Uitleg persoonskaart

Elke persoon had vanaf 1939 (tot 1994) een eigen kaart bij de gemeente waar hij woonde, waarop persoonsgegevens werden bijgehouden. De persoonskaart was de opvolger van de bevolkingsregistratie in het vastbladige bevolkingsregister (1850-1920) en de gezinskaarten (1920-1939). Voor 1939 werd er al in diverse plaatsen ‘proefgedraaid’, zodat er persoonskaarten bestaan van ver voor deze periode.

Bij de invoering van de persoonskaart per 1 januari 1939 werden van de toen reeds gehuwde personen niet altijd de eventuele vorige huwelijken vermeld. De kinderen die bij het aanleggen van de kaart niet meer thuis woonden behoefden niet op de keerzijde te worden vermeld. Wel is van die kinderen een eigen persoonskaart gemaakt. Dat geldt uiteraard niet voor de kinderen die inmiddels waren overleden.

Voor de betekenis van de afkortingen in het bevolkingsregister kunt u elders op deze website terecht. Directe link: Betekenis afkortingen bevolkingsregister. Voor de alfabetische lijst van plaatsnaamafkortingen kunt u terecht op Infrasite.nl. Een handleiding over de persoonskaart is te vinden als pdf-bestand op geneaknowhow.net.

 

Voorzijde:

Persoonskaart voorkant

Persoonskaart voorkant

 

Vak 1:
Datum waarop de naam en geboorteplaats en -datum van de betrokkene zijn vergeleken met de geboorteakte. In sommige gevallen was die vergelijking niet mogelijk. Bijvoorbeeld als de betrokkene niet in Nederland was geboren. Gegevens over slachtoffers van de concentratiekampen zijn met de hand bijgeschreven.

Vak 2:
Verhouding van de betrokkene tot het gezinshoofd. Bijvoorbeeld man, vrouw, vader of moeder.

Vak 3:
Geslachtsnaam (vak 3a) en voornamen (vak 3b).

Vak 4:
Datum en gemeente waar de geboorte plaatsvond.

Vak 5:
Nationaliteit.

Vak 6:
Godsdienst

Vak 7:
Het beroep en of men dit als hoofd (h) of ondergeschikte (o) uitoefende. Hoewel men een verandering van beroep moest aangeven bij het bevolkingsregister gebeurde dat in de praktijk lang niet altijd. Daardoor zijn die gegevens vaak sterk verouderd.

Vak 8:
De namen, geboorteplaatsen en -data van de ouders.

Vakken 9 en 10:
Naam en voornamen van de huwelijkspartner(s).

Vakken 11 en 12:
Geboortedatum en -plaats van de huwelijkspartner(s).

Vak 13:
Datum en gemeente waar het huwelijk is gesloten.

Vakken 14, 15 en 16:
Datum en plaats waar het huwelijk is ontbonden door overlijden van de partner (O) of echtscheiding (S).

Vak 17:
Datum waarop en plaats waarnaartoe de betrokkene eventueel is vertrokken.

Vak 21 en 22:
Gegevens over de opeenvolgende woonadressen van betrokkene. Soms staat er achter de plaatsnaam ‘ca’. Dit is de afkorting van ‘cum annexis’, hetgeen letterlijk kan worden vertaald als ‘met bijbehoren’; vaak gebruikt als afkorting voor een lange samengestelde gemeentenaam.
Tussen de adressen uit de periode 1941-1945 is ook vermeld of aan de betrokkene als identiteitsbewijs een PB (persoonsbewijs) is uitgereikt met vermelding van het nummer. Dit gold voor iedereen van 15 jaar en ouder. Het kan zijn dat er meerdere vermeldingen van een PB staan genoteerd. Reden hiervoor kan zijn dat er nogal eens een PB ‘kwijtraakte’, waardoor er een nieuw PB moest worden aangevraagd. Persoonsbewijzen werden bijvoorbeeld ook ingenomen (melding ‘ing’) in onder andere kampen van tewerkgestelden via de Arbeids Inzet (A.I.) om vluchten te voorkomen. Na de Tweede Wereldoorlog waren mensen die niet (meer) in het bezit waren van een geldig persoonsbewijs of een ‘J’ in het document hadden staan bovendien verplicht een nieuw Voorlopig Persoonsbewijs aan te vragen. Het gebruik van het persoonsbewijs werd pas officieel per 1 februari 1951 ingetrokken. Zie voor meer informatie: Persoonsbewijs.
Was de betrokkene schipper van beroep dan kan er een vermelding staan van de naam van het schip en het adres waar het schip voor de kade lag.
Tevens kan dit vak beginnen met (voorbeeld) ‘ld 23 jr’. Dit is de ‘laatste domicilie’ van betrokkene en 23 jaar staat voor de tijd dat betrokkene al in de plaats woonachtig is.
Vermelding van een datum gevolgd door ‘Inr. (+ nummer) staat voor inrichting en het nummer van deze inrichting. Een inrichting kan bijvoorbeeld een strafgevangenis zijn. Met Inr. 150 wordt Kamp Vught bedoeld.
De vermelding CBRbesch(datum)SGBiZa betekent: opname Centraal Bevolkingsregister beschikking Secretaris Generaal Binnenlandse Zaken: op dat moment zonder woon- of verblijfsplaats.

Vak 23, 24 en 25:
Bijzondere vermeldingen. De overlijdensplaats en -datum, die op de achterzijde van de persoonskaart staan afgedrukt, worden eveneens op de voorzijde vermeld. De vermelding van CV47 betekent dat de gegevens van de betrokkene zijn gecontroleerd bij de Volkstelling van 1947 en staat op persoonskaarten van personen, die in 1947 leefden.
Op veel persoonskaarten komt de aantekening DSK (+ nummer) voor (Distributie-stamkaart en het nummer van deze kaart). Deze kaart had men in de Tweede Wereldoorlog (en vanwege schaarste aan producten ook nog ver daarna) nodig voor het verkrijgen van distributiebonnen, die werden verstrekt vanwege de rantsoenering van goederen. De Eerste Distributiestamkaart (DSK) werd vanaf eind september 1939 uitgereikt aan iedere ingeschrevene in het bevolkingsregister of het verblijfsregister, ongeacht de leeftijd, met uitzondering van de al dan niet vrijwillig dienende militair, en officieel ingevoerd op 11 oktober 1939. Op vertoon van deze persoonsgebonden stamkaart werden periodieke bonkaarten verstrekt. Door de fraudegevoeligheid van het PB en de DSK werd deze vanaf eind 1943 vervangen door een nieuwe Tweede Distributiestamkaart, aangeduid als TD (+ nummer). Daarvoor moest men zich bij de distributiekantoren melden met de oproepkaart, de eerste distributiekaart en het persoonsbewijs. Het persoonsbewijs werd vervolgens gecontroleerd op ‘echtheid’. Na goedkeuring werd een controlezegel naast de pasfoto geplakt. Pas dan werd er overgegaan tot uitreiking van de nieuwe distributiestamkaart. Door de invoering van de Tweede Distributiestamkaart trad de oude stamkaart op 18 juni 1944 buiten werking. Zie voor meer informatie: Distributiestamkaart.

 

Achterzijde:

De achterzijde van de persoonskaart bevat voornamelijk gegevens over de kinderen en worden doorgaans alleen vermeld op de kaart van het gezinshoofd.

Persoonskaart achterkant

Persoonskaart achterkant

Vak 27:
De datum en wijze waarop het kind van de kaart is afgeschreven, aangegeven door een letter: ‘A’ voor vertrek (administratief afgevoerd), ‘O’ voor overlijden, ‘H’ voor huwelijk.
Bij overlijden kunt u de toevoegingen (lv) of (lv)(gv) tegenkomen. Dit staat voor lijkvinding in Nederland binnen de gemeente of met (gv) lijkvinding in Nederland buiten de gemeente. Men spreekt van een lijkvinding als de plaats of de datum van het overlijden niet bekend is. Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land gebracht. (Bron: ntvg.nl)

Vakken 28 en 29:
Naam en voornamen van de kinderen.

Vakken 30 en 31:
Geboorteplaatsen en -data van de kinderen.

Vak 32:
De verhouding van het kind tot het gezinshoofd, bijvoorbeeld ‘z’ (zoon), ‘d’ (dochter), ‘sd’ (stiefdochter), ‘sz’ (stiefzoon).

Vak 33 en 34:
Aantekeningen.

Vak 35:
Bijzondere vermeldingen.
 
 
 
Aanvraag uittreksel persoonskaart of persoonslijst

Vanaf twee jaar na een overlijden kunt u een uittreksel van persoonskaarten (overlijden in de periode 1939 tot 1 oktober 1994) of persoonslijsten (overlijden na 1 oktober 1994) met de persoonsgegevens van overleden inwoners van Nederland aanvragen bij het CGB, het Centrum voor Familiegeschiedenis. Vanwege de privacygevoeligheid mogen niet alle gegevens worden verstrekt. Zo ontbreekt bijvoorbeeld informatie over kerkelijke gezindte, informatie over de reden van eventueel verlies van de Nederlandse nationaliteit en de adresgegevens wanneer het overlijden minder dan twintig jaar geleden is. Personalia van de hoofdpersoon, de namen van de ouders (vaak met hun geboorteplaatsen en -data) en gegevens over huwelijk(en), partner(s) en kinderen worden wel verstrekt. Aan de aanvraag zijn kosten verbonden.
Aanvraag: CBG

N.B. In een heel enkel geval blijkt er geen persoonskaart of persoonslijst van een persoon aanwezig te zijn bij het CBG. U zou zich dan kunnen richten tot de gemeente waar de desbetreffende persoon is overleden.
 
 
Bureau Vestigingsregister

Gemeente Den Haag beheert op het Bureau Vestigingsregister de persoonskaarten van tussen 1939 en 1 oktober 1994 geëmigreerde personen, die zich (nog) niet opnieuw in Nederland hebben gevestigd, en van in concentratiekampen omgekomen Nederlanders. Ook deze persoonskaarten zijn pas beschikbaar nadat de desbetreffende persoon is overleden. In veel gevallen is van emigranten niet aantoonbaar, bijvoorbeeld aan de hand van een overlijdenskaart of overlijdensadvertentie, dat zij daadwerkelijk zijn overleden. Toch blijkt het Bureau Vestigingsregister vaak ‘coulant’ te handelen en kunt u altijd proberen om een uittreksel aan te vragen voor genealogische doeleinden.
Bij uw aanvraag dient u een kopie van uw legitimatiebewijs toe te voegen! De informatie die wordt verstrekt betreft alleen de gegevens die in Nederland zijn verzameld. Ook aan deze aanvraag zijn kosten verbonden.
Aanvraag: Bureau Vestigingsregister

N.B. Tegenwoordig blijkt het CBG, het Centrum voor Familiegeschiedenis, gegevens van overledenen uit het Register Niet-Ingezetenen te krijgen. Dat houdt in dat als er nu een Nederlander in het buitenland overlijdt, de persoonslijst te zijner tijd bij het CBG te vinden is; ook als ze al jaren in het buitenland wonen. Zolang de overledene maar bij leven een band met de Nederlandse Overheid had en niet een andere nationaliteit heeft aangenomen.
 
 
 
Deze lijst is samengesteld uit diverse bronnen op het internet, waaronder het CBG.