De ‘verdwenen’ Joseph Ubeda

30 augustus 2018 at 13:03

 
Joseph Ubeda werd op 16 november 1830 ’s nachts om één uur geboren in Nijmegen. Hij was de derde zoon uit een gezin met veertien kinderen, waarvan de oudste voortkwam uit een relatie van moeder Maria Giesbers met een, voor ons althans, onbekende man. Zijn vader was de uit het Spaanse Huèrcal de Almeria afkomstige José Antonio Rueda de Ubeda; stamvader van de familie Ubeda in Nederland.

 

Geboorteakte Joseph Ubeda

Geboorteakte van Joseph Ubeda.
Bron: Gelders Archief

 
Dat Joseph hoogstwaarschijnlijk naar het buitenland was vertrokken leek aannemelijk. In Nederland was maar weinig informatie over hem te vinden. Het lotingsregister van Nijmegen vermeldde, naast de gebruikelijke gegevens, alleen ‘No. 208’. Dat leverde dus geen enkel aanknopingspunt op. De periode, waarin hij het ouderlijk huis verlaten zou hebben, balanceerde bovendien op het randje van de invoering van het vastbladig bevolkingsregister, wat het ‘opsporen’ bemoeilijkte.
Uiteindelijk wordt zijn vermelding gevonden in het bevolkingsregister van Amsterdam: ingeschreven op het adres Elandsgracht-Klaverbladsgang No. 224 A, ongehuwd, Rooms Katholiek, knecht van beroep en ‘dienst genomen zonder kennisgeving’. Dit was meteen het voorlopig laatste teken van leven van Joseph in Nederland.

 

De Elandsgracht (NZ) met ‘Fort Sjako’ rond 1885. Een stukje verderop tussen de nummers 52 en 56 bevond zich de Klaverbladsgang.
Bron: Elandsgracht (embedded)

 

Bevolkingsregister Amsterdam

Aanknopingspunt in het bevolkingsregister van Amsterdam: ‘dienst genomen zonder kennisgeving’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Met als enig aanknopingspunt ‘dienst genomen zonder kennisgeving’, kon het spitten in de militaire stamboeken dus beginnen. Aangezien zijn oudere broers bij het Regiment Infanterie waren terechtgekomen, zou dat de eerste gok moeten zijn. Zijn vermelding werd al snel gevonden in de klapper van het 3e Regiment Infanterie. De inschrijving in het stamboek leverde verwijzingen en inschrijfnummers naar en van andere regimenten op.

Joseph had volgens zijn signalement een lengte van 1.603 meter, een ovaal gezicht, een rond voorhoofd, een spitse kin, normale neus en lippen, bruin haar, blauwe ogen, bruine wenkbrauwen en een litteken boven zijn linker oog. Als laatste woonplaats werd Rotterdam vermeld, waar hij werkzaam was geweest als knecht in een koffiehuis.
Op 25 April 1849 werd hij als reserve milicien voor de tijd van vijf jaar ingedeeld bij het 7e Regiment Infanterie als nummerwisselaar van Eduardus Wilhelmus Friebels van de lichting van 1849 van Nijmegen. Daar zal vast een welkome beloning tegenover gestaan hebben.
Vanaf 20 Mei 1850 kwam hij in actieve dienst, amper 3 maanden later gevolgd door groot verlof.

 

Inschrijving stamboek 7e Regiment Infanterie

Gedeelte van de inschrijving in het stamboek van het 7e Regiment Infanterie.
Bron: FamilySearch

 
Joseph ging op 5 maart 1851 als milicien over naar het 3e Regiment Infanterie met een vrijwillige verbintenis voor de tijd van zes jaar. Hij kreeg hiervoor een premie van 20 gulden. Ruim drie jaar later, op 15 mei 1854, werd Joseph geroyeerd als milicien en als vrijwilliger aangemerkt. Op 18 december 1856 werd hij ‘gereëngageerd’ voor de tijd van zes jaar, ingaande 5 maart 1857, met een handgeld van 25 gulden.
Op 1 mei van datzelfde jaar besloot Joseph een nieuwe verbintenis te tekenen voor de tijd van zes jaar bij het Koloniaal Werfdepot, ingaande op de dag van inscheping naar de overzeese bezettingen in Oost-Indië en met een premie van 85 gulden.

Het lijkt voor de hand liggend dat Joseph heeft ingetekend bij het belangrijkste werfdepot voor het Oost-Indisch Leger in Harderwijk. Het Koloniaal Werfdepot was het legeronderdeel dat in Nederland rekruten aanwierf en de soldaten in een zesweekse opleiding klaarstoomde voor hun dienst in de Oost. In de tijd van Joseph was dit een beroepsleger, aangezien de grondwet de uitzending van dienstplichtigen naar de koloniën verbood, en viel na inscheping onder het Ministerie van Koloniën.

 

Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat

Het Koloniaal Werfdepot (Oranje Nassau Kazerne) aan de Smeepoortstraat te Harderwijk.
Bron: Wikipedia (public domain)

 
Lang hebben zijn werkzaamheden voor het Koloniaal Werfdepot niet geduurd. Gelet op de vermelde data is het zelfs nog maar de vraag of hij zijn bestemming in Oost-Indië bereikt zal hebben. Op 12 juli 1857 stapte Joseph namelijk over aan boord van het schip Willem en Carel met bestemming West-Indië, dienende als jager 2e klas in het 27e Bataljon Jagers.

 

Stamboek Koloniaal Werfdepot

Gedeelte uit het stamboek van het Koloniaal Werfdepot.
Bron: FamilySearch

 

Stamboek Suriname Joseph Ubeda

Inschrijving van Joseph Ubeda in het West-Indisch stamboek.
Bron: GaHetNa

 
Uiteindelijk zou hij terecht komen in de Surinaamse militaire post Republiek aan de Coropinakreek. Deze post was destijds alleen bereikbaar over het water en lag in het Paragebied, het oudste plantagegebied van Suriname, dat bekend stond om de productie van suiker en houtskool voor brandstof.
Waarschijnlijk heeft Joseph nog de slavenopstand in de plantage Vier Kinderen van 1857 meegemaakt, die uitbrak na het aantreden van een nieuwe directeur. Nadat de opstandigheid van de slaven al zo’n acht maanden gaande was, werden er uiteindelijk 120 militairen van de militaire post Republiek op de ongeveer 180 slaven afgestuurd, waarbij 17 ‘belhamels en opstokers’ werden opgepakt.

Joseph overleed plotseling in de militaire post Republiek op 8 maart 1859, nalatende 7 gulden en 9 cent; een bedrag dat omgerekend vandaag de dag rond 75 euro zal liggen.

 

Militaire post Republiek

Aquarel ‘Military post ‘Republiek’ by the Coropina Creek’ rond 1860 (bewerkt).
Bron: Nationaal Museum van Wereldculturen (Rechten: CC BY-SA 4.0)


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: FamilySearch, GaHetNa, Wikipedia (Republiek), Wikipedia (Koloniaal Werfdepot) en Paranen tussen stad en bos
 
 

Theodorus, van Pauselijk Zouaaf tot landloper

2 februari 2017 at 15:56

 
De link van het Zouavenmuseum naar een namenlijst van Nederlandse zouaven intrigeert me. Puur uit nieuwsgierigheid en absoluut niet met de verwachting of het vermoeden een zouaaf in de familie te hebben geef ik lukraak wat familienamen in. De naam van Theodorus Ubeda verschijnt al snel in de lijst. Een familielid, dat is duidelijk. Net zoals het direct duidelijk is dat zijn geboortejaar onmogelijk correct kan zijn. Het opgegeven jaartal is 1830. In dat geval zou het een zoon betreffen van de uit Spanje gevluchte José Antonio Rueda, die zich in Nijmegen vestigde en uit veiligheidsoverwegingen zijn moeders achternaam Ubeda heeft aangenomen voor de Burgerlijke Stand. Theodorus past niet in het rijtje met kinderen. Het betreft hier echter de kleinzoon van José, geboren in 1850. De oom van mijn oma. En daarmee is de zoektocht begonnen…

 

Geboorteakte Theodorus Ubeda

Geboorteakte van Theodorus Ubeda; Burgerlijke Stand Nijmegen 3 april 1850.
Bron: zoekakten.nl

 
Theodorus wordt om drie uur ’s nachts op 3 april 1850 in Nijmegen geboren als Theodorus Peperkamp, aangezien zijn moeder Wilhelmina Peperkamp hem ongehuwd ter wereld heeft gezet. Later in het jaar, op 21 november, wordt Theodorus wettelijk erkend bij het huwelijk tussen zijn ouders Johannes Ubeda en Wilhelmina Peperkamp. Johannes is op dat moment werkzaam als houthakker en Wilhelmina als naaister.
In welke straat Theodorus wordt geboren is onbekend. Vermoedelijk zal dit in het huis van zijn grootouders zijn geweest, aangezien Johannes vanuit een ander adres dan Wilhelmina en Theodorus met zijn gezin aan het Karrengas (Wijk B nr. 595) gaat wonen. In dit huis, dat nog met andere gezinnen gedeeld moet worden, brengt Theodorus zijn eerste levensjaar door.

 

Karrengas Nijmegen

Het Karrengas in Nijmegen, waar Theodorus het eerste jaar van zijn leven heeft doorgebracht.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Bevolkingsregister Karrengas 1850

Bevolkingsregister Karrengas Nijmegen 1850
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Het gezin neemt vervolgens intrek in het huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 524) waar de ouders van Wilhelmina, Theodorus Peperkamp en Cornelia Martens, en haar broer Hendrikus ook woonachtig zijn. Lang zullen ze hier niet wonen, want vóór november 1851 verhuizen ze naar de Bloemerstraat (Wijk B nr. 199). Hier zal het gezin worden uitgebreid met twee zonen en drie dochters. Eén dochtertje overlijdt jammerlijk genoeg op tweejarige leeftijd.

Johannes en Wilhelmina houden het weer voor gezien op de Bloemerstraat en keren terug naar het Zwanengas. Dit keer wordt het nummer 534. Johannes is ondertussen metselaarsknecht en de jonge Theodorus borstelmakersleerling.

 

Zwanengas Nijmegen

Het Zwanengas in Nijmegen.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
Intussen doet Paus Pius IX vanaf 1860 herhaaldelijk een oproep aan de gehele katholieke wereld om jonge, ongehuwde Rooms-Katholieke mannen te sturen om samen met Frankrijk de Kerkelijke Staat te verdedigden tegen de aanvallen van Victor Emanuel II, koning van Italië, en diens bondgenoot Giuseppe Garibaldi, een antiklerikaal liberaal-nationalist. Deze beide heren strijden voor staatkundige eenheid in het land, wat dus een gevaar zou opleveren voor de onafhankelijkheid van de Kerkelijke Staat.

De ‘Roomse’ Theodorus besluit gehoor te geven aan de oproep en vertrekt op 26 november 1867, pas zeventien jaar oud, uit Nijmegen met bestemming Rome om zich als vrijwilliger aan te sluiten bij het ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’, de ‘Zuavi Pontifici’, onder leiding van een Franse generaal. Het woord ‘zouaaf’ komt via het Franse ‘zouave’, oorspronkelijk ‘zuavas’, van het Arabische ‘zouaoua’, de naam van een Berberstam in Algerije, die zich aan de Fransen had onderworpen en waaruit een keurkorps van het Franse leger was gevormd.

 

Uniformen van de Pauselijke Zouaven

Uniformen van de Pauselijke Zouaven.
Bron (bewerkt): historiek.net

 
Met op zak een door de pastoor opgemaakte aanbevelingsbrief waaruit zijn katholieke toewijding blijkt, gaat de reis via het Pensionaat Saint Louis in het Brabantse Oudenbosch, het voornaamste verzamel -en vertrekpunt van de aspirant-zouaven vanuit Nederland in de jaren 1864-1870. De vrijwilligers gaan van hieruit door naar Brussel voor een medische keuring. Worden zij goedgekeurd dan tekenen zij een tweejarig dienstverband. Vanuit Brussel vervolgt de reis per stoomtrein naar Marseille en vandaar per schip naar Civitavecchia, een havenplaats in de buurt van Rome. In Rome volgt een tweede en strengere keuring.
Op 5 augustus 1870 roept Frankrijk zijn troepen terug, omdat het zojuist de oorlog heeft verklaard aan Pruisen. Door deze terugtrekking weet het Italiaanse leger het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat te bezetten. De eenheid van Italië met Rome als nieuwe hoofdstad is nu gerealiseerd. Paus Pius IX trekt zich, om verder bloedvergieten te voorkomen, als vrijwillige gevangene terug in het Vaticaan. Het Regiment der Pauselijke Zouaven wordt ontbonden en de zouaven worden huiswaarts gestuurd.

Theodorus verlaat Rome na het verlopen van zijn tweejarig dienstverband. Een meegegeven militair paspoort geldt als reisdocumentatie. Op 8 januari 1870 laat hij zich weer inschrijven in het huis van zijn ouders aan het Zwanengas. Ongetwijfeld zal hij, zoals dat geldt voor alle terugkerende Pauselijke Zouaven, als held zijn onthaald door zijn familie en de katholieke gemeenschap.
De Nederlandse overheid was echter minder enthousiast. Is er vooraf geen verlof aangevraagd om in vreemde krijgsdienst te treden dan verliest de zouaaf bij thuiskomst zijn staatsburgerschap en heeft hij als staatloze geen enkel recht meer op welke vorm van ondersteuning dan ook door de overheid. Slechts een kleine tweehonderd van de ruim drieduizend vrijwilligers hebben hun nationaliteit behouden door een verzoek in te dienen bij Koning Willem III.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1860

Op 26 november 1867 vertrekt Theodorus met bestemming Rome en laat zich op 8 januari 1870 weer in Nijmegen inschrijven.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Vertrek naar Rome 26 november 1867

Vertrek naar Rome op 26 november 1867.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Inschrijving Nijmegen 8 januari 1870

Inschrijving Nijmegen op 8 januari 1870 in het ouderlijk huis aan het Zwanengas (Wijk B nr. 534).
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Het jaar daarop vertrekt Theodorus op 21 april voor ruim een jaar naar Zaltbommel. De reden van zijn verblijf daar is onbekend, maar het zou te maken kunnen hebben met de behoorlijk aanwezige industrie en dus werkgelegenheid in die plaats. Op 25 juli 1872 keert hij weer terug naar zijn ouderlijk huis in Nijmegen.

 

Uitschrijving Nijmegen 21 april 1871

Vertrek naar Zaltbommel op 21 april 1871.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 

Inschrijving Zaltbommel 21 april 1871

Inschrijving in Zaltbommel op 21 april 1871. Het verblijfadres is onbekend.
Bron: zoekakten.nl

 

Inschrijving Nijmegen 25 juli 1872

Inschrijving in Nijmegen op 25 juli 1872 vanuit Zaltbommel, wederom in het ouderlijk huis aan het Zwanengas.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Een maand later trouwt hij met de Nijmeegse Berendina Faber, geboren op 26 februari 1849 als dochter van Adrianus Faber en Hendrina Reijntjes. Theodorus is op dat moment borstelmaker van beroep. Naast de geboorteakten van Theodorus en Berendina wordt een extract van de Nationale Militie Provincie Gelderland overlegd met daarin de mededeling dat ‘hem bij de loting is ten deel gevallen No. 102, en dat hij vervolgens door Gedeputeerde Staten, uit hoofde van ‘ligchaamsgebrek’ van de dienst is vrijgesteld.’ Door dit extract kan gesteld worden dat Theodorus zijn staatsburgerschap niet is verloren.
Volgens het lotingsregister van Nijmegen blijkt het te gaan om bijziendheid, artikel 340. Dit artikel is terug te vinden in het reglement op het geneeskundig onderzoek omtrent de geschiktheid voor de krijgsdienst te land en te water (Koninklijk Besluit van den 25sten Maart 1862), en luidt:

‘N°. 340. Bijziendheid (myopia) op beide oogen, of op het regteroog, in dien graad, dat na opheffing van het accommodatie-vermogen op het regteroog, hiermede door den hollen bril n°. 8 (hebbende een negatief brandpunt van 216 Ned. strepen), uit den brillen toestel, letters, cijfers of figuren van 3 Nederlandsche duimen hoogte, breedte en daaraan geëvenredigde dikte, geschreven met wit krijt, op een zwart, goed verlicht bord, op een afstand van 8 Nederlandsche ellen goed of althans beter gezien worden dan door hoogere nummers (zwakkere glazen) uit dien toestel; of wel dat, zonder opheffing van het accomodatie-vermogen door denzelfden bril, zeer kleine drukletters of figuren ter grootte ongeveer van een Nederlandsche streep (bijv. n°. 3 van Jaeger), op een afstand van één Nederlandsche palm goed of althans beter gezien worden, dan door zwakkere glazen.’

Uit het lotingsregister van Nijmegen en de inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie kan worden opgemaakt dat de ‘aangifte der inschrijving’ is gedaan door zijn vader. Op 10 mei 1870 wordt Theodorus ingelijfd bij het 8e Regiment Infanterie. Vervolgens is hij ‘voor de dienst ongeschikt verklaard wegens bijziendheid, blijkens besluit van Heeren Gedeputeerde Staten van den 25 Mei 1870 no.39’ en aldus ‘den 25 Mei 1870 ingevolge art. 116 der militiewet uit de dienst ontslagen’. Later in zijn leven zal blijken dat er als ‘kenmerk’ alleen een litteken van vier centimeter op zijn voorhoofd wordt geregistreerd en dat hij twee stijve vingers heeft aan zijn rechterhand.

 

Lotingsregister Theodorus Ubeda

Lotingsregister van Nijmegen.
Bron: militieregisters.nl

 

Stamboek Theodorus Ubeda

Inschrijving in het stamboek van het 8e Regiment Infanterie..
Bron: FamilySearch

 

Extract van de Nationale Militie in de huwelijksbijlagen.
Bron: zoekakten.nl


 
Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872

Huwelijksakte Theodorus Ubeda en Berendina Faber, Nijmegen 29 augustus 1872.
Bron: Gelders Archief

 
Het stel trekt in bij de ouders van Theodorus en zijn nog thuis wonende broers en zussen in het huis aan het Zwanengas. In het voorjaar van 1875 verhuizen Theodorus en Berendina met hun inmiddels drie geboren kinderen Johannes, Adrianus Theodorus en Theodorus naar de Bloemerstraat (Wijk B) nummer 184 op de derde verdieping. In de jaren die volgen variëren de huisnummers aan de Bloemerstraat van 184 naar 30 en 31. Het lijkt erop dat er in die tijd een herziening van de huisnummering heeft plaatsgevonden en dat de nummers 184 en 30 betrekking hebben op hetzelfde huis.

Het zit Theodorus en Berendina beslist niet mee. Hun zoontje Adrianus Theodorus overlijdt met drie maanden en net nu ze de nieuwe woning betrokken hebben overlijdt ook hun zoontje Theodorus in de leeftijd van vier maanden. Het jaar erop begint goed: er wordt een zoontje geboren dat eveneens de naam Theodorus krijgt. Toch slaat het noodlot wel heel drastisch toe in de twaalf jaar die volgen, alhoewel de kindersterfte in die tijd sowieso vrij hoog is. Vijf kinderen komen levenloos ter wereld, dochtertje Maria Wilhelmina overlijdt op eenjarige leeftijd en zoontje Petrus Wilhelmus redt het nog net geen elf maanden. Uiteindelijk wordt nog zoon Willem Petrus geboren, die evenals zijn broers Johannes en Theodorus de volwassen leeftijd weet te bereiken.

 

Bloemerstraat rond 1895

De Bloemerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen

 
In de tussentijd is het gezin verhuisd van Bloemerstraat 31 naar het Zwanengas 64 en 71 om uit te komen op de Hamerstraat 30. Alhoewel ‘Hamerstraat’ duidelijk genoteerd staat in het bevolkingsregister roept dit toch wel wat vragen op. Het gezin betrekt deze woning in ieder geval vóór 1901. Bij mijn weten was dit destijds nog de Verlengde Molenstraat en werd ter gelegenheid van de onthulling van het beeld van Bisschop F.H. Hamer op 28 september 1902 de straat pas officieel naar de bisschop vernoemd.

 

Hamerstraat Nijmegen 1895

De Hamerstraat in Nijmegen rond 1895.
Bron: Facebookgroep Oud Nijmegen

 
Hoe het Berendina aan het begin van de twintigste eeuw vergaat is mij onbekend. Zij overlijdt op 26 december 1923 op vierenzeventigjarige leeftijd in Nijmegen. Met Theodorus gaat het in ieder geval niet de goede kant op. Op 12 januari 1900 wordt hij door het Kantongerecht van Nijmegen veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens dronkenschap, aangezien dit al de vierde keer is dat hij hiervoor wordt opgepakt. Deze straf zit Theodorus uit in de gevangenis van Hoorn van 14 april tot 13 juli 1900.
Op 26 november 1900 wordt er het bevel tot voorlopige aanhouding uitgevaardigd door de rechter commissaris van ‘s-Hertogenbosch in verband met landloperij. Op 11 december 1900 wordt Theodorus veroordeeld voor landloperij door de Arrondissementsrechtbank ‘s-Hertogenbosch en voor drie jaar naar de Rijkswerkinrichtingen in Veenhuizen gestuurd. Van 15-17 december 1900 zat Theodorus in hechtenis in de gevangenis van ‘s-Hertogenbosch. In zijn signalementsbeschrijving wordt als kenmerk vermeld: twee stijve vingers aan de rechterhand.

 

Theodorus Ubeda gevangenis Hoorn

Registratie in het boek van de gevangenis in Hoorn.
Bron: NoordHollands Archief

 
Ondanks dat landlopers een bekend verschijnsel zijn op het platteland en vaak in de gemeenschap worden geaccepteerd, omdat ze nuttig zijn als dagloner, worden ze vooral door de gegoede burgerij in de negentiende eeuw niet meer getolereerd en al bij voorbaat verdacht. In het Nederlandse Wetboek van Strafrecht uit 1809 wordt daarom landloperij als een overtreding opgenomen; rondzwerven zonder aantoonbare middelen van bestaan wordt strafbaar gesteld. De gedachte hierachter is, dat iemand die sterk genoeg is om rond te reizen, ook sterk genoeg is om te kunnen werken. Dat er vaak geen werkgelegenheid is, wordt daarbij genegeerd. Men is voornamelijk bang voor diefstal en ander crimineel gedrag.
De opgepakte landlopers worden veelal ‘tewerkgesteld’ in het oosten van Nederland, waar ze in heropvoedingskampen onder andere aan landontginning in de veengronden, op het land en in de fabrieken werken.
Dit lot valt ook Theodorus ten deel. Hij wordt naar de Rijkswerkinrichting van de strafkolonie Veenhuizen gestuurd door de rechter, waar hij op 6 maart 1901 wordt ingeschreven als ‘inwoner’. Het transport gaat met een groep per trein en vanaf Assen op een schip van de Drentse Stoombootmaatschappij.

Hoogstwaarschijnlijk zal Theodorus in het Tweede Gesticht van Veenhuizen terecht zijn gekomen. Veenhuizen II is de inrichting voor bedelaars en landlopers, de zogeheten ‘verpleegden’. Zij worden als zieken gezien: mensen die moeten genezen van hun luiheid. Later zou het Tweede Gesticht ook onderdak bieden aan souteneurs en andere wetsovertreders.
Uit de gegevens op de signalementskaart weten we dat Theodorus een lengte heeft van één meter vijfenzestig, donkerbruin haar, lichtblauwe ogen, donker behaard is en een litteken heeft op zijn voorhoofd. Ook is hij niet in het bezit van identiteitspapieren. En… geen eerdere veroordeling en geen militaire diensten!

 

Signalementskaart Theodorus Ubeda 1

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 1.
Bron: alledrenten.nl


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 2

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 2.
Bron: alledrenten.nl


 
Signalementskaart Theodorus Ubeda 3

Signalementskaart Theodorus Ubeda deel 3.
Bron: alledrenten.nl

 
De meetsessie volgens de Bertillon-methode neemt een uur in beslag. Vervolgens wordt er gebaad, geknipt en ontluist. Theodorus wordt ondergebracht in het Gesticht. Daar krijgt hij een genummerd uniform uitgereikt, bestaande uit een pet, twee bruine buizen met een groene kraag, twee bruine broeken, twee katoenen of halflinnen onderbroeken, twee katoenen halsdoeken, twee katoenen zakdoeken, drie paar wollen kousen, een paar klompen en een paar draagbroekbanden.
 

Kledij Veenhuizen

Kledij Veenhuizen (Gevangenismuseum Veenhuizen)
© Uit de oude Koektrommel

 
De omstandigheden in de kolonie zijn ellendig; er heersen ziekten en het zware werk eist zijn tol. ’s Winters is het er bovendien erg onaangenaam door de stank van de turfkachels. Tussen de middag wordt er warm gegeten: op zondag, dinsdag en donderdag aardappels met groenten, op maandag groene erwtensoep, op woensdag en zaterdag gortsoep en op vrijdag stijve gort met stroop. Er komt geen vlees op tafel. De vreselijke gortsoep smaakt nog viezer als met het leegeten van het bord de tekst ‘Teveel is ongezond’ verschijnt. En uiteraard is de zondagse kerkdienst verplicht.

Theodorus wordt ziek en opgenomen in het nieuwgebouwde hospitaal ‘Vertrouw op God’, door de bewoners ook wel ‘Gauw bij God’ genoemd. En dit laatste blijkt in zijn geval te kloppen. Theodorus overlijdt in het hospitaal op 2 april 1906, de dag voor hij zesenvijftig zal worden, na een zwaar en veelbewogen leven.

 

Overlijdensakte Theodorus Ubeda

Overlijdensakte Theodorus Ubeda, Veenhuizen 2 april 1906.
Bron: zoekakten.nl


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Brabants Historisch Informatie Centrum, Zouavenmuseum, Wikipedia Zouaaf, Mededelingen.Over-Blog, Wikipedia Landloper, Geheugen van Drenthe, Allemaal Familie, Gelders Archief, Regionaal Archief Nijmegen, Alle Drenten en Zoekakten
 
 

Genealogie familie Ubeda

17 mei 2016 at 10:03

 

Stamreeks familie Ubeda

Stamreeks familie Ubeda
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Francisco de Ubeda
Francisco de Ubeda werd geboren in Viator, Andalusië. Hij was getrouwd met Maria Gomez. Ook zij werd in Viator geboren. Eén kind heb ik weten te ontdekken: Felipe.
 
Felipe de Ubeda Gomez
Felipe de Ubeda Gomez werd geboren in Viator. Op 1 oktober 1691 trouwde hij in Huércal de Almeria met Maria de Cesar Morata. Zij werd in Huércal de Almeria geboren als dochter van Joan de Cesar en Eufenia Morata. Zij kregen in ieder geval zeven kinderen: Francisco, Indalecio, Angela, Maria, Eugenia, Juan Felipe en Pablo.
 
Juan Felipe de Ubeda de Zesar
Juan Felipe de Ubeda de Zesar werd geboren in Huércal de Almeria. Hij trouwde op 23 juli 1731 in Huércal de Almeria met Rufina Manzano de Miras, dochter van Diego Manzano en Augustina de Miras. Het stel kreeg in ieder geval twee kinderen: Silveira en Pedro.
Vervolgens trouwde Juan Felipe als weduwnaar met Ana de Rojo Castillo, dochter van Indalesio de Rojo en Maria Castillo. Dit geschiedde op 26 maart 1742 in Huércal de Almeria. Ana werd geboren in Huércal de Almeria in 1726. Het echtpaar kreeg zes kinderen: Maria, Juan Joseph Matheo, Ana Maria Inez, Clara Antonia, Josefa Antonia en José Antonnio.
 
Josefa de Ubeda Rojo
Josefa de Ubeda Rojo werd op 16 november 1761 geboren in Huércal de Almeria en werd enkele dagen later op 21 november 1761 in dezelfde plaats gedoopt. Op 60-jarige leeftijd overleed zij op 16 januari 1822 in Huércal de Almeria. Josefa trouwde met Francisco Rueda Alvarez op 4 oktober 1780 in Huércal de Almeria. Van dit echtpaar zijn bij mij vier kinderen bekend: Francisco José, Rafael Antonio, José Antonio en Antonio Francisco.

N.B. Normaliter zou ik de mannelijke lijn van de voorouders van Francisco Rueda Alvarez zijn gaan volgen. Echter, door gebrek aan aanknopingspunten stagneert het onderzoek naar deze familielijn. Daarbij komt dat José Antonio, de zoon van Francisco en Josefa en tevens mijn voorouder, na zijn vlucht uit Spanje uit veiligheidsoverwegingen in Nederland de familienaam Ubeda van zijn moeder heeft aangenomen voor de Burgerlijke Stand in plaats van de familienaam Rueda.
 
José Antonio Rueda de Ubeda
José Antonio Rueda de Ubeda, in Nederland houthakker en dagloner van beroep, werd geboren in Huércal de Almeria op 16 april 1790. Vier dagen later, op 20 april, werd hij aldaar gedoopt. Er zijn aanwijzingen aan te nemen dat José in het Franse leger diende en op die manier in Nijmegen terecht is gekomen. Hij trouwde met Maria Catharina Giesbers, NG gedoopt te Nijmegen op 28 september 1792. Maria is de dochter van de ‘Roomsche’ smid Coenrardus Giesbers en de uit het Duitse Moyland afkomstige Anna Geertruij Killigh en is overleden in Nijmegen op 20 januari 1849. José overleed tevens in Nijmegen op 18 maart 1869 op 79-jarige leeftijd.
José en Maria kregen samen dertien kinderen: Paqual, Antoinetta, NN, Geertruijda, Johanna Margaritha, Maria, Johannes, Johanna Margaretha, Joseph, Catharina, Cornelis, Elisabeth en Maria Petronella. Maria had al een dochter Johanna (vader onbekend). Paqual werd overigens gedoopt in Spanje, wat inhoudt dat zij voor 1817 voor een tijdje moeten zijn teruggekeerd naar Spanje en mogelijk daar getrouwd zijn.
 
Johannes Ubeda
Johannes Ubeda werd geboren in Nijmegen op 16 november 1827 en overleed op 70-jarige leeftijd te Nijmegen op 2 juni 1898. Als beroepen worden aangegeven: militair en leiendekker. Hij trouwde op 21 november 1850 in Nijmegen met Willemijna Peperkamp. Zij was de dochter van Theodorus Peperkamp en Cornelia Martens en ‘mutsenwaschter’ van beroep. Geboren op 20 september 1829 in Nijmegen en aldaar overleden op 14 januari 1912 op 82-jarige leeftijd.
Het stel kreeg negen kinderen: Theodorus, Joseph, Pieter, Maria Cornelia, Maria Cornelia, Maria Geertruida, Wilhelmina, Cornelia Wilhelmina en Johannes Hendrikus.
 
Johannes Hendrikus Ubeda
Johannes Hendrikus Ubeda was schoenmaker. Geboren in Nijmegen op 14 december 1870 en overleden op 23 augustus 1945 in Nijmegen op 74-jarige leeftijd. Hij trouwde op 23 april 1891 in Nijmegen met Johanna Hermsen. Johanna was de dochter van Margaretha Magdalena Hermsen; haar vader is onbekend. Zij werd in Nijmegen geboren op 23 augustus 1870 en kreeg in ieder geval tien kinderen: Petrus Johannes, Andries Johannes, Johannes Hendrikus, Maria Cornelia, Leonardus Johannes, Wilhelmina, Adriana Wilhelmina, Derk, Wilhelmus Petrus en Gerardus.
 
Wilhelmina Ubeda
Wilhelmina Ubeda, oftewel Mien, werd in Nijmegen geboren op 21 juli 1904 en was
fabrieksarbeidster. Zij trouwde in Nijmegen op 22 december 1922 met Albertus Cornelis Enklaar.
Cees werd geboren op 20 september 1899 in Rhenen als zoon van Cornelis Albertus Enklaar en Johanna van den Oosterkamp en werd bij het huwelijk van zijn ouders erkend. Hij was smid van beroep, maar ging zich later toespitsen op het zelf ijs maken en verkopen in zijn woonplaats Nijmegen. Na een slopende ziekte overleed hij op 62-jarige leeftijd op 17 september 1962 in Nijmegen. Hij werd begraven in Nijmegen op het R.K. Kerkhof Jonkerbos op 20 september 1962.
Samen kregen zij vijf kinderen.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Ome Dirk deel 2

13 mei 2016 at 11:20

 
Enige tijd geleden plaatste ik een post over ome Dirk, de jongeman die op een avond een pakje shag ging halen en vervolgens in Nederlands-Indië terechtkwam. Nou, ome Dirk houdt me wel bezig, hoor! Het slechte weer van laatst noopte me, hoe vervelend nou, tot het doorspitten van oude kranten uit Nederlands-Indië. Dat leverde enkele interessante resultaten op die het verhaal van ome Dirk weer een stukje completer maken.

Dirk vertrok inderdaad op achttienjarige leeftijd naar Nederlands-Indië, waar hij zich in eerste instantie vestigde in Bandoeng, de hoofdstad van de provicie West-Java op het eiland Java. Zo is te lezen in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ onder ‘Bevolking van Batavia Gevestigd’ dat hij verhuisd was van Bandoeng naar Senen 4 in Batavia, de huidige hoofdstad Jakarta van Indonesië aan de noordkust van Java.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 3 december 1928

 
Alhoewel het inmiddels bekend was dat hij inderdaad in het KNIL had gediend was de connectie met het leger snel gevonden. Volgens het programma voor de cabaretuitvoering van de militaire toneelvereniging ‘Het Masker’, voelden de heren Ubeda en van de Sluis zich geroepen (of gedwongen) de zang voor het onderdeel ‘Hans en Griet’ voor hun rekening te nemen.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 27 september 1929

 
Op 4 juni 1931 treedt D. Ubeda in het huwelijk met E. Bendy. De voorletter ‘E’ blijkt te staan voor ‘Elsiana’. Deze voorletter komst overigens overeen met die van Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok (op West-Java), genoemd op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ (zie vorige post over ome Dirk).

 

Huwelijk D. Ubeda en E. Bendy

Bron: Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië van 6 juni 1931

 
Dirk en Elsiana worden op 27 augustus 1931 de ouders van een zoon. Het gezin woont op dat moment dus nog steeds in Batavia.

 

Geboorte zoon Ubeda

Bron: Bataviaasch Nieuwsblad van 2 september 1931

 
Dan besluiten Dirk en Elsiana het ruime sop te kiezen met bestemming Nederland, want op 23 mei 1934 vertrokken ze met het s.s. Johan de Witt van Batavia naar Amsterdam. De reis zou gaan via Genua, Villefranche en Southampton. De passagierslijst in het ‘Soerabaijasch Handelsblad’ van 23 mei 1934 vermeldt: D. Ubeda, Mevrouw Ubeda en kind.
Naar alle waarschijnlijkheid hadden ze op dat moment nog een kind. Het zou gaan om een dochter, die op 6 juni 1933 in Meester Cornelis (het huidige Jatinegara), wat een stadsdeel van Batavia was, zou zijn geboren. Zij was ten tijde van de reis dus nog geen jaar oud. Wellicht dat zij daarom niet vermeld werd in de passagierslijst of dat zij in Nederlands-Indië is achtergebleven. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de zoon is achtergebleven of dat mijn informatie betreffende de dochter niet correct is.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Soerabaijasch Handelsblad van 23 mei 1934

 
Op 14 november 1934 keerde het gezin weer terug naar Nederlands-Indië. Deze keer met het m.s. Indrapoera vanuit Rotterdam. De verwachting was aan te komen op 13 december 1934 te Tg. Priok. In ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ van 28 november 1934 staat op de passagierslijst: Fam. D. Ubeda 1 k.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 28 november 1934

 
In 1935 verhuisd het gezin, of in ieder geval ome Dirk, naar de Molenaarsweg 13 in Batavia. Uit gegevens van de eerder genoemde Japanse interneringskaart kunnen we er vanuit gaan dat Elsiana ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Achter de Kerk in Depok op West-Java woonde of verbleef.

Tot zover de berichtgevingen van ome Dirk in Nederlands-Indië. Wordt ongetwijfeld vervolgd!
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel

 

D. Ubeda

Bron: Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 1 februari 1935


 
 

Ome Dirk

30 maart 2016 at 13:28

 
Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Dirk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ome Dirk, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren.
Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig tot veertig jaar lang weg te blijven. Hij had de boot naar Indië genomen en was blijkbaar op de Molukken terecht gekomen, want aldaar trouwde hij met een Molukse vrouw. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld.
Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde rond de jaren zeventig van de vorige eeuw terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van ome Dirk te vinden. Daarbij kwam het feit dat wij in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante noemden, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Tot ik enkele weken geleden besloot om ome Dirk nog eens een kans te geven. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders stonden pontificaal op een kopie van een Japanse interneringskaart van het kamp Tjimahi op Java uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat hij onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Het blijft dan ook een raadsel waarom er de naam Dirk en de geboortedatum 10 januari 1910 op de Japanse interneringskaart vermeld worden. Gezien de Nijmeegse uitspraak van Dirk vind ik de verwarring met Derk nog enigszins plausibel. Sterker nog, ik kan mij niet van de gedachte onttrekken dat het wellicht de bedoeling is geweest dat Derk als Dirk ingeschreven diende te worden. Maar dat is giswerk uiteraard.

Tevens wordt er op de Japanse interneringskaart bij ‘Destination of Report’ Mevrouw E. Ubeda, Achter de Kerk, Depok genoemd. Naar alle waarschijnlijkheid zal het hierbij gaan om zijn vrouw die, in dat geval, op dat moment in Depok op West-Java woonde. Een bidprentje van hoogstwaarschijnlijk zijn dochter doet dit vermoeden bevestigen. Zij is geboren in 1933 op Meester Cornelis, de vroegere naam van Jatinegara, een stadsdeel van Jakarta en overleden in 2002 in Tilburg. Het blijft natuurlijk wel een aanname, dus mocht u meer weten dan verneem ik dit graag!

(Tekst: © Uit de oude Koektrommel) Zie ook ome Dirk deel 2.

 

Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1900. Dirk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat.
Bron: members.chello.nl/h.eigenhuijsen

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte Derk Ubeda
Bron: zoekakten.nl

 

Document Dirk Ubeda

Via: openarch.nl
(Bron: Nationaal Archief, Interneringskaarten (Japan), Min. van Binnenl. Zaken: Stamboekgegevens KNIL-militairen met Japanse Interneringskaarten 1942-1996)