was deze eigen fabricage van ijs geheel tot groot ongenoegen van mijn oma, die daarvoor als onvrijwillig proefpersoon moest dienen. Teveel zout, te weinig zout. Dikwijls vroeg zij zich hardop af of ‘hij haar soms wou vergiftigen…?!’. Dan was het bij wijze van spreken bukken geblazen om het linea recta geretourneerde ijs op tijd te kunnen ontwijken.

 

De ijscokar van mijn opa.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Uiteraard moest je met je tijd meegaan en de ijscokar werd daarom ingeruild voor een ‘bedrijfsauto’. Heel wat zijn er versleten. Bovendien waren het niet de meest nieuwe en solide auto’s, waardoor het kon gebeuren dat afgevallen onderdelen de bedrijfsauto spontaan in konden halen tijdens het rijden. Zo kon mijn vader zich ook nog goed herinneren dat hij als klein jochie terug moest rennen om een uitgevallen autodeur van de straat te rapen!

 

De ijscokar werd ingeruild voor een bedrijfswagen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Mijn opa Cees werd op 20 september 1899 in Rhenen geboren op nummer 391 van Wijk A als onwettige zoon van Johanna van den Oosterkamp. Zijn moeder trouwde, inmiddels behoorlijk zwanger van haar tweede kind, het jaar daarop op 21 november in Arnhem met mijn overgrootvader Cornelis Albertus Enklaar. Bij dit huwelijk werd mijn opa erkend en gewettigd.
Dan rijst natuurlijk al snel de vraag of mijn overgrootvader wel de biologische vader van mijn opa zal zijn geweest. De vernoeming lijkt dit te bevestigen. Binnen de familie van Johanna komt de naam Albertus of een variant daarop niet voor. Echter, de vader van Cornelis Albertus heette wel Albert. Bovendien waren Johanna en haar ouders niet bepaald honkvast en woonden zij in ieder geval in 1900 al in Arnhem. En misschien wel het ‘meest belangrijke’ feit is, dat er binnen de familie geen enkel gerucht de ronde deed over een mogelijke ‘andere vader’.
Op 22 december 1922 trouwde Cees in Nijmegen met mijn Nijmeegse oma Wilhelmina ‘Mien’ Ubeda, dochter van Johannes Hendrikus Ubeda en Johanna Hermsen.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar

De geboorteakte van mijn opa, aangegeven door de vroedvrouw. Aangezien hij in onecht is geboren kreeg hij de familienaam van zijn moeder Johanna van den Oosterkamp. Bij het huwelijk van zijn ouders is hij erkend en gewettigd. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: Utrechts Archief

 
De Tweede Wereldoorlog brak aan. Mijn grootouders waren inmiddels vier dochters rijker en een zoon als hekkensluiter van het gezin zou zich in de oorlog als ‘nakomertje’ nog aankondigen. In de kelder van het grootouderlijke huis waren in de beschuitbus een pistool en kogels opgeborgen. Ondanks dat dit een publiek ‘gezinsgeheim’ was, werd er, ik zou haast zeggen ‘uiteraard’, nooit over gesproken. Behalve de mededeling dat ‘daar niet aangekomen mocht worden!’. Mijn opa kwam en ging; hij schroomde niet om twee weken weg te blijven. Niemand leek precies te weten waar hij zich in die tijd had opgehouden, alhoewel ik er van overtuigd ben dat mijn oma zeker van zijn handel en wandel op de hoogte zal zijn geweest. Of in ieder geval een ernstig vermoeden zal hebben gehad. Opvallend genoeg zouden er in zijn perioden van afwezigheid activiteiten van het Verzet zijn geweest, zoals het plaatsen of juist weghalen van explosieven bij een brug, wist een familielid mij later te vertellen.
Na de oorlog werd de inhoud van de bewuste beschuitbus door mijn oma in de vuilnisbak gedeponeerd. Waarschijnlijk probeerde zij op deze manier, voor zover dat mogelijk was, het hoofdstuk oorlog definitief te sluiten. De komst van een manspersoon, die op een dag aanbelde en verklaarde te komen voor mijn opa ‘Peter’ die hij kende uit de oorlog, werd dan ook niet op prijs gesteld. De beste man werd heengezonden met de opmerking dat ‘hier geen Peter woonde’… Ondanks verwoede pogingen om wat meer duidelijkheid te krijgen betreffende mijn opa in de oorlogsjaren, is dat tot op heden nog niet gelukt.

Mijn opa zou klein van stuk geweest zijn. Volgens mijn vader zo klein, dat hij ‘bij het aardbeien plukken van de trap was gevallen’. Ondanks zijn lengte, of misschien juist wel ter compensatie daardoor, was hij een fanatieke bokser en bokstrainer. Deze traditie van trainer of instructeur in een gevechtskunst zou zich in ieder geval drie opvolgende generaties voortzetten. De klap zal voor mijn fitte opa dan ook des te harder zijn aangekomen, toen hij ongeneeslijk ziek werd en de gevolgen van deze ziekte hem fysiek niet meer in staat stelde om te kunnen doen wat hij gewend was. Cees moest zich dit maal gewonnen geven en werd op de dag dat hij drieënzestig jaar zou zijn geworden begraven op het RK Kerkhof Jonkerbos.

 

Mijn opa in ‘betere tijden’ en zijn laatste foto.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 

Het bidprentje van mijn opa.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Vaderdag

19 juni 2016 at 15:37

 
Duizenden jaren geleden was er al sprake van een soort van ‘Vaderdagviering’. Historici hebben aangetoond dat ongeveer 4000 jaar geleden in Babylon de jongeman Elmesu een ‘Vaderdagboodschap’ in een kleitablet had gekerfd, waarin hij zijn vader een lang en gezond leven wenste. De allereerste Vaderdagskaart dus.

Naar verluidt is Vaderdag in 1909 geïntroduceerd door Sonora Smart Dodd. Zij werd hiervoor geïnspireerd door Anna Jarvis, die een jaar eerder een Moederdag had gelanceerd. De reden voor een Vaderdag was dat de 27-jarige Sonora zich begon te realiseren welke opofferingen haar alleenstaande vader William Jackson Smart, veteraan uit de Amerikaanse Burgeroorlog, had moeten maken om zijn kinderen te laten opgroeien, nadat zijn vrouw in het kraambed bij de geboorte van hun zesde kind gestorven was. Sonora wilde de kracht en het doorzettingsvermogen van haar vader onder de aandacht brengen en vond dat als er een Moederdag was er ook een Vaderdag moest zijn.

 

Reclameplaat Vaderdag

Afbeelding van de reclameplaat die de Bond van Sigarenwinkeliers liet vervaardigen ter gelegenheid van vaderdag (Ontwerp: Speyer-Richter)
Bron: Delpher (Limburgsch Dagblad van 1 oktober 1937)

 
Na enige tegenstand, zoals de cynische vermelding in de lokale krant ‘The Spokesman-Review’: ‘a national fishing day would be better’, vond de eerste Vaderdag plaats op 19 juni 1910 in Spokane, de woonplaats van Sonora, in de staat Washington. Eigenlijk lag het in de bedoeling dat Vaderdag zou worden gevierd op 5 juni, de geboortedag van haar vader. Echter, door tijdgebrek bij de organisatie van deze eerste viering werd deze verschoven naar de derde zondag in juni.

 

Vaderdag

Waarom geen Vaderdag?
Bron: Delpher (Nieuwe Tilburgsche Courant van 12 mei 1936)

 
In Nederland werd er al met smart gewacht op een Vaderdag, zoals we kunnen lezen in de ‘Nieuwe Tilburgsche Courant’ van 12 mei 1936. Vanaf oktober 1937 was de Nederlandse Vaderdag dan eindelijk een feit. Het probleem was echter dat men vond dat het St. Nicolaas- en het Kerstfeest te snel volgden en de maanden mei en juni er eigenlijk toch geschikter voor waren. Moederdag viel al in de maand mei, dus restte er enkel nog de maand juni. Op initiatief van de toenmalige Nederlandse Bond van Herenmodedetaillisten werd daarop in 1948 afgesproken dat Vaderdag verplaatst zou worden naar de derde zondag van juni.

 

Vaderdag

Vaderdag wordt verplaatst van oktober naar juni
Bron: Delpher (Nieuwsblad van Friesland van 11 juni 1948)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia en Vaderdag
 
 

Tweelingen binnen de familie van Hirtum

31 mei 2016 at 13:28

 
Het was even een monnikenwerk, maar dan heb je ook wat! Op zoek naar DTB-gegevens van familie van Hirtum besloot ik onlangs in de kerkboeken van Empel en Meerwijk te duiken. Wat mij opviel was het, naar mijn mening, grote aantal tweelingen; niet alleen binnen de familie van Hirtum, maar in het gehele Empel en Meerwijk. Zo ook de tweelingbroers Henricus en Jacobus, zonen van Antonij van Hirtum en Maria Jacob Teuens, gedoopt in Empel en Meerwijk op 20 juli 1715.
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel

 

Doop Hendricus en Johannes van Hirtum

Doop Henricus en Jacobus van Hirtum, Empel en Meerwijk 20 juli 1715
Bron: FamilySearch


 
 

Lantaarnaanstekers

30 mei 2016 at 16:32

 
In navolging van zijn vader Thomas Herremse, die geboren werd te Nijmegen op 19 december 1772 als zoon van Henricus Hendricks en Catharina Rosen, besloot naamgenoot Thomas tevens voor het beroep van lantaarnaansteker te kiezen.

Lantaarnopstekers of lantaarnaanstekers en lampbezorgers of lantaarnvullers behoorden tot de beroepskrachten die eeuwenlang voor de straatverlichting hebben gezorgd. Aangezien ze ’s avonds en ’s nachts op pad waren hadden ze vaak een dubbelfunctie als nachtwaker.

 

Lantaarnaansteker.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In 1544 werd in Amsterdam op de Zeedijk bij de hoek met de Molensteeg de eerste bekende kaarslantaarn van de Lage Landen ontstoken. Al snel volgden er meer, ook in andere steden. Sommige van deze eerste lantaarns werden door de overheid geplaatst, anderen waren particuliere lampen, die aan huizen hingen. Veel gemeenten hadden in deze periode een verordening volgens welke aan elk zoveelste huis verplicht en op kosten van de bewoners een lantaarn moest hangen. Eind zestiende eeuw werd het zogeheten ‘lantaarngeld’ ingesteld; een belasting die iedereen naar draagkracht diende te betalen.

In de tijd van de olieverlichting, vanaf het midden van de zeventiende eeuw, waren de lampvullers verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Naast het bijvullen van olie zorgden ze er ook voor dat de pitten op orde waren. Verder voerden ze reparaties uit en hielden ze de lampen schoon.
De aansteker stak dan vervolgens de lantaarn aan. Daarbij zat hij vast aan een strak tijdschema. Vanwege economische redenen mocht hij de lamp namelijk niet voor het donker aansteken. Tegelijkertijd moest de burger echter ook niet te lang hoeven wachten op brandende lantaarns. Daarom diende hij exact te beginnen op het uur dat in het dagregister was aangegeven en dat op de tijd van het jaar was afgestemd. Zodra hij de lantaarns in zijn wijk had aangestoken werd er nog eens rondgelopen om te controleren of alle lampen wel brandden.
In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnaansteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.

 

Bij ’t vallen van den nacht voorzeker,
Dan noemt men u ook gasontsteker,
Voor iedereen een nuttig man;
Want moest men ’s nachts uw lichten missen,
Men kon zich in den weg vergissen,
En menig onheil kwam er van.
Bron: DBNL (embedded)

 
Beide beroepen waren zwaar. Men moest steeds ladder op en ladder af en het werd slecht betaald bovendien. Niet in de laatste plaats omdat zowel lampvullers als aanstekers een belangrijk gedeelte van het benodigde materiaal zelf moesten bekostigen. Bij het in gebreke blijven wachtte hen een boete van de opzichter.
De controle was streng en werd uitgevoerd door speciale controleurs, zogeheten ‘Rondens van de Stads Lantarens’, ook wel ‘nachtrondens’ genoemd. Zij moesten in de nanacht hun wijk doorlopen om alle lichten te inspecteren. Bovenaan de personele ladder stond de opzichter. Deze hield de administratie bij en gaf leiding aan het personeel. De allereerste opzichter ooit was de Amsterdamse Jan van der Heyden, bekend van de slangenbrandspuit en de bedenker van de oliestraatlantaarn. Hij heeft tevens personeelsinstructies opgesteld die nog lang zijn gebruikt.

Na de komst van gasverlichting veranderde het werk. Lampen vullen was niet meer nodig, zodat beide beroepen ineen schoven. De aanstekers werden ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Om het gas aan te steken hadden ze een lange stok waar bovenin een vlammetje brandde.
Na de komst van het gloeikousje kregen de straatlantaarns een waakvlammetje dat via een hoofdkraan kon worden ontstoken. Deze kraan ging open en dicht via een kettinkje. De lantaarnaanstekers kregen voortaan een stok met een haak waarmee ze het kettinkje konden bedienen.

Ondertussen hoefden de lampbezorgers hun ronden ook niet meer te voet af te leggen, maar hadden ze een dienstfiets met daarop een uitschuifbare ladder gemonteerd.
Tenslotte werd er een automatische ontsteker uitgevonden voor de gaslantaarn, waardoor niemand meer op pad hoefde om de lampen aan te steken. Vanaf dat moment werd onderhoud de voornaamste taak. De beroepsnaam veranderde daarmee in lantaarnverzorger en nog weer later in lampenist.

 

Nieuwjaarswens

Lantaarnvullers en -aanstekers van een stad hadden de gewoonte met een kermis en rond nieuwjaar de burgers van ‘hun’ wijk met een prentje en een gedicht de beste wensen over te brengen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Kunst en Cultuur en Wikipedia