Ome Dirk

30 maart 2016 at 13:28

 
Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Dirk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ome Dirk, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren.
Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig tot veertig jaar lang weg te blijven. Hij had de boot naar Indië genomen en was blijkbaar op de Molukken terecht gekomen, want aldaar trouwde hij met een Molukse vrouw. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld.
Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde rond de jaren zeventig van de vorige eeuw terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van ome Dirk te vinden. Daarbij kwam het feit dat wij in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante noemden, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Tot ik enkele weken geleden besloot om ome Dirk nog eens een kans te geven. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders stonden pontificaal op een kopie van een Japanse interneringskaart van het kamp Tjimahi op Java uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat hij onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Het blijft dan ook een raadsel waarom er de naam Dirk en de geboortedatum 10 januari 1910 op de Japanse interneringskaart vermeld worden. Gezien de Nijmeegse uitspraak van Dirk vind ik de verwarring met Derk nog enigszins plausibel. Sterker nog, ik kan mij niet van de gedachte onttrekken dat het wellicht de bedoeling is geweest dat Derk als Dirk ingeschreven diende te worden. Maar dat is giswerk uiteraard.

Tevens wordt er op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok genoemd. Naar alle waarschijnlijkheid zal het hierbij gaan om zijn vrouw die, in dat geval, op dat moment in Depok op West-Java woonde. Een bidprentje van hoogstwaarschijnlijk zijn dochter doet dit vermoeden bevestigen. Zij is geboren in 1933 op Meester Cornelis, de vroegere naam van Jatinegara, een stadsdeel van Jakarta en overleden in 2002 in Tilburg. Het blijft natuurlijk wel een aanname, dus mocht u meer weten dan verneem ik dit graag!

(Tekst: © Uit de oude Koektrommel) Zie ook ome Dirk deel 2.

 

Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1900. Dirk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat.
Bron: members.chello.nl/h.eigenhuijsen

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte Derk Ubeda
Bron: FamilySearch

 

Document Dirk Ubeda

Via: openarch.nl
(Bron: Nationaal Archief, Interneringskaarten (Japan), Min. van Binnenl. Zaken: Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten 1942-1996)


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Herkomst van de namen Glasmeier en Regter

21 maart 2016 at 15:30

 
Jacobus Petrus Maria Regter, geboren te Nieuwer-Amstel op 1 januari 1863, smid van beroep en 8 juli 1929 overleden op 66-jarige leeftijd te Hilversum, was getrouwd met Marie Anne Elize Engelina Glasmeier. Zij was de dochter van de uit Ibbenbüren (Duitsland) komende bakker Peter Andreas Glassmeier en Johanna Maria Elisabeth Huver en werd zelf op 19 december 1865 te Amsterdam geboren.
We treffen in deze stamboom diverse varianten van de familienaam aan; Glasmeier, Glassmeier, Glasemeier, Glasmeijer en Glassmeijer.

De naam ‘Glasmeier’ vindt zijn oorsprong in de beroepsnaam ‘Meier’. Deze naam komt van het Latijnse ‘maior’ wat rentmeester, vertegenwoordiger van de heer bij het bestuur van een domein of pachter betekent. (Tevens de oorsprong voor het Franse ‘maire’ en het Engelse ‘mayor’ voor ‘burgemeester’.)

De namen ‘Meier’ en ‘Schulte’ zijn nauw met elkaar verbonden. In het Latijn vinden we ‘maior villau’, een aanduiding voor een bezitter van een hofstede welke de tastbare betekenis heeft van ‘Grote Boer’, ook wel ‘villici’ genoemd en reflecteert naar de sociaal- economische gevolgen van middeleeuwse grootgrondbezitorganisaties.
In de late middeleeuwen waren zij onder andere verantwoordelijk voor de staat van de woningen, de betalingen aan de landheer en voor de handhaving van deze rechten tegenover de hofhorigen. Zij werden in Ostwestfalen ‘Meier’ genoemd en in de rest van Westfalen ‘Schulte’.
Ook toen door verdere ontwikkelingen de functie van ‘villici’ veranderde, bleven zij, tot er een einde aan dit grootgrondsystheem kwam, vooralsnog genoeg werk, gezag en prestige behalen.
Echter, door het ontstaan van een grote groep meiers in Westfalen ging men om verwarring te voorkomen voorzetsels voor de naam ‘meier’ gebruiken. Zo vinden sommige voorzetsels hun oorsprong in de hoeve waar de meier zaakwaarnemer was (bijvoorbeeld: Brenninckhof werd Brenninkmeier), sommige voorzetsels zijn terug te leiden tot een beroep (zoals: Postmeier en Glasmeier), andere hebben te maken met de omgeving en weer anderen met de lichamelijke kenmerken van de meier (bijvoorbeeld: Langemeier en Grotemeier).

Ook ‘Regter’ is een beroepsnaam, verwijzend naar rechter, schout of ambtman.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: meijer.hfoada.nl en heemkundelangenboom.nl

 

Ibbenbüren

Ibbenbüren in 1844 door August Dorfmüller
Bron: stadtmuseum-ibbenbueren.de


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd?

20 maart 2016 at 16:58

 

Bij stamboomonderzoek komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming was indertijd geenszins negatief van klank. Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens, bij adel of bij rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en ‘de dames’ spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: historien.nl en nl.wikipedia.org

 

Dienstbode

Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep. Amsterdam, 1912.
(Spaarnestad Photo) via geschiedenisbeleven.nl


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Richard Knowles en Francijntie Perin

20 maart 2016 at 16:43

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles is een nazaat van de roemruchte familie Knollys, uitgesproken als ‘Knowles’. Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zoveel er over de familie bekend is, zo relatief weinig is er over Richard en zijn gezin te vinden.

Richard is handschoenmaker van beroep en werkt in 1630 in die hoedanigheid in de Groningse Popkenstraat. Het huwelijk van Richard en zijn aanstaande bruid Francijntie Perin wordt op 21 augustus 1630 in Groningen en op 25 augustus 1630 in Amsterdam ingeschreven. De kerkelijke inzegening volgt in de Engelse Presbyteriaanse kerk van Amsterdam op 7 oktober 1630.
Als plaats van herkomst wordt voor Richard in het register van Groningen ‘Kintum’ aangegeven en in het register van Amsterdam iets in de trant van ‘Kyntun’. Mogelijk wordt hier Kington (Herefordshire) of Kineton (Warwickshire) mee bedoeld. Beide streken komen namelijk ook voor in de geschiedenis van de familie Knowles of Knollys. Gebaseerd op de gegevens in de Amsterdamse inschrijving moet zijn geboortejaar rond 1601 liggen.
Francijntie wordt rond 1610 geboren in Vlissingen en bij de inschrijving in Amsterdam geassisteerd door haar moeder Cathalijn Jonas. Zij had in ieder geval nog een twee jaar jongere broer Dirck, geboren in Vlissingen en van beroep handschoenmaker in Amsterdam. Dirck trouwt in 1632 met de uit Londen afkomstige Marritie Stoffels Jonas, dochter van Christoffel Jonas. In hoeverre Cathalijn en Christoffel aan elkaar verwant zijn is (nog) niet duidelijk. Opvallend is wel dat Richard en Francijntie een zoon Christophorus hebben genoemd.

 

Ritsart Knowles en Francijntien Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Groningen 21 augustus 1630.
Bron: AlleGroningers


 
Huwelijksaankondiging Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Amsterdam 25 augustus 1630
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijk van Richard Knowles en Francijntie Perin in de Engelse Presbyteriaanse Kerk te Amsterdam op 7 oktober 1630.
Bron: FamilySearch

 
Richard en Francijntie krijgen, voor zover bekend, vier zonen en twee dochters: Hendrick, Jacobus, Christophorus, Samuel, Nathanaël, Cateleijntie en Hanna. Van de oudste drie kinderen heb ik geen doopregistratie kunnen achterhalen. Bovendien zit er een hiaat tussen de eerste drie kinderen en het vierde kind. Het is niet onmogelijk dat zij in Engeland zijn geboren. Voor de oudste zoon Hendrick lijkt dat haast zeker. Hij trouwt in 1649 met Trijne Joesten. De huwelijksinschrijving van 17 maart 1649 vermeldt ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’.
Zoon Jacobus is in 1651 ordinaris bode van Groningen op Londen. Op 18 maart 1662 gaat hij in Groningen in ondertrouw met Jannichjen Tobias van Tennez. Van zowel Hendrick als Jacobus heb ik na hun huwelijk niets meer kunnen vinden.

 

Huwelijksinschrijving Hendrick Knowles

Huwelijksinschrijving van ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’ en Trijne Joesten; Groningen, 17 maart 1649.
Bron: AlleGroningers

 
De beide broers Christophorus en Nathanaël kiezen voor het beroep van predikant. Christophorus trouwt in 1663 in Groningen met Sara Louwens, aangetrouwde nicht van de bekende kunstschilder Nicolaes Eliasz Pickenoy. Het huwelijk wordt op 6 juni 1663 ingeschreven. Hij wordt als predikant beroepen in Uitwierde en later in Farmsum, alwaar hij op 23 mei 1690 wordt begraven.
Nathanaël wordt op 26 april 1643 in de Groninger Martinikerk gedoopt. Het gezin woont dan in de Boteringestraat. Van Nathanaël is bekend dat hij vanaf 1661 filosofie heeft gestudeerd aan de Universiteit van Groningen. Hij trouwt op 30 april 1673 in de Groninger Martinikerk met Maria Sibelius, dochter van Adolphus Sibelius, in leven predikant te Warfhuizen en Warffum. In 1683 vertaalt hij uit het Engels: Richard Baxter; De rechte maniere van doen, om aan een geruste conscientie te geraken, In 32 bestieringen, dat hij opdraagt aan Conraedt Ellents, onvanger-generaal van Drenthe en de heerlijkheid Coevorden en diens vrouw Anna Geertruidt Sichman en in 1685 Richard Baxter; Het goddelyke leven in drie verhandelingen. Vanaf november 1672 tot aan zijn overlijden op 15 september 1700 zal Nathanaël als predikant werkzaam zijn in Anloo. (Zie ook: Predikant Nathanaël Knowles)

 

Overlijden Richardus Knowles

Als predikant moest Nathanael zelf het overlijden van zijn enig kind inschrijven…
Bron: AlleDrenten


 
Overlijden Maria Sibelius

… en van zijn vrouw.
Bron: AlleDrenten

 
Zoon Samuel en dochter Cateleijntie vestigen zich in Amsterdam. Samuel, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, koopt op 10 mei 1664 het Amsterdamse poorterschap en wordt wijnkoper en wijnverlater. Hij gaat op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand en zal tot zijn overlijden in Amsterdam blijven wonen. Samuel wordt begraven in de Zuiderkerk op 6 november 1666.
Cateleijntie wordt op 13 februari 1646 in de Groninger A-Kerk gedoopt. Het gezin woont dan nog steeds in de Boteringestraat. Op 20 januari 1666 wordt in Groningen haar huwelijk met de uit Antwerpen afkomstige Pieter Ariacus ingeschreven. De inschrijving vermeld ‘Catelina Knauwels waer voor Ritser Knauwels als vader’. Na hun huwelijk vertrekt het stel naar Amsterdam. Hun eerste kind wordt vernoemd naar de dan al overleden broer Samuel.
Dochter Hanna heb ik na haar dopen op 26 november 1648 in de Groninger A-Kerk nergens meer kunnen traceren.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Inschrijving van Samuel Knowles in het poorterboek; Amsterdam, 10 mei 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Huwelijksinschrijving Cateleijntie Knowles

Huwelijksinschrijving van Pieter Ariacus en Cateleijntie Knowles, waarin haar vader nog wordt genoemd. Groningen, 20 januari 1666.
Bron: AlleGroningers

 
Richard en Francijntie wonen met zekerheid tussen 1641 en 1648 in de Boteringestraat in Groningen, alwaar hij winkelier is. De zaken lijken niet zo voorspoedig te verlopen als gehoopt. In het ONA van Rotterdam zijn namelijk twee samenvattende transcripties van akten te vinden met betrekking tot Richard:

2 augustus 1647. Notaris Adriaan Kieboom. Rogier Harley, Engels koopman, machtigt doctor Johannes Meijnts te Groningen om 106 pond te innen van Ritchard Knowles, wonende te Groningen.

17 augustus 1647. Notaris Jacobus Delphius. Joseph Denman, koopman, gemachtigd door William Schapes, koopman, op 1 juli 1651, voor notaris Johannes van Weel, machtigt Sijmon van Hoornbeeck, koopman te Groningen, om van Ritchert Knowles, winkelier aldaar, zijn tegoeden te vorderen.

Toch zal dit weinig impact op de financiële situatie van Richard en Francijntie hebben gehad, aangezien van een aantal zonen bekend is dat zij aan de Universiteit hebben gestudeerd. Hoe het leven er hierna voor Richard en Francijntie heeft uitgezien is mij onbekend. Richard wordt dus nog vermeld in de huwelijksinschrijving van dochter Cateleijntie, wat maakt dat hij overleden moet zijn na 20 januari 1666. Wellicht dat Richard voor 4 april 1674 is overleden. Dan wordt de zoon Richardus van Nathanael en Maria geboren. Mogelijk is deze zoon naar Richard vernoemd.
Francijntie is nog getuige geweest bij de doop van Jannetie, de dochter van Pieter Adriaensz en Catalena Knouwels. Dat maakt dat zij overleden moet zijn na 3 augustus 1668.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Het beroep smid

20 maart 2016 at 16:26

 
In de stamboom van familie Regter staat bij Joannes Bernardus Regter, zoon van Hendrik Regter en Maria Christina Scholten, gedoopt op 23 oktober 1796 in Amsterdam en op 39-jarige leeftijd op 28 januari 1838 overleden in Nieuwer-Amstel, als beroep smid vermeld. Evenals bij zijn zoon Petrus Franciscus overigens.

Het beroep van smid bestaat sinds de mens omstreeks 3000 v.Chr. begon met het winnen en bewerken van metalen (Klein-Azië en Midden-Oosten). In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. In de Bijbel lezen we in het boek Genesis 4:22 over ene ‘Tubal-Kaïn, de vader van de smeden. Allen, die koper en ijzer bewerken’. Ook in de klassieke mythologie wordt een smid bij naam genoemd: Hephaistos (Gr.) oftewel Vulcanus (Rom.).

Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één (hoef)smid. Er moesten immers wapens worden gesmeed, gereedschappen worden gerepareerd, houten wielen voorzien van metalen banden enzovoorts.
Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen uit het dorp gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om in het halfduister de bewerkingen van het roodgloeiende ijzer te zien.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor.

Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: museumsmederijelburg.nl en verreverwanten.nl

 

Smederij

Smederij rond 1900
Bron: bgv-rhein-berg.de


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Poorter

19 maart 2016 at 21:51

 
Oorsprong

Een ‘poorter’ was een volgerechtigde ingezetene van een stad, die het poorterrecht bezat. De etymologische oorsprong van ‘poorter’ ligt bij het Latijnse woord ‘portus’, wat ‘haven’ en ‘stad’ betekent.
In de Vroege Middeleeuwen ontstonden de eerste steden als kleine, en later ommuurde, handelsnederzettingen van kooplui nabij adellijke burchten. De bewoners van het gebied om de ‘burgus’, de burcht, werden ‘burgers’ genoemd. Later zouden poorter en burger synoniemen worden voor een bewoner van een middeleeuwse stad.

Een middeleeuwse stad werd omringd door een stadsmuur en een gracht en bood daarmee een zekere mate van veiligheid en bescherming aan haar burgers, ook wel de poorterij of burgerij. De stadspoorten werden ’s avonds gesloten door de poortbewaker. De sleutels van de stad werden bij de poortermeester, of later de burgemeester ingeleverd en de volgende dag weer opgehaald.

Elke stad had zijn eigen resoluties betreffende het poorterschap. Het onderstaande moet dan ook gelezen worden als ‘over de grote linie’.
 
 
Poorterschap

Vanaf de dertiende eeuw had een stad ingezeten, die toestemming hadden om in de stad te wonen, maar verder geen enkel recht hadden, en poorters. In sommige steden kende men, in plaats van poorters, burgers en grootburgers.
Het poorterschap of burgerrecht kon worden verkregen door zich te laten registreren bij de magistraat, het stadsbestuur, en het afleggen van een eed. Hier waren aanzienlijke kosten mee gemoeid. Op deze manier kon er bewezen worden niet armlastig te zijn en in het eigen onderhoud te kunnen voorzien. Wie nog een schuldvordering open had staan, kon een poorterschap wel vergeten. In enkele steden kon men, uiteraard tegen betaling, ‘poorter eerste klas’ worden. Hiermee kon men regent worden van een stedelijke instelling, als een gasthuis of weeshuis, of poortermeester.

Niet iedereen had de mogelijkheid om het poorterschap te kopen. In veel steden golden religieuze restricties, waardoor bijvoorbeeld Joodse personen en Katholieken veelal waren uitgesloten voor het poorterschap en daardoor tevens geen lid konden worden van een gilde.

 

Inschrijving poorterschap

Hoefsmid Dirk Enklaer liet zich op 20 augustus 1692 in Amsterdam inschrijven als poorter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Naast het kopen van een poorterschap kon je ook ‘ingeboren poorter’ worden door wettige geboorte uit het huwelijk van een poorter of ‘behuwd poorter’ door het aangaan van een huwelijk met een kind van een poorter of poorterse of de weduwe van een poorter. Bij een behuwd poorterschap waren tevens de vastgestelde kosten verplicht. De kinderen uit dit huwelijk werden automatisch poorter. Een poorterschap kon ook worden geschonken bij het aantrekken van een persoon van elders voor een ambtelijke functie.

Men kon het poorterschap verliezen door langdurig verblijf buiten de stad of het verlaten van de stad, bij verbanning uit de stad op grond van een gerechtelijk vonnis wegens gepleegde strafbare feiten of door ‘ontpoort’ te worden door het stadsbestuur in verband met schulden, zodat deze niet verhaald zouden worden op andere poorters.

De privileges van het poorterschap eindigde met de afschaffing van het Ancien Régime in 1794-1795 als gevolg van de Franse overheersing.
 
 
Rechten en plichten

Als poorter kon men in aanmerking komen voor een bestuurlijke functie of lid worden van een gilde. Poorters waren dus veelal bestuurders of ambachtslieden. Ook kon een poorter zelfstandig een nering of zaak beginnen, hoefde geen tol te betalen, mocht rechtszaken aanspannen en kon opgenomen in het stadsouderhuis. In sommige steden werden poorters vrijgesteld van de geheven belasting op huizen, gronden en erven gekocht van gewone ingezetenen of vreemdelingen. Bij een onverhoopt overlijden werden de kinderen ondergebracht in een Burgerweeshuis, waar doorgaans de situatie beter was dan in andere weeshuizen van de armenzorg.

Het poorterschap bracht ook verplichtingen met zich mee. Poorters waren belastingplichtig. Met dit geld werd onder meer de stad en de stadsverdediging onderhouden. Zij waren verplicht voor hun stad de krijgsdienst te vervullen en dienden te helpen bij de bescherming van de stad.
 
 
Buitenpoorter

Een buitenpoorter, ook wel hagepoorter of landpoorter, was iemand die buiten de muren van een stad woonde, maar wel de poorterrechten van een stad had gekocht. Vaak betrof het hier een ambulante verkoper, zeevarende of plattelandsbewoner. Dit buitenpoorterschap kon niet worden verkregen door wettelijke geboorte. Ook de buitenpoorter was verplicht om de krijgsdienst voor hun stad te vervullen.

De plattelandsbewoner met poorterrechten viel onder de rechtsregels van de stad en profiteerde mee van de stedelijke privileges. Dat hield in dat de juridische zaken werden behandeld door de stedelijke rechtbank in plaats van de grafelijke baljuw. Bovendien gold de aan de stad verleende vrijstelling van tolheffing ook voor zijn goederen. Verder was de buitenpoorter vrijgesteld van de persoonlijke heervaartverplichting die gold op het platteland. Dit betekende dat de verplichtingen van het dorp voldaan moest worden door minder mensen.
Vanaf 1355 gold, mede om deze reden, voor een aantal steden, dat zij deze poorters verplicht stelden om binnen de stad te wonen. Een verblijf op het land werd in het voorjaar toegestaan voor een periode van zes weken, eveneens als een periode van zes weken tijdens de oogst. Voor andere steden gold weer dat een buitenpoorter elk jaar een bepaalde tijd in de stad moest verblijven.

 

De Nes

De Nes nabij de Sint Pieterspoortsteeg in 1774, Amsterdam. Tekening door H.P. Schouten, 1774.
Stadsarchief, inv. 010001000542. (Via Bert Bolle; bertbolle.com)


 
 
Zie voor poorters Amsterdam: Handleiding Poorters, Archief van de Burgemeesters: poorterboeken en stadsrekeningen, Handleiding Thesaurieren Ordinaris, Archief van de Thesaurieren Ordinaris en het zoekscherm Poorters 1531-1652.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia, Ensie en divers
 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr

Herkomst familienaam van den Oosterkamp en oorsprong Achterberg

19 maart 2016 at 21:36

 
De oorsprong van de familienaam van den Oosterkamp uit Rhenen komt waarschijnlijk van: van den Oostercamp en daarvoor van den Oestercamp.

Kerkelijk archief uit 1711:
‘En sij te noteren dat onder desen thiend mede behoort hetland genaamt den Gortendaal en Tabaxcamp van den borgemr. Frederik Klerkzalr. Gelegen naast den Haak van den Heer Commandeur van Gelder.’ Dit was waarschijnlijk de Oesterkamp.

Archief Sint Agnietenklooster te Rhenen; Charter 71, 12 oktober 1531 :

– Een stuk land gelegen achter de Berg
– Een kamp gelegen Achter den Bergh (oorsprong Achterberg)
 
 
Bronnen: oudrhenen.nl en hetutrechtsarchief.nl

 

Achterberg

Afbeelding: (Gemeente Rhenen rond 1870; kaart J. Kuijper, bewerkt) plaatsengids.nl


 
 

Deel het Uit de oude Koektrommel bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin
Pin on Pinterest
Pinterest
Buffer this page
Buffer
Share on Tumblr
Tumblr