Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.
 

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)


 
Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: Wereld aan Boeken-UB RUG

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: DBNL, Wikipedia en Kunst en Cultuur
 
 

 
Echt verzamelen doe ik het niet, maar kom ik eens iets tegen wat met Sunlight zeep te maken heeft, een stukje zeep of een vintage reclamebordje, dan is mijn interesse toch wel gewekt. En is de prijs ernaar dan neem ik het dankbaar mee.

Het bruine stuk zeep op de foto heeft mijn oma, samen met nog wat stukken, net na de Bevrijding van de Canadezen gekregen. Zeep was in de oorlog op de bon, dus was het heerlijk om weer genoeg zeep te hebben om lekker mee te kunnen wassen. Ze gebruikte daarvoor nog ouderwets de teil en het wasbord. Een sopje werd gemaakt van ‘geraspte’ zeep. Een zeepklopper heb ik haar nooit zien gebruiken, maar haar kennende vond ze dat waarschijnlijk een overbodige luxe.

‘Voor het geval dat’ hamsterde ze tot op late leeftijd nog altijd zeep en toiletpapier. Dat hing ze zeker niet aan de grote klok, want hamsteren was, en is overigens nog altijd, bij wet verboden. En als ik als kind zijnde niet aan mijn ouders had gevraagd waarom opa en oma zoveel van die spullen op zolder hadden liggen was ik hoogstwaarschijnlijk van het bestaan nooit op de hoogte geweest. Later tijdens de oliecrisis kwamen er ook nog eens vuilniszakken en panty’s bij. Iets waar mijn moeder ook gretig aan mee deed. Je wist immers maar nooit…

 

Sunlight zeep

Sunlight zeep.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Reclame van Lever's Zeep Maatschappij Vlaardingen

Reclame van Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen.
Bron: Reclame oude krant.

 
Sunlight zeep werd vanaf 1884 gemaakt door het Engelse Lever Brothers en werd zowel gebruikt voor het wassen van kleren als voor algemeen gebruik in het huishouden. Het doel van William Lever was om een goede huishoudzeep te ontwikkelen, te verpakken, het een populaire naam te geven en het te verkopen tegen een redelijke prijs. Zeep werd daardoor steeds meer een gemeengoed.
De gebruikte zeepformule werd uitgevonden door de chemicus William Hough Watson, die de nieuwe zeep ontwikkelde met behulp van glycerine en plantaardige oliën. Doordat het product kopra of pijnboompittenolie bevatte, schuimde het beter dan de conventionele, van dierlijke vetten gemaakte zeepsoorten.

Nadat Lever Brothers in 1907 te Schiedam een verkoopkantoor had geopend om de Sunlight zeep, in de volksmond ‘Sun-licht’, op de Nederlandse markt te brengen, was het de bedoeling van het bedrijf om ook een eigen fabriek in Nederland te vestigen. Daarvoor werd in 1909 een stuk grond in Vlaardingen gekocht. Het zou echter tot 1917 duren voordat de eerste productie plaatsvond. Een intensieve reclamecampagne moest de zeep aan de man, of liever gezegd aan de vrouw brengen. In 1930 ging Lever Brothers met Margarine Unie samen en vormde Unilever.

In de Tweede Wereldoorlog was Sunlight zeep verkrijgbaar op de bon. In het begin ook nog in de bekende kleurrijke verpakking, maar naarmate de schaarste toenam in de witte oorlogsverpakking. Na 1946 heeft Sunlight het lettertype op de verpakking veranderd naar een meer bol lettertype. De vooroorlogse verpakking en de verpakking van na de oorlog zijn dus door het lettertype te herkennen.

Al die jaren zijn de gebruikte en ongebruikte zeepjes zorgvuldig door mijn oma bewaard tot ze aan mij, haar oudste kleinkind, zijn doorgegeven voor het ‘nageslacht’. Daar stelde zij veel belang in en ze wist dat ik dat met zekerheid ook zou doen. Samen met nog wat memorabilia pronken ze alweer jaren in mijn vitrinekast. De reële waarde is natuurlijk geheel te verwaarlozen, maar de herinnering en de verhalen maken het onbetaalbaar…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Poetsacademy, WO2Verzameling en Wikipedia (Levers Zeepmaatschappij).
 
 

 
De familie van Kleij vindt zijn oorsprong, voor zover ik kan nagaan, in Meerkerk. Terwijl ik op zoek was naar de geschiedenis van deze plaats kwam ik het (gruwelijke) verhaal tegen over hoe in de veertiende eeuw in deze regio het omhakken van een boom kon leiden tot een oorlog.

Om het één en ander goed te kunnen begrijpen aan het verhaal is het handig om wat kennis te hebben van de regionale machtsverhoudingen ten tijde van het gebeuren.

Heer Otto van Arkel komt uit de gelijknamige en machtige familie, die in Gorcum zetelt. Meerkerk behoort toe aan het land van familie Van Vianen. Ameide wordt bestuurd door de familie Van Herlaer. De families Van Vianen en Van Herlaer hebben gemeenschappelijke belangen, aangezien Heilwich, de dochter van Jan van Herlaer is getrouwd met Hendrik van Vianen. Samen vormen zij in feite een front tegen de Van Arkels. Daarbij komt ook nog dat de familie van Arkel tot de Kabeljauwen behoort en de beide andere families tot de Hoeken.

 

Vianen

Gezicht op Vianen; Gaspar Bouttats, naar Jan Peeters, 1679.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)

 
We schrijven het jaar 1388. Vier rijke kooplieden uit Gorcum zijn naar Utrecht geweest om wat zaken te regelen. Het is ‘meiavond’, de laatste dag van de grasmaand. De terugreis loopt via Vianen en terwijl ze daar een herberg passeren worden ze door een aantal bekenden naar binnen geroepen voor een maal en wat wijn. Het wordt een gezellig vertoeven, waarbij de wijn rijkelijk vloeit en de tijd langzaam doortikt.
In de herberg raken de Gorcummers ook in gesprek met een Meerkerkse boer. De boer heeft op zijn grond vele bomen staan. Aangezien het destijds al gebruikelijk is om op meiavond voor de huizen van ‘de aanzienlijkste der stad’ een meiboom te planten komt al snel de vraag van de Gorcummers aan de boer of zij soms een meiboom op zijn land mogen kappen om in Gorcum te planten. Dit vindt de boer geen enkel probleem. Het mogen er zelfs wel twee of drie zijn. Als dank betalen zij ‘het verteerde gelag’ van de boer en vertrekken richting Meerkerk.

 

Ets van Gerrit De Broen (1658/’59-1740). -De Lente: Het plante van de May-boom / Le printemps: On plante le May.

 
Aangekomen bij het huis van de boer delen de vier kooplieden aan de boerin mede dat zij permissie hebben van haar man om meerdere bomen te kappen, maar dat zij er echter maar één hoeven te hebben. Direct daarop beginnen zij te hakken. De boerin is natuurlijk niet bekend met de afspraak en vertrouwt het zaakje niet. Zij zet vervolgens ‘de balg open’ en begint te roepen en te schreeuwen om de buren te alarmeren. De buren schieten, gewapend met wat maar voor handen is, te hulp en vallen als ‘dolle honden’ de indringers aan. Twee kooplieden vinden direct de dood en de overige twee worden dodelijk verwond.
De schipper die de Gorcummers vervoerde komt ongeschonden uit de strijd; hij krijgt niet ‘met die selve zaus’. Hij brengt ze alle vier naar Gorcum, waar Otto van Arkel en zijn zoon Jan onmiddellijk worden ingelicht, en toont ‘de lijken en doorhakte’.

Otto van Arkel besluit de zaak grondig te onderzoeken en informeert bij de schipper en de Meerkerkse boer naar de ware toedracht. De beide heren vertellen het gebeuren naar waarheid en Otto van Arkel weet voldoende. Hij schrijft een brief aan de Hendrik van Vianen, waarin hij erop aandringt dat de Meerkerkse boosdoeners gestraft zullen worden. Mocht de Hendrik van Vianen dat niet naar behoren doen, dan zal hij ‘zulks zelf komen doen’!
En precies deze laatste opmerking valt bij Hendrik van Vianen helemaal verkeerd. Hij spreekt schande over het gedrag van Otto van Arkel en besluit daarop de Meerkerkse moordenaars niet te vervolgen. Helaas is Otto van Arkel er op zijn beurt niet van gediend om beschimpt te worden en het feit dat de moordenaars van zijn burgers onbestraft blijven vindt hij onverteerbaar. Hij doet de Hendrik van Vianen ‘aanstonds den oorlog aanzeggen’.

Hij zendt zijn boden naar alle dorpen in het Land van Vianen en Ameide, met uitzondering van Meerkerk, met het bericht dat de bewoners drie dagen de tijd hebben om met hun goederen en hun vee te vluchten. Na deze drie dagen zal hij met zijn mannen naar de dorpen komen en deze verbranden, de goederen in beslag nemen en de achtergebleven mensen gevangen nemen. Zoals gezegd krijgt Meerkerk deze waarschuwing niet.

 

Kaart van de regio

Kaart van de regio.
Bron (bewerkt): multifacet.info

 
Na het verstrijken van de drie dagen gaat Jan van Arkel, de zoon van Heer Otto, met een ‘menighte van kloeke mannen’ op pad en verbrandt alle huizen van Meerkerk. Ook gaat hij nog op zoek naar ‘het quade wyf en de doodslagers’, maar zij hebben blijkbaar bijtijds weten te vluchten. Vervolgens rukt hij op naar de andere dorpen van de Heren van Vianen en Ameide, die tevens zeer gehavend worden, om bij Vianen uit te komen. Vianen wordt beschermd door een stadsmuur, maar dat blijkt geen obstakel te zijn voor Jan van Arkel en zijn ‘gewapent volk’. Hij schiet daar door ‘vurige steencloten’ ook de brand in.
Kort hierna vertrekt zijn vader Otto van Arkel met ‘enig volk’ naar Ameide. Hij verbrandt het hele dorp en doet het ‘Huys der Mey’ ‘met grote bussen dapper beschieten’. Dit slot wordt zwaar beschadigd en vervolgens belegerd. Heer Otto en een groot gedeelte van zijn mannen vinden onderdak in de kerk.

 

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer

Gezicht over de Lek op Ameide en slot Herlaer door Jan de Beijer.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)

 
Hendrik van Vianen en Jan van Herlaer overzien de situatie en beseffen dat zij de Van Arkels met, naar zeggen, een leger van twaalfduizend man, moeilijk het hoofd kunnen bieden. Aangezien Ameide te leen is gegeven door de St. Maartensdom in Utrecht besluiten ze hulp te zoeken bij de bisschop van Utrecht. De Raad van Utrecht reageert hierop door aan Otto van Arkel een brief te schrijven waarin zij hem dringend adviseren Ameide te verlaten of ‘het hele Neder-Sticht zou tegen hem ten strijde trekken’.
Heer Otto is niet erg onder de indruk van dit dreigement en stuurt daarop een bode naar Utrecht met de boodschap: ‘Ga segg dijn Heeren van Utrecht: soo stout sijn sij niet dat sij hier tegen mij verschijnen’. En daarmee was de zaak voor alle partijen afgedaan.

 

Sint Maartensdom Utrecht

Sint Maartensdom Utrecht door Pieter Jansz. Saenredam.
Bron: Europeana (Bibliothèque nationale de France, département Estampes et photographie, P152992; Licentie: Public Domain)

 
De Heren van Vianen en Herlaer zien zich genoodzaakt om tot een andere strategie over te gaan. Zij wenden zich tot Hertog Albrecht van Beieren, Hertog van Beieren-Straubing en Graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, met het verzoek om zijn tussenkomst in de kwestie en het teweegbrengen van een verdrag met Otto van Arkel, zodat zij niet het onderspit zullen delven.
De oudste zoon van de hertog, Graaf Willem van Oostervant, is een goede vriend van Otto van Arkel. Hij besluit om met wat ‘edelmannen’ zijn vriend en zijn leger een bezoek te brengen.en wordt er vriendelijk ontvangen. Graaf Willem is eigenlijk nogal verbaasd zo’n overmacht aan strijdbare mannen aan te treffen. Onderhandelen lijkt daarom de beste optie en hij stelt een vredesverdrag voor.

 

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant

Albrecht van Beieren en Willem van Oostervant.
Bron (bewerkt): Vilters-Vanhemel

 
Dat plan slaagt. Er wordt een wapenstilstand getroffen voor een periode van twee jaar. Echter, wel onder één conditie: Hendrik van Vianen moet zijn slot ‘Huys der Mey’ met alle toebehoren overdragen aan Otto van Arkel. Hiervoor zal Heer Otto aan de Hendrik van Vianen zestienduizend ‘Rijnsche guldens’ lenen, onder voorwaarde dat deze som binnen twee jaar weer aan hem gerestitueerd wordt. Mocht dit niet gebeuren dan zal het slot met de Heerlijkheid Ameide erfelijk in handen vallen van Heer Otto. Het beleg wordt opgeheven en de oorlog is daarmee voorlopig opgeschort.

 

Goudgulden (1350-1389) Willem V van Beieren

Goudgulden (geslagen 1350-1389); Willem V van Beieren.
Bron: Wikimedia (Licentie: CC BY-SA 3.0 NL)

 
Na het verstrijken van de twee jaar gaan Otto van Arkel en zijn zoon Jan op reis. Voor zij aan de reis beginnen drukken ze de bewoners van Gorcum nog op het hart ‘dat zy tegen de Landen van Vianen niets zouden hebben te ondernemen, voor dat hy, en zynen zoon weder waren ’t huys gekomen’. De Heer van Vianen heeft namelijk nog steeds niet voldaan aan de terugbetaling van het geleende geld. Toch trekken ‘die van Gorinchem’ het harnas aan om gezamenlijk in het Land van Vianen alles te verbranden en verwoesten wat voor handen is.
Hendrik van Vianen en zijn broer Johan zien nu een mogelijkheid. Zonder een ‘bequaam veld-overste’ hebben de Gorcummers immers geen enkele kans. Samen met ‘het volk’ rijden ze de Gorcummers tegemoet en komt het tot een treffen bij het dorp Lakerveld. Velen sneuvelen op het slagveld of weten te vluchten. Echter, de ‘voornaamste en rijkste burgers’ worden gevangen genomen. Voor die gevangenen vraagt Van Vianen een fors losgeld van Gorcum; genoeg om het verpande slot van Ameide af te kunnen lossen…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wegwijzer en Google Books (Beschryvinge der stadt Gorinchem en landen van Arkel, 1755, door Cornelis van Zomeren, Teunis Horneer)
 
 

 
Zondag 6 augustus 1826. Op deze dag vierde de Nederlandse Stoomboot Maatschappij de opening van een nieuwe bootverbinding, die wekelijks in de vaart zou komen tussen Rotterdam en Arnhem, met een feestelijke tocht van Arnhem naar Nijmegen en weer terug. Op de kade van Arnhem had zich een grote menigte geschaard om getuige te zijn van de afvaart om half tien ‘s morgens.
Aan boord bevonden zich een gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders en genodigden, waaronder Baron van Heeckeren van Kell, de commandant van de provincie Gelderland, kolonel Kuyck met zijn vrouw en één van zijn dochters, burgemeester van Arnhem Mr. Weerts met zijn vrouw en wethouders van Arnhem. De infanterie van het garnizoen zorgde gedurende de dag voor de muzikale begeleiding aan boord.

De tocht verliep voorspoedig en de stemming zat er goed in. Toen de boot tegen vier uur ’s middags weer bij Arnhem was aangekomen besloot men om niet bij de Schipbrug aan te leggen, maar om nog een stukje verder de Rijn af te varen.
Terwijl men aan boord net van tafel zou opstaan, naderde de stoomboot het landgoed Hulkestein waar de 47-jarige douairière Johan Brantsen (weduwe dus van de kort daarvoor overleden Jonkheer Mr. Johan Brantsen), Maria Leopoldina Catherina van Hasselt met haar twee jonge kinderen, de 12-jarige Diederica Wilhelmina Agatha en de 11-jarige Johan Conraad Louis Anthony woonde.
Vanuit de tuin liet zij saluutschoten afvuren met het geschut dat voor het landgoed was geplaatst. Dit werd door het gezelschap aan boord als een beleefdheid beschouwd en al snel stapten kolonel Kuyck van de 13de afdeling der infanterie, wethouder Jonkheer Mr. van Rappard en de belastingambtenaar Jonkheer Nahuys in een sloep en begaven zich naar de oever om weduwe Brantsen uit te nodigen aan boord van het stoomschip te komen.

Op dat moment, het was intussen rond vijf uur ’s middags, waren twee kinderen van de toenmalige burgemeester van Arnhem Mr. Johan Weerts, de 14-jarige Anna Margaretha Theodora Helena Johanna Wilhelmina en de 7-jarige Johan Alexander, het zoontje van de heer Dijckmeester uit Thiel en ‘eene jonge juffer’ uit Zutphen ook op het landgoed aanwezig. Weduwe Brantsen nam de uitnodiging aan en stapte, vergezeld door de heren, met haar gezelschap in de sloep op weg naar de boot, waar men zich al gereed maakte om de nieuwe bezoekers te ontvangen.
Vlak voordat de sloep de boot bereikte sloeg hij ineens om. Het verhaal gaat dat het vaartuig kantelde doordat een inzittende uit baldadigheid de sloep liet schommelen. Hoe dan ook, voor het ontvangstcomité het wist lag het hele gezelschap in het water. Terwijl op de stoomboot de muziek nog vrolijk doorklonk, omdat men er geen weet van had wat er gaande was, werd er aan de andere kant van de boot in het water gevochten voor het leven.
Uiteindelijk wist men de Jonkheer Nahuys en het zoontje van de heer Dijckmeester uit het water te redden. De juffer uit Zutphen had het geluk dat zij tegen de boot aandreef en zodoende ook gered kon worden. Alle overige zeven inzittenden van de sloep werden voor de ogen van de machteloze aanschouwers en familieleden met de stroom meegevoerd en verdronken. De ontsteltenis was verschrikkelijk, de algemene verslagenheid groot en de stad Arnhem was in diepe rouw. Het zou nog veertien dagen duren voordat het lichaam van douairière Johan Brantsen zou worden gevonden in de Rijn.

 

Het drama bij Hulkestein (aquarel van Johan Derk Gebly).
Bron: Heemkunde Renkum (embedded)


 
Krantenartikel Hulkestein

Krantenartikel over het drama bij Hulkestein uit de Middelburgsche Courant van 12 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
Familiebericht Brantsen

Familiebericht uit de Opregte Haarlemsche Courant van 17 augustus 1826.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: delpher.nl en Heemkunde Stichting voor de gemeente Renkum
 
 

 
Hulckesteijn, waarvan het grondgebied zich uitstrekte van den Haspel tot aan de Klingelbeek, werd als ‘spijker’, een versterkt voorraad- en woonhuis, door Karel van Egmond (hertog van Gelre en graaf van Zutphen, 1467-1538) gebouwd. In het jaar 1533 kocht hij er, of liever gezegd was het een ‘handjeklap’ omdat hij hiervoor de van Kloris van den Erven gekochte aan de St. Jansbeek gelegen watermolen met toebehoren ruilde, van zijn barbier Herman Boetzeel nog een belendend erf bij. Zo staat er beschreven:

… ‘eynen Bomgart mitien Bouwhuys Loependerberg geheyten, by die Clingelbeeck opten Ryn-stroem geleghen, streckende die Ryncant langes bis aen onsen Spycker, wy dair doen tymmeren hebben geheyten Hulckensteyn…’

De oorsprong van de naam ‘Hulckesteijn’ is niet helemaal duidelijk. De overlevering zegt dat het huis genoemd is naar een boot van Karel van Egmond, de ‘Hulck’, die op deze plaats in de Rijn lag en in 1537 afgebroken moest worden.

Het landelijk gelegen Hulckesteijn, met aan de westkant enkele boerderijen van voornamelijk tabakkers, was in de zestiende eeuw aan de noordzijde ommuurd en grensde aan de huidige Utrechtseweg. Aan de oostkant van Hulckesteijn bevond zich de oudste galgenplaats van het rechtsgebied Arnhem, die ongeveer op de scheiding van Onderlangs en Bovenover/Utrechtseweg (‘de Haspel’) stond. De galg was zo geplaatst dat het vanaf de weg naar Utrecht en vanaf de Rijn goed te zien was als waarschuwing voor passerende reizigers. Over het gebruik van deze galg is maar weinig bekend. Waarschijnlijk is de galg ‘slechts’ tot het einde van de zestiende eeuw in gebruik geweest en is de functie overgenomen door de galgenberg ten noorden van de stad.

 

Hulckesteijn in 1551

Kaart van Hulckesteijn uit 1555; gezien vanaf de noordzijde met links de galgenplaats (Maker: Johan Gielis).
Bron: Gelders Archief (Licentie: Public Domain)

 
Na het overlijden van Karel van Egmond werd de nieuwe landsheer Karel V de eigenaar van het landgoed. Hij gaf het in 1555 in bruikleen aan Philips van Lalaing, graaf van Hoogstraten, stadhouder en kapitein-generaal van Gelre en Zutphen. Naderhand ging het over op Herman, graaf van den Berg, vrijheer van Boxmeer en Bijland, wiens zoon het in 1595 aan Johan Milfair verkocht om van het geld onder andere zijn schuldeisers te kunnen betalen. In 1599 kwam het in handen van het aanzienlijk geslacht van Karel van der Sande en ten slotte viel het in 1666 door erfenis ten deel aan de rijke regentenfamilie Brantsen.

 

Hulckesteijn rond 1740

Hulckesteijn rond 1740.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Hendrik Arentzen, de verst gevonden voorouder van de familie Hulstein, werd rond 1580 op ‘den Hullik’ geboren en was er pachter in 1605. Rond 1649 leefden op Hulckesteijn twee vrouwen: Marij Jansen, de vrouw van Hendrik Arentzen en Lijsenoije op Den Hulck. Tot de ‘Fransche tijt’ 1672, woonde de familie Hulstein op het landgoed.

 

The Van Hulckensteijn Estate

Hulckesteijn rond 1860.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
Hulkestein 19e eeuw

Hulckesteijn in de tweede helft van de negentiende eeuw met op de achtergrond de toren van de Eusebiuskerk in Arnhem.
Bron: Gelders Archief (Licentie: auteursrechtenvrij)

 
Het hek en de bijbehorende oprijlaan verbonden Hulkestein met de ingang aan de Utrechtseweg. Na de verkoop en verkaveling van het landgoed in 1894 en de definitieve aanleg en naamgeving van de Hulkesteinseweg in 1908 had het hek zijn feitelijke functie verloren.
In 1932 werd de heer Wennekes eigenaar van het huis Hulkestein. Hij schonk het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin. Dat dit hek niet altijd op Hulkestein heeft gestaan blijkt uit oudere foto’s met een andere toegang.
Helaas werd de buitenplaats door de oorlogshandelingen rond de Slag om Arnhem in september 1944 totaal verwoest.

 

Hulkestein met toegangspoort vóór 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 

Hulkestein met toegangspoort in 1908. Bron: Hoogstede (embedded)


 
Hek Hulkestein

Het toegangshek, met op de twee hekposten de vermelding ‘Hulke’ en ‘Stein’, werd in 1936 aan het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem geschonken, waar het een bestemming heeft gekregen als entree tot de kruidentuin.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Arneym, Gelders Archief en Hoogstede
 
 

 
De ‘iets oudere’ onder ons zullen het ongetwijfeld herkennen: zo’n heerlijke ouderwetse keuken met granito aanrecht en een gootsteen met de kleine tegeltjes. Ik waan mij dan weer even terug bij mijn Opa en Oma thuis. Hoe mijn Oma met Ossegalzeep de handwas boende met behulp van een wasbord of hoe een wasje een nachtje in de Biotex werd getrokken in de spoelbak. Op het geribbelde zeepplekje lag zo’n lekker geurend stukje ‘vlokkenzeep’. De badkamer werd overigens opgesierd met een lavet in dezelfde stijl, waar ik als klein kind op moest klauteren als ik bij hun in ‘bad’ ging.
Wat was mijn oma, met haar rheumahanden, trouwens blij dat een wasautomaat betaalbaar werd!

 

Gootsteen van rond 1910

Gootsteen van rond 1910.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Granito gootsteen en aanrechtblad van rond 1950

Granito gootsteen en aanrechtblad van rond 1950, zoals mijn grootouders die hadden.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Alhoewel we tegenwoordig zouden moeten spreken van een ‘spoelbak’ zijn we het gebruik van de term ‘gootsteen’, welke afkomstig is van een sanitaire voorziening uit de Middeleeuwen, nog steeds niet verleerd.
Over de oorsprong van deze term zijn de meningen verdeeld. Zo wordt er wel gesproken over een goot die door het huis liep met daarin een steen om het afval tegen te houden dat niet in de riolering hoorde. Echter, de meest gehoorde versie is het gebruik van een uitgeholde steen, die van het aanrecht door de gevel naar buiten stak, al dan niet aangesloten op een afvoerpijp.
Hoe dan ook: de gootsteen was in ieder geval een waterbak van natuursteen, die zich dikwijls in een nis in de muur bevond. Het benodigde water kwam in vroegere tijden uit een waterketel, hangend aan een haak boven de gootsteen. De afvoer werd gevormd door een goot, die vaak één geheel vormde met de waterbak en door de muur buiten uitmondde. Van dit laatste zijn nog steeds enkele voorbeelden te vinden, zoals in de Houtzagerssteeg in Kampen.

 

Gootsteen Houtzagerssteeg Kampen

Uitmonding van de goot door de buitenmuur, zoals nog te zien is in de Houtzagerssteeg te Kampen.
Bron (bewerkt): onbekend, mogelijk Stadsarchief Kampen


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Divers, waaronder Mokums
Foto’s © Uit de oude Koektrommel zijn gemaakt in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem
 
 

 
Duizenden jaren geleden was er al sprake van een soort van ‘Vaderdagviering’. Historici hebben aangetoond dat ongeveer 4000 jaar geleden in Babylon de jongeman Elmesu een ‘Vaderdagboodschap’ in een kleitablet had gekerfd, waarin hij zijn vader een lang en gezond leven wenste. De allereerste Vaderdagskaart dus.

Naar verluidt is Vaderdag in 1909 geïntroduceerd door Sonora Smart Dodd. Zij werd hiervoor geïnspireerd door Anna Jarvis, die een jaar eerder een Moederdag had gelanceerd. De reden voor een Vaderdag was dat de 27-jarige Sonora zich begon te realiseren welke opofferingen haar alleenstaande vader William Jackson Smart, veteraan uit de Amerikaanse Burgeroorlog, had moeten maken om zijn kinderen te laten opgroeien, nadat zijn vrouw in het kraambed bij de geboorte van hun zesde kind gestorven was. Sonora wilde de kracht en het doorzettingsvermogen van haar vader onder de aandacht brengen en vond dat als er een Moederdag was er ook een Vaderdag moest zijn.

 

Reclameplaat Vaderdag

Afbeelding van de reclameplaat die de Bond van Sigarenwinkeliers liet vervaardigen ter gelegenheid van vaderdag (Ontwerp: Speyer-Richter)
Bron: Delpher (Limburgsch Dagblad van 1 oktober 1937)

 
Na enige tegenstand, zoals de cynische vermelding in de lokale krant ‘The Spokesman-Review’: ‘a national fishing day would be better’, vond de eerste Vaderdag plaats op 19 juni 1910 in Spokane, de woonplaats van Sonora, in de staat Washington. Eigenlijk lag het in de bedoeling dat Vaderdag zou worden gevierd op 5 juni, de geboortedag van haar vader. Echter, door tijdgebrek bij de organisatie van deze eerste viering werd deze verschoven naar de derde zondag in juni.

 

Vaderdag

Waarom geen Vaderdag?
Bron: Delpher (Nieuwe Tilburgsche Courant van 12 mei 1936)

 
In Nederland werd er al met smart gewacht op een Vaderdag, zoals we kunnen lezen in de ‘Nieuwe Tilburgsche Courant’ van 12 mei 1936. Vanaf oktober 1937 was de Nederlandse Vaderdag dan eindelijk een feit. Het probleem was echter dat men vond dat het St. Nicolaas- en het Kerstfeest te snel volgden en de maanden mei en juni er eigenlijk toch geschikter voor waren. Moederdag viel al in de maand mei, dus restte er enkel nog de maand juni. Op initiatief van de toenmalige Nederlandse Bond van Herenmodedetaillisten werd daarop in 1948 afgesproken dat Vaderdag verplaatst zou worden naar de derde zondag van juni.

 

Vaderdag

Vaderdag wordt verplaatst van oktober naar juni
Bron: Delpher (Nieuwsblad van Friesland van 11 juni 1948)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia en Vaderdag
 
 

 
Brouwerij Berch

Gerrit (Janszoon) van den Berg, gedoopt op 17 december 1795 in Naarden, heeft tot halverwege de negentiende eeuw, evenals zijn zoon Christiaan, in de Bergstraat te Naarden gewoond. De naam Bergstraat, voorheen Langestraet, was ontleend aan de voormalige bierbrouwerij ‘Berch’ die daar gevestigd was en is mogelijk ontstaan na 1572.

Tussen de Turfpoortstraat en de Bergstraat stond tot in de zeventiende eeuw deze brouwerij Berch van de gelijknamige familie. Het erf was vanaf de Turfpoortstraat bereikbaar via een poortje. Boven het poortje zat een antiek gevelsteentje met de voorstelling van een biertonnetje.
Later kwam op deze plek een stadsboerderij te staan. De boerderij en het poortje werden rond 1938 afgebroken; het tonnetje verhuisde naar het Goois Museum te Hilversum.

 

Boerderij Turfpoortstraat-Bergstraat met het poortje van de brouwerij
Bron: Gooiland (embedded)

 
De familie Berch woonde al in de zestiende eeuw te Naarden. Janis Claeszoon Berch komt in 1540 voor als Schepen. Gerrit van den Berg zal geen familie van hen zijn geweest. De toponiemen ‘Berch’ en ‘van den Berg’ verschillen naar mijn mening nogal. Helemaal uitsluiten zonder grondig onderzoek kan ik het ook niet en het zou zeker een interessante aanvulling op de familiegeschiedenis zijn. Dan zou er niet uitgegaan moeten worden van de topografische betekenis ‘van den berg’, maar van ‘van den berch’ de brouwerij. Wel kan vastgesteld worden dat de gehele familie van den Berg uit Naarden en om precies te zijn uit Naarden-Vesting kwam.

Gerrit was achtereenvolgens arbeider, slagersknecht, vleeschhouwer, daghuurder en werkman van beroep en trouwde op 4 september 1816 te Hilversum met de in Amsterdam geboren Anna Maria Dettingmeijer. De vader van Anna Maria, Jost Hinrich Dedinkmeijer oftewel Joost Hendrik Dettingmeijer, werd in het Duitse Hannover geboren, maar het gezin woonde in Amsterdam en verhuisde daarna naar Enkhuizen.
Na het overlijden van Anna Maria trouwde Gerrit op 10 mei 1829 te Naarden met Johanna (Antje) Smitskamp, die in Bergambacht werd geboren. Tussen 1839 en 1856 woonde het echtpaar op Bergstraat 116.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gooiland en Noord-Hollands Archief
 
 

 
Richard Knowles, handschoenmaker van beroep, was afkomstig uit Engeland. Hij trouwde met de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin en samen woonden zij in de Boteringestraat te Groningen alwaar zij een winkel hadden.
De band met Engeland bleef bestaan. Zo werd er in de huwelijksinschrijving van zoon Hendrick vermeld: ‘van Londen in Engeland’ en zoon Jacobus was ‘ordinaris bode van Groningen op Londen’. Groot zal dan ook hun schrik geweest zijn toen het nieuws over de grote brand in Londen hun bereikte.

De grote brand van Londen begon kort na middernacht van zaterdag 1 september 1666 in een kleine bakkerij in Pudding Lane in het oosten van de stad in het huis van Thomas Farrinor, de bakker van koning Karel II. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Farrinor was vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Smeulende asresten zouden een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Farrinor werd rond één uur door de brand wakker en wist met zijn gezin te ontsnappen via een bovenraam. De meid van de bakker durfde echter niet over het dak, viel terug in de zolder en werd het eerste slachtoffer.

Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester, Sir Thomas Bludworth, wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Na het vuur met eigen ogen te hebben aanschouwd, verklaarde hij dat het om een kleinigheid ging (‘A woman might piss it out.’) en ging weer slapen.

De meeste gebouwen in Londen waren destijds uit brandbaar materiaal opgetrokken, zoals hout en stro. De overbevolkte stad had nog grotendeels een middeleeuws karakter. Daarbij was de zomer erg heet en droog geweest. De rondvliegende vonken werden aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor naastliggende panden vlam vatten en de brand zich zeer snel uitbreidde. Daarbij kwam dat de huizen zeer dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren waardoor het vuur eenvoudig kon overslaan.

Vier dagen later lag het overgrote deel van oud-Londen op de noordelijke oever van de Thames in as. Binnen de wallen van de oude stad bleef alleen de noord-oostelijke hoek gespaard. Daar werd de vuurzee bedwongen, juist voordat het de ‘Tower’ bereikte; tot opluchting van de goudsmeden, die er al hun edelmetaal in veiligheid hadden gebracht. De drukkers en de papier- en boekhandelaren waren minder gelukkig. Die hadden hun voorraden ondergebracht in de crypte van St. Paul’s kathedraal. Toen de papiermassa vlam vatte, leek het alsof de kathedraal explodeerde. Door de sterke wind uit zee breidde het vuur zich aan de westkant van de stad het verst uit, over de stadswallen, over de River Fleet, tot aan het begin van Fleet Street. In totaal raakten tachtigduizend mensen dakloos. In vierhonderd straten zijn meer dan dertienduizend huizen en zesentachtig kerken verwoest. Toen op woensdagavond de wind ging liggen en het vuur onder controle was, bestond het oude hart van Londen niet meer.

 

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel