Genealogie familie Hermsen

14 juni 2016 at 14:03

 

Blogger lijst Hermsen nw

Stamreeks familie Hermsen
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Thomas Hendricxs
Thomas Hendricxs, geboren in Nijmegen trouwde op 26 maart 1742 te Nijmegen met de uit Hees afkomstige Ida Jansen. Twee kinderen zijn mij bekend: Henricus en Maria.
 
Henricus Hendricks
Henricus Hendricks werd op 26 december 1742 te Nijmegen Rooms-Katholiek gedoopt. Hij overleed op 18 juli 1811 in Nijmegen aan het Zwanengas, 68 jaar oud. Aldaar trouwde hij op 24 mei 1772 met Catharina Rosen, dochter van Joannis Rosen en Petronilla Ebben. Catharina werd in Nijmegen geboren op 3 maart 1751 en wel om vier uur ’s middags. Een dag later is zij Rooms-Katholiek gedoopt. Zij overleed op 71-jarige leeftijd op 20 februari 1823 aan het Zwanengas 460.
Het echtpaar kreeg in ieder geval acht kinderen: Thomas, Wilhelmus, Joannes, Henricus, Cornelis, Anna Henrica, Petronilla en Joannes Jacobus.
 
Thomas Hermsen
Thomas Hermsen werd in Nijmegen geboren op 19 december 1772 om negen uur ’s avonds en een dag later Rooms-Katholiek gedoopt. Volgens de diverse akten had hij de achtereenvolgende beroepen: lantaarnaansteker, kleermakersknecht, kleermaker en kamerbehanger. Op 81-jarige leeftijd overleed hij te Nijmegen aan het Zwanengas 533 op 26 mei 1854. Thomas trouwde met Helena Biesen, gedoopt op 5 juni 1774 in Nijmegen. Zij was de dochter van Arnoldus Biesen en Elizabeth Scheffers. Het Nederduits-Gereformeerde huwelijk vond plaats te Nijmegen op 16 mei 1797. Helena overleed, 62 jaar oud, in Nijmegen op 1 januari 1837 aan het Zwanengas 577.
Van het stel zijn tien kinderen bekend: Elisabeth, Henricus Franciscus, Jacoba, Thomas, Thomas, Joannes, Clara Arnolda, Hendrina Arnolda, Alijda en Helena.
 
Thomas Hermsen
Thomas Hermsen was achtereenvolgens katoenspinner, lantaarnaansteker, behangersknecht en dagloner van beroep en werkte later op de fabriek. Hij werd in Nijmegen Rooms Katholiek gedoopt op 9 april 1805. Op 13 januari 1855 overleed hij te Nijmegen aan het Zwanengas 536. Hij was toen 49 jaar oud.
Thomas trouwde in Nijmegen op 27 augustus 1829 met de eveneens uit Nijmegen afkomstige Joanna Rombout. Zij werd gedoopt op 1 augustus 1803, dochter van Joannes Rombout en Margaretha Kuijpers. Als beroepen worden vermeld: ‘vischverkoopster’, ‘vischvrouw’ en ‘groentevrouw’. Joanna was 64 jaar toen zij in Nijmegen aan het Zwanengas 540 op 25 februari 1868 overleed.
Samen kregen zij negen kinderen: Helena, Johanna, Jan, Antonius, Thomas, Elisabeth, Hendrikus, Johanna en Margaretha Magdalena.
 
Margaretha Magdalena Hermsen
Margaretha Magdalena werd op 27 augustus 1850 in Nijmegen geboren en was dienstbode van beroep. Zij overleed op 20 maart 1896 op 45-jarige leeftijd aan de Tweede Walstraat 38 te Nijmegen. Margaretha Magdalena had een relatie met een onbekende man. Uit deze relatie kwam één kind voort: Johanna.
Vervolgens trouwde Margaretha Magdalena op 24 september 1874 te Nijmegen met de stukadoor Andreas Gerritsen, weduwnaar van Wilhelmina Catharina Grotens. Andreas werd eveneens in Nijmegen geboren en wel op 14 december 1840. Hij overleed op 10 oktober 1918 op 77-jarige leeftijd te Nijmegen.
Samen met Andreas kreeg Margaretha Magdalena nog tien kinderen: Andreas Wilhelmus, Adriana Wilhelmina, Johannes Hubertus, Maria Francisca, Johannes Wilhelmus, Margaretha Helena, Martinus, Thomas Wilhelmus Adrianus, Antonius Wilhelmus en Franciscus.
 
Johanna Hermsen
De vader van Johanna was zoals vermeld onbekend. Om die reden droeg zij dan ook de achternaam van haar moeder Hermsen en werd op 12 maart 1891 door haar moeder erkend. Zij werd in Nijmegen geboren op 23 augustus 1870, was dienstbode van beroep en trouwde in dezelfde plaats op 23 april 1891 met Johannes Hendrikus Ubeda, schoenmaker en zoon van Johannes Ubeda en Willemijna Peperkamp. Johannes Hendrikus is geboren in Nijmegen op 14 december 1870 en overleden op 23 augustus 1945 aldaar, 74 jaar oud.
Het echtpaar kreeg in ieder geval tien kinderen: Petrus Johannes, Andries Johannes, Johannes Hendrikus, Maria Cornelia, Leonardus Johannes, Wilhelmina, Adriana Wilhelmina, Dirk, Wilhelmus Petrus en Gerardus.
 
Wilhelmina Ubeda
Wilhelmina Ubeda, oftewel Mien, werd in Nijmegen geboren op 21 juli 1904 en was
fabrieksarbeidster. Zij trouwde in Nijmegen op 22 december 1922 met Albertus Cornelis Enklaar.
Cees werd geboren op 20 september 1899 in Rhenen als zoon van Cornelis Albertus Enklaar en Johanna van den Oosterkamp en werd bij het huwelijk van zijn ouders erkend. Hij was smid van beroep, maar ging zich later toespitsen op het zelf ijs maken en verkopen in zijn woonplaats Nijmegen. Na een slopende ziekte overleed hij op 62-jarige leeftijd op 17 september 1962 in Nijmegen. Hij werd begraven in Nijmegen op het R.K. Kerkhof Jonkerbos op 20 september 1962.
Samen kregen zij vijf kinderen.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Lantaarnaanstekers

30 mei 2016 at 16:32

 

In navolging van zijn vader Thomas Herremse, die geboren werd te Nijmegen op 19 december 1772 als zoon van Henricus Hendricks en Catharina Rosen, besloot naamgenoot Thomas tevens voor het beroep van lantaarnaansteker te kiezen.

Lantaarnopstekers of lantaarnaanstekers en lampbezorgers of lantaarnvullers behoorden tot de beroepskrachten die eeuwenlang voor de straatverlichting hebben gezorgd. Aangezien ze ’s avonds en ’s nachts op pad waren hadden ze vaak een dubbelfunctie als nachtwaker.

 

Lantaarnaansteker

Lantaarnaansteker

 

In 1544 werd in Amsterdam op de Zeedijk bij de hoek met de Molensteeg de eerste bekende kaarslantaarn van de Lage Landen ontstoken. Al snel volgden er meer, ook in andere steden. Sommige van deze eerste lantaarns werden door de overheid geplaatst, anderen waren particuliere lampen, die aan huizen hingen. Veel gemeenten hadden in deze periode een verordening volgens welke aan elk zoveelste huis verplicht en op kosten van de bewoners een lantaarn moest hangen. Eind zestiende eeuw werd het zogeheten ‘lantaarngeld’ ingesteld; een belasting die iedereen naar draagkracht diende te betalen.

In de tijd van de olieverlichting, vanaf het midden van de zeventiende eeuw, waren de lampvullers verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Naast het bijvullen van olie zorgden ze er ook voor dat de pitten op orde waren. Verder voerden ze reparaties uit en hielden ze de lampen schoon.
De aansteker stak dan vervolgens de lantaarn aan. Daarbij zat hij vast aan een strak tijdschema. Vanwege economische redenen mocht hij de lamp namelijk niet voor het donker aansteken. Tegelijkertijd moest de burger echter ook niet te lang hoeven wachten op brandende lantaarns. Daarom diende hij exact te beginnen op het uur dat in het dagregister was aangegeven en dat op de tijd van het jaar was afgestemd. Zodra hij de lantaarns in zijn wijk had aangestoken werd er nog eens rondgelopen om te controleren of alle lampen wel brandden.
In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnaansteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.

 

Lantaarnaansteker

Bij ’t vallen van den nacht voorzeker,
Dan noemt men u ook gasontsteker,
Voor iedereen een nuttig man;
Want moest men ’s nachts uw lichten missen,
Men kon zich in den weg vergissen,
En menig onheil kwam er van.
(Bron: dbnl.org)

 

Beide beroepen waren zwaar. Men moest steeds ladder op en ladder af en het werd slecht betaald bovendien. Niet in de laatste plaats omdat zowel lampvullers als aanstekers een belangrijk gedeelte van het benodigde materiaal zelf moesten bekostigen. Bij het in gebreke blijven wachtte hen een boete van de opzichter.
De controle was streng en werd uitgevoerd door speciale controleurs, zogeheten ‘Rondens van de Stads Lantarens’, ook wel ‘nachtrondens’ genoemd. Zij moesten in de nanacht hun wijk doorlopen om alle lichten te inspecteren. Bovenaan de personele ladder stond de opzichter. Deze hield de administratie bij en gaf leiding aan het personeel. De allereerste opzichter ooit was de Amsterdamse Jan van der Heyden, bekend van de slangenbrandspuit en de bedenker van de oliestraatlantaarn. Hij heeft tevens personeelsinstructies opgesteld die nog lang zijn gebruikt.

Na de komst van gasverlichting veranderde het werk. Lampen vullen was niet meer nodig, zodat beide beroepen ineen schoven. De aanstekers werden ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Om het gas aan te steken hadden ze een lange stok waar bovenin een vlammetje brandde.
Na de komst van het gloeikousje kregen de straatlantaarns een waakvlammetje dat via een hoofdkraan kon worden ontstoken. Deze kraan ging open en dicht via een kettinkje. De lantaarnaanstekers kregen voortaan een stok met een haak waarmee ze het kettinkje konden bedienen.

Ondertussen hoefden de lampbezorgers hun ronden ook niet meer te voet af te leggen, maar hadden ze een dienstfiets met daarop een uitschuifbare ladder gemonteerd.
Tenslotte werd er een automatische ontsteker uitgevonden voor de gaslantaarn, waardoor niemand meer op pad hoefde om de lampen aan te steken. Vanaf dat moment werd onderhoud de voornaamste taak. De beroepsnaam veranderde daarmee in lantaarnverzorger en nog weer later in lampenist.
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: kunst-en-cultuur.infonu.nl en nl.wikipedia.org

 

Nieuwjaarswens

Lantaarnvullers en -aanstekers van een stad hadden de gewoonte met een kermis en rond nieuwjaar de burgers van ‘hun’ wijk met een prentje en een gedicht de beste wensen over te brengen.
(Bron: pinterest.com (origineel: rijksmuseum.nl))