Het verhaal van Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

5 april 2016 at 14:05

 
Cornelis Hulstein, zoon van landbouwer Cornelis Hulstein en Geertrui Kobussen, wordt op 31 maart 1830 geboren in Bennekom. Hij trouwt op 11 oktober 1856 met Rijkje van Roekel. Zij wordt op 4 januari 1833 in Bennekom geboren als de dochter van landbouwer Willem van Roekel en Hanna van Essen.

 

Huwelijk Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

Huwelijkakte van Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel.
Bron: archieval.nl

 
Cornelis en Rijkje betrekken hun eerste woning op de Bennekomse Heide, waar ze zestien jaar lang pachters zijn op een boerderij van Dhr. Vreede. Cornelis is landbouwer en heeft daarnaast jagen als bezigheid. Aangezien het niet is toegestaan om op andermans land te jagen, mag hij graag vanuit zijn raam op de in grote getale aanwezige hazen en konijnen schieten. Aan Rijkje is het vervolgens de taak op de buit te gaan zoeken. Soms gaat het weleens verkeerd. Zo is op een dag de kat van de familie het haasje. De dag erna staat de veldwachter op de stoep met de mededeling dat Cornelis ‘toch wel een mooie haas heeft geschoten!’

Rijkje besteedt haar tijd aan de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Ook gaat ze vaak op bezoek bij twee rijke oude dames, die haar soms wel wat toeschuiven. Zij krijgt van hun bijvoorbeeld een prachtige mantel, die uiteraard alleen wordt gedragen bij bijzondere gelegenheden. Er wordt immers zuinig omgesprongen met dure kleding. Vlak voor haar vertrek naar Amerika ontvangt Rijkje van de twee dames ook nog een psalmenboek. Deze zal ongetwijfeld veel gebruikt zijn in de Nederlandse kerk die zij bezocht in de nieuwe woonplaats Pella en later North Sioux Center.

In 1871 besluiten Cornelis en Rijkje, net als zoveel tijdsgenoten, met hun vier kinderen Willem Cornelis, Gerrit, Steven en Hanna naar Amerika te vertrekken op zoek naar een beter bestaan. Ze worden op 1 april van dat jaar uitgeschreven met bestemming ‘VSA’ in de registers van Gemeente Ede.
In de negentiende eeuw vinden er namelijk twee belangrijke gebeurtenissen plaats, die een grote emigratiegolf naar Amerika op gang brengen. In de jaren dertig is er een scheuring binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk. Daarnaast is er sprake van een economische crisis en meerdere mislukte (aardappel)oogsten. Nederlandse Afgescheidenen stichten onder leiding van de predikanten A.C. van Raalte en H.P. Scholte in Amerika kolonies in Holland, Michigan en in Pella, Marion County in het zuiden van Iowa. Ds. Scholte zoekt, nadat de meeste grond in Pella is vergeven, plaats voor een nieuwe nederzetting. Dit wordt uiteindelijk West Branch Township in Sioux County, Iowa.
Het echtpaar Cornelis en Rijkje komt met hun gezin terecht in Pella, Iowa. Eerst betrekken ze een woning in de stad, maar ze besluiten enige tijd later om toch naar een boerderij in de omgeving van Pella te verhuizen. Daar wordt op 12 november 1878 dochter Cornelia geboren.

 

Birds eye view of Pella, Marion County, Iowa, 1869

Pella, Marion County, Iowa, 1869.
Bron: Library of Congress

 
Alhoewel de familie het in Pella naar hun zin heeft wordt er wederom besloten om hun heil elders te zoeken. De keus valt op Sioux County in de nabijheid van North Sioux Center, waar de grond toch vruchtbaarder schijnt te zijn voor de gewassen.
In mei 1878 vertrekt eerst Cornelis, samen met Jan Thomassen, met de wagen naar de nieuwe woonplaats. Die reis verloopt niet helemaal vlekkeloos. De paarden slaan op hol en de teugels, die om de handen van Cornelis gewonden zitten, zorgen ervoor dat Cornelis letsel aan de spieren van zijn hand en arm oploopt en, naar zeggen, een vinger verliest.
In juni 1878 volgt de inmiddels 19-jarige zoon Willem Cornelis zijn vader naar Sioux County om te kijken of hij zijn gewonde vader kan helpen. Na een lange reis met zeer smalle en slecht begaanbare wegen bereikt hij veilig zijn eindbestemming. Er breekt een periode van hard werken aan om van het huis op de prairie een thuis te maken.
In februari 1879 vertrekt uiteindelijk het hele gezin, waaraan Cornelis en Willem Cornelis zich hebben toegevoegd, uit Pella, om zich definitief in Sioux Center te vestigen. Cornelis, Rijkje en hun twee dochters vertrekken per trein, terwijl Willem Cornelis, Gerrit en Steven met de wagen gaan. Het wordt een avontuurlijke reis vol moeilijkheden. Meest van tijd wordt er in de wagen overnacht en de enige keer dat ze besluiten een hotel op te zoeken, vliegt deze in brand. Gelukkig voor de jongens loopt dit met een sisser af en kunnen ze hun reis voortzetten.

 

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa. Het hele gezin is dan nog compleet.
Bron: FamilySearch

 
Het gezin woont gedurende twee jaar in West Branch Township, waar ze een boerderij hebben. In dezelfde periode wordt er daar ook een smederij en een winkel geopend en een kerk gebouwd.
In 1879, het eerste jaar van hun nieuwe avontuur, is de oogst zeer slecht. Sprinkhanen vernielen de oogst en ook een fikse hagelbui doet geen goed aan het graan. Een goede reden voor veel mensen om verder te trekken naar andere delen van Amerika. In 1880 breekt er een difterie-epidemie uit en de ziekte sluipt vele huizen binnen. Ook bij het gezin Hulstein; zij verliezen hierdoor op 13 september hun dochter Hanna op dertienjarige leeftijd.
De extreem koude en stormachtige winter van 1880-1881 volgt met heel veel sneeuw, die al vroeg in de herfst begint te vallen en het oogsten van onder meer mais ernstig belemmert. Het hooi, koren en stro moet bovendien noodgedwongen gebruikt worden als brandstof om te kunnen overleven. Na twee jaren van ontberingen vertrekt het gezin in 1881 naar een boerderij, een halve mijl noordwaarts gelegen in Sherman Township. Hier zullen ze blijven wonen tot zoon Steven in 1889 de boerderij overneemt.
Cornelis en Rijkje verhuizen terug naar West Branch Township, waar ze het geluk hebben samen met hun kinderen en kleinkinderen op 11 november 1906 hun 50-jarig huwelijksfeest te kunnen vieren. Uiteindelijk zal het stel gaan wonen in Welcome Township.

De laatste jaren van haar leven laat de gezondheid van Rijkje sterk te wensen over. Ze overlijdt in de nacht van dinsdag op woensdag 4 januari 1911, 78 jaar oud. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Central Reformed Church wordt zij op 9 januari 1911 op de begraafplaats Memory Gardens Sioux Center begraven.
Cornelis volgt haar op 88-jarige leeftijd in de nacht van 15 september 1918 om half een. Ondanks dat hij al enige tijd met zijn gezondheid sukkelt, blijft hij tot het einde toe een sterke oude man en helder van geest. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Second Reformed Church vindt hij op 18 september 1918 op dezelfde begraafplaats als Rijkje zijn laatste rustplaats.

 

Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel
Bron: van-steenbeek.eu


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: roekelg.home.xs4all.nl, alweereenvermeer.nl en findagrave.com
 
 

Ome Dirk

30 maart 2016 at 13:28

 
Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Dirk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ome Dirk, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren.
Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig tot veertig jaar lang weg te blijven. Hij had de boot naar Indië genomen en was blijkbaar op de Molukken terecht gekomen, want aldaar trouwde hij met een Molukse vrouw. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld.
Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde rond de jaren zeventig van de vorige eeuw terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van ome Dirk te vinden. Daarbij kwam het feit dat wij in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante noemden, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Tot ik enkele weken geleden besloot om ome Dirk nog eens een kans te geven. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders stonden pontificaal op een kopie van een Japanse interneringskaart van het kamp Tjimahi op Java uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat hij onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Het blijft dan ook een raadsel waarom er de naam Dirk en de geboortedatum 10 januari 1910 op de Japanse interneringskaart vermeld worden. Gezien de Nijmeegse uitspraak van Dirk vind ik de verwarring met Derk nog enigszins plausibel. Sterker nog, ik kan mij niet van de gedachte onttrekken dat het wellicht de bedoeling is geweest dat Derk als Dirk ingeschreven diende te worden. Maar dat is giswerk uiteraard.

Tevens wordt er op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok genoemd. Naar alle waarschijnlijkheid zal het hierbij gaan om zijn vrouw die, in dat geval, op dat moment in Depok op West-Java woonde. Een bidprentje van hoogstwaarschijnlijk zijn dochter doet dit vermoeden bevestigen. Zij is geboren in 1933 op Meester Cornelis, de vroegere naam van Jatinegara, een stadsdeel van Jakarta en overleden in 2002 in Tilburg. Het blijft natuurlijk wel een aanname, dus mocht u meer weten dan verneem ik dit graag!

(Tekst: © Uit de oude Koektrommel) Zie ook ome Dirk deel 2.

 

Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1900. Dirk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat.
Bron: members.chello.nl/h.eigenhuijsen

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte Derk Ubeda
Bron: zoekakten.nl

 

Document Dirk Ubeda

Via: openarch.nl
(Bron: Nationaal Archief, Interneringskaarten (Japan), Min. van Binnenl. Zaken: Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten 1942-1996)


 
 

Herkomst van de namen Glasmeier en Regter

21 maart 2016 at 15:30

 
Jacobus Petrus Maria Regter, geboren te Nieuwer-Amstel op 1 januari 1863, smid van beroep en 8 juli 1929 overleden op 66-jarige leeftijd te Hilversum, was getrouwd met Marie Anne Elize Engelina Glasmeier. Zij was de dochter van de uit Ibbenbüren (Duitsland) komende bakker Peter Andreas Glassmeier en Johanna Maria Elisabeth Huver en werd zelf op 19 december 1865 te Amsterdam geboren.
We treffen in deze stamboom diverse varianten van de familienaam aan; Glasmeier, Glassmeier, Glasemeier, Glasmeijer en Glassmeijer.

De naam ‘Glasmeier’ vindt zijn oorsprong in de beroepsnaam ‘Meier’. Deze naam komt van het Latijnse ‘maior’ wat rentmeester, vertegenwoordiger van de heer bij het bestuur van een domein of pachter betekent. (Tevens de oorsprong voor het Franse ‘maire’ en het Engelse ‘mayor’ voor ‘burgemeester’.)

De namen ‘Meier’ en ‘Schulte’ zijn nauw met elkaar verbonden. In het Latijn vinden we ‘maior villau’, een aanduiding voor een bezitter van een hofstede welke de tastbare betekenis heeft van ‘Grote Boer’, ook wel ‘villici’ genoemd en reflecteert naar de sociaal- economische gevolgen van middeleeuwse grootgrondbezitorganisaties.
In de late middeleeuwen waren zij onder andere verantwoordelijk voor de staat van de woningen, de betalingen aan de landheer en voor de handhaving van deze rechten tegenover de hofhorigen. Zij werden in Ostwestfalen ‘Meier’ genoemd en in de rest van Westfalen ‘Schulte’.
Ook toen door verdere ontwikkelingen de functie van ‘villici’ veranderde, bleven zij, tot er een einde aan dit grootgrondsystheem kwam, vooralsnog genoeg werk, gezag en prestige behalen.
Echter, door het ontstaan van een grote groep meiers in Westfalen ging men om verwarring te voorkomen voorzetsels voor de naam ‘meier’ gebruiken. Zo vinden sommige voorzetsels hun oorsprong in de hoeve waar de meier zaakwaarnemer was (bijvoorbeeld: Brenninckhof werd Brenninkmeier), sommige voorzetsels zijn terug te leiden tot een beroep (zoals: Postmeier en Glasmeier), andere hebben te maken met de omgeving en weer anderen met de lichamelijke kenmerken van de meier (bijvoorbeeld: Langemeier en Grotemeier).

Ook ‘Regter’ is een beroepsnaam, verwijzend naar rechter, schout of ambtman.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: meijer.hfoada.nl en heemkundelangenboom.nl

 

Ibbenbüren

Ibbenbüren in 1844 door August Dorfmüller
Bron: stadtmuseum-ibbenbueren.de


 
 

Dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd?

20 maart 2016 at 16:58

 

In de stambomen komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming, die nu verouderd is, was indertijd geenszins negatief van klank.
Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens of bij adel en rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en deftige dames spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: historien.nl en nl.wikipedia.org

 

Dienstbode

Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep. Amsterdam, 1912.
(Spaarnestad Photo) via geschiedenisbeleven.nl


 
 

Richard Knowles en Francijntie Perin

20 maart 2016 at 16:43

 

In het Ondertrouwboek 1623-1636 van de Kerkelijke Gemeente in Groningen is te lezen, dat op 21 augustus 1630 Derck Cnaules en Francijntie Perin hun huwelijk aankondigen. De andere proclamatie van dit huwelijk vindt plaats in Amsterdam op 25 augustus 1630, gevolgd door het kerkelijk huwelijk in de Engelse Presbyteriaanse kerk van Amsterdam op 7 oktober 1630.

 

Ritsart Knowles en Francijntien Perin

Huwelijksaankondiging Richard Knowles en Francijntie Perin, Groningen 21 augustus 1630.
Bron: allegroningers.nl


 
 
Het gaat hierbij om de uit Engeland afkomstige Richard Knowles. Als plaats van herkomst wordt in de akte van Groningen ‘Kintum’ aangegeven en in de akte van Amsterdam ‘Kyntun’. Waarschijnlijk wordt hiermee Kington (Herefordshire) of Kineton (Warwickshire) mee bedoeld. Beide streken komen namelijk ook voor in de geschiedenis van de familie Knowles of Knollys.
Francijntie wordt geboren in Vlissingen en woont voor haar huwelijk in Ter Buijten. Haar moeder, Cathalijn Jonas, wordt genoemd in de huwelijksaankondiging van 25 augustus 1630 van Amsterdam.

 

Huwelijksaankondiging Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijksaankondiging van Richard Knowles en Francijntie Perin, Amsterdam 25 augustus 1630
Bron: zoekakten.nl

 

Huwelijk Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijk van Richard Knowles en Francijntie Perin in de Engelse Presbyteriaanse Kerk te Amsterdam, 7 oktober 1630.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Ritsart is handschoenmaker van beroep en werkt in 1630 in die hoedanigheid in de Groningse Popkenstraat. Enkele jaren later wordt hij genoemd als zijnde winkelier in de Boteringestraat. Het echtpaar woont in ieder geval tussen 1641 en 1648 in de Boteringestraat in Groningen.
Toch lijken de zaken niet zo voorspoedig te verlopen als gehoopt. In het ONA van Rotterdam zijn namelijk twee akten te vinden met betrekking tot Richard:
2 augustus 1647. Notaris Adriaan Kieboom. Rogier Harley, Engels koopman, machtigt doctor Johannes Meijnts te Groningen om 106 pond te innen van Ritchard Knowles, wonende te Groningen.
17 augustus 1647. Notaris Jacobus Delphius. Joseph Denman, koopman, gemachtigd door William Schapes, koopman, op 1 juli 1651, voor notaris Johannes van Weel, machtigt Sijmon van Hoornbeeck, koopman te Groningen, om van Ritchert Knowles, winkelier aldaar, zijn tegoeden te vorderen.
Wat er hierna met het echtpaar is gebeurd is mij nog onbekend.
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Het beroep smid

20 maart 2016 at 16:26

 
In de stamboom van familie Regter staat bij Joannes Bernardus Regter, zoon van Hendrik Regter en Maria Christina Scholten, gedoopt op 23 oktober 1796 in Amsterdam en op 39-jarige leeftijd op 28 januari 1838 overleden in Nieuwer-Amstel, als beroep smid vermeld. Evenals bij zijn zoon Petrus Franciscus overigens.

Het beroep van smid bestaat sinds de mens omstreeks 3000 v.Chr. begon met het winnen en bewerken van metalen (Klein-Azië en Midden-Oosten). In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. In de Bijbel lezen we in het boek Genesis 4:22 over ene ‘Tubal-Kaïn, de vader van de smeden. Allen, die koper en ijzer bewerken’. Ook in de klassieke mythologie wordt een smid bij naam genoemd: Hephaistos (Gr.) oftewel Vulcanus (Rom.).

Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één (hoef)smid. Er moesten immers wapens worden gesmeed, gereedschappen worden gerepareerd, houten wielen voorzien van metalen banden enzovoorts.
Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen uit het dorp gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om in het halfduister de bewerkingen van het roodgloeiende ijzer te zien.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor.

Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: museumsmederijelburg.nl en verreverwanten.nl

 

Smederij

Smederij rond 1900
Bron: bgv-rhein-berg.de


 
 

Poorter

19 maart 2016 at 21:51

 
Oorsprong

Een ‘poorter’ was een volgerechtigde ingezetene van een stad, die het poorterrecht bezat. De etymologische oorsprong van ‘poorter’ ligt bij het Latijnse woord ‘portus’, wat ‘haven’ en ‘stad’ betekent.
In de Vroege Middeleeuwen ontstonden de eerste steden als kleine, en later ommuurde, handelsnederzettingen van kooplui nabij adellijke burchten. De bewoners van het gebied om de ‘burgus’, de burcht, werden ‘burgers’ genoemd. Later zouden poorter en burger synoniemen worden voor een bewoner van een middeleeuwse stad.

Een middeleeuwse stad werd omringd door een stadsmuur en een gracht en bood daarmee een zekere mate van veiligheid en bescherming aan haar burgers, ook wel de poorterij of burgerij. De stadspoorten werden ’s avonds gesloten door de poortbewaker. De sleutels van de stad werden bij de poortermeester, of later de burgemeester ingeleverd en de volgende dag weer opgehaald.

Elke stad had zijn eigen resoluties betreffende het poorterschap. Het onderstaande moet dan ook gelezen worden als ‘over de grote linie’.
 
 
Poorterschap

Vanaf de dertiende eeuw had een stad ingezeten, die toestemming hadden om in de stad te wonen, maar verder geen enkel recht hadden, en poorters. In sommige steden kende men, in plaats van poorters, burgers en grootburgers.
Het poorterschap of burgerrecht kon worden verkregen door zich te laten registreren bij de magistraat, het stadsbestuur, en het afleggen van een eed. Hier waren aanzienlijke kosten mee gemoeid. Op deze manier kon er bewezen worden niet armlastig te zijn en in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. Wie nog een schuldvordering open had staan, kon een poorterschap wel vergeten. In enkele steden kon men, uiteraard tegen betaling, ‘poorter eerste klas’ worden. Hiermee kon men regent worden van een stedelijke instelling, als een gasthuis of weeshuis, of poortermeester.

Niet iedereen had de mogelijkheid om het poorterschap te kopen. In veel steden golden religieuze restricties, waardoor bijvoorbeeld Joodse personen en Katholieken veelal waren uitgesloten voor het poorterschap en daardoor tevens geen lid konden worden van een gilde.

 

Inschrijving poorterschap

Hoefsmid Dirk Enklaer liet zich op 20 augustus 1692 in Amsterdam inschrijven als poorter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Naast het kopen van een poorterschap kon je ook ‘ingeboren poorter’ worden door wettige geboorte uit het huwelijk van een poorter of ‘behuwd poorter’ door het aangaan van een huwelijk met een kind van een poorter of poorterse of de weduwe van een poorter. Bij een behuwd poorterschap waren tevens de vastgestelde kosten verplicht. De kinderen uit dit huwelijk werden automatisch poorter. Een poorterschap kon ook worden geschonken bij het aantrekken van een persoon van elders voor een ambtelijke functie.

Men kon het poorterschap verliezen door langdurig verblijf buiten de stad of het verlaten van de stad, bij verbanning uit de stad op grond van een gerechtelijk vonnis wegens gepleegde strafbare feiten of door ‘ontpoort’ te worden door het stadsbestuur in verband met schulden, zodat deze niet verhaald zouden worden op andere poorters.

De privileges van het poorterschap eindigde met de afschaffing van het Ancien Régime in 1794-1795 als gevolg van de Franse overheersing.
 
 
Rechten en plichten

Als poorter kon men in aanmerking komen voor een bestuurlijke functie of lid worden van een gilde. Poorters waren dus veelal bestuurders of ambachtslieden. Ook kon een poorter zelfstandig een nering of zaak beginnen, hoefde geen tol te betalen, mocht rechtszaken aanspannen en konden opgenomen in het stadsouderhuis. In sommige steden werden poorters vrijgesteld van de geheven belasting op huizen, gronden en erven gekocht van gewone ingezetenen of vreemdelingen. Bij een onverhoopt overlijden werden de kinderen ondergebracht in een Burgerweeshuis, waar doorgaans de situatie beter was dan in andere weeshuizen van de armenzorg.

Het poorterschap bracht ook verplichtingen met zich mee. Poorters waren belastingplichtig. Met dit geld werd onder meer de stad en de stadsverdediging onderhouden. Zij waren verplicht voor hun stad de krijgsdienst te vervullen en dienden te helpen bij de bescherming van de stad.
 
 
Buitenpoorter

Een buitenpoorter, ook wel hagepoorter of landpoorter, was iemand die buiten de muren van een stad woonde, maar wel de poorterrechten van een stad had gekocht. Vaak betrof het hier een ambulante verkoper, zeevarende of plattelandsbewoner. Dit buitenpoorterschap kon niet worden verkregen door wettelijke geboorte. Ook de buitenpoorter was verplicht om de krijgsdienst voor hun stad te vervullen.

De plattelandsbewoner met poorterrechten viel onder de rechtsregels van de stad en profiteerde mee van de stedelijke privileges. Dat hield in dat de juridische zaken werden behandeld door de stedelijke rechtbank in plaats van de grafelijke baljuw. Bovendien gold de aan de stad verleende vrijstelling van tolheffing ook voor zijn goederen. Verder was de buitenpoorter vrijgesteld van de persoonlijke heervaartverplichting die gold op het platteland. Dit betekende dat de verplichtingen van het dorp voldaan moest worden door minder mensen.
Vanaf 1355 gold, mede om deze reden, voor een aantal steden, dat zij deze poorters verplicht stelden om binnen de stad te wonen. Een verblijf op het land werd in het voorjaar toegestaan voor een periode van zes weken, eveneens als een periode van zes weken tijdens de oogst. Voor andere steden gold weer dat een buitenpoorter elk jaar een bepaalde tijd in de stad moest verblijven.

 

De Nes

De Nes nabij de Sint Pieterspoortsteeg in 1774, Amsterdam. Tekening door H.P. Schouten, 1774.
Stadsarchief, inv. 010001000542. (Via Bert Bolle; bertbolle.com)


 
 
Zie voor poorters Amsterdam: Handleiding Poorters, Archief van de Burgemeesters: poorterboeken en stadsrekeningen, Handleiding Thesaurieren Ordinaris, Archief van de Thesaurieren Ordinaris en het zoekscherm Poorters 1531-1652.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia, Ensie en divers
 
 

Herkomst familienaam van den Oosterkamp en oorsprong Achterberg

19 maart 2016 at 21:36

 
De oorsprong van de familienaam van den Oosterkamp uit Rhenen komt waarschijnlijk van: van den Oostercamp en daarvoor van den Oestercamp.

Kerkelijk archief uit 1711:
‘En sij te noteren dat onder desen thiend mede behoort hetland genaamt den Gortendaal en Tabaxcamp van den borgemr. Frederik Klerkzalr. Gelegen naast den Haak van den Heer Commandeur van Gelder.’ Dit was waarschijnlijk de Oesterkamp.

Archief Sint Agnietenklooster te Rhenen; Charter 71, 12 oktober 1531 :

– Een stuk land gelegen achter de Berg
– Een kamp gelegen Achter den Bergh (oorsprong Achterberg)
 
 
Bronnen: oudrhenen.nl en hetutrechtsarchief.nl

 

Achterberg

Afbeelding: (Gemeente Rhenen rond 1870; kaart J. Kuijper, bewerkt) plaatsengids.nl