De Knowles en het Londen van voor en tijdens de grote brand

14 mei 2016 at 18:14

 
Richard Knowles, handschoenmaker van beroep, was afkomstig uit Engeland. Hij trouwde met de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin en samen woonden zij in de Boteringestraat te Groningen alwaar zij een winkel hadden.
De band met Engeland bleef bestaan. Zo werd er in de huwelijksinschrijving van zoon Hendrick vermeld: ‘van Londen in Engeland’ en zoon Jacobus was ‘ordinaris bode van Groningen op Londen’. Groot zal dan ook hun schrik geweest zijn toen het nieuws over de grote brand in Londen hun bereikte.

De grote brand van Londen begon kort na middernacht van zaterdag 1 september 1666 in een kleine bakkerij in Pudding Lane in het oosten van de stad in het huis van Thomas Farrinor, de bakker van koning Karel II. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Farrinor was vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Smeulende asresten zouden een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Farrinor werd rond één uur door de brand wakker en wist met zijn gezin te ontsnappen via een bovenraam. De meid van de bakker durfde echter niet over het dak, viel terug in de zolder en werd het eerste slachtoffer.

Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester, Sir Thomas Bludworth, wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Na het vuur met eigen ogen te hebben aanschouwd, verklaarde hij dat het om een kleinigheid ging (‘A woman might piss it out.’) en ging weer slapen.

De meeste gebouwen in Londen waren destijds uit brandbaar materiaal opgetrokken, zoals hout en stro. De overbevolkte stad had nog grotendeels een middeleeuws karakter. Daarbij was de zomer erg heet en droog geweest. De rondvliegende vonken werden aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor naastliggende panden vlam vatten en de brand zich zeer snel uitbreidde. Daarbij kwam dat de huizen zeer dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren waardoor het vuur eenvoudig kon overslaan.

Vier dagen later lag het overgrote deel van oud-Londen op de noordelijke oever van de Thames in as. Binnen de wallen van de oude stad bleef alleen de noord-oostelijke hoek gespaard. Daar werd de vuurzee bedwongen, juist voordat het de ‘Tower’ bereikte; tot opluchting van de goudsmeden, die er al hun edelmetaal in veiligheid hadden gebracht. De drukkers en de papier- en boekhandelaren waren minder gelukkig. Die hadden hun voorraden ondergebracht in de crypte van St. Paul’s kathedraal. Toen de papiermassa vlam vatte, leek het alsof de kathedraal explodeerde. Door de sterke wind uit zee breidde het vuur zich aan de westkant van de stad het verst uit, over de stadswallen, over de River Fleet, tot aan het begin van Fleet Street. In totaal raakten tachtigduizend mensen dakloos. In vierhonderd straten zijn meer dan dertienduizend huizen en zesentachtig kerken verwoest. Toen op woensdagavond de wind ging liggen en het vuur onder controle was, bestond het oude hart van Londen niet meer.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: nl.wikipedia.org en cubra.nl

 

 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Ome Dirk deel 2

13 mei 2016 at 11:20

 
Enige tijd geleden plaatste ik een post over ome Dirk, de jongeman die op een avond een pakje shag ging halen en vervolgens in Nederlands-Indië terechtkwam. Nou, ome Dirk houdt me wel bezig, hoor! Het slechte weer van laatst noopte me, hoe vervelend nou, tot het doorspitten van oude kranten uit Nederlands-Indië. Dat leverde enkele interessante resultaten op die het verhaal van ome Dirk weer een stukje completer maken.

Dirk vertrok inderdaad op achttienjarige leeftijd naar Nederlands-Indië, waar hij zich in eerste instantie vestigde in Bandoeng, de hoofdstad van de provicie West-Java op het eiland Java. Zo is te lezen in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ onder ‘Bevolking van Batavia Gevestigd’ dat hij verhuisd was van Bandoeng naar Senen 4 in Batavia, de huidige hoofdstad Jakarta van Indonesië aan de noordkust van Java.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 3 december 1928

 
Alhoewel het inmiddels bekend was dat hij inderdaad in het KNIL had gediend was de connectie met het leger snel gevonden. Volgens het programma voor de cabaretuitvoering van de militaire toneelvereniging ‘Het Masker’, voelden de heren Ubeda en van de Sluis zich geroepen (of gedwongen) de zang voor het onderdeel ‘Hans en Griet’ voor hun rekening te nemen.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 27 september 1929

 
Op 4 juni 1931 treedt D. Ubeda in het huwelijk met E. Bendy. De voorletter ‘E’ blijkt te staan voor ‘Elsiana’. Deze voorletter komst overigens overeen met die van Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok (op West-Java), genoemd op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ (zie vorige post over ome Dirk).

 

Huwelijk D. Ubeda en E. Bendy

Bron: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië van 6 juni 1931

 
Dirk en Elsiana worden op 27 augustus 1931 de ouders van een zoon. Het gezin woont op dat moment dus nog steeds in Batavia.

 

Geboorte zoon Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 2 september 1931

 
Dan besluiten Dirk en Elsiana het ruime sop te kiezen met bestemming Nederland, want op 23 mei 1934 vertrokken ze met het s.s. Johan de Witt van Batavia naar Amsterdam. De reis zou gaan via Genua, Villefranche en Southampton. De passagierslijst in het ‘Soerabaijasch Handelsblad’ van 23 mei 1934 vermeldt: D. Ubeda, Mevrouw Ubeda en kind.
Naar alle waarschijnlijkheid hadden ze op dat moment nog een kind. Het zou gaan om een dochter, die op 6 juni 1933 in Meester Cornelis (het huidige Jatinegara), wat een stadsdeel van Batavia was, zou zijn geboren. Zij was ten tijde van de reis dus nog geen jaar oud. Wellicht dat zij daarom niet vermeld werd in de passagierslijst of dat zij in Nederlands-Indië is achtergebleven. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de zoon is achtergebleven of dat mijn informatie betreffende de dochter niet correct is.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Soerabaijasch Handelsblad van 23 mei 1934

 
Op 14 november 1934 keerde het gezin weer terug naar Nederlands-Indië. Deze keer met het m.s. Indrapoera vanuit Rotterdam. De verwachting was aan te komen op 13 december 1934 te Tg. Priok. In ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ van 28 november 1934 staat op de passagierslijst: Fam. D. Ubeda 1 k.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 28 november 1934

 
In 1935 verhuisd het gezin, of in ieder geval ome Dirk, naar de Molenaarsweg 13 in Batavia. Uit gegevens van de eerder genoemde Japanse interneringskaart kunnen we er vanuit gaan dat Elsiana ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Achter de Kerk in Depok op West-Java woonde of verbleef.

Tot zover de berichtgevingen van ome Dirk in Nederlands-Indië. Wordt ongetwijfeld vervolgd!
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel

 

D. Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 1 februari 1935


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Opa en Opoe Jansen

10 mei 2016 at 15:35

 
Een foto van rond 1926 met daarop de eigenaar van een schildersbedrijf in Bennekom, Jan de Groot, en zijn personeel. Onder het personeel valt ook mijn overgrootvader Hendrik Jansen. Naar alle waarschijnlijkheid is het de man met snor zittend op de trap. Wat zijn beroep als schilder betreft treedt hij daarmee in de voetsporen van zijn vader Jan Jansen.

 

Hendrik Jansen

Jan de Groot met zijn personeel rond 1926
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom

 
Mijn overgrootvader wordt op 4 november 1887 geboren in Bennekom als zoon van Jan Jansen en Reintje Hendrika Magrieta Buis . Op de foto moet hij dus tegen de veertig jaar oud zijn.
Als Hendrik zeven jaar oud is overlijdt zijn vader en op vijftienjarige leeftijd verliest hij ook zijn moeder. Bij wie hij en zijn twee broertjes Gerrit en Jan en zusje Neeltje in huis komen of wie als voogd wordt aangesteld is helaas niet bekend.

 

Geboorte Hendrik Jansen, Ede 4 november 1887

Geboorteakte van Hendrik Jansen; Ede, 4 november 1887.
Bron: FamilySearch

 
Op 2 september 1911 trouwt hij in Gemeente Ede met de inmiddels zwangere Fokelina van Ludolphij, naaister van beroep. Zij is de jongste dochter van kleermaker Christiaan Ludolphij en Grietje Dijkhuis en wordt op 21 juni 1891 in Midwolda geboren. Vader Christiaan brengt de Ludolphi-tak dus van het Groningse Midwolda naar het Gelderse Arnhem. Dit moet ergens tussen 1898 en 1908 gebeurd zijn. Fokelina woont tot aan haar huwelijk in Arnhem.

 

Geboorte Fokelina van Ludolphij, Midwolda 21 juni 1891

Geboorteakte van Fokelina van Ludolphij; Midwolda, 21 juni 1891.
Bron: AlleGroningers

 

Huwelijksakte Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij

Huwelijksakte van Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij; Ede, 2 september 1911.
Bron: FamilySearch

 
Mijn pasgetrouwde overgrootouders gaan in Bennekom Dorp wonen. Daar worden mijn opa Jan en zijn broertje Christiaan (Chris) geboren. Vervolgens vertrekt het gezin op 25 januari 1916 voor een jaartje naar Wageningen om op 10 januari 1917 weer terug te keren naar hun oude adres in Bennekom. Hier zullen zij wonen tot 1921, het jaar dat zij verhuizen naar Brinkerweg 40, waar zoon Rijnder Hendrikus (Drikus) en dochter Margrietha Neeltje (voor mij bekend als ‘Tante Zus’) geboren worden. Tussen 15 oktober 1921 en 8 december 1922 komen de ouders van Fokelina op dit adres bij het gezin inwonen, om daarna weer terug te keren naar Arnhem. Na vier jaar vertrekken mijn overgrootouders in november naar De Laar 11a, in februari 1928 vervolgens naar De Laar 7c, in 1930 naar  Strooijweg 27 om op 11 maart 1937 uiteindelijk uit te komen op Prins Bernhardlaan 39.

 

Strooijweg Bennekom

De Strooijweg in Bennekom.
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom

 
Opa en Opoe Jansen heb ik nog mogen kennen. Als je er op bezoek kwam kreeg je als kind steevast een glaasje ranja. Eigenlijk mocht ik dat van mijn moeder niet aannemen, want opoe stofte volgens haar de glazen namelijk af met de stofdoek waar hun kat doorgaans op lag te slapen. Dat kwam doordat ze ‘vergeetachtig’ was, maar mijn moeder vond het toch maar een ‘vieze bedoening’. Zelf zag ik destijds het probleem niet zo.

Van opa kan ik mij niet veel meer herinneren, behalve dat hij heel oud was. Althans, dat vond ik als klein kind zijnde. Nou was toentertijd iedereen van boven de pakweg vijftig jaar in mijn ogen al hoogbejaard! Opa had wel een intrigerende ‘toeter’ vanwege zijn doofheid. Wilde je iets tegen hem zeggen dan moest je hem aantikken. Hij pakte dan zijn toeter en vervolgens werd je geacht daarin te praten. Echter, opa was zo doof dat je vaak de longen uit je lijf moest schreeuwen wilde hij je enigszins kunnen verstaan! Een leuk spelletje voor ons als klein- en achterkleinkinderen. We hadden heel wat te vertellen, hoor!

Opoe Jansen kwam tot haar overlijden altijd bij al haar klein- en achterkleinkinderen op verjaardagsvisite. Nog zie ik haar stilletjes zitten in de fauteuil met haar lange haren in een vlecht om haar hoofd vastgespeld en haar dikke panty veel te losjes om haar benen (waar je als kind al niet op let). Geduldig wachtte ze tot je het presentje bij haar kwam halen. Als een soort van audiëntie. Maar dat hoorde zo bij ‘oudere mevrouwen’.

Bijna een halve eeuw later (en hoogbejaard!) besef je pas hoe bijzonder en mooi dergelijke herinneringen aan je overgrootouders eigenlijk zijn…

 

Opa en Opoe Jansen

Opa en Opoe Jansen op respectievelijk 82-jarige en 78-jarige leeftijd
Bron: Facebookgroep Oud Bennekom


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Genealogie familie Enklaar

8 mei 2016 at 22:23

 

Stamreeks familie Enklaar

Stamreeks familie Enklaar
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Pieter Jansz Enckelaer
Pieter Jansz Enckelaer werd geboren rond 1575 en overleed voor april 1634 in Arnhem. Hij trouwde vóór 1606 met Aeltgen Dircxs. Zij overleed tevens in Arnhem vóór 18 april 1634. In 1615 was Pieter waard aan St. Thonis (bij de Arnhemse Enck, richting Velp). Pieter en Aeltgen kregen in ieder geval vier kinderen: Pieter, Derck, Annitgen en Martijntje.
 
Derck Encklaer
Derck Encklaer werd in Velp-Rozendaal geboren rond 1620. Dat is dan tevens de enige informatie die ik tot nu toe heb weten te ontdekken. Met wie hij getrouwd was is vooralsnog een raadsel. Het echtpaar had de voor mij bekende kinderen: Jasper en Peter.
 
Peter Dercksen Encklaer
Peter Dercksen Enclaer werd geboren rond 1645 in Velp-Rozendaal. Hij trouwde met Geertuijt Dercks. Samen kregen zij vier kinderen: Derck, Jan, Maria en Derck (de Jonge).
 
Jan Petersz Enclaer
Jan Petersz Enclaer werd op 20 maart 1670 in Velp Nederduits Gereformeerd gedoopt. Hij overleed na 1727 en trouwde vóór 1695 met Geurtie Gerrits. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Peter, Gerrit en Geertruijt.
Tussen 1701 en 1704 is hij als weduwnaar getrouwd met Gijsbertje Lubberts. Samen met Gijsbertje kreeg Jan nog acht kinderen: Derck, Lubbert, Geurt, Cornelis, Cornelia, Hendrik, Jan Gerritsen en Willemijn.
 
Lubbert Enklaar
Lubbert Enklaar werd in Velp gedoopt op 28 februari 1706 en werd op 66-jarige leeftijd begraven in Arnhem op 14 augustus 1772.
Op 3 november 1733 werd in Arnhem het huwelijk voltrokken tussen Lubbert en Willemijn Evertse Neijenhuis. Willemijn was de dochter van Berent Everts en Geertje Wamsteker. Zij werd op 1 juli 1708 in Arnhem Nederduits Gereformeerd gedoopt. Op 83-jarige leeftijd overleed zij in november 1791, waarna haar begrafenis volgde op 19 november 1791 te Arnhem.
Het echtpaar kreeg negen kinderen: Barent, Gijsbertje, Jan, Geurt, Geertruid, Marijke, Derck, Pouwel en Willem.
 
Willem Enklaar
Willem Enklaar werd gedoopt op 9 augustus 1753 in Arnhem. Hij overleed tevens in Arnhem op 29 september 1818 op 65-jarige leeftijd. Willem was landbouwer van beroep toen hij in Arnhem op 12 oktober 1783 trouwde met Johanna van Driessen. Johanna was de dochter van Gijsbert van Driessen en Elisabeth Teunissen. Zij werd Rooms-Katholiek gedoopt in Arnhem op 3 juni 1756. Op 40-jarige leeftijd overleed zij in maart 1797. Haar begrafenis was op 17 maart 1797 te Arnhem.
Willem en Johanna kregen zeven kinderen: Willem, Jan, Jenneken, Jan, Barent, Arend en Johanna.
Op 20 maart 1798 trouwde Willem in Arnhem als weduwnaar met Petronella Polman. Zij was arbeidster en landbouwster van beroep. Petronella werd Rooms Katholiek gedoopt in Huissen op 17 oktober 1773 en overleed op 70-jarige leeftijd te Arnhem op 30 januari 1841. Samen met Willem kreeg zij zeven kinderen: Geurt, Johanna Maria, Geurt, Geertruij, Geertruida, Derk en Petronella.
 
Arend Enklaar
Arend Enklaar had achtereenvolgens de beroepen van boerenknecht, landbouwer, timmerman en dagloner. Hij werd Nederduits Gereformeerd gedoopt op 5 augustus 1795 te Arnhem en overleed aldaar op 14 december 1862 op 67-jarige leeftijd.
Op 20 november 1822 trouwde hij in Arnhem met Gerritje Gerritsen. Zij was de dochter van Egbert Gerrits en Aartjen Willems en had als beroep dienstmeid. Gerritje werd geboren in Beekbergen op 20 februari 1794 en in dezelfde plaats gedoopt op 2 maart 1794. Op 78-jarige leeftijd overleed zij in Arnhem op 4 oktober 1872.
Het echtpaar kreeg zes kinderen: Willem, Berendina, Evert, NN (levenloos geboren meisje), Johanna en Albert.
 
Albert Enklaar
Albert Enklaar werd in Arnhem geboren op 25 november 1837 en overleed in Arnhem op 12 november 1918 op 80-jarige leeftijd. Van beroep was hij kleermaker en later behanger. Op 15 april 1863 trouwde hij in Arnhem met Antonia van Doorn, dochter van Cornelis van Doorn en Elisabeth Zikking. Antonia werd geboren op 24 juli 1841 in Driebergen en overleed in Arnhem op 14 april 1921 op 79-jarige leeftijd.
Albert en Antonia kregen tien kinderen, waarvan er drie levenloos geboren werden, vier al op zeer jonge leeftijd gestorven zijn en drie kinderen de volwassen leeftijd bereikten: Elisabeth Christina, Gerrit en Cornelis Albertus.
 
Cornelis Albertus Enklaar
Cornelis Albertus Enklaar werd geboren in Arnhem op 19 januari 1879. Over diverse akten verspreid had hij een aantal beroepen vermeld staan, namelijk: arbeider, pakhuisknecht, magazijnknecht, hulpambachtsman, stoker en metselaar.
Cornelis Albertus trouwde met Johanna van den Oosterkamp op 21 november 1900 te Arnhem. Johanna werd op 9 maart 1880 in Rhenen geboren als dochter van Gijsbert van den Oosterkamp en Maria ter Haar. Zij kreeg een negental kinderen: Albertus Cornelis, Hendrikus Gijsbertus, Johan Antoon, Anton, Willem, Antoon, Steven, Cornelis en Steven.
 
Albertus Cornelis Enklaar
Cees, zoals zijn roepnaam was, werd geboren op 20 september 1899 in Rhenen en werd bij het huwelijk van zijn ouders erkend. Hij was smid van beroep, maar ging zich later toespitsen op het zelf ijs maken en verkopen in zijn woonplaats Nijmegen. Na een slopende ziekte overleed hij op 62-jarige leeftijd op 17 september 1962 in Nijmegen. Hij werd begraven in Nijmegen op het R.K. Kerkhof Jonkerbos op 20 september 1962.
Cees trouwde in Nijmegen op 22 december 1922 met Wilhelmina Ubeda, dochter van Johannes Hendrikus Ubeda en Johanna Hermsen. Mien werd in Nijmegen geboren op 21 juli 1904 en was fabrieksarbeidster. Samen kregen zij vijf kinderen.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Het verhaal van Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

5 april 2016 at 14:05

 
Cornelis Hulstein, zoon van landbouwer Cornelis Hulstein en Geertrui Kobussen, wordt op 31 maart 1830 geboren in Bennekom. Hij trouwt op 11 oktober 1856 met Rijkje van Roekel. Zij wordt op 4 januari 1833 in Bennekom geboren als de dochter van landbouwer Willem van Roekel en Hanna van Essen.

 

Huwelijk Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

Huwelijkakte van Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel.
Bron: archieval.nl

 
Cornelis en Rijkje betrekken hun eerste woning op de Bennekomse Heide, waar ze zestien jaar lang pachters zijn op een boerderij van Dhr. Vreede. Cornelis is landbouwer en heeft daarnaast jagen als bezigheid. Aangezien het niet is toegestaan om op andermans land te jagen, mag hij graag vanuit zijn raam op de in grote getale aanwezige hazen en konijnen schieten. Aan Rijkje is het vervolgens de taak op de buit te gaan zoeken. Soms gaat het weleens verkeerd. Zo is op een dag de kat van de familie het haasje. De dag erna staat de veldwachter op de stoep met de mededeling dat Cornelis ‘toch wel een mooie haas heeft geschoten!’

Rijkje besteedt haar tijd aan de huishouding en de opvoeding van de kinderen. Ook gaat ze vaak op bezoek bij twee rijke oude dames, die haar soms wel wat toeschuiven. Zij krijgt van hun bijvoorbeeld een prachtige mantel, die uiteraard alleen wordt gedragen bij bijzondere gelegenheden. Er wordt immers zuinig omgesprongen met dure kleding. Vlak voor haar vertrek naar Amerika ontvangt Rijkje van de twee dames ook nog een psalmenboek. Deze zal ongetwijfeld veel gebruikt zijn in de Nederlandse kerk die zij bezocht in de nieuwe woonplaats Pella en later North Sioux Center.

In 1871 besluiten Cornelis en Rijkje, net als zoveel tijdsgenoten, met hun vier kinderen Willem Cornelis, Gerrit, Steven en Hanna naar Amerika te vertrekken op zoek naar een beter bestaan. Ze worden op 1 april van dat jaar uitgeschreven met bestemming ‘VSA’ in de registers van Gemeente Ede.
In de negentiende eeuw vinden er namelijk twee belangrijke gebeurtenissen plaats, die een grote emigratiegolf naar Amerika op gang brengen. In de jaren dertig is er een scheuring binnen de Nederduits Gereformeerde Kerk. Daarnaast is er sprake van een economische crisis en meerdere mislukte (aardappel)oogsten. Nederlandse Afgescheidenen stichten onder leiding van de predikanten A.C. van Raalte en H.P. Scholte in Amerika kolonies in Holland, Michigan en in Pella, Marion County in het zuiden van Iowa. Ds. Scholte zoekt, nadat de meeste grond in Pella is vergeven, plaats voor een nieuwe nederzetting. Dit wordt uiteindelijk West Branch Township in Sioux County, Iowa.
Het echtpaar Cornelis en Rijkje komt met hun gezin terecht in Pella, Iowa. Eerst betrekken ze een woning in de stad, maar ze besluiten enige tijd later om toch naar een boerderij in de omgeving van Pella te verhuizen. Daar wordt op 12 november 1878 dochter Cornelia geboren.

 

Birds eye view of Pella, Marion County, Iowa, 1869

Pella, Marion County, Iowa, 1869.
Bron: Library of Congress

 
Alhoewel de familie het in Pella naar hun zin heeft wordt er wederom besloten om hun heil elders te zoeken. De keus valt op Sioux County in de nabijheid van North Sioux Center, waar de grond toch vruchtbaarder schijnt te zijn voor de gewassen.
In mei 1878 vertrekt eerst Cornelis, samen met Jan Thomassen, met de wagen naar de nieuwe woonplaats. Die reis verloopt niet helemaal vlekkeloos. De paarden slaan op hol en de teugels, die om de handen van Cornelis gewonden zitten, zorgen ervoor dat Cornelis letsel aan de spieren van zijn hand en arm oploopt en, naar zeggen, een vinger verliest.
In juni 1878 volgt de inmiddels 19-jarige zoon Willem Cornelis zijn vader naar Sioux County om te kijken of hij zijn gewonde vader kan helpen. Na een lange reis met zeer smalle en slecht begaanbare wegen bereikt hij veilig zijn eindbestemming. Er breekt een periode van hard werken aan om van het huis op de prairie een thuis te maken.
In februari 1879 vertrekt uiteindelijk het hele gezin, waaraan Cornelis en Willem Cornelis zich hebben toegevoegd, uit Pella, om zich definitief in Sioux Center te vestigen. Cornelis, Rijkje en hun twee dochters vertrekken per trein, terwijl Willem Cornelis, Gerrit en Steven met de wagen gaan. Het wordt een avontuurlijke reis vol moeilijkheden. Meest van tijd wordt er in de wagen overnacht en de enige keer dat ze besluiten een hotel op te zoeken, vliegt deze in brand. Gelukkig voor de jongens loopt dit met een sisser af en kunnen ze hun reis voortzetten.

 

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa

Census 9 juni 1880; West Branch Township, Sioux Center, Sioux County, Iowa. Het hele gezin is dan nog compleet.
Bron: FamilySearch

 
Het gezin woont gedurende twee jaar in West Branch Township, waar ze een boerderij hebben. In dezelfde periode wordt er daar ook een smederij en een winkel geopend en een kerk gebouwd.
In 1879, het eerste jaar van hun nieuwe avontuur, is de oogst zeer slecht. Sprinkhanen vernielen de oogst en ook een fikse hagelbui doet geen goed aan het graan. Een goede reden voor veel mensen om verder te trekken naar andere delen van Amerika. In 1880 breekt er een difterie-epidemie uit en de ziekte sluipt vele huizen binnen. Ook bij het gezin Hulstein; zij verliezen hierdoor op 13 september hun dochter Hanna op dertienjarige leeftijd.
De extreem koude en stormachtige winter van 1880-1881 volgt met heel veel sneeuw, die al vroeg in de herfst begint te vallen en het oogsten van onder meer mais ernstig belemmert. Het hooi, koren en stro moet bovendien noodgedwongen gebruikt worden als brandstof om te kunnen overleven. Na twee jaren van ontberingen vertrekt het gezin in 1881 naar een boerderij, een halve mijl noordwaarts gelegen in Sherman Township. Hier zullen ze blijven wonen tot zoon Steven in 1889 de boerderij overneemt.
Cornelis en Rijkje verhuizen terug naar West Branch Township, waar ze het geluk hebben samen met hun kinderen en kleinkinderen op 11 november 1906 hun 50-jarig huwelijksfeest te kunnen vieren. Uiteindelijk zal het stel gaan wonen in Welcome Township.

De laatste jaren van haar leven laat de gezondheid van Rijkje sterk te wensen over. Ze overlijdt in de nacht van dinsdag op woensdag 4 januari 1911, 78 jaar oud. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Central Reformed Church wordt zij op 9 januari 1911 op de begraafplaats Memory Gardens Sioux Center begraven.
Cornelis volgt haar op 88-jarige leeftijd in de nacht van 15 september 1918 om half een. Ondanks dat hij al enige tijd met zijn gezondheid sukkelt, blijft hij tot het einde toe een sterke oude man en helder van geest. Na afscheid aan huis en een afscheidsdienst in de Second Reformed Church vindt hij op 18 september 1918 op dezelfde begraafplaats als Rijkje zijn laatste rustplaats.

 

Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel

Cornelis Hulstein en Rijkje van Roekel
Bron: van-steenbeek.eu


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: roekelg.home.xs4all.nl, alweereenvermeer.nl en findagrave.com
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Ome Dirk

30 maart 2016 at 13:28

 
Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Dirk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ome Dirk, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren.
Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig tot veertig jaar lang weg te blijven. Hij had de boot naar Indië genomen en was blijkbaar op de Molukken terecht gekomen, want aldaar trouwde hij met een Molukse vrouw. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld.
Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde rond de jaren zeventig van de vorige eeuw terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van ome Dirk te vinden. Daarbij kwam het feit dat wij in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante noemden, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Tot ik enkele weken geleden besloot om ome Dirk nog eens een kans te geven. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders stonden pontificaal op een kopie van een Japanse interneringskaart van het kamp Tjimahi op Java uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat hij onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Het blijft dan ook een raadsel waarom er de naam Dirk en de geboortedatum 10 januari 1910 op de Japanse interneringskaart vermeld worden. Gezien de Nijmeegse uitspraak van Dirk vind ik de verwarring met Derk nog enigszins plausibel. Sterker nog, ik kan mij niet van de gedachte onttrekken dat het wellicht de bedoeling is geweest dat Derk als Dirk ingeschreven diende te worden. Maar dat is giswerk uiteraard.

Tevens wordt er op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok genoemd. Naar alle waarschijnlijkheid zal het hierbij gaan om zijn vrouw die, in dat geval, op dat moment in Depok op West-Java woonde. Een bidprentje van hoogstwaarschijnlijk zijn dochter doet dit vermoeden bevestigen. Zij is geboren in 1933 op Meester Cornelis, de vroegere naam van Jatinegara, een stadsdeel van Jakarta en overleden in 2002 in Tilburg. Het blijft natuurlijk wel een aanname, dus mocht u meer weten dan verneem ik dit graag!

(Tekst: © Uit de oude Koektrommel) Zie ook ome Dirk deel 2.

 

Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1900. Dirk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat.
Bron: members.chello.nl/h.eigenhuijsen

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte Derk Ubeda
Bron: FamilySearch

 

Document Dirk Ubeda

Via: openarch.nl
(Bron: Nationaal Archief, Interneringskaarten (Japan), Min. van Binnenl. Zaken: Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten 1942-1996)


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Herkomst van de namen Glasmeier en Regter

21 maart 2016 at 15:30

 
Jacobus Petrus Maria Regter, geboren te Nieuwer-Amstel op 1 januari 1863, smid van beroep en 8 juli 1929 overleden op 66-jarige leeftijd te Hilversum, was getrouwd met Marie Anne Elize Engelina Glasmeier. Zij was de dochter van de uit Ibbenbüren (Duitsland) komende bakker Peter Andreas Glassmeier en Johanna Maria Elisabeth Huver en werd zelf op 19 december 1865 te Amsterdam geboren.
We treffen in deze stamboom diverse varianten van de familienaam aan; Glasmeier, Glassmeier, Glasemeier, Glasmeijer en Glassmeijer.

De naam ‘Glasmeier’ vindt zijn oorsprong in de beroepsnaam ‘Meier’. Deze naam komt van het Latijnse ‘maior’ wat rentmeester, vertegenwoordiger van de heer bij het bestuur van een domein of pachter betekent. (Tevens de oorsprong voor het Franse ‘maire’ en het Engelse ‘mayor’ voor ‘burgemeester’.)

De namen ‘Meier’ en ‘Schulte’ zijn nauw met elkaar verbonden. In het Latijn vinden we ‘maior villau’, een aanduiding voor een bezitter van een hofstede welke de tastbare betekenis heeft van ‘Grote Boer’, ook wel ‘villici’ genoemd en reflecteert naar de sociaal- economische gevolgen van middeleeuwse grootgrondbezitorganisaties.
In de late middeleeuwen waren zij onder andere verantwoordelijk voor de staat van de woningen, de betalingen aan de landheer en voor de handhaving van deze rechten tegenover de hofhorigen. Zij werden in Ostwestfalen ‘Meier’ genoemd en in de rest van Westfalen ‘Schulte’.
Ook toen door verdere ontwikkelingen de functie van ‘villici’ veranderde, bleven zij, tot er een einde aan dit grootgrondsystheem kwam, vooralsnog genoeg werk, gezag en prestige behalen.
Echter, door het ontstaan van een grote groep meiers in Westfalen ging men om verwarring te voorkomen voorzetsels voor de naam ‘meier’ gebruiken. Zo vinden sommige voorzetsels hun oorsprong in de hoeve waar de meier zaakwaarnemer was (bijvoorbeeld: Brenninckhof werd Brenninkmeier), sommige voorzetsels zijn terug te leiden tot een beroep (zoals: Postmeier en Glasmeier), andere hebben te maken met de omgeving en weer anderen met de lichamelijke kenmerken van de meier (bijvoorbeeld: Langemeier en Grotemeier).

Ook ‘Regter’ is een beroepsnaam, verwijzend naar rechter, schout of ambtman.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: meijer.hfoada.nl en heemkundelangenboom.nl

 

Ibbenbüren

Ibbenbüren in 1844 door August Dorfmüller
Bron: stadtmuseum-ibbenbueren.de


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd?

20 maart 2016 at 16:58

 

Bij stamboomonderzoek komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming was indertijd geenszins negatief van klank. Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens, bij adel of bij rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en ‘de dames’ spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: historien.nl en nl.wikipedia.org

 

Dienstbode

Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep. Amsterdam, 1912.
(Spaarnestad Photo) via geschiedenisbeleven.nl


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Richard Knowles en Francijntie Perin

20 maart 2016 at 16:43

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles is een nazaat van de roemruchte familie Knollys, uitgesproken als ‘Knowles’. Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zoveel er over de familie bekend is, zo relatief weinig is er over Richard en zijn gezin te vinden.

Richard is handschoenmaker van beroep en werkt in 1630 in die hoedanigheid in de Groningse Popkenstraat. Het huwelijk van Richard en zijn aanstaande bruid Francijntie Perin wordt op 21 augustus 1630 in Groningen en op 25 augustus 1630 in Amsterdam ingeschreven. De kerkelijke inzegening volgt in de Engelse Presbyteriaanse kerk van Amsterdam op 7 oktober 1630.
Als plaats van herkomst wordt voor Richard in het register van Groningen ‘Kintum’ aangegeven en in het register van Amsterdam iets in de trant van ‘Kyntun’. Mogelijk wordt hier Kington (Herefordshire) of Kineton (Warwickshire) mee bedoeld. Beide streken komen namelijk ook voor in de geschiedenis van de familie Knowles of Knollys. Gebaseerd op de gegevens in de Amsterdamse inschrijving moet zijn geboortejaar rond 1601 liggen.
Francijntie wordt rond 1610 geboren in Vlissingen en bij de inschrijving in Amsterdam geassisteerd door haar moeder Cathalijn Jonas. Zij had in ieder geval nog een twee jaar jongere broer Dirck, geboren in Vlissingen en van beroep handschoenmaker in Amsterdam. Dirck trouwt in 1632 met de uit Londen afkomstige Marritie Stoffels Jonas, dochter van Christoffel Jonas. In hoeverre Cathalijn en Christoffel aan elkaar verwant zijn is (nog) niet duidelijk. Opvallend is wel dat Richard en Francijntie een zoon Christophorus hebben genoemd.

 

Ritsart Knowles en Francijntien Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Groningen 21 augustus 1630.
Bron: AlleGroningers


 
Huwelijksaankondiging Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Amsterdam 25 augustus 1630
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijk van Richard Knowles en Francijntie Perin in de Engelse Presbyteriaanse Kerk te Amsterdam op 7 oktober 1630.
Bron: FamilySearch

 
Richard en Francijntie krijgen, voor zover bekend, vier zonen en twee dochters: Hendrick, Jacobus, Christophorus, Samuel, Nathanaël, Cateleijntie en Hanna. Van de oudste drie kinderen heb ik geen doopregistratie kunnen achterhalen. Bovendien zit er een hiaat tussen de eerste drie kinderen en het vierde kind. Het is niet onmogelijk dat zij in Engeland zijn geboren. Voor de oudste zoon Hendrick lijkt dat haast zeker. Hij trouwt in 1649 met Trijne Joesten. De huwelijksinschrijving van 17 maart 1649 vermeldt ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’.
Zoon Jacobus is in 1651 ordinaris bode van Groningen op Londen. Op 18 maart 1662 gaat hij in Groningen in ondertrouw met Jannichjen Tobias van Tennez. Van zowel Hendrick als Jacobus heb ik na hun huwelijk niets meer kunnen vinden.

 

Huwelijksinschrijving Hendrick Knowles

Huwelijksinschrijving van ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’ en Trijne Joesten; Groningen, 17 maart 1649.
Bron: AlleGroningers

 
De beide broers Christophorus en Nathanaël kiezen voor het beroep van predikant. Christophorus trouwt in 1663 in Groningen met Sara Louwens, aangetrouwde nicht van de bekende kunstschilder Nicolaes Eliasz Pickenoy. Het huwelijk wordt op 6 juni 1663 ingeschreven. Hij wordt als predikant beroepen in Uitwierde en later in Farmsum, alwaar hij op 23 mei 1690 wordt begraven.
Nathanaël wordt op 26 april 1643 in de Groninger Martinikerk gedoopt. Het gezin woont dan in de Boteringestraat. Van Nathanaël is bekend dat hij vanaf 1661 filosofie heeft gestudeerd aan de Universiteit van Groningen. Hij trouwt op 30 april 1673 in de Groninger Martinikerk met Maria Sibelius, dochter van Adolphus Sibelius, in leven predikant te Warfhuizen en Warffum. In 1683 vertaalt hij uit het Engels: Richard Baxter; De rechte maniere van doen, om aan een geruste conscientie te geraken, In 32 bestieringen, dat hij opdraagt aan Conraedt Ellents, onvanger-generaal van Drenthe en de heerlijkheid Coevorden en diens vrouw Anna Geertruidt Sichman en in 1685 Richard Baxter; Het goddelyke leven in drie verhandelingen. Vanaf november 1672 tot aan zijn overlijden op 15 september 1700 zal Nathanaël als predikant werkzaam zijn in Anloo. (Zie ook: Predikant Nathanaël Knowles)

 

Overlijden Richardus Knowles

Als predikant moest Nathanael zelf het overlijden van zijn enig kind inschrijven…
Bron: AlleDrenten


 
Overlijden Maria Sibelius

… en van zijn vrouw.
Bron: AlleDrenten

 
Zoon Samuel en dochter Cateleijntie vestigen zich in Amsterdam. Samuel, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, koopt op 10 mei 1664 het Amsterdamse poorterschap en wordt wijnkoper en wijnverlater. Hij gaat op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand en zal tot zijn overlijden in Amsterdam blijven wonen. Samuel wordt begraven in de Zuiderkerk op 6 november 1666.
Cateleijntie wordt op 13 februari 1646 in de Groninger A-Kerk gedoopt. Het gezin woont dan nog steeds in de Boteringestraat. Op 20 januari 1666 wordt in Groningen haar huwelijk met de uit Antwerpen afkomstige Pieter Ariacus ingeschreven. De inschrijving vermeld ‘Catelina Knauwels waer voor Ritser Knauwels als vader’. Na hun huwelijk vertrekt het stel naar Amsterdam. Hun eerste kind wordt vernoemd naar de dan al overleden broer Samuel.
Dochter Hanna heb ik na haar dopen op 26 november 1648 in de Groninger A-Kerk nergens meer kunnen traceren.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Inschrijving van Samuel Knowles in het poorterboek; Amsterdam, 10 mei 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Huwelijksinschrijving Cateleijntie Knowles

Huwelijksinschrijving van Pieter Ariacus en Cateleijntie Knowles, waarin haar vader nog wordt genoemd. Groningen, 20 januari 1666.
Bron: AlleGroningers

 
Richard en Francijntie wonen met zekerheid tussen 1641 en 1648 in de Boteringestraat in Groningen, alwaar hij winkelier is. De zaken lijken niet zo voorspoedig te verlopen als gehoopt. In het ONA van Rotterdam zijn namelijk twee samenvattende transcripties van akten te vinden met betrekking tot Richard:

2 augustus 1647. Notaris Adriaan Kieboom. Rogier Harley, Engels koopman, machtigt doctor Johannes Meijnts te Groningen om 106 pond te innen van Ritchard Knowles, wonende te Groningen.

17 augustus 1647. Notaris Jacobus Delphius. Joseph Denman, koopman, gemachtigd door William Schapes, koopman, op 1 juli 1651, voor notaris Johannes van Weel, machtigt Sijmon van Hoornbeeck, koopman te Groningen, om van Ritchert Knowles, winkelier aldaar, zijn tegoeden te vorderen.

Toch zal dit weinig impact op de financiële situatie van Richard en Francijntie hebben gehad, aangezien van een aantal zonen bekend is dat zij aan de Universiteit hebben gestudeerd. Hoe het leven er hierna voor Richard en Francijntie heeft uitgezien is mij onbekend. Richard wordt dus nog vermeld in de huwelijksinschrijving van dochter Cateleijntie, wat maakt dat hij overleden moet zijn na 20 januari 1666. Wellicht dat Richard voor 4 april 1674 is overleden. Dan wordt de zoon Richardus van Nathanael en Maria geboren. Mogelijk is deze zoon naar Richard vernoemd.
Francijntie is nog getuige geweest bij de doop van Jannetie, de dochter van Pieter Adriaensz en Catalena Knouwels. Dat maakt dat zij overleden moet zijn na 3 augustus 1668.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Het beroep smid

20 maart 2016 at 16:26

 
In de stamboom van familie Regter staat bij Joannes Bernardus Regter, zoon van Hendrik Regter en Maria Christina Scholten, gedoopt op 23 oktober 1796 in Amsterdam en op 39-jarige leeftijd op 28 januari 1838 overleden in Nieuwer-Amstel, als beroep smid vermeld. Evenals bij zijn zoon Petrus Franciscus overigens.

Het beroep van smid bestaat sinds de mens omstreeks 3000 v.Chr. begon met het winnen en bewerken van metalen (Klein-Azië en Midden-Oosten). In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. In de Bijbel lezen we in het boek Genesis 4:22 over ene ‘Tubal-Kaïn, de vader van de smeden. Allen, die koper en ijzer bewerken’. Ook in de klassieke mythologie wordt een smid bij naam genoemd: Hephaistos (Gr.) oftewel Vulcanus (Rom.).

Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één (hoef)smid. Er moesten immers wapens worden gesmeed, gereedschappen worden gerepareerd, houten wielen voorzien van metalen banden enzovoorts.
Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen uit het dorp gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om in het halfduister de bewerkingen van het roodgloeiende ijzer te zien.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor.

Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: museumsmederijelburg.nl en verreverwanten.nl

 

Smederij

Smederij rond 1900
Bron: bgv-rhein-berg.de


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr