Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.
 

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)


 
Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: Wereld aan Boeken-UB RUG

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: DBNL, Wikipedia en Kunst en Cultuur
 
 

 
Het echtpaar Christophorus Knowles en Sara Louwens ken ik al jaren. Over Christophorus zijn met name via zijn beroep als predikant wel gegevens te vinden, zij het mondjesmaat. Sara en haar familie daarentegen blijven in nevelen gehuld. Tot de herontdekking van een naam in een kerkregister; ooit al eens gelezen, maar er om onverklaarbare redenen nooit iets mee gedaan: ‘… waer voor Niclaes Piquenoij als neve.’ Kijk, dat opent perspectieven. Had er een naam gestaan in de trant van Joannes Hendricksen dan waren we verder van huis geweest!

 

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663.
Bron: Alle Groningers

 
De naam Niclaes Piquenoij is al snel gevonden in de variant Nicolaes Eliasz Pickenoy, een bekende kunstschilder van portretten en schutterstukken. Zijn ouders zijn de beide uit Antwerpen afkomstige wapen- en zegelsnijder Elias Claesz Pickenoy en Hijltgen Pickhof, alias Heijltje Laurens ’s Jonge. Na hun trouwen in 1586 gaan ze in de Warmoesstraat achter de Oude Kerk wonen. In deze kerk, gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, wordt Nicolaes dan op 10 januari 1588 gedoopt.
Nicolaes komt in de leer bij, naar men zegt, de meest succesvolle portretschilder van de oudere generatie Cornelis van der Voort. Wanneer dit zich afspeelt is niet bekend, maar het vroegst gedateerde portret van Nicolaes stamt uit 1617, zo’n vier jaar voor zijn huwelijk met de Amsterdamse Levina Bouwens, afkomstig uit een regentenfamilie. Levina is de dochter van Lieven Bouwens en Sara Gerrits van Tricht. En dat is niet het enige. Levina heeft namelijk ook een oudere zus Magdalena. En… Magdalena is getrouwd met de predikant Abelus Louwens uit Loppersum. Daar komt de naam Louwens in beeld! Dat maakt Nicolaes Eliasz Pickenoy dus de aangetrouwde oom van Sara.

 

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627)

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627).
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Nicolaes en Levina blijven na hun trouwen in de buurt van de Oude Kerk wonen op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Arend Jacobsz Steeg of Duifjessteeg. Hier worden acht van hun tien kinderen geboren, waaronder een zoon Nicolaes, die op 2 februari 1634 in de Oude Kerk is gedoopt. Neef Nicolaes is gevonden! Helaas is er over hem geen enkele verdere informatie te vinden. Ik besluit dan ook maar de levensloop van zijn vader verder te volgen om op die manier toch een aantal decennia uit het leven van neef Nicolaes mee te krijgen.

 

Doop Niclaes, Amsterdam 10 januari 1588, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof

Doop Niclaes, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof; Amsterdam 10 januari 1588 (Oude Kerk)
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Doop Nicolaes, Amsterdam 2 februari 1634 Oude Kerk NH

Doop Nicolaes, zoon van Nicolaes Elijasz en Levina Bouwens; Amsterdam, 2 februari 1634 (Oude Kerk).
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Nicolaes is in 1629 en 1634 overman van het Amsterdamse Sint Lucasgilde van kunstenaars en kunstambachtslieden, gezeteld in de Waag. In 1637 koopt de inmiddels populaire kunstschilder het grote huis op de hoek van de Sint Antoniesbreestraat, de huidige Jodenbreestraat en de Zwanenburgwal van de beroemde kunsthandelaar, en neef van Rembrandts vrouw Saskia, Hendrick Uylenburgh. Oorspronkelijk is dit het huis en atelier van leermeester Cornelis van der Voort. Na het overlijden van Cornelis in 1624 wordt de inventaris geveild en zijn kunsthandel overgenomen door Hendrick Uylenburgh. Vanaf 1615 zal dit pand gedurende dertig jaar dan ook bekend staan als portretwinkel en schilderswerkplaats. Het huis is gelegen in het centrum van de Amsterdamse kunstmarkt; een plek waar de elite zich in die tijd graag vestigt.

Rembrandt van Rijn wordt in 1639 zijn nieuwe buurman. Hij komt naast Nicolaes wonen in het grote koopmanshuis, het huidige Rembrandthuis. De huizen van Rembrandt en Nicolaes zijn gunstig op het noorden gelegen en dus uiterst geschikt om als werkplaats voor portretten en grote schuttersstukken te dienen.
Nicolaes staat bekend om zijn trage manier van werken. Op het moment dat hij benaderd wordt voor een opdracht kan hij daar om die reden dan ook geen tijd voor vrijmaken aangezien hij nog bezig is met een schuttersstuk. De opdracht gaat vervolgens via de ‘schilderswinkel’ van Hendrick Uylenburgh naar Rembrandt en zal bekend worden als ‘De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp’ (1632)’.

 

De huizen van Rembrandt en Nicolaes

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De beide buurmannen krijgen in 1639, samen met nog enkele kunstenaars, de opdracht om een groepsportret van een schutterscompagnie voor de nieuwe Grote Zaal van de Kloveniersdoelen te maken. Voor Rembrandt wordt dit ‘Officieren en andere schutters van wijk II in Amsterdam onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch’ (1642), beter bekend als de ‘Nachtwacht’ en voor Nicolaes ‘Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde’ (1642). Anders dan Rembrandt zet Nicolaes alle mannen er goed zichtbaar op. Het zijn immers zijn opdrachtgevers en hebben per persoon zo’n zestig gulden betaald.

Vanwege zijn eerder genoemde trage werkwijze wordt er tussen zijn vroegere leerling Bartholomeus van der Helst en de apotheker Pieter Harbers, die op het bewuste schuttersstuk staat afgebeeld, een weddenschap aangegaan. Volgens Bartholomeus van der Helst zal Nicolaes niet in staat zijn om het schuttersstuk op de vastgestelde datum van 28 juli 1642 af te hebben. Pieter Harbers heeft er alle vertrouwen in dat het Nicolaes wel gaat lukken. De inzet is een ‘stuck schilderij met verscheyden conterfeijtsels’ dat hij voor de apotheker zal maken. In het geval dat de schilder de weddenschap gaat verliezen, krijgt de apotheker het schilderij. Verliest de apotheker de weddenschap dan moet hij de schilder het dubbele van de eerder overeengekomen prijs voor het portret betalen. Nicolaes moet een tandje hebben bijgezet, want hij weet het schilderij voor de afgesproken datum te voltooien…

 

Officieren en andere schutters van wijk IV te Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde.

Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde door Nicolaes Eliasz. Pickenoy.
De kapitein en de luitenant zijn gezeten, om hen heen staan de schutters, in het midden de vaandrig. Vermoedelijk bevinden zij zich voor de brouwerij ‘De Zwaan’. De schutters zijn: Jan Witsen, Hillebrant Bentes, Andries Dircksen van Saane, Jan Bentes, Willem Simonsz Moons, Jan Huybertsen Codde, Roelof Roelofsen de Lange, IJsbrant van de Wouwer, Johannes Looten, Ulrich Petersen, Jacob Bleyenberch, Pieter Harpertsen, Pieter Tonneman, Evert Huibertsen Krieck, Hendrik Jansen van As en Nicolaes Kuysten. De schutters zijn bewapend met pieken, hellebaarden, lansen en geweren.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De beide schuttersstukken hebben een behoorlijk forse afmeting. Het vermoeden bestaat dat Rembrandt zijn ‘Nachtwacht’ buiten onder een afdak op zijn binnenplaats heeft geschilderd. Na voltooiing is het schilderij in opgerolde staat via een vrije uitgang onder het huis van buurman Nicolaes tot de Zwanenburgwal naar buiten gebracht. Waarschijnlijk heeft Nicolaes zijn schuttersstuk in zijn eigen werkplaats vervaardigd. Deze werkplaats zal dus hoger en groter zijn geweest dan die van Rembrandt.

Nicolaes verkoopt uiteindelijk het hoekhuis in 1645 voor negenduizend gulden. Twee jaar later wordt bij het huwelijk van zijn dochter vermeld dat hij woonachtig is op de Singel. Wanneer hij is overleden is niet bekend, maar in oktober 1656 wordt zijn vrouw Levina als zijn weduwe vermeld in een akte. Levina wordt op 29 november 1662 op het Amsterdamse Karthuizer Kerkhof begraven.

De familieband tussen de beide Amsterdamse en Groningse families moet goed zijn geweest, aangezien neef Nicolaes de moeite heeft genomen om zijn nicht Sara bij te staan. Zeker voor die tijd zal de reis een hele onderneming zijn geweest. En dankzij zijn naam heb ik nu, ruim driehonderdvijftig jaar later, aansluiting gekregen op nog eens tweehonderd jaar Groningse familiegeschiedenis. Hij moest eens weten!
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Scriptio, Rembrandthuis, Carleton, Wikipedia, Library UU en Wikipedia
 
 

 
Echt verzamelen doe ik het niet, maar kom ik eens iets tegen wat met Sunlight zeep te maken heeft, een stukje zeep of een vintage reclamebordje, dan is mijn interesse toch wel gewekt. En is de prijs ernaar dan neem ik het dankbaar mee.

Het bruine stuk zeep op de foto heeft mijn oma, samen met nog wat stukken, net na de Bevrijding van de Canadezen gekregen. Zeep was in de oorlog op de bon, dus was het heerlijk om weer genoeg zeep te hebben om lekker mee te kunnen wassen. Ze gebruikte daarvoor nog ouderwets de teil en het wasbord. Een sopje werd gemaakt van ‘geraspte’ zeep. Een zeepklopper heb ik haar nooit zien gebruiken, maar haar kennende vond ze dat waarschijnlijk een overbodige luxe.

‘Voor het geval dat’ hamsterde ze tot op late leeftijd nog altijd zeep en toiletpapier. Dat hing ze zeker niet aan de grote klok, want hamsteren was, en is overigens nog altijd, bij wet verboden. En als ik als kind zijnde niet aan mijn ouders had gevraagd waarom opa en oma zoveel van die spullen op zolder hadden liggen was ik hoogstwaarschijnlijk van het bestaan nooit op de hoogte geweest. Later tijdens de oliecrisis kwamen er ook nog eens vuilniszakken en panty’s bij. Iets waar mijn moeder ook gretig aan mee deed. Je wist immers maar nooit…

 

Sunlight zeep

Sunlight zeep.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Reclame van Lever's Zeep Maatschappij Vlaardingen

Reclame van Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen.
Bron: Reclame oude krant.

 
Sunlight zeep werd vanaf 1884 gemaakt door het Engelse Lever Brothers en werd zowel gebruikt voor het wassen van kleren als voor algemeen gebruik in het huishouden. Het doel van William Lever was om een goede huishoudzeep te ontwikkelen, te verpakken, het een populaire naam te geven en het te verkopen tegen een redelijke prijs. Zeep werd daardoor steeds meer een gemeengoed.
De gebruikte zeepformule werd uitgevonden door de chemicus William Hough Watson, die de nieuwe zeep ontwikkelde met behulp van glycerine en plantaardige oliën. Doordat het product kopra of pijnboompittenolie bevatte, schuimde het beter dan de conventionele, van dierlijke vetten gemaakte zeepsoorten.

Nadat Lever Brothers in 1907 te Schiedam een verkoopkantoor had geopend om de Sunlight zeep, in de volksmond ‘Sun-licht’, op de Nederlandse markt te brengen, was het de bedoeling van het bedrijf om ook een eigen fabriek in Nederland te vestigen. Daarvoor werd in 1909 een stuk grond in Vlaardingen gekocht. Het zou echter tot 1917 duren voordat de eerste productie plaatsvond. Een intensieve reclamecampagne moest de zeep aan de man, of liever gezegd aan de vrouw brengen. In 1930 ging Lever Brothers met Margarine Unie samen en vormde Unilever.

In de Tweede Wereldoorlog was Sunlight zeep verkrijgbaar op de bon. In het begin ook nog in de bekende kleurrijke verpakking, maar naarmate de schaarste toenam in de witte oorlogsverpakking. Na 1946 heeft Sunlight het lettertype op de verpakking veranderd naar een meer bol lettertype. De vooroorlogse verpakking en de verpakking van na de oorlog zijn dus door het lettertype te herkennen.

Al die jaren zijn de gebruikte en ongebruikte zeepjes zorgvuldig door mijn oma bewaard tot ze aan mij, haar oudste kleinkind, zijn doorgegeven voor het ‘nageslacht’. Daar stelde zij veel belang in en ze wist dat ik dat met zekerheid ook zou doen. Samen met nog wat memorabilia pronken ze alweer jaren in mijn vitrinekast. De reële waarde is natuurlijk geheel te verwaarlozen, maar de herinnering en de verhalen maken het onbetaalbaar…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Poetsacademy, WO2Verzameling en Wikipedia (Levers Zeepmaatschappij).
 
 

 
De familie van Kleij vindt zijn oorsprong, voor zover ik kan nagaan, in Meerkerk. Terwijl ik op zoek was naar de geschiedenis van deze plaats kwam ik het (gruwelijke) verhaal tegen over hoe in de veertiende eeuw in deze regio het omhakken van een boom kon leiden tot een oorlog.

Om het één en ander goed te kunnen begrijpen aan het verhaal is het handig om wat kennis te hebben van de regionale machtsverhoudingen ten tijde van het gebeuren.

Heer Otto van Arkel komt uit de gelijknamige en machtige familie, die in Gorcum zetelt. Meerkerk behoort toe aan het land van familie Van Vianen. Ameide wordt bestuurd door de familie Van Herlaer. De families Van Vianen en Van Herlaer hebben gemeenschappelijke belangen, aangezien Heilwich, de dochter van Jan van Herlaer is getrouwd met Hendrik van Vianen. Samen vormen zij in feite een front tegen de Van Arkels. Daarbij komt ook nog dat de familie van Arkel tot de Kabeljauwen behoort en de beide andere families tot de Hoeken.

 

Vianen

Gezicht op Vianen; Gaspar Bouttats, naar Jan Peeters, 1679.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)

 
We schrijven het jaar 1388. Vier rijke kooplieden uit Gorcum zijn naar Utrecht geweest om wat zaken te regelen. Het is ‘meiavond’, de laatste dag van de grasmaand. De terugreis loopt via Vianen en terwijl ze daar een herberg passeren worden ze door een aantal bekenden naar binnen geroepen voor een maal en wat wijn. Het wordt een gezellig vertoeven, waarbij de wijn rijkelijk vloeit en de tijd langzaam doortikt.
In de herberg raken de Gorcummers ook in gesprek met een Meerkerkse boer. De boer heeft op zijn grond vele bomen staan. Aangezien het destijds al gebruikelijk is om op meiavond voor de huizen van ‘de aanzienlijkste der stad’ een meiboom te planten komt al snel de vraag van de Gorcummers aan de boer of zij soms een meiboom op zijn land mogen kappen om in Gorcum te planten. Dit vindt de boer geen enkel probleem. Het mogen er zelfs wel twee of drie zijn. Als dank betalen zij ‘het verteerde gelag’ van de boer en vertrekken richting Meerkerk.

 

Ets van Gerrit De Broen (1658/’59-1740). -De Lente: Het plante van de May-boom / Le printemps: On plante le May.

 
Aangekomen bij het huis van de boer delen de vier kooplieden aan de boerin mede dat zij permissie hebben van haar man om meerdere bomen te kappen, maar dat zij er echter maar één hoeven te hebben. Direct daarop beginnen zij te hakken. De boerin is natuurlijk niet bekend met de afspraak en vertrouwt het zaakje niet. Zij zet vervolgens ‘de balg open’ en begint te roepen en te schreeuwen om de buren te alarmeren. De buren schieten, gewapend met wat maar voor handen is, te hulp en vallen als ‘dolle honden’ de indringers aan. Twee kooplieden vinden direct de dood en de overige twee worden dodelijk verwond.
De schipper die de Gorcummers vervoerde komt ongeschonden uit de strijd; hij krijgt niet ‘met die selve zaus’. Hij brengt ze alle vier naar Gorcum, waar Otto van Arkel en zijn zoon Jan onmiddellijk worden ingelicht, en toont ‘de lijken en doorhakte’.

Otto van Arkel besluit de zaak grondig te onderzoeken en informeert bij de schipper en de Meerkerkse boer naar de ware toedracht. De beide heren vertellen het gebeuren naar waarheid en Otto van Arkel weet voldoende. Hij schrijft een brief aan de Hendrik van Vianen, waarin hij erop aandringt dat de Meerkerkse boosdoeners gestraft zullen worden. Mocht de Hendrik van Vianen dat niet naar behoren doen, dan zal hij ‘zulks zelf komen doen’!
En precies deze laatste opmerking valt bij Hendrik van Vianen helemaal verkeerd. Hij spreekt schande over het gedrag van Otto van Arkel en besluit daarop de Meerkerkse moordenaars niet te vervolgen. Helaas is Otto van Arkel er op zijn beurt niet van gediend om beschimpt te worden en het feit dat de moordenaars van zijn burgers onbestraft blijven vindt hij onverteerbaar. Hij doet de Hendrik van Vianen ‘aanstonds den oorlog aanzeggen’.

Hij zendt zijn boden naar alle dorpen in het Land van Vianen en Ameide, met uitzondering van Meerkerk, met het bericht dat de bewoners drie dagen de tijd hebben om met hun goederen en hun vee te vluchten. Na deze drie dagen zal hij met zijn mannen naar de dorpen komen en deze verbranden, de goederen in beslag nemen en de achtergebleven mensen gevangen nemen. Zoals gezegd krijgt Meerkerk deze waarschuwing niet.

 

Kaart van de regio

Kaart van de regio.
Bron (bewerkt): multifacet.info

 
Na het verstrijken van de drie dagen gaat Jan van Arkel, de zoon van Heer Otto, met een ‘menighte van kloeke mannen’ op pad en verbrandt alle huizen van Meerkerk. Ook gaat hij nog op zoek naar ‘het quade wyf en de doodslagers’, maar zij hebben blijkbaar bijtijds weten te vluchten. Vervolgens rukt hij op naar de andere dorpen van de Heren van Vianen en Ameide, die tevens zeer gehavend worden, om bij Vianen uit te komen. Vianen wordt beschermd door een stadsmuur, maar dat blijkt geen obstakel te zijn voor Jan van Arkel en zijn ‘gewapent volk’. Hij schiet daar door ‘vurige steencloten’ ook de brand in.
Kort hierna vertrekt zijn vader Otto van Arkel met ‘enig volk’ naar Ameide. Hij verbrandt het hele dorp en doet het ‘Huys der Mey’ ‘met grote bussen dapper beschieten’. Dit slot wordt zwaar beschadigd en vervolgens belegerd. Heer Otto en een groot gedeelte van zijn mannen vinden onderdak in de kerk.

 

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)

 
Hendrik van Vianen en Jan van Herlaer overzien de situatie en beseffen dat zij de Van Arkels met, naar zeggen, een leger van twaalfduizend man, moeilijk het hoofd kunnen bieden. Aangezien Ameide te leen is gegeven door de St. Maartensdom in Utrecht besluiten ze hulp te zoeken bij de bisschop van Utrecht. De Raad van Utrecht reageert hierop door aan Otto van Arkel een brief te schrijven waarin zij hem dringend adviseren Ameide te verlaten of ‘het hele Neder-Sticht zou tegen hem ten strijde trekken’.
Heer Otto is niet erg onder de indruk van dit dreigement en stuurt daarop een bode naar Utrecht met de boodschap: ‘Ga segg dijn Heeren van Utrecht: soo stout sijn sij niet dat sij hier tegen mij verschijnen’. En daarmee was de zaak voor alle partijen afgedaan.

 

Sint Maartensdom Utrecht

Sint Maartensdom Utrecht door Pieter Jansz. Saenredam.
Bron: Europeana (Bibliothèque nationale de France, département Estampes et photographie, P152992; Licentie: Public Domain)

 
De Heren van Vianen en Herlaer zien zich genoodzaakt om tot een andere strategie over te gaan. Zij wenden zich tot Hertog Albrecht van Beieren, Hertog van Beieren-Straubing en Graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, met het verzoek om zijn tussenkomst in de kwestie en het teweegbrengen van een verdrag met Otto van Arkel, zodat zij niet het onderspit zullen delven.
De oudste zoon van de hertog, Graaf Willem van Oostervant, is een goede vriend van Otto van Arkel. Hij besluit om met wat ‘edelmannen’ zijn vriend en zijn leger een bezoek te brengen.en wordt er vriendelijk ontvangen. Graaf Willem is eigenlijk nogal verbaasd zo’n overmacht aan strijdbare mannen aan te treffen. Onderhandelen lijkt daarom de beste optie en hij stelt een vredesverdrag voor.

 

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant.
Bron (bewerkt): Vilters-Vanhemel

 
Dat plan slaagt. Er wordt een wapenstilstand getroffen voor een periode van twee jaar. Echter, wel onder één conditie: Hendrik van Vianen moet zijn slot ‘Huys der Mey’ met alle toebehoren overdragen aan Otto van Arkel. Hiervoor zal Heer Otto aan de Hendrik van Vianen zestienduizend ‘Rijnsche guldens’ lenen, onder voorwaarde dat deze som binnen twee jaar weer aan hem gerestitueerd wordt. Mocht dit niet gebeuren dan zal het slot met de Heerlijkheid Ameide erfelijk in handen vallen van Heer Otto. Het beleg wordt opgeheven en de oorlog is daarmee voorlopig opgeschort.

 

Goudgulden (1350-1389) Willem V van Beieren

Goudgulden (geslagen 1350-1389); Willem V van Beieren.
Bron: Wikimedia (Licentie: CC BY-SA 3.0 NL)

 
Na het verstrijken van de twee jaar gaan Otto van Arkel en zijn zoon Jan op reis. Voor zij aan de reis beginnen drukken ze de bewoners van Gorcum nog op het hart ‘dat zy tegen de Landen van Vianen niets zouden hebben te ondernemen, voor dat hy, en zynen zoon weder waren ’t huys gekomen’. De Heer van Vianen heeft namelijk nog steeds niet voldaan aan de terugbetaling van het geleende geld. Toch trekken ‘die van Gorinchem’ het harnas aan om gezamenlijk in het Land van Vianen alles te verbranden en verwoesten wat voor handen is.
Hendrik van Vianen en zijn broer Johan zien nu een mogelijkheid. Zonder een ‘bequaam veld-overste’ hebben de Gorcummers immers geen enkele kans. Samen met ‘het volk’ rijden ze de Gorcummers tegemoet en komt het tot een treffen bij het dorp Lakerveld. Velen sneuvelen op het slagveld of weten te vluchten. Echter, de ‘voornaamste en rijkste burgers’ worden gevangen genomen. Voor die gevangenen vraagt Van Vianen een fors losgeld van Gorcum; genoeg om het verpande slot van Ameide af te kunnen lossen…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wegwijzer en Google Books (Beschryvinge der stadt Gorinchem en landen van Arkel, 1755, door Cornelis van Zomeren, Teunis Horneer)
 
 

 
De link van het Zouavenmuseum naar een namenlijst van Nederlandse zouaven intrigeert me. Puur uit nieuwsgierigheid en absoluut niet met de verwachting of het vermoeden een zouaaf in de familie te hebben geef ik lukraak wat familienamen in. De naam van Theodorus Ubeda verschijnt al snel in de lijst. Een familielid, dat is duidelijk. Net zoals het direct duidelijk is dat zijn geboortejaar onmogelijk correct kan zijn. Het opgegeven jaartal is 1830. In dat geval zou het een zoon betreffen van de uit Spanje gevluchte José Antonio Rueda, die zich in Nijmegen vestigde en uit veiligheidsoverwegingen zijn moeders achternaam Ubeda heeft aangenomen voor de Burgerlijke Stand. Theodorus past niet in het rijtje met kinderen. Het betreft hier echter de kleinzoon van José, geboren in 1850. De oom van mijn oma. En daarmee is de zoektocht begonnen…

 

Geboorteakte Theodorus Ubeda

Geboorteakte van Theodorus Ubeda; Burgerlijke Stand Nijmegen 3 april 1850.
Bron: FamilySearch

 
Theodorus wordt om drie uur ’s nachts op 3 april 1850 in Nijmegen geboren als Theodorus Peperkamp, aangezien zijn moeder Wilhelmina Peperkamp hem ongehuwd ter wereld heeft gezet. Later in het jaar, op 21 november, wordt Theodorus wettelijk erkend bij het huwelijk tussen zijn ouders Johannes Ubeda en Wilhelmina Peperkamp. Johannes is op dat moment werkzaam als houthakker en Wilhelmina als naaister.
In welke straat Theodorus wordt geboren is onbekend. Vermoedelijk zal dit in het huis van zijn grootouders zijn geweest, aangezien Johannes vanuit een ander adres dan Wilhelmina en Theodorus met zijn gezin aan het Karrengas (Wijk B nr. 595) gaat wonen. In dit huis, dat nog met andere gezinnen gedeeld moet worden, brengt Theodorus zijn eerste levensjaar door.

 

Karrengas Nijmegen

Het Karrengas in Nijmegen, waar Theodorus het eerste jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Licentie: Publiek Domein)


 
Bevolkingsregister Karrengas 1850

Bevolkingsregister Karrengas Nijmegen 1850
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het gezin neemt vervolgens intrek in het huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 524) waar de ouders van Wilhelmina, Theodorus Peperkamp en Cornelia Martens, en haar broer Hendrikus ook woonachtig zijn. Lang zullen ze hier niet wonen, want vóór november 1851 verhuizen ze naar de Bloemerstraat (Wijk B nr. 199). Hier zal het gezin worden uitgebreid met twee zonen en drie dochters. Eén dochtertje overlijdt jammerlijk genoeg op tweejarige leeftijd.

Johannes en Wilhelmina houden het weer voor gezien op de Bloemerstraat en keren terug naar het Zwanengas. Dit keer wordt het nummer 534. Johannes is intussen metselaarsknecht en de jonge Theodorus borstelmakersleerling.

 

Zwanengas Nijmegen

Het Zwanengas in Nijmegen.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Vervaardiger: Fotopersbureau Gelderland; Licentie: CC-BY-SA)

 
Intussen doet Paus Pius IX vanaf 1860 herhaaldelijk een oproep aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde Rooms-Katholieke mannen te sturen om samen met Frankrijk de Kerkelijke Staat te verdedigden tegen de aanvallen van Victor Emanuel II, koning van Italië, en diens bondgenoot Giuseppe Garibaldi, een antiklerikaal liberaal-nationalist. Deze beide heren strijden voor staatkundige eenheid in het land, wat dus een gevaar zou opleveren voor de onafhankelijkheid van de Kerkelijke Staat.

De ‘Roomse’ Theodorus besluit gehoor te geven aan de oproep en vertrekt op 26 november 1867, pas zeventien jaar oud, uit Nijmegen met bestemming Rome om zich als vrijwilliger aan te sluiten bij het ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’, de ‘Zuavi Pontifici’, onder leiding van een Franse generaal. Het woord ‘zouaaf’ komt via het Franse ‘zouave’, oorspronkelijk ‘zuavas’, van het Arabische ‘zouaoua’, de naam van een Berberstam in Algerije, die zich aan de Fransen had onderworpen en waaruit een keurkorps van het Franse leger was gevormd.

 

Uniformen van de Pauselijke Zouaven.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Licentie: Publiek Domein)

 
Met op zak een door de pastoor opgemaakte aanbevelingsbrief waaruit zijn katholieke toewijding blijkt, gaat de reis via het Pensionaat Saint Louis in het Brabantse Oudenbosch, het voornaamste verzamel -en vertrekpunt van de aspirant-zouaven vanuit Nederland in de jaren 1864-1870. De vrijwilligers gaan van hieruit door naar Brussel voor een medische keuring. Worden zij goedgekeurd dan tekenen zij een tweejarig dienstverband. Vanuit Brussel vervolgt de reis per stoomtrein naar Marseille en vandaar per schip naar Civitavecchia, een havenplaats in de buurt van Rome. In Rome volgt een tweede en strengere keuring.
Op 5 augustus 1870 roept Frankrijk zijn troepen terug, omdat het zojuist de oorlog heeft verklaard aan Pruisen. Door deze terugtrekking weet het Italiaanse leger het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat te bezetten. De eenheid van Italië met Rome als nieuwe hoofdstad is nu gerealiseerd. Paus Pius IX trekt zich, om verder bloedvergieten te voorkomen, als vrijwillige gevangene terug in het Vaticaan. Het Regiment der Pauselijke Zouaven wordt ontbonden en de zouaven worden huiswaarts gestuurd.

Theodorus verlaat Rome na het verlopen van zijn tweejarig dienstverband. Een meegegeven militair paspoort geldt als reisdocumentatie. Op 8 januari 1870 laat hij zich weer inschrijven in het huis van zijn ouders aan het Zwanengas. Ongetwijfeld zal hij, zoals dat geldt voor alle terugkerende Pauselijke Zouaven, als held zijn onthaald door zijn familie en de katholieke gemeenschap.
De Nederlandse overheid was echter minder enthousiast. Is er vooraf geen verlof aangevraagd om in vreemde krijgsdienst te treden dan verliest de zouaaf bij thuiskomst zijn staatsburgerschap en heeft hij als staatloze geen enkel recht meer op welke vorm van ondersteuning dan ook door de overheid. Slechts een kleine tweehonderd van de ruim drieduizend vrijwilligers hebben hun nationaliteit behouden door een verzoek in te dienen bij Koning Willem III.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1860

Op 26 november 1867 vertrekt Theodorus met bestemming Rome en laat zich op 8 januari 1870 weer in Nijmegen inschrijven.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Vertrek naar Rome 26 november 1867

Vertrek naar Rome op 26 november 1867.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Inschrijving Nijmegen 8 januari 1870

Inschrijving Nijmegen op 8 januari 1870 in het ouderlijk huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 534).
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het jaar daarop vertrekt Theodorus op 21 april voor ruim een jaar naar Zaltbommel. De reden van zijn verblijf daar is onbekend, maar het zou te maken kunnen hebben met de behoorlijk aanwezige industrie en dus werkgelegenheid in die plaats. Op 25 juli 1872 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis in Nijmegen.

 

Uitschrijving Nijmegen 21 april 1871

Vertrek naar Zaltbommel op 21 april 1871.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Inschrijving Zaltbommel 21 april 1871

Inschrijving in Zaltbommel op 21 april 1871. Het verblijfadres is onbekend.
Bron: FamilySearch


 
Inschrijving Nijmegen 25 juli 1872

Inschrijving in Nijmegen op 25 juli 1872 vanuit Zaltbommel, wederom in het ouderlijk huis aan het Zwanengas.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Een maand later trouwt hij met de Nijmeegse Berendina Faber, geboren op 26 februari 1849 als dochter van Adrianus Faber en Hendrina Reijntjes. Theodorus is op dat moment borstelmaker van beroep. Naast de geboorteakten van Theodorus en Berendina wordt een extract van de Nationale Militie Provincie Gelderland overlegd met daarin de mededeling dat ‘hem bij de loting is ten deel gevallen No. 102, en dat hij vervolgens door Gedeputeerde Staten, uit hoofde van ‘ligchaamsgebrek’ van de dienst is vrijgesteld.’ Door dit extract kan gesteld worden dat Theodorus zijn staatsburgerschap niet is verloren.
Volgens het lotingsregister van Nijmegen blijkt het te gaan om bijziendheid, artikel 340. Dit artikel is terug te vinden in het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water (Koninklijk Besluit van den 25sten Maart 1862), en luidt:

‘N°. 340. Bijziendheid (myopia) op beide oogen, of op het regteroog, in dien graad, dat na opheffing van het accommodatie-vermogen op het regteroog, hiermede door den hollen bril n°. 8 (hebbende een negatief brandpunt van 216 Ned. strepen), uit den brillen toestel, letters, cijfers of figuren van 3 Nederlandsche duimen hoogte, breedte en daaraan geëvenredigde dikte, geschreven met wit krijt, op een zwart, goed verlicht bord, op een afstand van 8 Nederlandsche ellen goed of althans beter gezien worden dan door hoogere nummers (zwakkere glazen) uit dien toestel; of wel dat, zonder opheffing van het accomodatie-vermogen door denzelfden bril, zeer kleine drukletters of figuren ter grootte ongeveer van een Nederlandsche streep (bijv. n°. 3 van Jaeger), op een afstand van één Nederlandsche palm goed of althans beter gezien worden, dan door zwakkere glazen.’

Uit het lotingsregister van Nijmegen en de inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie kan worden opgemaakt dat de ‘aangifte der inschrijving’ is gedaan door zijn vader. Op 10 mei 1870 wordt Theodorus ingelijfd bij het 8e Regiment Infanterie. Vervolgens is hij ‘voor de dienst ongeschikt verklaard wegens bijziendheid, blijkens besluit van Heeren Gedeputeerde Staten van den 25 Mei 1870 no.39’ en aldus ‘den 25 Mei 1870 ingevolge art. 116 der militiewet uit de dienst ontslagen’.

 

Lotingsregister Theodorus Ubeda

Lotingsregister van Nijmegen.
Bron: Militieregisters


 
Stamboek Theodorus Ubeda

Inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie.
Bron: FamilySearch


 
Nationale Militie Theodorus Ubeda

Extract van de Nationale Militie in de huwelijksbijlagen.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872

Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872.
Bron: Gelders Archief

 
Het stel trekt in bij de ouders van Theodorus en zijn nog thuis wonende broers en zussen in het huis aan het Zwanengas. In het voorjaar van 1875 verhuizen Theodorus en Berendina met hun inmiddels drie geboren kinderen Johannes, Adrianus Theodorus en Theodorus naar de Bloemerstraat (Wijk B) nummer 184 op de derde verdieping. In de jaren die volgen variëren de huisnummers aan de Bloemerstraat van 184 naar 30 en 31. Het lijkt erop dat er in die tijd een herziening van de huisnummering heeft plaatsgevonden en dat de nummers 184 en 30 betrekking hebben op hetzelfde huis.

Het zit Theodorus en Berendina beslist niet mee. Hun zoontje Adrianus Theodorus overlijdt met drie maanden en net nu ze de nieuwe woning betrokken hebben overlijdt ook hun zoontje Theodorus in de leeftijd van vier maanden. Het jaar erop begint goed: er wordt een zoontje geboren dat eveneens de naam Theodorus krijgt. Toch slaat het noodlot wel heel drastisch toe in de twaalf jaar die volgen, alhoewel de kindersterfte in die tijd sowieso vrij hoog is. Vijf kinderen komen levenloos ter wereld, dochtertje Maria Wilhelmina overlijdt op eenjarige leeftijd en zoontje Petrus Wilhelmus redt het nog net geen elf maanden. Uiteindelijk wordt nog zoon Willem Petrus geboren, die evenals zijn broers Johannes en Theodorus de volwassen leeftijd weet te bereiken.

 

Bloemerstraat rond 1895

De Bloemerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Licentie: Publiek Domein; bewerkt)

 
In de tussentijd is het gezin verhuisd van Bloemerstraat 31 naar het Zwanengas 64 en 71 om uit te komen op de Hamerstraat 30. Alhoewel ‘Hamerstraat’ duidelijk genoteerd staat in het bevolkingsregister roept dit toch wel wat vragen op. Het gezin betrekt deze woning in ieder geval vóór 1901. Bij mijn weten was dit destijds nog de Verlengde Molenstraat en werd ter gelegenheid van de onthulling van het beeld van Bisschop F.H. Hamer op 28 september 1902 de straat pas officieel naar de bisschop vernoemd.

 

Hamerstraat Nijmegen 1895

De Hamerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Licentie: Publiek Domein; bewerkt)

 
Hoe het Berendina aan het begin van de twintigste eeuw vergaat is mij onbekend. Zij overlijdt op 26 december 1923 op vierenzeventigjarige leeftijd in Nijmegen. Met Theodorus gaat het in ieder geval niet de goede kant op. Op 12 januari 1900 wordt hij door het Kantongerecht van Nijmegen veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens dronkenschap, aangezien dit al de vierde keer is dat hij hiervoor wordt opgepakt. Deze straf zit Theodorus uit in de gevangenis van Hoorn van 14 april tot 13 juli 1900.
Op 26 november 1900 wordt er het bevel tot voorlopige aanhouding uitgevaardigd door de rechter commissaris van ‘s-Hertogenbosch in verband met landloperij. Op 11 december 1900 wordt Theodorus veroordeeld voor landloperij door de Arrondissementsrechtbank ‘s-Hertogenbosch en voor drie jaar naar de Rijkswerkinrichtingen in Veenhuizen gestuurd. Van 15-17 december 1900 zat Theodorus in hechtenis in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch. In zijn signalementsbeschrijving wordt als kenmerk vermeld: twee stijve vingers aan de rechterhand.

 

Theodorus Ubeda gevangenis Hoorn

Registratie in het boek van de gevangenis in Hoorn.
Bron: Noord-Hollands Archief

 
Ondanks dat landlopers een bekend verschijnsel zijn op het platteland en vaak in de gemeenschap worden geaccepteerd, omdat ze nuttig zijn als dagloner, worden ze vooral door de gegoede burgerij in de negentiende eeuw niet meer getolereerd en al bij voorbaat verdacht. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht uit 1809 wordt daarom landloperij als een overtreding opgenomen; rondzwerven zonder aantoonbare middelen van bestaan wordt strafbaar gesteld. De gedachte hierachter is, dat iemand die sterk genoeg is om rond te reizen, ook sterk genoeg is om te kunnen werken. Dat er vaak geen werkgelegenheid is, wordt daarbij genegeerd. Men is voornamelijk bang voor diefstal en ander crimineel gedrag.
De opgepakte landlopers worden veelal ’tewerkgesteld’ in het oosten van Nederland, waar ze in heropvoedingskampen onder andere aan landontginning in de veengronden, op het land en in de fabrieken werken.
Dit lot valt ook Theodorus ten deel. Hij wordt naar de Rijkswerkinrichting van de strafkolonie Veenhuizen gestuurd door de rechter, waar hij op 6 maart 1901 wordt ingeschreven als ‘inwoner’. Het transport gaat met een groep per trein en vanaf Assen op een schip van de Drentse Stoombootmaatschappij.

Hoogstwaarschijnlijk zal Theodorus in het Tweede Gesticht van Veenhuizen terecht zijn gekomen. Veenhuizen II is de inrichting voor bedelaars en landlopers, de zogeheten ‘verpleegden’. Zij worden als zieken gezien: mensen die moeten genezen van hun luiheid. Later zou het Tweede Gesticht ook onderdak bieden aan souteneurs en andere wetsovertreders.
Uit de gegevens op de signalementskaart weten we dat Theodorus een lengte heeft van één meter vijfenzestig, donkerbruin haar, lichtblauwe ogen, donker behaard is en een litteken heeft op zijn voorhoofd. Ook is hij niet in het bezit van identiteitspapieren. En… geen eerdere veroordeling en geen militaire diensten!

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 1.
Bron: AlleDrenten


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 2

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 2.
Bron: AlleDrenten


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 3

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 3.
Bron: AlleDrenten

 
De meetsessie volgens de Bertillon-methode neemt een uur in beslag. Vervolgens wordt er gebaad, geknipt en ontluist. Theodorus wordt ondergebracht in het Gesticht. Daar krijgt hij een genummerd uniform uitgereikt, bestaande uit een pet, twee bruine buizen met een groene kraag, twee bruine broeken, twee katoenen of halflinnen onderbroeken, twee katoenen halsdoeken, twee katoenen zakdoeken, drie paar wollen kousen, een paar klompen en een paar draagbroekbanden.

 

Kledij Veenhuizen

Kledij Veenhuizen (Gevangenismuseum Veenhuizen)
© Uit de oude Koektrommel

 
De omstandigheden in de kolonie zijn ellendig; er heersen ziekten en het zware werk eist zijn tol. ’s Winters is het er bovendien erg onaangenaam door de stank van de turfkachels. Tussen de middag wordt er warm gegeten. De vreselijke gortsoep smaakt nog viezer als met het leegeten van het bord de tekst ‘Teveel is ongezond’ verschijnt. En uiteraard is de zondagse kerkdienst verplicht.

Theodorus wordt ziek en opgenomen in het nieuwgebouwde hospitaal ‘Vertrouw op God’, door de bewoners ook wel ‘Gauw bij God’ genoemd. En dit laatste blijkt in zijn geval te kloppen. Theodorus overlijdt in het hospitaal op 2 april 1906, de dag voor hij zesenvijftig zal worden, na een zwaar en veelbewogen leven.

 

Overlijdensakte Theodorus Ubeda

Overlijdensakte Theodorus Ubeda, Veenhuizen 2 april 1906.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Brabants Historisch Informatie Centrum, Zouavenmuseum, Wikipedia Zouaaf, Mededelingen.Over-Blog, Wikipedia Landloper, Geheugen van Drenthe, Allemaal Familie, Gelders Archief, Regionaal Archief Nijmegen en Alle Drenten
 
 

 
Evert Appeldoorn, zoon van Aalt Appeldoorn en Hendrika Woudenberg, werd op 28 november 1891 in Amsterdam geboren. Hij trouwde op 4 februari 1914 met de Utrechtse Theodora Johanna Ros en overleed, vijfenvijftig jaar oud, te Zuilen op 20 juli 1947. Evert was politoerder van beroep.

Politoeren, zoals we dat nu nog kennen, is rond 1820 door Franse meubelmakers ontwikkeld. Zij ontdekten dat je hout met het product ‘schellak’ veel mooier af kon werken dan met de tot die tijd gebruikelijke producten als bijenwas en lijnolie. Deze techniek wordt daarom ook wel ‘French polishing’ genoemd.
‘Politoeren’ is een samentrekking van de woorden ‘poli’ (veel) en ‘toeren’ (rondjes). Politoeren is dus het veelvuldig rondjes draaien met een dot om op die manier de politoerlak of politoervernis op het werkstuk aan te brengen.

Vaak wordt onder politoer de lak of vernis verstaan, die gebruikt wordt bij het politoerproces. Eigenlijk is de juiste benaming politoer(schel)lak of -vernis.
Schellak (‘shellac’ in het Engels) is een samentrekking van de woorden ‘shell’ (huisje of omhulsel) en het woord ‘lac’ dat in het Sanskriet ‘honderdduizenden’ betekent. Eén kilo schellak bestaat namelijk uit een afscheidingsproduct van honderdduizenden luizenhuizen van een boomluis, die in India en omstreken leeft; te vergelijken met het web van een spin of de zijden draad van de zijderups,
Vernis is afkomstig van de plaats Berenice, het tegenwoordige Benghazi, dat in de oudheid hét centrum voor de handel in harsen en gommen was. Het tegenwoordige woord vernis verwijst dan ook nog steeds naar een transparante oplossing van harsen en/of gommen waarmee een oppervlak bedekt wordt.

Aangezien in zwart politoerwerk eerder en meer fouten te zien zijn, stond een ‘zwartpolitoerder’ in hoger aanzien dan een ‘gewone politoerder’. Een slimme politoerder maakte daarom voor een sollicitatiegesprek de nagelriemen zwart in de hoop dat het zijn nieuwe baas zou opvallen en hem een hoger salaris aangeboden zou worden.

 

Politoerder

Het beroep politoerder.
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Politoeren en divers
 
 

 
Zondag 6 augustus 1826. Op deze dag vierde de Nederlandse Stoomboot Maatschappij de opening van een nieuwe bootverbinding, die wekelijks in de vaart zou komen tussen Rotterdam en Arnhem, met een feestelijke tocht van Arnhem naar Nijmegen en weer terug. Op de kade van Arnhem had zich een grote menigte geschaard om getuige te zijn van de afvaart om half tien ‘s morgens.
Aan boord bevonden zich een gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders en genodigden, waaronder Baron van Heeckeren van Kell, de commandant van de provincie Gelderland, kolonel Kuyck met zijn vrouw en één van zijn dochters, burgemeester van Arnhem Mr. Weerts met zijn vrouw en wethouders van Arnhem. De infanterie van het garnizoen zorgde gedurende de dag voor de muzikale begeleiding aan boord.

De tocht verliep voorspoedig en de stemming zat er goed in. Toen de boot tegen vier uur ’s middags weer bij Arnhem was aangekomen besloot men om niet bij de Schipbrug aan te leggen, maar om nog een stukje verder de Rijn af te varen.
Terwijl men aan boord net van tafel zou opstaan, naderde de stoomboot het landgoed Hulkestein waar de 47-jarige douairière Johan Brantsen (weduwe dus van de kort daarvoor overleden Jonkheer Mr. Johan Brantsen), Maria Leopoldina Catherina van Hasselt met haar twee jonge kinderen, de 12-jarige Diederica Wilhelmina Agatha en de 11-jarige Johan Conraad Louis Anthony woonde.
Vanuit de tuin liet zij saluutschoten afvuren met het geschut dat voor het landgoed was geplaatst. Dit werd door het gezelschap aan boord als een beleefdheid beschouwd en al snel stapten kolonel Kuyck van de 13de afdeling der infanterie, wethouder Jonkheer Mr. van Rappard en de belastingambtenaar Jonkheer Nahuys in een sloep en begaven zich naar de oever om weduwe Brantsen uit te nodigen aan boord van het stoomschip te komen.

Op dat moment, het was intussen rond vijf uur ’s middags, waren twee kinderen van de toenmalige burgemeester van Arnhem Mr. Johan Weerts, de 14-jarige Anna Margaretha Theodora Helena Johanna Wilhelmina en de 7-jarige Johan Alexander, het zoontje van de heer Dijckmeester uit Thiel en ‘eene jonge juffer’ uit Zutphen ook op het landgoed aanwezig. Weduwe Brantsen nam de uitnodiging aan en stapte, vergezeld door de heren, met haar gezelschap in de sloep op weg naar de boot, waar men zich al gereed maakte om de nieuwe bezoekers te ontvangen.
Vlak voordat de sloep de boot bereikte sloeg hij ineens om. Het verhaal gaat dat het vaartuig kantelde doordat een inzittende uit baldadigheid de sloep liet schommelen. Hoe dan ook, voor het ontvangstcomité het wist lag het hele gezelschap in het water. Terwijl op de stoomboot de muziek nog vrolijk doorklonk, omdat men er geen weet van had wat er gaande was, werd er aan de andere kant van de boot in het water gevochten voor het leven.
Uiteindelijk wist men de Jonkheer Nahuys en het zoontje van de heer Dijckmeester uit het water te redden. De juffer uit Zutphen had het geluk dat zij tegen de boot aandreef en zodoende ook gered kon worden. Alle overige zeven inzittenden van de sloep werden voor de ogen van de machteloze aanschouwers en familieleden met de stroom meegevoerd en verdronken. De ontsteltenis was verschrikkelijk, de algemene verslagenheid groot en de stad Arnhem was in diepe rouw. Het zou nog veertien dagen duren voordat het lichaam van douairière Johan Brantsen zou worden gevonden in de Rijn.

 

Het drama bij Hulkestein (aquarel van Johan Derk Gebly).
Bron: Heemkunde Renkum (embedded)


 
Krantenartikel Hulkestein

Krantenartikel over het drama bij Hulkestein uit de Middelburgsche Courant van 12 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
Familiebericht Brantsen

Familiebericht uit de Opregte Haarlemsche Courant van 17 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: delpher.nl en Heemkunde Stichting voor de gemeente Renkum
 
 

 
Hulckesteijn, waarvan het grondgebied zich uitstrekte van den Haspel tot aan de Klingelbeek, werd als ‘spijker’, een versterkt voorraad- en woonhuis, door Karel van Egmond (hertog van Gelre en graaf van Zutphen, 1467-1538) gebouwd. In het jaar 1533 kocht hij er, of liever gezegd was het een ‘handjeklap’ omdat hij hiervoor de van Kloris van den Erven gekochte aan de St. Jansbeek gelegen watermolen met toebehoren ruilde, van zijn barbier Herman Boetzeel nog een belendend erf bij. Zo staat er beschreven:

… ‘eynen Bomgart mitien Bouwhuys Loependerberg geheyten, by die Clingelbeeck opten Ryn-stroem geleghen, streckende die Ryncant langes bis aen onsen Spycker, wy dair doen tymmeren hebben geheyten Hulckensteyn…’

De oorsprong van de naam ‘Hulckesteijn’ is niet helemaal duidelijk. De overlevering zegt dat het huis genoemd is naar een boot van Karel van Egmond, de ‘Hulck’, die op deze plaats in de Rijn lag en in 1537 afgebroken moest worden.

Het landelijk gelegen Hulckesteijn, met aan de westkant enkele boerderijen van voornamelijk tabakkers, was in de zestiende eeuw aan de noordzijde ommuurd en grensde aan de huidige Utrechtseweg. Aan de oostkant van Hulckesteijn bevond zich de oudste galgenplaats van het rechtsgebied Arnhem, die ongeveer op de scheiding van Onderlangs en Bovenover/Utrechtseweg (‘de Haspel’) stond. De galg was zo geplaatst dat het vanaf de weg naar Utrecht en vanaf de Rijn goed te zien was als waarschuwing voor passerende reizigers. Over het gebruik van deze galg is maar weinig bekend. Waarschijnlijk is de galg ‘slechts’ tot het einde van de zestiende eeuw in gebruik geweest en is de functie overgenomen door de galgenberg ten noorden van de stad.

 

Hulckesteijn in 1551

Kaart van Hulckesteijn uit 1555; gezien vanaf de noordzijde met links de galgenplaats (Maker: Johan Gielis).
Bron: Gelders Archief (Licentie: Public Domain)

 
Na het overlijden van Karel van Egmond werd de nieuwe landsheer Karel V de eigenaar van het landgoed. Hij gaf het in 1555 in bruikleen aan Philips van Lalaing, graaf van Hoogstraten, stadhouder en kapitein-generaal van Gelre en Zutphen. Naderhand ging het over op Herman, graaf van den Berg, vrijheer van Boxmeer en Bijland, wiens zoon het in 1595 aan Johan Milfair verkocht om van het geld onder andere zijn schuldeisers te kunnen betalen. In 1599 kwam het in handen van het aanzienlijk geslacht van Karel van der Sande en ten slotte viel het in 1666 door erfenis ten deel aan de rijke regentenfamilie Brantsen.

 

Hulckesteijn rond 1740

Hulckesteijn rond 1740.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Hendrik Arentzen, de verst gevonden voorouder van de familie Hulstein, werd rond 1580 op ‘den Hullik’ geboren en was er pachter in 1605. Rond 1649 leefden op Hulckesteijn twee vrouwen: Marij Jansen, de vrouw van Hendrik Arentzen en Lijsenoije op Den Hulck. Tot de ‘Fransche tijt’ 1672, woonde de familie Hulstein op het landgoed.

 

The Van Hulckensteijn Estate

Hulckesteijn rond 1860.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
Hulkestein 19e eeuw

Hulckesteijn in de tweede helft van de negentiende eeuw met op de achtergrond de toren van de Eusebiuskerk in Arnhem.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Het hek en de bijbehorende oprijlaan verbonden Hulkestein met de ingang aan de Utrechtseweg. Na de verkoop en verkaveling van het landgoed in 1894 en de definitieve aanleg en naamgeving van de Hulkesteinseweg in 1908 had het hek zijn feitelijke functie verloren.
In 1932 werd de heer Wennekes eigenaar van het huis Hulkestein. Hij schonk het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin. Dat dit hek niet altijd op Hulkestein heeft gestaan blijkt uit oudere foto’s met een andere toegang.
Helaas werd de buitenplaats door de oorlogshandelingen rond de Slag om Arnhem in september 1944 totaal verwoest.

 

Hulkestein met toegangspoort vóór 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 

Hulkestein met toegangspoort in 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 
Hek Hulkestein

Het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, werd in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem geschonken, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Arneym, Gelders Archief en Hoogstede
 
 

 
Via de familielijn van mijn oma kom ik terecht bij de familie Hulstein met als meest recente mannelijke voorouder mijn betovergrootvader Rut Hulstein. Rut wordt op 8 augustus 1856 in Bennekom geboren. Hij is boerenknecht en landarbeider van beroep en trouwt in Ede op 16 april 1881 met Louise Jansen. Rut geldt in lijn als de vierde generatie landbouwers in Bennekom, alhoewel zijn vader ook een uitstapje maakte als schaapherder.

 

Rut Hulstein

Mijn betovergrootvader Rut Hulstein.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Bij het horen van de naam ‘Hulstein’ val je in Bennekom en omgeving beslist niet van verbazing van je stoel. En niet alleen in deze omgeving komt de naam veelvuldig voor; met dank aan de oom van Rut, Cornelis Hulstein, die met zijn vrouw Rijkje van Roekel en hun kinderen het dappere besluit nam om naar het ‘verre Amerika’ te vertrekken, lopen er aan de andere kant van de oceaan ondertussen ook heel wat ‘Hulsteintjes’ rond. Waar ik destijds bij het uitzoeken van de genealogie absoluut geen weet van had was dat de naam ‘Hulstein’ mij uiteindelijk bij het huis Hulckesteijn zou brengen, waarvan het grondgebied zich uitstrekte van den Haspel tot aan de Klingelbeek bij Arnhem.

 

Hulckesteijn

Huis Hulckesteijn in de negentiende eeuw, gefotografeerd vanaf de noordelijke Rijnoever.
Bron: Gelders Archief (Licentie: Public Domain)

 
Bij mijn weten is de eerste officiële vermelding van de achternaam ‘van Hulsteijn’ te vinden in een akte van 4 april 1693 betreffende de aankoop van enkele percelen bouwland. Hierin wordt de naam van Aernt Hendrickse van Hulsteijn genoemd, de broer van Johannes Hendrickse die op zijn beurt weer de oudvader van Rut is. Alhoewel ik toch het vermoeden heb dat het hierbij om een toevoegde toponiem gaat, aangezien Aernt op Hulckesteijn is geboren.
Het is echter in de directe lijn Rut zijn betovergrootvader Hendrick Arents die de achternaam ‘Hulsteijn’ gaat dragen. Vanaf die tijd, dan hebben we het over het begin van de achttiende eeuw, zien we de achternaam in diverse varianten de revue passeren. Na de oude toevoegingen als ‘van den Hullik of Hulck’ en ‘van Hulckesteijn’ komen we onder andere ‘(van) Hulsteijn’, (van) Hulstijn’ en Hulstein tegen.

 

Huwelijk Hendrik Arents Hulsteijn en Geertruijd Cornelissen

Uit het kerkboek van de N.H. Gemeente in Arnhem: Hendrik Arents Hulsteijn en Geertruijd Cornelissen, 13 december 1753.
Bron: FamilySearch

 
Uiteraard is er over huis Hulckesteijn wel wat meer te vertellen. De geschiedenis van de buitenplaats en het drama van Hulckesteijn zullen daarom in twee volgende berichten aan bod komen.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
De laatste tijd worden, haast in een stroomversnelling, allerhande archieven openbaar inzichtelijk gemaakt op het internet. Gelukkig maar, zou ik haast zeggen, dat scheelt heel wat uurtjes onderzoek op locatie. Met regelmaat speur ik dan ook de registers af op zoek naar nieuwe gegevens van de personen in mijn stambomen. En zo nu en dan stuit je toch op een verwarrende ontdekking!

Maria Alexandrina van Hirtum, de overgrootmoeder van mijn man, kwam, voor zover ik het heb kunnen nagaan, uit een gezin met vier kinderen. Drie jongens en één meisje was het gezin Van Hirtum-Boerebach rijk, zo veronderstelde ik. Zij was hoogstwaarschijnlijk naar haar beide grootmoeders vernoemd: aan vaders kant Anna Maria (van Santfoort) en aan moeders kant Alexandrina (Mulder). Maria Alexandrina trouwde op 24 juni 1908 in Hilversum met de in Nieuwer-Amstel geboren ‘reiziger’ Andreas Petrus Maria Jacobus Regter.

De verwarring ontstaat op het moment dat ik een andere huwelijksakte onder ogen krijg betreffende een, in eerste instantie vermelde, Maria Alexandrina van Hirtum met dezelfde ouders, dezelfde huwelijksplaats, echter met een andere echtgenoot, namelijk Willem van Poelgeest. Dit huwelijk vond plaats op 30 september van datzelfde jaar 1908.
Het blijkt te gaan om een voor mij onbekende vijf jaar jongere zus van Maria Alexandrina. Officieel aangegeven als Alexandrina Maria, maar bij de zoekgegevens van diverse instanties worden deze namen structureel door elkaar gebruikt. Zelfs de Duitse punctualiteit heeft in de overlijdensakte een steekje laten vallen! Nou gebiedt mij de eerlijkheid dan ook te zeggen dat hun ouders in mijn ogen niet echt een hoog staaltje van creativiteit hebben laten zien bij de naamkeuze van hun enige twee dochters!

 

Huwelijksakte Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest

Huwelijksakte van Alexandrina Maria van Hirtum en Willem van Poelgeest.
Bron: FamilySearch

 
Alexandrina Maria, zo blijkt, werd geboren op 14 juni 1885 om zes uur ’s morgens in het ouderlijke huis in ‘het gehucht Orten’, zoals het zo mooi beschreven staat in de aangifte bij de Burgerlijke Stand van ’s Hertogenbosch. Dit huis stond in Wijk K en had huisnummer honderdtwee. Uit de gegevens van een kaart van het Informatiebureau van het Rode Kruis blijkt dat Alexandrina Maria in 1889 vanuit ‘s-Hertogenbosch naar Naarden verhuisde. Op 9 november 1892 werd zij ingeschreven in Bussum en op 4 juni 1897 vertrok zij naar Hilversum.

 

Woonplaatsen van Alexandrina Maria

Kaart van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis met de inschrijvingen in de gemeenten.
Bron: Archief Rode Kruis

 
Op drieëntwintig-jarige leeftijd trouwde zij met de één jaar jongere en van oorsprong uit het Zegveldse Meije komende schilder Willem van Poelgeest. Het burgerlijke huwelijk werd, zoals vermeld, voltrokken op 30 september 1908 in Hilversum. Zij kregen tien kinderen: zeven zonen en drie dochters, allemaal geboren in Hilversum. Willem startte met enige hulp zijn eigen huis-en decoratie schildersbedrijf en kreeg eens het postkantoor op de Neude in Utrecht als opdracht.

 

Burgerlijke Stand Alexandrina Maria van Hirtum

Geboortevermelding Burgerlijke Stand van ‘s-Hertogenbosch in de Provinciale Noordbrabantsche en ’s Hertogenbossche courant van 16 juni 1885.
Bron: Delpher


 
Geboorteregister Alexandrina Maria van Hirtum

Geboorteregister van het jaar 1885 van Gemeente ‘s-Hertogenbosch.
Bron: FamilySearch


 
Geboorteaangifte van Alexandrina Maria. Bron: zoekakten.nl

Geboorteaangifte van Alexandrina Maria.
Bron: FamilySearch

 
Op een bepaald moment zijn Alexandrina en Willem in Duitsland terecht gekomen. Dit blijkt uit de Duitse overlijdensakte van Alexandrina. Het echtpaar woonde volgens de akte op Apfelstraße 6 in Burg bij Magdeburg. Op 27 september 1944 werd Alexandrina opgenomen in het ‘Kreiskrankenhause’ van Burg, waar zij een dag later, op 28 september 1944, om kwart voor twee ’s nachts zou komen te overlijden aan de gevolgen van een longontsteking. Zij werd begraven op de Stadsbegraafplaats van Burg, Veld 1, Rij 32, Nr. 10.

 

Ziekenhuisopname Alexandrina Maria

Ziekenhuisopname van Alexandrina Maria.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria

Duitse overlijdensakte van Alexandrina Maria.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Graf Alexandrina Maria

Documentatie betreffende de Stadsbegraafplaats in Burg.
Bron: Archief Rode Kruis

 
Wat Alexandrina Maria en Willem ertoe heeft gedreven of heeft verplicht naar Duitsland te vertrekken en wanneer dit is geweest heb ik tot nu toe nog niet kunnen achterhalen. Feit is wel dat volgens de Nederlandse overlijdensakte, welke is opgemaakt op 27 augustus 1946 naar aanleiding van een via het Rode Kruis ontvangen uittreksel uit het overlijdensregister der gemeente Burg in Duitsland, Alexandrina Maria nog steeds als inwoonster van Hilversum werd beschouwd en dus ook nooit officieel is uitgeschreven uit de gemeente.

 

Kennisgeving overlijden Alexandrina Maria

Kennisgeving van het overlijden van Alexandrina Maria, d.d. 10 augustus 1946.
Bron: Archief Rode Kruis


 
Nederlandse overlijdensakte Alexandrina Maria van Hirtum

Overlijdensakte van Gemeente Hilversum.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: FamilySearch, Delpher en Archief Rode Kruis