De ‘iets oudere’ onder ons zullen het ongetwijfeld herkennen: zo’n heerlijke ouderwetse keuken met granito aanrecht en een gootsteen met de kleine tegeltjes. Ik waan mij dan weer even terug bij mijn Opa en Oma thuis. Hoe mijn Oma met Ossegalzeep de handwas boende met behulp van een wasbord of hoe een wasje een nachtje in de Biotex werd getrokken in de spoelbak. Op het geribbelde zeepplekje lag zo’n lekker geurend stukje ‘vlokkenzeep’. De badkamer werd overigens opgesierd met een lavet in dezelfde stijl, waar ik als klein kind op moest klauteren als ik bij hun in ‘bad’ ging.
Wat was mijn oma, met haar rheumahanden, trouwens blij dat een wasautomaat betaalbaar werd!

 

Gootsteen van rond 1910

Gootsteen van rond 1910.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Granito gootsteen en aanrechtblad van rond 1950

Granito gootsteen en aanrechtblad van rond 1950, zoals mijn grootouders die hadden.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Alhoewel we tegenwoordig zouden moeten spreken van een ‘spoelbak’ zijn we het gebruik van de term ‘gootsteen’, welke afkomstig is van een sanitaire voorziening uit de Middeleeuwen, nog steeds niet verleerd.
Over de oorsprong van deze term zijn de meningen verdeeld. Zo wordt er wel gesproken over een goot die door het huis liep met daarin een steen om het afval tegen te houden dat niet in de riolering hoorde. Echter, de meest gehoorde versie is het gebruik van een uitgeholde steen, die van het aanrecht door de gevel naar buiten stak, al dan niet aangesloten op een afvoerpijp.
Hoe dan ook: de gootsteen was in ieder geval een waterbak van natuursteen, die zich dikwijls in een nis in de muur bevond. Het benodigde water kwam in vroegere tijden uit een waterketel, hangend aan een haak boven de gootsteen. De afvoer werd gevormd door een goot, die vaak één geheel vormde met de waterbak en door de muur buiten uitmondde. Van dit laatste zijn nog steeds enkele voorbeelden te vinden, zoals in de Houtzagerssteeg in Kampen.

 

Gootsteen Houtzagerssteeg Kampen

Uitmonding van de goot door de buitenmuur, zoals nog te zien is in de Houtzagerssteeg te Kampen.
Bron (bewerkt): onbekend, mogelijk Stadsarchief Kampen


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Divers, waaronder Mokums
Foto’s © Uit de oude Koektrommel zijn gemaakt in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem
 
 

 
Welk kind wil er nu niet een ijscoboer als opa?! Nou, mijn opa was dat. Jammer genoeg ken ik mijn opa alleen van de foto’s en de schaarse familieverhalen; hij was voor mijn geboorte al overleden.

In eerste instantie was mijn opa Albertus Cornelis ‘Cees’ Enklaar smid van beroep. In de adresboeken van Nijmegen worden vervolgens de beroepen arbeider, chauffeur en fabrieksarbeider vermeld. Fabrieksarbeider zal hij bij de Philips zijn geweest, alwaar heel wat andere familieleden hun beleg op de boterham verdienden.
Vervolgens besloot hij zich toe te leggen op het verkopen van zelfgemaakt ijs. IJsventer van beroep, zoals de woningkaart zo mooi vermeld. Zo trok hij met zijn ijscokar door de straten van Nijmegen om ‘het lekkerste ijs van Nijmegen’ aan de man te brengen. Overigens was deze eigen fabricage van ijs geheel tot groot ongenoegen van mijn oma, die daarvoor als onvrijwillig proefpersoon moest dienen. Teveel zout, te weinig zout. Dikwijls vroeg zij zich hardop af of ‘hij haar soms wou vergiftigen…?!’. Dan was het bij wijze van spreken bukken geblazen om het linea recta geretourneerde ijs op tijd te kunnen ontwijken.

 

IJscokar

De ijscokar van mijn opa.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Uiteraard moest je met je tijd meegaan en de ijscokar werd daarom ingeruild voor een ‘bedrijfsauto’. Heel wat zijn er versleten. Bovendien waren het niet de meest nieuwe en solide auto’s, waardoor het kon gebeuren dat afgevallen onderdelen de bedrijfsauto spontaan in konden halen tijdens het rijden. Zo kon mijn vader zich ook nog goed herinneren dat hij als klein jochie terug moest rennen om een uitgevallen autodeur van de straat te rapen!

 

Bedrijfswagen

De ijscokar werd ingeruild voor een bedrijfswagen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Woningkaart Floraweg 128

Na heel wat keren verhuisd te zijn, werd uiteindelijk het huis op de Floraweg 128 betrokken.
Bron: RAN

 
Mijn opa Cees werd op 20 september 1899 in Rhenen geboren op nummer 391 van Wijk A als onwettige zoon van Johanna van den Oosterkamp. Zijn moeder trouwde, inmiddels behoorlijk zwanger van haar tweede kind, het jaar daarop op 21 november in Arnhem met mijn overgrootvader Cornelis Albertus Enklaar. Bij dit huwelijk werd mijn opa erkend en gewettigd.
Dan rijst natuurlijk al snel de vraag of mijn overgrootvader wel de biologische vader van mijn opa zal zijn geweest. De vernoeming lijkt dit te bevestigen. Binnen de familie van Johanna komt de naam Albertus of een variant daarop niet voor. Echter, de vader van Cornelis Albertus heette wel Albert. Bovendien woonde Johanna in ieder geval in 1899 al in Arnhem. En misschien wel het ‘meest belangrijke’ feit is, dat er binnen de familie geen enkel gerucht de ronde deed over een mogelijke andere vader.
Op 22 december 1922 trouwde Cees in Nijmegen met mijn Nijmeegse oma Wilhelmina ‘Mien’ Ubeda, dochter van Johannes Hendrikus Ubeda en Johanna Hermsen.

 

Geboorteakte A.C. Enklaar

De geboorteakte van mijn opa, aangegeven door de vroedvrouw. Aangezien hij in onecht is geboren kreeg hij de familienaam van zijn moeder Johanna van den Oosterkamp. Bij het huwelijk van zijn ouders is hij erkend en gewettigd. Vanaf dat moment kreeg hij de familienaam Enklaar van zijn vader.
Bron: Utrechts Archief

 
De Tweede Wereldoorlog brak aan. Mijn grootouders waren inmiddels vier dochters rijker en een zoon als hekkensluiter van het gezin zou zich in de oorlog als ‘nakomertje’ nog aankondigen. In de kelder van het grootouderlijke huis waren in de beschuitbus een pistool en kogels opgeborgen. Ondanks dat dit een publiek ‘gezinsgeheim’ was, werd er, ik zou haast zeggen ‘uiteraard’, nooit over gesproken. Behalve de mededeling dat ‘daar niet aangekomen mocht worden!’. Mijn opa kwam en ging; hij schroomde niet om twee weken weg te blijven. Niemand leek precies te weten waar hij zich in die tijd had opgehouden, alhoewel ik er van overtuigd ben dat mijn oma zeker van zijn handel en wandel op de hoogte zal zijn geweest. Of in ieder geval een ernstig vermoeden zal hebben gehad. Opvallend genoeg zouden er in zijn perioden van afwezigheid activiteiten van het Verzet zijn geweest, zoals het plaatsen of juist weghalen van explosieven bij een brug, wist een familielid mij later te vertellen.
Na de oorlog werd de inhoud van de bewuste beschuitbus door mijn oma in de vuilnisbak gedeponeerd. Waarschijnlijk probeerde zij op deze manier, voor zover dat mogelijk was, het hoofdstuk oorlog definitief te sluiten. De komst van een manspersoon, die op een dag aanbelde en verklaarde te komen voor mijn opa ‘Peter’ die hij kende uit de oorlog, werd dan ook niet op prijs gesteld. De beste man werd heengezonden met de opmerking dat ‘hier geen Peter woonde’… Ondanks verwoede pogingen om wat meer duidelijkheid te krijgen betreffende mijn opa in de oorlogsjaren, is dat tot op heden nog niet gelukt.

Mijn opa zou klein van stuk geweest zijn. Volgens mijn vader zo klein, dat hij ‘bij het aardbeien plukken van de trap was gevallen’. Ondanks zijn lengte, of misschien juist wel ter compensatie daardoor, was hij een fanatieke bokser en bokstrainer. Deze traditie van trainer of instructeur in een gevechtskunst zou zich in ieder geval drie opvolgende generaties voortzetten. De klap zal voor mijn fitte opa dan ook des te harder zijn aangekomen, toen hij ongeneeslijk ziek werd en de gevolgen van deze ziekte hem fysiek niet meer in staat stelde om te kunnen doen wat hij gewend was. Cees moest zich dit maal gewonnen geven en werd op de dag dat hij drieënzestig jaar zou zijn geworden begraven op het RK Kerkhof Jonkerbos.

 

Albertus Cornelis 'Cees' Enklaar

Mijn opa in ‘betere tijden’ en zijn laatste foto.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 

Het bidprentje van mijn opa.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Duizenden jaren geleden was er al sprake van een soort van ‘Vaderdagviering’. Historici hebben aangetoond dat ongeveer 4000 jaar geleden in Babylon de jongeman Elmesu een ‘Vaderdagboodschap’ in een kleitablet had gekerfd, waarin hij zijn vader een lang en gezond leven wenste. De allereerste Vaderdagskaart dus.

Naar verluidt is Vaderdag in 1909 geïntroduceerd door Sonora Smart Dodd. Zij werd hiervoor geïnspireerd door Anna Jarvis, die een jaar eerder een Moederdag had gelanceerd. De reden voor een Vaderdag was dat de 27-jarige Sonora zich begon te realiseren welke opofferingen haar alleenstaande vader William Jackson Smart, veteraan uit de Amerikaanse Burgeroorlog, had moeten maken om zijn kinderen te laten opgroeien, nadat zijn vrouw in het kraambed bij de geboorte van hun zesde kind gestorven was. Sonora wilde de kracht en het doorzettingsvermogen van haar vader onder de aandacht brengen en vond dat als er een Moederdag was er ook een Vaderdag moest zijn.

 

Reclameplaat Vaderdag

Afbeelding van de reclameplaat die de Bond van Sigarenwinkeliers liet vervaardigen ter gelegenheid van vaderdag (Ontwerp: Speyer-Richter)
Bron: Delpher (Limburgsch Dagblad van 1 oktober 1937)

 
Na enige tegenstand, zoals de cynische vermelding in de lokale krant ‘The Spokesman-Review’: ‘a national fishing day would be better’, vond de eerste Vaderdag plaats op 19 juni 1910 in Spokane, de woonplaats van Sonora, in de staat Washington. Eigenlijk lag het in de bedoeling dat Vaderdag zou worden gevierd op 5 juni, de geboortedag van haar vader. Echter, door tijdgebrek bij de organisatie van deze eerste viering werd deze verschoven naar de derde zondag in juni.

 

Vaderdag

Waarom geen Vaderdag?
Bron: Delpher (Nieuwe Tilburgsche Courant van 12 mei 1936)

 
In Nederland werd er al met smart gewacht op een Vaderdag, zoals we kunnen lezen in de ‘Nieuwe Tilburgsche Courant’ van 12 mei 1936. Vanaf oktober 1937 was de Nederlandse Vaderdag dan eindelijk een feit. Het probleem was echter dat men vond dat het St. Nicolaas- en het Kerstfeest te snel volgden en de maanden mei en juni er eigenlijk toch geschikter voor waren. Moederdag viel al in de maand mei, dus restte er enkel nog de maand juni. Op initiatief van de toenmalige Nederlandse Bond van Herenmodedetaillisten werd daarop in 1948 afgesproken dat Vaderdag verplaatst zou worden naar de derde zondag van juni.

 

Vaderdag

Vaderdag wordt verplaatst van oktober naar juni
Bron: Delpher (Nieuwsblad van Friesland van 11 juni 1948)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia en Vaderdag
 
 

 
Het was even een monnikenwerk, maar dan heb je ook wat! Op zoek naar DTB-gegevens van familie van Hirtum besloot ik onlangs in de kerkboeken van Empel en Meerwijk te duiken. Wat mij opviel was het, naar mijn mening, grote aantal tweelingen; niet alleen binnen de familie van Hirtum, maar in het gehele Empel en Meerwijk. Zo ook de tweelingbroers Henricus en Jacobus, zonen van Antonij van Hirtum en Maria Jacob Teuens, gedoopt in Empel en Meerwijk op 20 juli 1715.

 

Doop Hendricus en Johannes van Hirtum

Doop Henricus en Jacobus van Hirtum, Empel en Meerwijk 20 juli 1715
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
In navolging van zijn vader Thomas Herremse, die geboren werd te Nijmegen op 19 december 1772 als zoon van Henricus Hendricks en Catharina Rosen, besloot naamgenoot Thomas tevens voor het beroep van lantaarnaansteker te kiezen.

Lantaarnopstekers of lantaarnaanstekers en lampbezorgers of lantaarnvullers behoorden tot de beroepskrachten die eeuwenlang voor de straatverlichting hebben gezorgd. Aangezien ze ’s avonds en ’s nachts op pad waren hadden ze vaak een dubbelfunctie als nachtwaker.

 

Lantaarnaansteker.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In 1544 werd in Amsterdam op de Zeedijk bij de hoek met de Molensteeg de eerste bekende kaarslantaarn van de Lage Landen ontstoken. Al snel volgden er meer, ook in andere steden. Sommige van deze eerste lantaarns werden door de overheid geplaatst, anderen waren particuliere lampen, die aan huizen hingen. Veel gemeenten hadden in deze periode een verordening volgens welke aan elk zoveelste huis verplicht en op kosten van de bewoners een lantaarn moest hangen. Eind zestiende eeuw werd het zogeheten ‘lantaarngeld’ ingesteld; een belasting die iedereen naar draagkracht diende te betalen.

In de tijd van de olieverlichting, vanaf het midden van de zeventiende eeuw, waren de lampvullers verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Naast het bijvullen van olie zorgden ze er ook voor dat de pitten op orde waren. Verder voerden ze reparaties uit en hielden ze de lampen schoon.
De aansteker stak dan vervolgens de lantaarn aan. Daarbij zat hij vast aan een strak tijdschema. Vanwege economische redenen mocht hij de lamp namelijk niet voor het donker aansteken. Tegelijkertijd moest de burger echter ook niet te lang hoeven wachten op brandende lantaarns. Daarom diende hij exact te beginnen op het uur dat in het dagregister was aangegeven en dat op de tijd van het jaar was afgestemd. Zodra hij de lantaarns in zijn wijk had aangestoken werd er nog eens rondgelopen om te controleren of alle lampen wel brandden.
In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnaansteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.

 

Bij ’t vallen van den nacht voorzeker,
Dan noemt men u ook gasontsteker,
Voor iedereen een nuttig man;
Want moest men ’s nachts uw lichten missen,
Men kon zich in den weg vergissen,
En menig onheil kwam er van.
Bron: DBNL (embedded)

 
Beide beroepen waren zwaar. Men moest steeds ladder op en ladder af en het werd slecht betaald bovendien. Niet in de laatste plaats omdat zowel lampvullers als aanstekers een belangrijk gedeelte van het benodigde materiaal zelf moesten bekostigen. Bij het in gebreke blijven wachtte hen een boete van de opzichter.
De controle was streng en werd uitgevoerd door speciale controleurs, zogeheten ‘Rondens van de Stads Lantarens’, ook wel ‘nachtrondens’ genoemd. Zij moesten in de nanacht hun wijk doorlopen om alle lichten te inspecteren. Bovenaan de personele ladder stond de opzichter. Deze hield de administratie bij en gaf leiding aan het personeel. De allereerste opzichter ooit was de Amsterdamse Jan van der Heyden, bekend van de slangenbrandspuit en de bedenker van de oliestraatlantaarn. Hij heeft tevens personeelsinstructies opgesteld die nog lang zijn gebruikt.

Na de komst van gasverlichting veranderde het werk. Lampen vullen was niet meer nodig, zodat beide beroepen ineen schoven. De aanstekers werden ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Om het gas aan te steken hadden ze een lange stok waar bovenin een vlammetje brandde.
Na de komst van het gloeikousje kregen de straatlantaarns een waakvlammetje dat via een hoofdkraan kon worden ontstoken. Deze kraan ging open en dicht via een kettinkje. De lantaarnaanstekers kregen voortaan een stok met een haak waarmee ze het kettinkje konden bedienen.

Ondertussen hoefden de lampbezorgers hun ronden ook niet meer te voet af te leggen, maar hadden ze een dienstfiets met daarop een uitschuifbare ladder gemonteerd.
Tenslotte werd er een automatische ontsteker uitgevonden voor de gaslantaarn, waardoor niemand meer op pad hoefde om de lampen aan te steken. Vanaf dat moment werd onderhoud de voornaamste taak. De beroepsnaam veranderde daarmee in lantaarnverzorger en nog weer later in lampenist.

 

Nieuwjaarswens

Lantaarnvullers en -aanstekers van een stad hadden de gewoonte met een kermis en rond nieuwjaar de burgers van ‘hun’ wijk met een prentje en een gedicht de beste wensen over te brengen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Kunst en Cultuur en Wikipedia
 
 

 
Brouwerij Berch

Gerrit (Janszoon) van den Berg, gedoopt op 17 december 1795 in Naarden, heeft tot halverwege de negentiende eeuw, evenals zijn zoon Christiaan, in de Bergstraat te Naarden gewoond. De naam Bergstraat, voorheen Langestraet, was ontleend aan de voormalige bierbrouwerij ‘Berch’ die daar gevestigd was en is mogelijk ontstaan na 1572.

Tussen de Turfpoortstraat en de Bergstraat stond tot in de zeventiende eeuw deze brouwerij Berch van de gelijknamige familie. Het erf was vanaf de Turfpoortstraat bereikbaar via een poortje. Boven het poortje zat een antiek gevelsteentje met de voorstelling van een biertonnetje.
Later kwam op deze plek een stadsboerderij te staan. De boerderij en het poortje werden rond 1938 afgebroken; het tonnetje verhuisde naar het Goois Museum te Hilversum.

 

Boerderij Turfpoortstraat-Bergstraat met het poortje van de brouwerij
Bron: Gooiland (embedded)

 
De familie Berch woonde al in de zestiende eeuw te Naarden. Janis Claeszoon Berch komt in 1540 voor als Schepen. Gerrit van den Berg zal geen familie van hen zijn geweest. De toponiemen ‘Berch’ en ‘van den Berg’ verschillen naar mijn mening nogal. Helemaal uitsluiten zonder grondig onderzoek kan ik het ook niet en het zou zeker een interessante aanvulling op de familiegeschiedenis zijn. Dan zou er niet uitgegaan moeten worden van de topografische betekenis ‘van den berg’, maar van ‘van den berch’ de brouwerij. Wel kan vastgesteld worden dat de gehele familie van den Berg uit Naarden en om precies te zijn uit Naarden-Vesting kwam.

Gerrit was achtereenvolgens arbeider, slagersknecht, vleeschhouwer, daghuurder en werkman van beroep en trouwde op 4 september 1816 te Hilversum met de in Amsterdam geboren Anna Maria Dettingmeijer. De vader van Anna Maria, Jost Hinrich Dedinkmeijer oftewel Joost Hendrik Dettingmeijer, werd in het Duitse Hannover geboren, maar het gezin woonde in Amsterdam en verhuisde daarna naar Enkhuizen.
Na het overlijden van Anna Maria trouwde Gerrit op 10 mei 1829 te Naarden met Johanna (Antje) Smitskamp, die in Bergambacht werd geboren. Tussen 1839 en 1856 woonde het echtpaar op Bergstraat 116.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gooiland en Noord-Hollands Archief
 
 

 
Richard Knowles, handschoenmaker van beroep, was afkomstig uit Engeland. Hij trouwde met de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin en samen woonden zij in de Boteringestraat te Groningen alwaar zij een winkel hadden.
De band met Engeland bleef bestaan. Zo werd er in de huwelijksinschrijving van zoon Hendrick vermeld: ‘van Londen in Engeland’ en zoon Jacobus was ‘ordinaris bode van Groningen op Londen’. Groot zal dan ook hun schrik geweest zijn toen het nieuws over de grote brand in Londen hun bereikte.

De grote brand van Londen begon kort na middernacht van zaterdag 1 september 1666 in een kleine bakkerij in Pudding Lane in het oosten van de stad in het huis van Thomas Farrinor, de bakker van koning Karel II. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Farrinor was vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Smeulende asresten zouden een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Farrinor werd rond één uur door de brand wakker en wist met zijn gezin te ontsnappen via een bovenraam. De meid van de bakker durfde echter niet over het dak, viel terug in de zolder en werd het eerste slachtoffer.

Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester, Sir Thomas Bludworth, wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Na het vuur met eigen ogen te hebben aanschouwd, verklaarde hij dat het om een kleinigheid ging (‘A woman might piss it out.’) en ging weer slapen.

De meeste gebouwen in Londen waren destijds uit brandbaar materiaal opgetrokken, zoals hout en stro. De overbevolkte stad had nog grotendeels een middeleeuws karakter. Daarbij was de zomer erg heet en droog geweest. De rondvliegende vonken werden aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor naastliggende panden vlam vatten en de brand zich zeer snel uitbreidde. Daarbij kwam dat de huizen zeer dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren waardoor het vuur eenvoudig kon overslaan.

Vier dagen later lag het overgrote deel van oud-Londen op de noordelijke oever van de Thames in as. Binnen de wallen van de oude stad bleef alleen de noord-oostelijke hoek gespaard. Daar werd de vuurzee bedwongen, juist voordat het de ‘Tower’ bereikte; tot opluchting van de goudsmeden, die er al hun edelmetaal in veiligheid hadden gebracht. De drukkers en de papier- en boekhandelaren waren minder gelukkig. Die hadden hun voorraden ondergebracht in de crypte van St. Paul’s kathedraal. Toen de papiermassa vlam vatte, leek het alsof de kathedraal explodeerde. Door de sterke wind uit zee breidde het vuur zich aan de westkant van de stad het verst uit, over de stadswallen, over de River Fleet, tot aan het begin van Fleet Street. In totaal raakten tachtigduizend mensen dakloos. In vierhonderd straten zijn meer dan dertienduizend huizen en zesentachtig kerken verwoest. Toen op woensdagavond de wind ging liggen en het vuur onder controle was, bestond het oude hart van Londen niet meer.

 

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Een foto van rond 1926 met daarop de eigenaar van een schildersbedrijf in Bennekom, Jan de Groot, en zijn personeel. Onder het personeel valt ook mijn overgrootvader Hendrik Jansen. Naar alle waarschijnlijkheid is het de man met snor zittend op de trap. Wat zijn beroep als schilder betreft treedt hij daarmee in de voetsporen van zijn vader Jan Jansen.

 

Hendrik Jansen

Jan de Groot met zijn personeel rond 1926
Bron: Eigen collectie (kopie; auteursrechten onbekend)

 
Mijn overgrootvader wordt op 4 november 1887 geboren in Bennekom als zoon van Jan Jansen en Reintje Hendrika Magrieta Buis . Op de foto moet hij dus tegen de veertig jaar oud zijn.
Als Hendrik zeven jaar oud is overlijdt zijn vader en op vijftienjarige leeftijd verliest hij ook zijn moeder. Bij wie hij en zijn twee broertjes Gerrit en Jan en zusje Neeltje in huis komen of wie als voogd wordt aangesteld is helaas niet bekend.

 

Geboorte Hendrik Jansen, Ede 4 november 1887

Geboorteakte van Hendrik Jansen; Ede, 4 november 1887.
Bron: FamilySearch

 
Op 2 september 1911 trouwt hij in Gemeente Ede met de inmiddels zwangere Fokelina van Ludolphij, naaister van beroep. Zij is de jongste dochter van kleermaker Christiaan Ludolphij en Grietje Dijkhuis en wordt op 21 juni 1891 in Midwolda geboren. Vader Christiaan brengt de Ludolphi-tak dus van het Groningse Midwolda naar het Gelderse Arnhem. Dit moet ergens tussen 1898 en 1908 gebeurd zijn. Fokelina woont tot aan haar huwelijk in Arnhem.

 

Geboorte Fokelina van Ludolphij, Midwolda 21 juni 1891

Geboorteakte van Fokelina van Ludolphij; Midwolda, 21 juni 1891.
Bron: AlleGroningers


 
Huwelijksakte Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij

Huwelijksakte van Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij; Ede, 2 september 1911.
Bron: FamilySearch

 
Mijn pasgetrouwde overgrootouders gaan in Bennekom Dorp wonen. Daar worden mijn opa Jan en zijn broertje Christiaan (Chris) geboren. Vervolgens vertrekt het gezin op 25 januari 1916 voor een jaartje naar Wageningen om op 10 januari 1917 weer terug te keren naar hun oude adres in Bennekom. Hier zullen zij wonen tot 1921, het jaar dat zij verhuizen naar Brinkerweg 40, waar zoon Rijnder Hendrikus (Drikus) en dochter Margrietha Neeltje (voor mij bekend als ‘Tante Zus’) geboren worden. Tussen 15 oktober 1921 en 8 december 1922 komen de ouders van Fokelina op dit adres bij het gezin inwonen, om daarna weer terug te keren naar Arnhem. Na vier jaar vertrekken mijn overgrootouders in november naar De Laar 11a, in februari 1928 vervolgens naar De Laar 7c, in 1930 naar  Strooijweg 27 om op 11 maart 1937 uiteindelijk uit te komen op Prins Bernhardlaan 39.

 

Strooijweg Bennekom

De Strooijweg in Bennekom.
Bron: Eigen collectie (kopie; auteursrechten onbekend)

 
Opa en Opoe Jansen heb ik nog mogen kennen. Als je er op bezoek kwam kreeg je als kind steevast een glaasje ranja. Eigenlijk mocht ik dat van mijn moeder niet aannemen, want opoe stofte volgens haar de glazen namelijk af met de stofdoek waar hun kat doorgaans op lag te slapen. Dat kwam doordat ze ‘vergeetachtig’ was, maar mijn moeder vond het toch maar een ‘vieze bedoening’. Zelf zag ik destijds het probleem niet zo.

Van opa kan ik mij niet veel meer herinneren, behalve dat hij heel oud was. Althans, dat vond ik als klein kind. Nou was toentertijd iedereen van boven de pakweg vijftig jaar in mijn ogen al hoogbejaard! Opa had wel een intrigerende ‘toeter’ vanwege zijn doofheid. Wilde je iets tegen hem zeggen dan moest je hem aantikken. Hij pakte dan zijn toeter en vervolgens werd je geacht daarin te praten. Echter, opa was zo doof dat je vaak de longen uit je lijf moest schreeuwen wilde hij je enigszins kunnen verstaan! Een leuk spelletje voor ons als klein- en achterkleinkinderen. We hadden heel wat te vertellen, hoor!

Opoe Jansen kwam tot haar overlijden altijd bij al haar klein- en achterkleinkinderen op verjaardagsvisite. Nog zie ik haar stilletjes zitten in de fauteuil met haar lange haren in een vlecht om haar hoofd vastgespeld en haar dikke panty veel te losjes om haar benen (waar je als kind al niet op let). Geduldig wachtte ze tot je het presentje bij haar kwam halen. Als een soort van audiëntie. Maar dat hoorde zo bij ‘oudere mevrouwen’.

Bijna een halve eeuw later (en hoogbejaard!) besef je pas hoe bijzonder en mooi dergelijke herinneringen aan je overgrootouders eigenlijk zijn…

 

Opa en Opoe Jansen

Opa en Opoe Jansen op respectievelijk 82-jarige en 78-jarige leeftijd.
Bron: Eigen archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Cornelis Hulstein, zoon van landbouwer Cornelis Hulstein en Geertrui Kobussen, wordt op 31 maart 1830 geboren in Bennekom. Hij trouwt op 11 oktober 1856 met Rijkje van Roekel. Zij wordt op 4 januari 1833 in Bennekom geboren als de dochter van landbouwer Willem van Roekel en Hanna van Essen.

 

Huwelijk Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

Huwelijkakte van Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel.
Bron: Archieval

 
Cornelis en Rijkje betrekken hun eerste woning op de Bennekomse Heide, waar ze zestien jaar lang pachters zijn op een boerderij van Dhr. Vreede. Cornelis is landbouwer en heeft daarnaast jagen als bezigheid. Aangezien het niet is toegestaan om op andermans land te jagen, mag hij graag vanuit zijn raam op de in grote getale aanwezige hazen en konijnen schieten. Aan Rijkje is het vervolgens de taak om de buit te gaan zoeken. Soms gaat het weleens verkeerd. Zo is op een dag de kat van de familie het haasje. De dag erna staat de veldwachter op de stoep met de mededeling dat Cornelis ‘toch wel een mooie haas heeft geschoten!’

Rijkje besteedt haar tijd aan de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Ook gaat ze vaak op bezoek bij twee rijke oude dames, die haar soms wel wat toeschuiven. Zij krijgt van hun bijvoorbeeld een prachtige mantel, die uiteraard alleen wordt gedragen bij bijzondere gelegenheden. Er wordt immers zuinig omgesprongen met dure kleding. Vlak voor haar vertrek naar Amerika ontvangt Rijkje van de twee dames ook nog een psalmenboek. Deze zal ongetwijfeld veel gebruikt zijn in de Nederlandse kerk die zij bezocht in de nieuwe woonplaats Pella en later North Sioux Center.

In 1871 besluiten Cornelis en Rijkje, net als zoveel tijdsgenoten, met hun vier kinderen Willem Cornelis, Gerrit, Steven en Hanna naar Amerika te vertrekken op zoek naar een beter bestaan. Ze worden op 1 april van dat jaar uitgeschreven met bestemming ‘VSA’ in de registers van Gemeente Ede.
In de negentiende eeuw vinden er namelijk twee belangrijke gebeurtenissen plaats, die een grote emigratiegolf naar Amerika op gang brengen. In de jaren dertig is er een scheuring binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk. Daarnaast is er sprake van een economische crisis en meerdere mislukte (aardappel)oogsten. Nederlandse Afgescheidenen stichten onder leiding van de predikanten A.C. van Raalte en H.P. Scholte in Amerika kolonies in Holland, Michigan en in Pella, Marion County in het zuiden van Iowa. Ds. Scholte zoekt, nadat de meeste grond in Pella is vergeven, plaats voor een nieuwe nederzetting. Dit wordt uiteindelijk West Branch Township in Sioux County, Iowa.
Het echtpaar Cornelis en Rijkje komt met hun gezin terecht in Pella, Iowa. Eerst betrekken ze een woning in de stad, maar ze besluiten enige tijd later om toch naar een boerderij in de omgeving van Pella te verhuizen. Daar wordt op 12 november 1878 dochter Cornelia geboren.

 

Birds eye view of Pella, Marion County, Iowa, 1869

Birds eye view of Pella, Marion County, Iowa, 1869.
Bron: Library of Congress

 
Alhoewel de familie het in Pella naar hun zin heeft wordt er wederom besloten om hun heil elders te zoeken. De keus valt op Sioux County in de nabijheid van North Sioux Center, waar de grond toch vruchtbaarder schijnt te zijn voor de gewassen.
In mei 1878 vertrekt eerst Cornelis, samen met Jan Thomassen, met de wagen naar de nieuwe woonplaats. Die reis verloopt niet helemaal vlekkeloos. De paarden slaan op hol en de teugels, die om de handen van Cornelis gewonden zitten, zorgen ervoor dat Cornelis letsel aan de spieren van zijn hand en arm oploopt en, naar zeggen, een vinger verliest.
In juni 1878 volgt de inmiddels 19-jarige zoon Willem Cornelis zijn vader naar Sioux County om te kijken of hij zijn gewonde vader kan helpen. Na een lange reis met zeer smalle en slecht begaanbare wegen bereikt hij veilig zijn eindbestemming. Er breekt een periode van hard werken aan om van het huis op de prairie een thuis te maken.
In februari 1879 vertrekt uiteindelijk het hele gezin, waaraan Cornelis en Willem Cornelis zich hebben toegevoegd, uit Pella, om zich definitief in Sioux Center te vestigen. Cornelis, Rijkje en hun twee dochters vertrekken per trein, terwijl Willem Cornelis, Gerrit en Steven met de wagen gaan. Het wordt een avontuurlijke reis vol moeilijkheden. Meest van tijd wordt er in de wagen overnacht en de enige keer dat ze besluiten een hotel op te zoeken, vliegt deze in brand. Gelukkig voor de jongens loopt dit met een sisser af en kunnen ze hun reis voortzetten.

 

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa. Het hele gezin is dan nog compleet.
Bron: FamilySearch

 
Het gezin woont gedurende twee jaar in West Branch Township, waar ze een boerderij hebben. In dezelfde periode wordt er daar ook een smederij en een winkel geopend en een kerk gebouwd.
In 1879, het eerste jaar van hun nieuwe avontuur, is de oogst zeer slecht. Sprinkhanen vernielen de oogst en ook een fikse hagelbui doet geen goed aan het graan. Een goede reden voor veel mensen om verder te trekken naar andere delen van Amerika. In 1880 breekt er een difterie-epidemie uit en de ziekte sluipt vele huizen binnen. Ook bij het gezin Hulstein; zij verliezen hierdoor op 13 september hun dochter Hanna op dertienjarige leeftijd.
De extreem koude en stormachtige winter van 1880-1881 volgt met heel veel sneeuw, die al vroeg in de herfst begint te vallen en het oogsten van onder meer mais ernstig belemmert. Het hooi, koren en stro moet bovendien noodgedwongen gebruikt worden als brandstof om te kunnen overleven. Na twee jaren van ontberingen vertrekt het gezin in 1881 naar een boerderij, een halve mijl noordwaarts gelegen in Sherman Township. Hier zullen ze blijven wonen tot zoon Steven in 1889 de boerderij overneemt.
Cornelis en Rijkje verhuizen terug naar West Branch Township, waar ze het geluk hebben samen met hun kinderen en kleinkinderen op 11 november 1906 hun 50-jarig huwelijksfeest te kunnen vieren. Uiteindelijk zal het stel gaan wonen in Welcome Township.

De laatste jaren van haar leven laat de gezondheid van Rijkje sterk te wensen over. Ze overlijdt in de nacht van dinsdag op woensdag 4 januari 1911, 78 jaar oud. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Central Reformed Church wordt zij op 9 januari 1911 op de begraafplaats Memory Gardens Sioux Center begraven.
Cornelis volgt haar op 88-jarige leeftijd in de nacht van 15 september 1918 om half een. Ondanks dat hij al enige tijd met zijn gezondheid sukkelt, blijft hij tot het einde toe een sterke oude man en helder van geest. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Second Reformed Church vindt hij op 18 september 1918 op dezelfde begraafplaats als Rijkje zijn laatste rustplaats.

 

Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel.
Bron: RoekelG (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: RoekelG, Alweer een Vermeer en Find a Grave
 
 

 
Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Derk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ‘ome Dirk’, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren. Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig jaar lang weg te blijven. Uit een bericht naar zijn ouders zou blijken, dat hij de boot naar Indië had genomen. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld. Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde na de oorlog terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van deze ome Dirk te vinden met de mij bekende summiere gegevens. Daarbij kwam het feit dat in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante werd genoemd, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Enkele weken geleden besloot ik de zoektocht naar ome Dirk weer te hervatten in de hoop dat er inmiddels meer gegevens online toegankelijk zouden zijn geworden. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders trof ik aan op een Japanse interneringskaart uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat Dirk onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Ome Dirk was dus ome Derk.

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte van Derk Ubeda
Bron: FamilySearch


 
Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1910. Derk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat, nadat de straat geruimd werd en er nieuwe woningen werden gebouwd.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Collectie J.M.G.M Brinkhoff; Licentie: CCO)

 
Derk vertrok inderdaad op achttienjarige leeftijd met het passagiersschip m.s. Pieter Corneliszoon Hooft van de Stoomvaart Maatschappij Nederland naar Nederlands-Indië. Zijn inschrijving als fuselier is te vinden onder nummer 86763 in de nominatieve staat van het ‘Nederlandsch-Oostindisch Leger’ van het ‘Algemeen stamboek van Onderofficieren en minderen, geworven in en buiten Europa’.

 

Het stoomschip Pieter Corneliszoon Hooft, waarmee Derk naar Nederlands-Indië vertrok.
Bron: Kombuispraat (embedded)


 
Stamboek Derk Ubeda

Inschrijving van Derk Ubeda in de nominatieve staat van het Nederlandsch-Oostindisch Leger.
Bron: Nationaal Archief

 
In eerste instantie vestigde Derk zich in Bandoeng, de hoofdstad van de provincie West-Java op het eiland Java. Zo is te lezen in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ onder ‘Bevolking van Batavia Gevestigd’ dat hij verhuisd was van Bandoeng naar Senen 4 in Batavia. Waarschijnlijk was daar de Kazerne van de Infanterie gesitueerd.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 3 december 1928
Bron: Delpher

 
Alhoewel het inmiddels bekend was dat hij inderdaad in het KNIL had gediend was de connectie met het leger snel gevonden. Volgens het programma voor de cabaretuitvoering van de militaire toneelvereniging ‘Het Masker’, voelden de heren Ubeda en van de Sluis zich geroepen (of gedwongen) de zang voor het onderdeel ‘Hans en Griet’ voor hun rekening te nemen.

 

Het Masker Bataviaasch Nieuwsblad 27-09-1929

Bataviaasch Nieuwsblad van 27 september 1929
Bron: Delpher

 
Derk Ubeda stapte op 4 juni 1931 in het huwelijksbootje met E. Bendy. De voorletter ‘E’ blijkt te staan voor ‘Elsiana’.

 

Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië van 6 juni 1931
Bron: Delpher

 
Op 27 augustus 1931 werd het eerste kind van Derk en Elsiana geboren. Zij woonden op dat moment in Meester Cornelis (het huidige Jatinegara), een zuidelijke buitenwijk van Batavia. Derk en Elsiana zouden uiteindelijk vijf kinderen krijgen, twee zonen en drie dochters.

 

Geboorte zoon Ubeda

Bataviaasch Nieuwsblad van 2 september 1931
Bron: Delpher

 
Dan begint het familieverhaal toch wel te rammelen, want op 23 mei 1934 besloten Dirk en Elsiana het ruime sop te kiezen voor een familiebezoek in Nederland. Zij vertrokken met het s.s. Johan de Witt van Batavia naar Amsterdam. De reis zou gaan via Genua, Villefranche en Southampton. De passagierslijst in het ‘Soerabaijasch Handelsblad’ van 23 mei 1934 vermeldt: D. Ubeda, Mevrouw Ubeda en kind. Inmiddels waren Derk en Elsiana een dochter rijker. Zij was ten tijde van de reis nog geen jaar oud. Wellicht dat zij daarom niet vermeld stond op de passagierslijst.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Soerabaijasch Handelsblad van 23 mei 1934
Bron: Delpher

 
Op 14 november 1934 keerde het gezin weer terug naar Nederlands-Indië. Deze keer met het m.s. Indrapoera vanuit Rotterdam. De verwachting was aan te komen op 13 december 1934 te Tanjung Priok, zo staat vermeld in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ van 28 november 1934.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 28 november 1934
Bron: Delpher

 
In 1935 verhuisde het gezin naar de Molenaarsweg 13 in Batavia.

 

D. Ubeda

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 1 februari 1935
Bron: Delpher

 
De Tweede Wereldoorlog brak aan. Volgens de Japanse interneringskaart diende Derk als soldaat 1e Klasse bij het 4e Regiment 14e Bataljon Infanterie in Buitenzorg.
In de garnizoensplaats Tjimahi waren in 1942 vier regimenten van het KNIL gelegerd, aangevuld met Britse en Australische troepen. Door de invasie van Japan op Java hoopte het KNIL met hulp van deze bondgenoten op de hoogvlakte bij Bandoeng nog weerstand te kunnen bieden aan de inval. Het mocht niet baten. Al snel na de Japanse landing op 1 maart 1942 werd het vliegveld Kalidjati bij Bandoeng veroverd en daarmee de Indische luchtmacht uitgeschakeld. In de dagen erna volgde een aanval op de marinebasis te Soerabaja, trok het Japanse leger Batavia binnen, nam een dag later Buitenzorg in en bezette het Soerabaja. Na zware gevechten ten noorden van Bandoeng volgde op zondag 8 maart 1942 de algemene capitulatie van het KNIL, hetgeen de volgende dag bekend werd gemaakt.

Derk werd op 8 maart 1942 door de Japanse bezetter gevangen genomen in Tjimahi en op 15 augustus 1942 overgebracht naar het krijgsgevangenenkamp Java I in Bandoeng. Op 29 oktober van hetzelfde jaar werd hij per schip via de haven van Batavia overgeplaatst naar het werkkamp Thailand II in het Thaise Chong Kai. Tussen maart 1942 en januari 1945 verhuisde dit kamp enkele malen heen en weer tussen Chong Kai en Tha Makhan en werd uiteindelijk op 15 augustus 1945 gesloten. Derk zou op 30 augustus 1945 worden overgedragen aan de Geallieerden in Bangkok.

 

Document Dirk Ubeda

De Japanse interneringskaart vermeldt Achter de Kerk, Depok, als adres van zijn vrouw Elsiana.
Bron: Nationaal Archief


 
Vertaling Japanse interneringskaart

De vertaling van de Japanse interneringskaart.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Op basis van digitale bronnen was het mogelijk om het leven van ome Derk beetje bij beetje in beeld te krijgen. Oorspronkelijk had ik zijn verhaal in twee delen, als een soort lopende zoektocht, op deze website geplaatst. Dan word ik naar aanleiding van deze artikelen benaderd door een kleinzoon en kleindochter van ome Derk. Zij wisten mij heel wat te vertellen over hun grootouders en hun leven in Nederland. Als ‘kers op de taart’ werden er nog familiefoto’s toegestuurd. Hoe bijzonder!

In het kort een beschrijving van hoe het Derk en Elsina is vergaan na de komst in Nederland.

Het gezin vertrok op 22 juni 1947 met het t.s.s. Volendam van de Holland Amerika Lijn (HAL) vanuit de haven van Tanjung Priok definitief naar Nederland en kwam op 20 juli 1947 aan in Rotterdam. Na een tijdje in Tiel in een pension gewoond te hebben, verhuisden Derk en Elsiana naar de Ariënsstraat 21 in Nijmegen op de hoek aan het spoor. In de zestiger jaren werd dit adres ingeruild voor de Fanfarestraat 21 en later nummer 36 schuin er tegenover.

 

Het passagiers- en transportschip Volendam.
Bron: Kustvaartforum (embedded)


 
Adres D. Ubeda

Vermelding in het adresboek van Nijmegen, 1955.
Bron: RAN


 
Adres Derk Ubeda

Vermelding in het adresboek van Nijmegen, 1968.
Bron: RAN

 
Derk zou tot aan zijn pensioen met vijfenvijftig jaar als onderofficier (sergeant LSK) werken op de LIMOS-kazerne (Luchtmacht Instructie en Militaire Opleidingen School) in Nijmegen, voorheen het Luchtmacht Instructie Regiment (LIR), waar de luchtmacht haar dienstplichtigen opleidde. Na zijn officiële pensionering werkte hij nog als portier en beveiliger bij het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen.
Derk overleed op 25 september 1984 aan de gevolgen van een slopende ziekte. Hij werd vierenzeventig jaar oud.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Met speciale dank aan de kleinkinderen van Derk en Elsiana voor hun bijdrage.
Bronnen: RAN, Delpher, Stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost, Indische Kamparchieven, Wikipedia (Cimahi), Archief NTR, Loe de Jong, Andere Tijden en Passagierslijsten