Samuel Knowles, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, brengt zijn jeugd door in de Boteringestraat. Zijn ouders zijn de Engelse handschoenmaker Richard Knowles en de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin.

 

Doop Samuel Knowles

Doopinschrijving van Samuel Knowles.
Bron: AlleGroningers


 
A-Kerk Groningen

De A-Kerk in Groningen; 1649, Atlas van Loon.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Evenals de andere kinderen uit het gezin, besluit ook Samuel niet te kiezen voor een leven in de stad Groningen. Hij vertrekt naar Amsterdam. Daar gaat hij op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand. Het schepenhuwelijk volgt op 18 maart 1664.
Samuel is op dat moment wijnverlater van beroep en woont aan de Nes. Elisabeth, Lijsbeth genoemd, is woonachtig op de Vijgendam. Zij is de dochter van de Engelse Carel Goethand, ook bekend als Charles Goodhand, een vooraanstaand lid van de ‘Engelse Kerk’.

 

Huwelijksinschrijving Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Huwelijksinschrijving van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand; Amsterdam, 22 februari 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Schepenhuwelijk Samuel Knowles en Elisabeth Goethand

Inschrijving schepenhuwelijk van Samuel Knowles en Elisabeth Goethand.
Bron: FamilySearch


 
Nes Amsterdam

Gezicht op de Grote en Kleine Vleeshal aan de Nes te Amsterdam. Links de Grote Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Pietersgasthuis. Rechts de Kleine Vleeshal, gevestigd in de kapel van het voormalige Sint-Margarethaklooster. In het midden de Boeren- of Riviervismarkt; Jacob van Meurs (mogelijk)1663-1664.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Op 10 mei 1664 legt Samuel als ‘wijncoper’ zijn poorter eed af. Nou laat het beroep wijnkoper weinig aan de verbeelding over. De invulling van het beroep wijnverlater daarentegen moest toch wel worden opgezocht.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Samuel Knowles legt in Amsterdam op 10 mei 1664 zijn poorter eed af.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De gezworen wijnverlater, wijnroeier of wijnpeiler stelde met behulp van een peilstok of wijnroede en wiskundige berekeningen de hoeveelheid vloeistof in een vat vast om te bepalen hoeveel belasting er betaald diende te worden. Belastbare vloeistoffen waren onder andere olie, wijn, traan, bier, wijn, cognac en overige gedistilleerde ‘wateren’, azijn en zeep. Het bepalen van de hoeveelheid vloeistof werd ‘roeien’ genoemd; vandaar het beroep ‘wijnroeier’. De wijnverlater had tevens het recht om wijnen te ‘versnijden’, wat inhield dat hij verschillende wijnen mocht mengen.
De wijnroeiers handelden in dienst van de Gildebroeders van het Kuipers en Wijnverlaters Gilde van de stad. Particulieren en handelaren konden tegen betaling een beroep op hun doen. Dit werd geregeld via het comptoir. Er werd betaald per grootte van een geijkt vat. Zodra een vat voldeed aan de door de stad voorgeschreven maat, werd het van een merkteken voorzien, waarbij elk merkteken stond voor een bepaalde inhoudsmaat. Op deze manier ontstond in steden of wijnstapelplaatsen een eigen systeem van wijnroeierstekens.
Ondanks het verschil in technieken waren de wiskunde berekeningen, die werden gebruikt voor het meten van lange afstanden, hoogten en onregelmatige percelen, hetzelfde als die voor het meten van de grootte van vaten en de hoeveelheid vloeistof. De beroepen van landmeter en wijnroeier gingen dan ook vaak samen.

 

Schoolboeck van de Wynroyeryen

Uit het ‘Oprecht, grondich en rechtsinnigh Schoolboeck van de Wynroyeryen’ van 1663.
Bron: archive.org


 
Wijnroeiersteken

Wijnroeiersteken.
Bron: Erfgoed Breda

 
Buiten de vermelding van wijnverlater in de huwelijksinschrijving, is over Samuel verder geen documentatie te vinden met betrekking tot dit beroep. Mogelijk is het beroep van wijnkoper voor hem een uitbreiding geweest van het beroep wijnverlater. Zijn naam komt wel voor in de lijst met namen van wijnkopers, die terug te vinden is in de documentatie van het Amsterdamse Wijnkopersgilde.

 

Vier overlieden van het wijnkopersgilde te Amsterdam.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
Lijst van wijnverkopers

Vermelding in de lijst met namen van wijnkopers.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Op 15 december 1664 wordt een zoontje Naetaniel gedoopt in de Amsterdamse Oudezijds Kapel. Doopgetuige is Samuels zwager Pietter Arijaensz van Antwaerpen, die getrouwd is met de eveneens naar Amsterdam vertrokken zus Catheleijntie Knowles. Waarschijnlijk wonen Samuel en Lijsbeth dan al op de Oudezijds Achterburgwal.
Samuel heeft zijn zoontje niet mogen zien opgroeien; hij overlijdt al jong op 25-jarige leeftijd en wordt op 6 november 1666 begraven in de Zuiderkerk. Weduwe Lijsbeth gaat exact twee jaar later in Amsterdam in ondertrouw met de uit Vianen afkomstige wijnverlater Albertus van Cuijlenburg. Zij wordt op 22 maart 1684 begraven in de Oude Kerk.

 

Begraafinschrijving Samuel Knowles

Begraafinschrijving van Samuel Knowles in het gaarderboek van de Zuiderkerk.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: AlleGroningers, Stadsarchief Amsterdam, Archive, Verhalenwiki, Erfgoed Breda, Lens on Leeuwenhoek en DBNL
 
 

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacature ziekentrooster

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’
 
Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 
"

De rede van Texel.
Bron: Zeeuwse Ankers (embedded)

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

 
Evert Appeldoorn, zoon van Aalt Appeldoorn en Hendrika Woudenberg, werd op 28 november 1891 in Amsterdam geboren. Hij trouwde op 4 februari 1914 met de Utrechtse Theodora Johanna Ros en overleed, vijfenvijftig jaar oud, te Zuilen op 20 juli 1947. Evert was politoerder van beroep.

Politoeren, zoals we dat nu nog kennen, is rond 1820 door Franse meubelmakers ontwikkeld. Zij ontdekten dat je hout met het product ‘schellak’ veel mooier af kon werken dan met de tot die tijd gebruikelijke producten als bijenwas en lijnolie. Deze techniek wordt daarom ook wel ‘French polishing’ genoemd.
‘Politoeren’ is een samentrekking van de woorden ‘poli’ (veel) en ‘toeren’ (rondjes). Politoeren is dus het veelvuldig rondjes draaien met een dot om op die manier de politoerlak of politoervernis op het werkstuk aan te brengen.

Vaak wordt onder politoer de lak of vernis verstaan, die gebruikt wordt bij het politoerproces. Eigenlijk is de juiste benaming politoer(schel)lak of -vernis.
Schellak (‘shellac’ in het Engels) is een samentrekking van de woorden ‘shell’ (huisje of omhulsel) en het woord ‘lac’ dat in het Sanskriet ‘honderdduizenden’ betekent. Eén kilo schellak bestaat namelijk uit een afscheidingsproduct van honderdduizenden luizenhuizen van een boomluis, die in India en omstreken leeft; te vergelijken met het web van een spin of de zijden draad van de zijderups,
Vernis is afkomstig van de plaats Berenice, het tegenwoordige Benghazi, dat in de oudheid hét centrum voor de handel in harsen en gommen was. Het tegenwoordige woord vernis verwijst dan ook nog steeds naar een transparante oplossing van harsen en/of gommen waarmee een oppervlak bedekt wordt.

Aangezien in zwart politoerwerk eerder en meer fouten te zien zijn, stond een ‘zwartpolitoerder’ in hoger aanzien dan een ‘gewone politoerder’. Een slimme politoerder maakte daarom voor een sollicitatiegesprek de nagelriemen zwart in de hoop dat het zijn nieuwe baas zou opvallen en hem een hoger salaris aangeboden zou worden.

 

Politoerder

Het beroep politoerder.
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Politoeren en divers
 
 

 
In navolging van zijn vader Thomas Herremse, die geboren werd te Nijmegen op 19 december 1772 als zoon van Henricus Hendricks en Catharina Rosen, besloot naamgenoot Thomas tevens voor het beroep van lantaarnaansteker te kiezen.

Lantaarnopstekers of lantaarnaanstekers en lampbezorgers of lantaarnvullers behoorden tot de beroepskrachten die eeuwenlang voor de straatverlichting hebben gezorgd. Aangezien ze ’s avonds en ’s nachts op pad waren hadden ze vaak een dubbelfunctie als nachtwaker.

 

Lantaarnaansteker.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In 1544 werd in Amsterdam op de Zeedijk bij de hoek met de Molensteeg de eerste bekende kaarslantaarn van de Lage Landen ontstoken. Al snel volgden er meer, ook in andere steden. Sommige van deze eerste lantaarns werden door de overheid geplaatst, anderen waren particuliere lampen, die aan huizen hingen. Veel gemeenten hadden in deze periode een verordening volgens welke aan elk zoveelste huis verplicht en op kosten van de bewoners een lantaarn moest hangen. Eind zestiende eeuw werd het zogeheten ‘lantaarngeld’ ingesteld; een belasting die iedereen naar draagkracht diende te betalen.

In de tijd van de olieverlichting, vanaf het midden van de zeventiende eeuw, waren de lampvullers verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Naast het bijvullen van olie zorgden ze er ook voor dat de pitten op orde waren. Verder voerden ze reparaties uit en hielden ze de lampen schoon.
De aansteker stak dan vervolgens de lantaarn aan. Daarbij zat hij vast aan een strak tijdschema. Vanwege economische redenen mocht hij de lamp namelijk niet voor het donker aansteken. Tegelijkertijd moest de burger echter ook niet te lang hoeven wachten op brandende lantaarns. Daarom diende hij exact te beginnen op het uur dat in het dagregister was aangegeven en dat op de tijd van het jaar was afgestemd. Zodra hij de lantaarns in zijn wijk had aangestoken werd er nog eens rondgelopen om te controleren of alle lampen wel brandden.
In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnaansteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.

 

Bij ’t vallen van den nacht voorzeker,
Dan noemt men u ook gasontsteker,
Voor iedereen een nuttig man;
Want moest men ’s nachts uw lichten missen,
Men kon zich in den weg vergissen,
En menig onheil kwam er van.
Bron: DBNL (embedded)

 
Beide beroepen waren zwaar. Men moest steeds ladder op en ladder af en het werd slecht betaald bovendien. Niet in de laatste plaats omdat zowel lampvullers als aanstekers een belangrijk gedeelte van het benodigde materiaal zelf moesten bekostigen. Bij het in gebreke blijven wachtte hen een boete van de opzichter.
De controle was streng en werd uitgevoerd door speciale controleurs, zogeheten ‘Rondens van de Stads Lantarens’, ook wel ‘nachtrondens’ genoemd. Zij moesten in de nanacht hun wijk doorlopen om alle lichten te inspecteren. Bovenaan de personele ladder stond de opzichter. Deze hield de administratie bij en gaf leiding aan het personeel. De allereerste opzichter ooit was de Amsterdamse Jan van der Heyden, bekend van de slangenbrandspuit en de bedenker van de oliestraatlantaarn. Hij heeft tevens personeelsinstructies opgesteld die nog lang zijn gebruikt.

Na de komst van gasverlichting veranderde het werk. Lampen vullen was niet meer nodig, zodat beide beroepen ineen schoven. De aanstekers werden ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Om het gas aan te steken hadden ze een lange stok waar bovenin een vlammetje brandde.
Na de komst van het gloeikousje kregen de straatlantaarns een waakvlammetje dat via een hoofdkraan kon worden ontstoken. Deze kraan ging open en dicht via een kettinkje. De lantaarnaanstekers kregen voortaan een stok met een haak waarmee ze het kettinkje konden bedienen.

Ondertussen hoefden de lampbezorgers hun ronden ook niet meer te voet af te leggen, maar hadden ze een dienstfiets met daarop een uitschuifbare ladder gemonteerd.
Tenslotte werd er een automatische ontsteker uitgevonden voor de gaslantaarn, waardoor niemand meer op pad hoefde om de lampen aan te steken. Vanaf dat moment werd onderhoud de voornaamste taak. De beroepsnaam veranderde daarmee in lantaarnverzorger en nog weer later in lampenist.

 

Nieuwjaarswens

Lantaarnvullers en -aanstekers van een stad hadden de gewoonte met een kermis en rond nieuwjaar de burgers van ‘hun’ wijk met een prentje en een gedicht de beste wensen over te brengen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Kunst en Cultuur en Wikipedia
 
 

 
Bij genealogisch onderzoek komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming was indertijd geenszins negatief van klank. Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens, bij adel of bij rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en ‘de dames’ spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.

 

‘Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep.’; Amsterdam, 1912. Fotograaf: C.J. Hofker.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

 
In de stamboom van familie Regter wordt voor Joannes Bernardus Regter het beroep smid vermeld, evenals voor zijn zoon Petrus Franciscus overigens. Zijn beroep zal aan Joannes Bernardus waarschijnlijk ook zijn leven hebben gekost, want al op 39-jarige leeftijd overlijdt hij op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan ‘zinkenziekte’ als gevolg van de blootstelling aan metaaldamp, die ontstaat bij het verhitten of verbranden van onder andere zink.

Het beroep van smid bestaat sinds men omstreeks 3000 voor Christus begon met het winnen en bewerken van metalen. In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. Zo komt in de Bijbel in het boek Genesis de smid Tubal-Kaïn voor. Hij wordt de stamvader genoemd van ‘allen die brons en ijzer bewerken’. In de Griekse mythologie is Hephaistos de god van de smeedkunst, het vuur en de vulkanen. In de Romeinse mythologie wordt hij Vulcanus genoemd. Zijn Etruskische tegenhanger is Sethklans.

De patroonheilige van onder andere de smeden is Sint Eloy (Eligius van Noyon). Zijn Christelijke gedenkdag valt op 1 december, ook wel ‘koude Eloy’ genoemd, en de zondag na 24 juni (translatiefeest), ook bekend als ‘warme Eloy’. Sint Eloy is de beschermheilige tegen geldgebrek, epidemieën, steenpuisten, zweren, zenuwziekten, kindergeschreeuw en paardenziekten.

 

Sint Eloys

Altaarportret van Sint Eloy, Schwabach, 1508.
Bron: Wikipedia (Licentie CC BY-SA 4.0)

 
Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één smid. De smid was uiterst belangrijk voor boeren en ambachtslieden. Hij maakte immers de benodigde gereedschap als ploegen, schoppen, harken en schoffels en de gereedschappen voor bijvoorbeeld de wagenmaker, kuiper, schoenmaker en timmerman.

Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om de verrichtingen van de smid gade te slaan.

 

Smederij

Smederij.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto’s genomen in Museumdorp Allingawier.)

 
Voor het leger was de zwaardveger, oftewel de wapensmid, onmisbaar. De wapensmid legde zich toe op de vervaardiging van zwaarden, dolken, hellebaarden, helmen, maliënkolders en harnassen, waarbij sommige wapensmeden zich specialiseerden tot bijvoorbeeld harnasmaker. Het vervaardigen van een harnas was een kostbare aangelegenheid, aangezien dit zeer arbeidsintensief was. De prijs van een harnas kon soms gelijk zijn aan de prijs van een boerderij.
Tevens hield de wapensmid zich bezig met het polijsten van zwaarden, het schoonmaken en repareren van (vuur)wapens en het vervaardigen van (vuur)wapens. Smeden waren ook nodig voor het vervaardigen van bijvoorbeeld katapulten, blijdes, belegeringstorens en stormrammen. Zijn eindproduct werd vaak voorzien van een persoonlijk merk.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor. Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Museumsmederij Elburg, verreverwanten.nl, Wiki Delft en Wikipedia (Eligius)