Uitleg vastbladig bevolkingsregister

 
Om de samenstelling en loop van de bevolking te kunnen volgen kregen alle Nederlandse gemeenten bij Koninklijk Besluit van 22 december 1849 (Staatsblad 64) de opdracht om met ingang van 1 januari 1850 een bevolkingsregister aan te leggen. Dit bevolkingsregister, gebaseerd op de resultaten van de derde algemene volkstelling van 1849, bestond uit ingebonden registers over een periode van doorgaans tien jaar, waarna een nieuw register werd aangelegd met daarin overgenomen de meest actuele gegevens uit het voorgaande register. Het aanleggen van dit nieuwe register gebeurde vaak in het jaar volgend op een volkstelling. Aangezien de boekdelen na een aantal jaren volgeschreven raakten en de adresindeling veranderde is het systeem drie keer opnieuw gestart.

De gezinsbladen waren in de meeste gevallen geordend op perceel of pand (op volgorde van wijk, adres en huisnummer); soms op alfabetische familienaam van het gezinshoofd of de ingeschrevene. Daarnaast komt een splitsing voor in delen volgens de plaatselijke indeling van dorpen en buurtschappen.
Voor elke wooneenheid, zoals huis, verdieping, kamer of kelder, was een linker en rechter pagina beschikbaar. Een huisnummer kon dus meerdere pagina’s omvatten. Op de linker pagina werden de naam en gegevens van het gezinshoofd genoteerd en, indien van toepassing, de namen en gegevens van de echtgenote, kinderen en inwonend huispersoneel of inwonende familieleden en andere bewoners. Alle mutaties in de gezinssamenstelling werden in deze registers bijgehouden.
Een persoon kan meerdere keren op het blad voorkomen. Als iemand het gezin verliet en later terugkeerde werd deze persoon opnieuw onderaan bijgeschreven met een nieuw volgnummer. Voor zover dit nog niet gedaan was, werden de oude gegevens doorgestreept om aan te geven dat die regel van het blad afgehandeld was. Bij vertrek van een compleet gezin uit de gemeente, of wanneer alle personen op het gezinsblad afzonderlijk werden uitgeschreven, werd een diagonale streep door alle namen tegelijk gezet.

 

BevolkingsregisterNijmegen

Gedeelte uit het vastbladig bevolkingsregisters van Nijmegen (1850).
Bron: Regionaal Archief Nijmegen


 
Bevolkingsregister Amsterdam

Voorbeeld uit het bevolkingsregister van Amsterdam.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Aanvankelijk waren ambtenaren van de Burgerlijke Stand belast met het bijhouden van de bevolkingsregisters. Later lag deze taak bij de onbezoldigde wijkmeesters, eventueel bijgestaan door wijkcommissarissen, en uiteindelijk opgevolgd door de gesalarieerde wijksecretarissen.
Gemeentebesturen dienden ervoor te zorgen dat twee keer per jaar, doorgaans na de algemene verhuisdagen in mei en veelal september, alle mutaties werden aangetekend door langs de huizen te gaan. Aangezien daarbij de informatie door de ingeschrevenen mondeling werden opgegeven, blijken de gegevens niet altijd exact te kloppen.

Ondanks dat het verplicht werd gesteld vestiging en vertrek te laten registreren, werd dit zeker niet altijd opgevolgd. Hierdoor konden latere inschrijvingen in de gemeente van vestiging enkel plaatsvinden door het overleggen van een ‘getuigschrift van werkelijke woonplaatsverandering’, het zogeheten ‘verhuisbiljet’, afgegeven door het gemeentebestuur van de laatste woonplaats, of voor vreemdelingen door het overleggen van een paspoort. De inschrijving was pas rond als de gemeente van vestiging een duplicaat getuigschrift had ontvangen van de gemeente van vertrek. Zodra de betrokkene zich had gemeld in de nieuwe gemeente, werd het duplicaat teruggestuurd naar de gemeente van vertrek. De mutaties werden bijgehouden in de registers van vestiging en vertrek.

 

Register vestiging en vertrek

Gedeelte uit het register van vestiging en vertrek (Amsterdam, januari 1876).
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Verzoek toezenden verhuisbiljet

Verzoek tot het toezenden van een verhuisbiljet.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Naast het reguliere bevolkingsregister was het mogelijk hulpregisters aan te leggen voor afzonderlijke categorieën inwoners. Belangrijkste reden hiervoor was, dat het verloop van deze bewoners zodanig groot was, dat dit tot een administratief probleem leidde. Zo kwamen er bijvoorbeeld registers voor dienstboden, gestichten, vreemdelingen, logementen, schippers, badgasten en bewoners van keten of woonwagens, hofjes en kazernes. Onder gestichten vielen onder meer ziekenhuizen, krankzinnigengestichten, weeshuizen, armengestichten, bejaardenhuizen, opleidingsinstituten en (liefdadigheids)instellingen. Minderjarigen en onder curatele gestelden werden vanaf 1861 geregistreerd in de woonplaats waar ze werkelijk verbleven in plaats van op het adres van ouders of voogd.
De registers met daarin personen, samenwonende in gebouwen of schepen onder bestuur of toezicht van het openbaar gezag (bijvoorbeeld militaire gebouwen, marineschepen of gevangenissen), bleven in eerste instantie onder de besturen. Jaarlijks in januari dienden de gegevens over de loop van deze gehuisvesten te worden verstrekt aan het gemeentebestuur.

Het vastbladig bevolkingsregister werd rond 1920 opgevolgd door het systeem van de gezinskaart, alhoewel in sommige grote gemeenten ver voor deze tijd de ingebonden delen van het bevolkingsregister tegelijkertijd met de oudste gezinskaarten in gebruik waren.
 
 
 
Afhankelijk van de periode en gemeente kon het model van het bevolkingsregister verschillen. Zo kunnen de hoofden van de kolommen anders zijn gerangschikt of ongenummerd zijn. De indeling van een blad kan dus afwijken van de beschrijving hieronder. Zie voor de betekenis van gebruikte afkortingen: Betekenis afkortingen bevolkingsregister.
 
Kolom 1:
Volgnummer binnen de wooneenheid. Als iemand het gezin verliet en later terugkeerde werd deze persoon opnieuw onderaan bijgeschreven met een nieuw volgnummer. Inwonende dienstboden werden veelal onderaan het blad vermeld.

Kolom 2:
Vestigingsdatum; dagtekening en jaar van inschrijving. Soms wordt in deze kolom vermeld ‘VT’, gevolgd door een jaartal. In dat geval is bij de volkstelling van het gemelde jaar gebleken, dat de betrokkene woonachtig was in de wooneenheid. Tevens kan in deze kolom de notitie ‘A’, ‘a’, ‘Ambtsh’ of ‘ambtshalve’ staan. De persoon is ambtshalve ingeschreven, dat wil zeggen dat bij controle is gebleken, dat betrokkene woonachtig bleek te zijn in de wooneenheid.

Kolom 3:
Familienaam en de familienaam van de vrouw.

Kolom 4:
Voornamen (voluit geschreven).

Kolom 5:
Geslacht.

Kolom 6:
Relatie tot het gezinshoofd, zoals H (hoofdbewoner), V (vrouw=echtgenote), Z (zoon) of D (dochter).

Kolom 7:
Geboortedatum.

Kolom 8:
Geboorteplaats. Voor vreemdelingen vermelding van het land van herkomst.

Kolom 9:
Burgerlijke staat bij de inschrijving; O (ongehuwd), H (gehuwd), W (weduwnaar/weduwe), S (gescheiden) of T (gescheiden van tafel en bed).

Kolom 10:
Verandering van de burgerlijke staat met vermelding van dagtekening. Ging een ongehuwde persoon trouwen, dan werd de ‘O’ in kolom 9 soms doorgehaald en vervangen door een ‘H’. De huwelijksdatum werd vervolgens vermeld in deze kolom.

Kolom 11:
Kerkgenootschap of vereniging met godsdienstig doel.

Kolom 12:
Ambt, hoofdberoep of beroep, waarvoor men het hoogst is aangeslagen. Na 1900 diende tevens te worden aangegeven of betrokkene als ondergeschikte (‘O’) of als hoofd (‘H’) werkzaam was.

Kolom 13:
Woonplaats door aanduiding van wijk, dorp, gehucht of buurtschap, straat en nummer van het huis, dan wel naam en voorgeschreven kenmerk van het vaartuig of de woonwagen met de gebruikelijke ligplaats of standplaats.

Kolom 14:
Dagtekening en jaar van inschrijving in de gemeente. Soms is er een aparte kolom te vinden, waarin vermeld staat of de persoon in kwestie in de gemeente is ingeschreven als hebbende verblijf ‘W’ (woonplaats, gewoon verblijf) of ‘V’ (verblijf, als tijdelijk verblijvende).

Kolom 15:
Vorige woonplaats. Plaats waarvan de persoon is gekomen. Hier kan ook een vermelding staan van een deel en bladzijde- of folionummer. Dit hield in dat bij de aanmaak van het blad deze persoon al ingeschreven stond in de voorgaande serie van het bevolkingsregister of dat dit verwijst naar het boekdeel van het vorige adres binnen de gemeente.
In het bevolkingsregister van Amsterdam kan hier een verwijzing staan (letter/nummer=boek/pagina) naar het Woningboek. Tevens kan het voorkomen dat u in het bevolkingsregister van Amsterdam achter de persoon een vermelding tegenkomt van een gesticht (Gest. mummer/pagina). (Dit kan ook inwonend personeel betreffen). U kunt eenvoudig achterhalen welk gesticht dit is via de ‘Registers betreffende de registratie van bewoners van de gestichten’. De registratie van bewoners van de gestichten tussen 1869 en 1896 vindt u onder de inventarisnummers 2534-2539. De registers uit de periode 1897-1934 vindt u onder de inventarisnummers 2540-2574.

Kolom 16:
Dagtekening en jaar van afschrijving.

Kolom 17:
Plaats waarheen de persoon is vertrokken. Soms wordt in deze kolom vermeld ‘VT’, gevolgd door een jaartal. In dat geval is bij de volkstelling van het gemelde jaar gebleken, dat de betrokkene niet meer woonachtig was in de wooneenheid. Tevens kan in deze kolom de notitie ‘A’, ‘a’, ‘Ambtsh’ of ‘ambtshalve’ staan. De persoon is ambtshalve uitgeschreven, dat wil zeggen dat bij controle is gebleken, dat betrokkene niet meer woonachtig bleek te zijn in de wooneenheid.
In het bevolkingsregister van Amsterdam kan hier een verwijzing staan (letter/nummer=boek/pagina) naar het Woningboek of het boekdeel en folionummer van het nieuwe adres binnen de gemeente. Tevens kan het voorkomen dat u in het bevolkingsregister van Amsterdam achter de persoon een vermelding tegenkomt van een gesticht (Gest. mummer/pagina). (Dit kan ook inwonend personeel betreffen). U kunt eenvoudig achterhalen welk gesticht dit is via de ‘Registers betreffende de registratie van bewoners van de gestichten’. De registratie van bewoners van de gestichten tussen 1869 en 1896 vindt u onder de inventarisnummers 2534-2539. De registers uit de periode 1897-1934 vindt u onder de inventarisnummers 2540-2574.

Kolom 18:
Dagtekening en jaar van overlijden. Alleen vermeld als dat overlijden plaatsvond in de tijd dat deze persoon op het blad vermeld stond. Indien de desbetreffende persoon elders, dus buiten de gemeente van inschrijving, was overleden wordt tevens deze overlijdensplaats vermeld.

Kolom 19:
Opgave omtrent het wettige domicilie (woonplaats).

Kolom 20:
Aantekeningen. Zie ook kolom 17.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel