Burgerlijk Wetboek en uitgelichte artikelen

 
 
Burgerlijk Wetboek
 
Via de link heeft u inzage in het gehele Burgerlijke Wetboek uit 1838.
Het huidige Burgerlijk Wetboek kunt vinden op Wetboek-online, met in het Burgerlijk Wetboek Boek 1 ‘Personen- en familierecht’.
 
 
Uitgelichte artikelen
 
 
Artikel 50: Overlijden buiten de woonplaats
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste Boek: Van personen. Derde titel: Van de akten van overlijden. Vijfde afdeeling.

Artikel 50. De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van twee getuigen.
Wanneer blijkt dat de overledene elders zijne woonplaats heeft gehad, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den overledene, ten einde insgelijks in de registers aldaar te worden ingeschreven.
 
 
Artikel 52: Overlijden pas geboren kind
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste Boek: Van personen. Derde titel: Van de akten van overlijden. Vijfde afdeeling.

Artikel 52. De ambtenaar van den burgerlijken stand zal geene akte van overlijden van een pas geboren kind mogen opmaken, dan voor zoo verre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van het kind in het daartoe bestemde register is ingeschreven.
Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen uit te drukken dat het kind overleden is, maar alleen, dat hetzelve als levenloos is aangegeven. Hij kan, in zoodanig geval, bij twijfeling omtrent de deugdelijkheid der aangifte, vorderen dat het kind aan hem worde vertoond.
Hij zal daarenboven de verklaring der getuigen ontvangen, opzigtelijk de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van de ouders van het kind, met aanduiding van het jaar en de maand waarin, en den dag en het uur waarop het kind is ter wereld gebragt.
Die akte zal, overeenkomstig hare dagteekening, in de sterfregisters worden ingeschreven, zonder dat daardoor eenigermate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood, is ter wereld gekomen.
 
 
Artikel 523-527: Verklaring vermoedelijk overlijden
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste Boek: Van personen. Negentiende titel: Van afwezigheid. Tweede Afdeeling: Van de verklaring van vermoedelijk overlijden.

Artikel 523. Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of orde op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren zijn verloopen, na zijn vertrek, of na de laatste tijding, waaruit kon blijken dat hij in leven was, zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, om het even of er voorlopige voorzieningen zijn bevolen dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de regtbank zijner verlatene woonplaats, voor diezelfde regtbank kunnen worden opgeroepen, bij eene openbare dagvaarding, loopende op eenen termijn van drie maanden, of zoo veel langer als door de regtbank mogt worden bevolen.
Wanneer op de dagvaarding noch de afwezige, noch iemand voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal verlof van eene tweede dergelijke dagvaarding, en op deze tweede, in het geval als voren, verlof tot eene derde dergelijke dagvaarding worden verleend.
Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaatst in zoodanige nieuwspapieren als de regtbank bij het verleenen van het eerste verlof, uitdrukkelijk zal aanwijzen, en ook telkens worden aangeplakt aan de voorname deur der vergaderplaats van de regtbank, en aan het huis der gemeente, binnen welke de afwezige zijne woonplaats had.
Artikel 524. Indien op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, kan door de regtbank, op daartoe gedanen eisch, na verhoor van het openbaar ministerie, worden verklaard, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag bepaaldelijk in het vonnis moet worden uitgedrukt.
Artikel 525. De regtbank zal, alvorens op den eisch uitspraak te doen, des noods na een daartoe bevolen getuigen-verhoor, te houden in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie, letten op de beweegredenen der afwezigheid, op de oorzaken die het ontvangen van tijdingen van den afwezige hebben kunnen verhinderen, en op alle andere omstandigheden, tot het vermoeden van overlijden betrekkelijk.
Zij kan, naar aanleiding van dit alles, het doen van uitspraak uitstellen tot nog uiterlijk vijf jaren boven den tijd, in artikel 523 vermeld, en zoodanige nadere oproepingen en plaatsing daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als zij in het belang des afwezigen mogt noodig oordelen.
Artikel 526. In iemand bij het verlaten zijner woonplaats eene volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of orde op het beheer derzelve heeft gesteld, en er tien jaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding van zijn leven, zonder dat in die tien jaren bewijs van zijn aanwezen of van zijn overlijden zal zijn ingekomen, kan zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden opgeroepen, en kan worden verklaard, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat, op de wijze en volgens de voorschriften in de drie voorgaande artikelen vermeld. Dit verloop van tien jaren wordt gevorderd, al ware het ook dat de gegeven volmagt of gestelde orde van den afwezige vroeger mogten zijn geeindigd.
In het laatste geval echter, zal in het beheer worden voorzien op de wijze als in de eerste afdeeling van deezen titel is vermeld.
Artikel 527. De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest.
 
 
Artikel 87 en 88: Huwelijk tussen personen in opgaande en neerdalende linie en zijdlinie
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste boek: Van personen. Vijfde titel: Van het huwelijk; Algemeene bepaling. Eerste afdeeling.

Artikel 87. Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, het zij door wettige, het zij door onwettige geboorte, of door aanhuwelijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wettige of onwettige.
Artikel 88. Ook is het huwelijk verboden:
1e. Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige;
2e. Tusschen oom of oud-oom en nicht of achter-nicht, mitsgaders tusschen moei of oud-moei en neef of achter-neef, wettige of onwettige.
De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen.

Eén en ander wordt nader uitgelegd in het Burgerlijk Wetboek 1836. Eerste boek: Van personen. Veertiende titel: Van bloedverwantschap en zwagerschap. Derde afdeeling. Artikel 545-552.
 
Bloedverwantschap:

Artikel 545. Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen gemeenen stamvader hebben.
De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getal der geboorten; elke geboorte wordt een graad genoemd.
Artikel 546. De opvolging van graden maakt de linie.
Men noemt eene regte linie de opvolging van graden tusschen personen, die de een van den anderen afstammen; zijdlinie, de opvolging van graden tusschen personen, die niet van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader hebben.
Artikel 547. De regte linie wordt onderscheiden in regte nederdalende, en regte opgaande linie.
De eerste maakt het verband tusschen den stamvader en die van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met diengenen van welken hij afstamt.
Artikel 548. In de regte linie rekent men, dat er tusschen de personen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan: zoo staat, in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader, in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo voorts; en wederkeerig staan, in de opgaande linie, de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den eersten of tweeden graad, en zoo vervolgens.
Artikel 549. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den aderen bloedverwant: zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens.
 
Zwagerschap:

Artikel 550. Zwagerschap bestaat in de betrekking welke door aanhuwelijking geboren wordt tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen.
Er bestaan geene zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten.
Artikel 551. De graden van zwagerschap worden op dezelfde manier als die der bloedverwantschap berekend.
Artikel 552. Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen niet opgeheven.
 
 
Artikel 134: Huwelijk bij volmacht
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste boek: Van personen. Vijfde titel: Van het huwelijk. Vierde afdeeling.

Artikel 134. Het zal aan den Koning vrijstaan om, uit hoofde van gewigtige redenen, aan partijen te vergunnen het huwelijk door eenen bijzonderen bij authentieke akte gevolmagtigde te mogen voltrekken.
Indien de lastgever, voor dat het huwelijk voltrokken is, wettiglijk met eenen anderen persoon mogt zijn in den echt getreden, zal het huwelijk, bij eenen gevolmagtigde voltrokken, als niet geschied beschouwd worden.
 
Trouwen bij volmacht, of zoals het in de volksmond genoemd wordt ‘trouwen met de handschoen’, is een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een volmachtnemer.
Vroeger kwamen dit soort huwelijken voor binnen adellijke families. Een afgevaardigde werd dan naar de toekomstige bruid gestuurd en vertegenwoordigde via de handschoen, die symbool stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten, de bruidegom in spe. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige bruidegom.
In 1933 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden over de, naar men aannam, eerste keer dat naast een burgerlijk huwelijk bij volmacht gesloten tevens bij volmacht kerkelijk bevestigd werd. De primeur was voor de Gereformeerde kerk te Utrecht.

Tegenwoordig kan er in Nederland omwille van ‘gewichtige redenen’ nog steeds bij volmacht worden getrouwd. Gewichtige redenen zijn:

  • Eén van de partners kan niet bij het huwelijk zijn door verblijf in een gevangenis in het buitenland.
  • Eén van de partners kan redelijkerwijs niet overkomen voor het huwelijk, omdat hij of zij ernstig ziek is en daardoor niet in staat is om te reizen.
  • Eén van de partners verblijft buiten Nederland en is nu en in de toekomst niet in staat om te reizen. Bijvoorbeeld een militair in een oorlogsgebied.

Aan personen met een vreemde nationaliteit kan alleen een vergunning worden verleend als hun nationale recht deze mogelijkheid ook kent.

De procedure is nagenoeg dezelfde als bij de invoering van de Burgerlijke Stand (1811). Er dient huwelijksdispensatie te worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tevens dient de aanstaande echtgenoot of echtgenote die niet in staat is om bij de formele huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn, zich bij volmacht te laten vertegenwoordigen. Deze volmacht kan alleen worden verleend via een notariële volmachtakte. Degene die wordt gemachtigd, de volmachtnemer, hoeft niet te voldoen aan bijzondere eisen. Zelfs meerderjarigheid is geen vereiste!
(Bron: Justis)

Zie ook: Trouwen met handschoen
 
 
Artikel 264. Gronden voor echtscheiding
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste Boek: Van personen. Elfde titel: Van de ontbinding des huwelijks. Derde afdeeling.

Artikel 264. De gronden, welke eene echtscheiding kunnen ten gevolge hebben, bestaan alleen in de navolgende:
1e. Overspel;
2e. Kwaadwillige verlating;
3e. Veroordeeling tot eene onteerende straf, na het huwelijk uitgesproken;
4e. Zware verwondingen of zoodanige mishandelingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waardoor diens leven wordt in gevaar gebragt, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebragt.
 
 
Artikel 329: Brieven van wettiging
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste Boek: Van personen. Dertiende titel: Van het vaderschap en de afstamming der kinderen. Tweede afdeeling.

Artikel 329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen, kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend.
Artikel 330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erkende kinderen, uit ouders geboren, die uit hoofde van overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand brengen.
Artikel 331. In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de hooge raad, alvorens zijn advies uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hooren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door middel van aan te wijzen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt.
Artikel 332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren.
Artikel 333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den dag waarop de brieven door den Koning zijn verleend: zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andere bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd.
Artikel 334. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die nakomelingen strekt.
 
De brieven van wettiging gaan terug op het oude afstammingsrecht. Wanneer uit feiten en omstandigheden was gebleken dat een man serieuze huwelijksplannen had, maar dit huwelijk door zijn onverhoeds overlijden niet plaats heeft kunnen vinden, kon de dan ongehuwde moeder bij de koning een verzoek indienen voor een brief van wettiging. Met dit document werd een onwettig kind alsnog gewettigd als kind van de moeder en de overleden vader, met alle rechten van dien.
Dit was tevens mogelijk indien de ouders vóór of bij het aangaan van het huwelijk hadden verzuimd hun onwettige kinderen te erkennen.
 
 
Artikel 342: Onderzoek naar vaderschap
 
Burgerlijk Wetboek 1838. Eerste boek: Van personen. Dertiende titel: Van het vaderschap en de afstamming der kinderen. Derde afdeeling.

Artikel 342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden. In geval echter van verkrachting of schaking, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige, op de daartoe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn.
Artikel 343. Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.
In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.
Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan.
 
Door de invoering van de Franse wetgeving kwam er in ons land het verbod op ‘vaderschapsactie’; waarschijnlijk niet in de laatste plaats om Napoleon te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen.
Ten tijde van Napoleon kwam hier dus verandering in. Het zorgde ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterbleef en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoefde te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind was dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zou de vaderschapsactie, na veel discussie, weer worden ingevoerd.