Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn voorouderlijke lijn voorkomt, lijkt Maritje toch geen familie te zijn. Destijds had ik mij zeker gelukkig geprijsd niet tot haar familiekring te behoren. Nu, een kleine drie eeuwen later, moet ik in alle eerlijkheid bekennen het te betreuren dat de enige gemene deler de patroniem Jansen is. Een vijfvoudige familiemoordenares tussen al die hard ploeterende schaapherders en landbouwers zou toch een aangename en interessante afwisseling zijn in de Jansen-stamboom.

 

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: Delpher

 
Om meer te weten te komen over deze gifmengster is een duik in de rechtelijke stukken onvermijdelijk. Daarin wordt gesproken over ‘Maria’. In de kerkelijke registraties daarentegen wordt zij Maritje genoemd. Onduidelijk is of ‘Maritje’ enkel haar roepnaam is, of dat men spreekt over ‘Maria’ met het sensatiebeluste doel om het contrast tussen die naam en haar daden nog groter te maken. Voor het gemak houd ik de naam Maritje aan; de gebruikte naam in de oudste registratie.

Maritje Jansen wordt, naar eigen zeggen, in Bennekom geboren in 1677 als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Bennekomse Rijnsteeg, die gelegen is op het landgoed van kasteel Hoekelum. In 1697 duikt haar naam op in het kerkregister, wanneer Maritje op 21 december belijdenis van het geloof aflegt in de Nederduits-Gereformeerde Kerk van Bennekom.

 

Boerderij De Grampel
Bron: Drimble (embedded) (Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)


 
Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 
In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, waar zij drie jaar later aan de slag gaat als inwonende dienstmeid bij de paardenmeester Aert Gerritsen. Meermaals stuurt hij haar met een ordonnantie naar de apothekers in Rhenen en Wageningen. Gedurende haar verblijf bij de paardenmeester leert zij het nodige over medicijnen en gif. Op die manier doet zij kennis op over het genezen van diverse kwalen bij zowel mensen als dieren. Na zeven jaar houdt Maritje het voor gezien en vertrekt bij de paardenmeester.

 

 

Achterberg bij Rhenen.
Bron: Het Utrechts Archief (Licentie: Publiek Domein 1.0)

 
Het is inmiddels 1717 als zij haar intrek neemt als boerenmeid bij Teunis Janssen in de buurtschap Doesburg bij Ede. Hun relatie zal zich niet alleen tot het zakelijke beperken. Maria verklaart dat Teunis ‘na haer sou hebben gevrijd en sigh aen haer verlooft’. Tegen alle beloften van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Hij krijgt genoeg van Maria en zoekt zijn heil liever bij andere vrouwen. Hevig teleurgesteld zet Maritje haar deceptie om in wraak. Voor een dubbele stuiver koopt ze met een nog in haar bezit zijnde ordonnantie van de paardenmeester rattenkruit bij de haar wel bekende Wageningse apotheker Doijts. Nietsvermoedend overhandigt de beste man haar het gif, dat zij zorgvuldig in een doosje bewaart tussen kleding in één van haar kisten.
Op een maandagavond in de lente van 1723 is het zover; Maria roert het extra ingrediënt door de pap van Teunis, die direct ernstig ziek wordt. Hij sterft de woensdagochtend daarop rond de klok van achten. Volgens Maritje zou hij op zijn sterfbed hebben bekend berouw te hebben gehad niet met haar getrouwd te zijn. Uit vrije wil schenkt hij haar vierenzestig zilveren ducatons. Mogelijk als goedmakertje, mocht haar verklaring juist blijken te zijn.

 

Buurtschap Doesburg

‘Bourschap Dousburgh’ door Nicolaes van Geelkercken; 7 juli 1655.
Bron: Gelders Archief (Licentie: Publiek Domein 1.0)


 
Verklaring van Maritje over haar verloving

Verklaring van Maritje over haar verloving uit het Crimineel Sententieboek.
Bron: Gelders Archief


 
Crimineel procesdossier

Pagina uit het Criminele Procesdossier.
Bron: Gelders Archief

 
Maria blijft nog een kleine drieënhalf jaar in Doesburg wonen, waarna zij naar Bennekom vertrekt. Ze heeft een nieuwe man leren kennen: de in Bennekom wonende weduwnaar Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck. Gerrit is een nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Gerrit komt niet alleen. Uit zijn eerdere huwelijk, dat plaatsvond in Bennekom op 10 januari 1723, met de uit Spankeren afkomstige Maria ‘Marijtje’ Joosten heeft hij nog een zoontje Jan van bijna één jaar oud, die in Bennekom gedoopt is op 27 september 1725. Het stel trouwt op 21 juli 1726 in Bennekom.

 

Bennekom

‘Het dorp Bennecom’ door Nicolaes van Geelkercken; 17 april 1656.
Bron: Gelders Archief (Licentie: Publiek Domein 1.0)


 
Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: FamilySearch

 
Eenmaal getrouwd beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje is verre van goed te noemen. Ze besluit wederom het heft in eigen handen te nemen. Allereerst zal zij zich van haar schoonouders ontdoen, is haar plan. Eind 1727 trakteert zij hen ook op een smaakmaker in de pap. Binnen een half uur na het innemen van het rattenkruit krijgen beiden ‘de ziekte’. Haar schoonmoeder sterft vier dagen later. Schoonpa is wat taaier; hij sterft vijf dagen na zijn vrouw, eveneens op een zeer ellendige manier, zo wordt in het dossier vermeld. De kleine Jan van inmiddels tweeënhalf jaar oud is de volgende op haar bucketlist. Hij moet eraan geloven, omdat hij haar niet gehoorzaamt. Bestraffen heeft geen zin, want dat wekt enkel de woede van manlief op. Op 4 maart 1728 krijgt ook de kleine Jan een bordje pap voorgeschoteld. Vier à vijf uur later overlijdt de knaap.

 

Crimineel sententieboek

Gedeelte uit het Crimineel Sententieboek.
Bron: Gelders Archief

 
Doordat de ziektesymptomen als benauwdheid, braken en hevige pijn in het hele lichaam verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het bij deze vier personen was gebleven, dan zou er in feite niet zoveel aan de hand zijn voor Maritje. Echter, haar wraakgevoelens zorgen ervoor dat zij ernstig de mist in zal gaan met het laatste beetje rattenkruit uit haar geheime doosje. Haar wederhelft is het volgende slachtoffer. Als reden geeft Maritje aan dat Gerrit niet hard genoeg zou werken. Bovendien bracht hij tegen haar zin in veel tijd bij de buren door. Zo ook op de bewuste avond van dinsdag 22 februari 1729. Wederom spendeert hij zijn tijd bij de buren. Om een uurtje of negen keert hij fris en gezond huiswaarts, aldus de buren. Maritje fêteert hem op haar inmiddels beruchte kookkunsten. Anderendaags in de morgenstond klopt zij bij de buren aan met de mededeling dat Gerrit stervende is. Zij treffen Gerrit hevig brakend en benauwd aan met pijn in zijn hele lichaam. Maritje belet hen, naar eigen zeggen niet uit kwaadaardigheid, bier te geven om zijn overgrote dorst te lessen. Niet dat bier nog veel uit zal maken om het leven van Gerrit te redden.

 

Crimineel sententieboek

Gedeelte uit het Crimineel Sententieboek.
Bron: Gelders Archief

 
Met Gerrits wijze van overlijden gaan de alarmbellen echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld, getuigen gehoord en sectie verricht. Uit het onderzoek komt onder andere naar voren ‘Dat sij gevangene in die toestant aen desen haeren benauden en dorstigen man nogh heeft traghten te beletten dat men aen denselven geen bier genoegh tot lessinge van sijn overgroten dorst sou geven; Dat deese man hier op mede sijnde gestorven sigh van stonden aen uijt alle teekenen heeft geopenbaert, dat denselven vergeven moest sijn; Dat dit nader claer heeft gebleken, wanneer de Medicijns ’t dode lichaem hebben geopent en gevisiteert, dewijl alsdoen volgens afgegevene verclaeringe van deselve heeft geconst(at)eert, dat de maegh van desen haeren vergevenen en doden man meer als behoort is geswollen geweest, en deselve doorgesneden sijnde, dat daer in gevonden is een witaghtigh scherp en hart poeder omtrent een vierde part van een lepel uijtleverende en dat de meeste quantiteijt daer van is vastgeweest aen de maagh voornamentlijk op twe plaetsen, alwaer ’t voorn(oemde) poeder door sijn corroderende craght deselve op die plaetsen reeds eenigermaeten had doorknaegt, en dat voor overige de maegh over de grootste helfft is gegangreneert geweest, ’t welke volgens die verclaeringe der Medecijns niet anders heeft kunnen veroorsaekt sijn als door die vergiftige poeder en waer door dan ook de dood op een violente wijse absolute is veroorsaeckt geworden.

 

Verklaring sectierapport

Verklaring van de lijkschouwer, opgenomen door de Raad van Gelderland in het Crimineel Sententieboek.
Bron: Gelders Archief

 
Draait ze in eerste instantie nog wat om de hete brij heen; uiteindelijk bekent Maritje de vijfvoudige moord met voorbedachte rade op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Op 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelre en Zutphen haar ter dood wegens bewezen gepleegde vergiftiging. De strafeis luidt: ‘(…) om te worden gebragt ter plaetse daer men gewoon is criminele executie te doen, en aldaer door den Scherprighter gebonden op een houten kruijs, voor af viermalen met een gloeijende tange in ijder arm en ijder been eens te worden geknepen, en vervolgens van onderen op levendig beenen en armen aen stucken geslaegen, en daer nae cruijsweeghs over ’t lichaem nogh geslaegen sijnde haer hooft met een bijl te worden afgehouwen; Dat dit geschiet en hier op eenigen tijd ’t lichaem op ’t schavot ten toon gelegen hebbende, ’t selve vervolgens op een horde sal worden gesleept na den galgenbergh, en aldaer op een rat staende op een pael geleijt met ketenen daer aengehegt en haer hooft daer boven op een pinne te worden geset, anderen ten afschuwelijken exempel.’

 

Hof van Gelre en Zutphen; de strafeis tegen Maritje Jansen (Crimineel Sententieboek).
Bron: Gelders Archief

 
Mocht de straf nog niet zwaar genoeg zijn; De Raad dient op 15 maart 1729 bij de landdrost van Veluwe, Godart Adriaan van Reede tot Herrevelt, een verzoek in om de executie van Maria vooral niet te snel te laten geschieden, zoals bij ‘de Jooden in den jaere 1727 is geschiet’. Beter vindt men het de executie ‘met langhsaemheijt en ordentelijke onderscheidinge te doen en te voltrecken’. Men voegt daar nog aan toe: ‘Dat hij Scherp Richter meede in specie sal hebben in aght te neemen, dat bij ’t slaan op beenen en armen van deese gecondemneerde, deselve in stucken worden geslagen en soo wanneer hij sich daar omtrent niet vertrouwt dat hij als dan een ander in sijn plaatse sal hebben te neemen, opdat wij niet moogen genootsaeckt sijn bij ’t niet behoorlijk executeren van onse sententien tegens den scherprighter een nadere dispositie te neemen.
De scherprechter wordt overigens niet minder van deze klus. Volgens de onderstaande prijslijst kan hij voor zijn werk rekenen op een aanzienlijke vergoeding.

 

Uit het Memorie- en Resolutieboek.
Bron: Gelders Archief


 
Prijslijst scherprechter

De prijslijst van een scherprechter in de achttiende eeuw uit het archief van de Familie Van Randwijck.
Bron: Gelders Archief

 
Volgens commissaris Vanenburg, die het onderzoek leidt, verklaart Maritje op 14 maart 1729 specifieke wensen te hebben met betrekking tot haar na te laten goederen. Met name haar jongste zuster Teuijtje en haar zus Geert zullen het meeste opstrijken. ‘Maeckende voorts aan de armen tot Bennecom haere vaste goederen bestaende uijt de helfte van huijs, hoff en van ongeveer 5 schepel gesaeij bouland tot Bennecom gelegen.
Toch zal het één en ander anders verlopen. Vijf dagen eerder is de schout van Ede, Henricus Otters, namens de erfgenamen van Gerrit en Maritje namelijk al overgegaan tot de verkoop van al haar bezittingen, zo blijkt uit het extract uit ‘Het boeck van de Erffhuijsen in den Ampte van Ede’.
In de staat en inventaris van de nagelaten roerende en onroerende goederen wordt vermeld: ‘Huijs, hoff en een campjen bouwland voor d’ deur gelegen tot Bennecum, 1½ schepel bouwland mede aldaar gelegen gen(aam)t het Magere Ackertjen.’ Het erfhuis zou na aftrek van alle onkosten verkocht zijn voor 235 gulden en 5 stuivers. Over de koper Jan de Swart wordt vermeld dat hij daarvoor geen borg kon stellen. Of de verkoop om die reden is afgeblazen is mij niet bekend. Een klein jaar later, op 27 februari 1730, wordt bij akte geregistreerd dat Geertjen van Geijtenbeek, weduwe van Jan van Santen en Meijnsjen Janssen, weduwe van Henrick van Nieuwenhees, voor de ene helft en de diaconie van Bennekom voor de andere helft, overgaan tot de verkoop van ‘een schepel bouwland gen(aam)t het Magere Ackertjen‘ en ‘een huijs, hoff en berg met het daer bij gelegen bouwland, wallen, sloten en houtgewassen‘. Hiervoor wordt een bedrag van 987 gulden ontvangen; omgerekend naar de huidige koopkracht een dikke twaalfduizend euro.

 

Staat en inventaris

Gedeelte uit de staat en inventaris van de nagelaten roerende en onroerende goederen.
Bron: Gelders Archief


 
Notariele akte het Magere Ackertjen

De notariële akten van 27 februari 1730.
Bron: Gelders Archief

 
Maritjes laatste uur heeft geslagen. Alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen worden vanaf 1713 in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Op 19 maart 1729 valt dit lot ook Maritje ten deel. Nadat haar verminkte lichaam enige tijd op het schavot tentoongesteld is, wordt zij op een horde, een gevlochten slede van wilgentenen, ‘buijten gebracht’, oftewel naar het galgenveld gesleept. Daar wordt haar lichaam aan een rad vastgeketend en haar hoofd op een spies gezet totdat haar lichaam is vergaan. De Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Oude Deventerweg, is hiervoor een uitermate geschikte locatie; al het (handels)verkeer naar het noorden gaat over deze weg. Anderen ten afschuwelijken exempel…

 

Arnhem

De Oude Markt waar de strafvoltrekking van Maritje plaatsvindt.
Bron: Atlas van Loon (1649) via Wikimedia (Publiek Domein)


 
Arnhem; de Oude Deventerweg en de Galgenberg

Boven: De Janspoort gezien vanuit het westen. Links aan de horizon de Galgenberg (ca. 1700).
Bron: Gelders Archief (Licentie: Publiek Domein 1.0)
Onder: Kaart van het St. Martenskerkhof gelegen buiten de Jans- en Velperpoort, alsmede van de Oude Deventerweg buiten de Janspoort tot de Galgenberg rechts (1766).
Bron: Gelders Archief (Licentie: Publiek Domein 1.0)

 
Hoe vreselijk haar daden ook geweest mogen zijn, de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gelders Archief, Vereniging Oud Scherpenzeel en De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom)
 
 

 
Jaren geleden kreeg ik van een familielid een plastic tasje met foto’s. Ik ‘moest maar kijken of ik er iets mee kon…’ Het tasje bleek een handjevol ‘pareltjes’ te bevatten. Een zeer welkome aanvulling op de toch al geringe hoeveelheid oude familiefoto’s, die binnen onze familie circuleert.
Bijzondere vondsten waren de foto’s van mijn betovergrootmoeders Helena van Deelen en Louise Jansen. Grootmoe Leen en Grootmoe Wies, de beide grootmoeders van mijn oma.

Helena werd als vierde dochter van de Bennekommer boerenknecht, dagloner en arbeider Aalbert van Deelen en de uit Otterlo afkomstige boerenmeid en arbeidster Dientje Freriks op 11 oktober 1858 ’s avonds om acht uur geboren in Otterlo. Tot aan haar huwelijk zou Helena in Otterlo blijven wonen.
Op 26 april 1879 trouwde Helena, twintig jaar oud, in Ede met de zeven jaar oudere Wageninger arbeider Casper Vermeer, weduwnaar van Grietje Riggelink. Na het huwelijk gingen Helena en Casper in Bennekom wonen. Op 30 oktober van hetzelfde jaar werd hun oudste zoon geboren, die slechts achttien dagen oud zou worden. Er volgden nog twee zonen, vijf dochters en twee levenloos geboren kinderen. In 1916 werd Helena weduwe; zij zelf overleed in Bennekom op 17 januari 1938, negenenzeventig jaar oud.

 

Helena van Deelen

Helena van Deelen
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Geboorteakte Helena van Deelen

Geboorteakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief


 
Gerecontrueerde PK van Helena van Deelen

Gerecontrueerde persoonskaart van Helena van Deelen.
Bron: Archieval


 
Overlijdensakte Helena van Deelen

Overlijdensakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 
Louise werd op 15 oktober 1860 ’s avonds om negen uur in Ede geboren als oudste dochter van de uit Ede afkomstige smid en arbeider Cornelis Jansen en spinster Gerritje van de Weerd. Het gezin liet zich op 21 november 1870 uitschrijven van Ede Dorp 71 naar Woudenberg om later weer in Ede neer te strijken.
Louise trouwde, 20 jaar oud, op 16 april 1881 in Ede met de Bennekommer boerenknecht en arbeider Rut Hulstein. Ook Rut en Louise vestigden zich na hun trouwen in Bennekom. Hun oudste zoon werd geboren op 6 november van hetzelfde jaar. Er zouden nog drie zonen en zes dochters volgen. Louise overleed op 25 december 1932 te Bennekom op tweeënzeventigjarige leeftijd; ruim drie weken later gevolgd door haar man.

 

Louise Jansen

Louise Jansen
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Geboorteakte Louise Jansen

Geboorteakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief


 
Gereconstrueerde PK van Louise Jansen

Gereconstrueerde persoonskaart van Louise Jansen.
Bron: Archieval

 
Opvallend is de vermelding ‘Groep de Laar’ op de gereconstrueerde persoonskaart. In de ‘Straatreconstructie van J.G. Hartgers’ wordt dit niet vermeld. Vanaf 1921 zijn in het arme noordoostelijke gebied van Bennekom met verspreide bebouwing de straatnamen ‘Laarweg’ en (het inmiddels verdwenen) ‘Laarpad’ ingevoerd. Onderscheid wordt er tevens gemaakt tussen ‘Laarweg’ en ‘De Laar’. De vermelde huisnummers 34, 35a en 17 ontbreken bij de adressen, die J.G. Hartgers vermeldt voor ‘De Laar’. Het is dan ook aannemelijk dat ‘Groep de Laar’ een deel was van ‘De Laar’ en mogelijk het vroegere ‘Laarpad’.

 

Overlijdensakte Louise Jansen

Overlijdensakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Een foto van rond 1926 met daarop de eigenaar van een schildersbedrijf in Bennekom, Jan de Groot, en zijn personeel. Onder het personeel valt ook mijn overgrootvader Hendrik Jansen. Naar alle waarschijnlijkheid is het de man met snor zittend op de trap. Wat zijn beroep als schilder betreft treedt hij daarmee in de voetsporen van zijn vader Jan Jansen.

 

Hendrik Jansen

Jan de Groot met zijn personeel rond 1926
Bron: Eigen collectie (kopie; auteursrechten onbekend)

 
Mijn overgrootvader wordt op 4 november 1887 geboren in Bennekom als zoon van Jan Jansen en Reintje Hendrika Magrieta Buis . Op de foto moet hij dus tegen de veertig jaar oud zijn.
Als Hendrik zeven jaar oud is overlijdt zijn vader en op vijftienjarige leeftijd verliest hij ook zijn moeder. Bij wie hij en zijn twee broertjes Gerrit en Jan en zusje Neeltje in huis komen of wie als voogd wordt aangesteld is helaas niet bekend.

 

Geboorte Hendrik Jansen, Ede 4 november 1887

Geboorteakte van Hendrik Jansen; Ede, 4 november 1887.
Bron: FamilySearch

 
Op 2 september 1911 trouwt hij in Gemeente Ede met de inmiddels zwangere Fokelina van Ludolphij, naaister van beroep. Zij is de jongste dochter van kleermaker Christiaan Ludolphij en Grietje Dijkhuis en wordt op 21 juni 1891 in Midwolda geboren. Vader Christiaan brengt de Ludolphi-tak dus van het Groningse Midwolda naar het Gelderse Arnhem. Dit moet ergens tussen 1898 en 1908 gebeurd zijn. Fokelina woont tot aan haar huwelijk in Arnhem.

 

Geboorte Fokelina van Ludolphij, Midwolda 21 juni 1891

Geboorteakte van Fokelina van Ludolphij; Midwolda, 21 juni 1891.
Bron: AlleGroningers


 
Huwelijksakte Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij

Huwelijksakte van Hendrik Jansen en Fokelina van Ludolphij; Ede, 2 september 1911.
Bron: FamilySearch

 
Mijn pasgetrouwde overgrootouders gaan in Bennekom Dorp wonen. Daar worden mijn opa Jan en zijn broertje Christiaan (Chris) geboren. Vervolgens vertrekt het gezin op 25 januari 1916 voor een jaartje naar Wageningen om op 10 januari 1917 weer terug te keren naar hun oude adres in Bennekom. Hier zullen zij wonen tot 1921, het jaar dat zij verhuizen naar Brinkerweg 40, waar zoon Rijnder Hendrikus (Drikus) en dochter Margrietha Neeltje (voor mij bekend als ‘Tante Zus’) geboren worden. Tussen 15 oktober 1921 en 8 december 1922 komen de ouders van Fokelina op dit adres bij het gezin inwonen, om daarna weer terug te keren naar Arnhem. Na vier jaar vertrekken mijn overgrootouders in november naar De Laar 11a, in februari 1928 vervolgens naar De Laar 7c, in 1930 naar  Strooijweg 27 om op 11 maart 1937 uiteindelijk uit te komen op Prins Bernhardlaan 39.

 

Strooijweg Bennekom

De Strooijweg in Bennekom.
Bron: Eigen collectie (kopie; auteursrechten onbekend)

 
Opa en Opoe Jansen heb ik nog mogen kennen. Als je er op bezoek kwam kreeg je als kind steevast een glaasje ranja. Eigenlijk mocht ik dat van mijn moeder niet aannemen, want opoe stofte volgens haar de glazen namelijk af met de stofdoek waar hun kat doorgaans op lag te slapen. Dat kwam doordat ze ‘vergeetachtig’ was, maar mijn moeder vond het toch maar een ‘vieze bedoening’. Zelf zag ik destijds het probleem niet zo.

Van opa kan ik mij niet veel meer herinneren, behalve dat hij heel oud was. Althans, dat vond ik als klein kind. Nou was toentertijd iedereen van boven de pakweg vijftig jaar in mijn ogen al hoogbejaard! Opa had wel een intrigerende ‘toeter’ vanwege zijn doofheid. Wilde je iets tegen hem zeggen dan moest je hem aantikken. Hij pakte dan zijn toeter en vervolgens werd je geacht daarin te praten. Echter, opa was zo doof dat je vaak de longen uit je lijf moest schreeuwen wilde hij je enigszins kunnen verstaan! Een leuk spelletje voor ons als klein- en achterkleinkinderen. We hadden heel wat te vertellen, hoor!

Opoe Jansen kwam tot haar overlijden altijd bij al haar klein- en achterkleinkinderen op verjaardagsvisite. Nog zie ik haar stilletjes zitten in de fauteuil met haar lange haren in een vlecht om haar hoofd vastgespeld en haar dikke panty veel te losjes om haar benen (waar je als kind al niet op let). Geduldig wachtte ze tot je het presentje bij haar kwam halen. Als een soort van audiëntie. Maar dat hoorde zo bij ‘oudere mevrouwen’.

Bijna een halve eeuw later (en hoogbejaard!) besef je pas hoe bijzonder en mooi dergelijke herinneringen aan je overgrootouders eigenlijk zijn…

 

Opa en Opoe Jansen

Opa en Opoe Jansen op respectievelijk 82-jarige en 78-jarige leeftijd.
Bron: Eigen archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel