Vernoemingen

 
Algemeen

Na de Germaanse namen en heiligennamen kennen we in ons land sinds de late middeleeuwen het gebruik van vernoeming, waarbij een kind de naam kreeg van een familielid. Over het algemeen kan gesteld worden dat de vernoeming volgens de volgende traditie plaatsvond:

Eerste zoon: grootvader van vaderskant
Tweede zoon: grootvader van moederskant
Derde zoon: vader of de oudste broer van vader
(Het vervolgrijtje verschuift indien de derde zoon naar de vader vernoemd werd.)
Vierde zoon: oudste broer van moeder
Vijfde zoon: tweede broer van vader
Zesde zoon: tweede broer van moeder

Eerste dochter: grootmoeder van moederskant
Tweede dochter: grootmoeder van vaderskant
Derde dochter: moeder of de oudste zus van moeder
(Het onderstaande vervolgrijtje verschuift indien de derde dochter naar de moeder vernoemd werd.)
Vierde dochter: oudste zus van vader
Vijfde dochter: tweede zus van moeder
Zesde dochter: tweede zus van vader

De vernoemingsgebruiken waren streek- en plaatsgebonden, waarbij bovendien gold dat overleden grootouders en familieleden ‘voor gingen’ in vernoeming. Was bijvoorbeeld de grootvader van vaderskant nog in leven en de grootvader aan moederskant reeds overleden, dan werd de eerste zoon vernoemd naar de grootvader van moederskant. In sommige streken gold dan weer dat het kind naar de overleden overgrootvader van vaderskant werd vernoemd.
De gedachte achter het vernoemen van een overleden voorouder berustte naar alle waarschijnlijkheid op het geloof in het herleven van een vroegere generatie. Met de naam werden ook, zo hoopte men, bepaalde eigenschappen van de vernoemde doorgegeven. In eerste instantie werden alleen overleden familieleden vernoemd, want er heerste het denkbeeld dat een vernoemde nog in leven zijnde persoon snel zou komen te overlijden.
 
Het is zeker geen wet van Meden en Perzen, maar de volgende vernoemingsgebruiken zien we vaak terugkomen:

• Als de eerste drie of meer kinderen zonen waren, dan kwam het voor dat een zoon naar een grootmoeder werd vernoemd. Dat gold ook voor het vernoemen naar een grootvader als de eerste drie of meer kinderen dochters waren.
• Een kind geboren na het overlijden van de vader of waarvan de moeder in het kraambed was overleden werd vernoemd naar de overleden ouder. De naam van het kind werd aangepast naar een mannelijke of vrouwelijke vorm.
• Volgde er een volgend huwelijk na het overlijden van een partner, dan kreeg het eerstgeboren kind de naam van deze overleden partner. Ook dan werd de naam aangepast naar een mannelijke of vrouwelijke vorm.
• Door het overlijden van een kind kreeg een daarop volgend geboren kind van hetzelfde geslacht de naam van het overleden kind.
• Een buitenechtelijk kind kreeg doorgaans de naam van de betreffende grootouder van moederskant.
• In het geval van een onwettige relatie kreeg een zoon de naam van zijn natuurlijke vader. Mocht een huwelijk na de geboorte vrijwel zeker zijn dan werden de traditionele vernoemingsgebruiken gevolgd.
• Vondelingen werden wel vernoemd naar de heilige op wiens naamdag ze werden gevonden, naar de vindplek en soms naar de vinder.
• Met name in grote gezinnen diende zich wel het probleem met vernoeming aan als de overleden grootouders en overgrootouders van beide kanten dezelfde naam hadden. Het kind kreeg dan ‘op papier’ dezelfde naam als een ouder kind van het gezin. Vaak werd dit opgelost door het gebruik van een toenaam als ‘de oude’ en ‘de jonge’ of door verschil in roepnaam. Catharina werd dan bijvoorbeeld Kaatje en Trientje.

 

Dirck Enklaar de Jonge

Dirck Enklaar had een gelijknamige tien jaar oudere broer en kreeg de toenaam ‘de Jonge’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Vernoeming bij Rooms Katholiek dopen

Uit de Rooms Katholieke doopregisters blijkt dat de keuze van de voornaam doorgaans afhankelijk was van de peter en meter. In enkele gevallen kreeg het vernoemen naar een hoge geestelijke, notabele, een suikeroom of –tante of de broodheer de voorkeur.
De peter en meter bij de oudste twee kinderen waren doorgaans de grootouders. Bij het eerste kind, ongeacht het geslacht, waren dit de grootvader van vaderskant en de grootmoeder van moederskant. Bij het tweede kind waren dit de grootmoeder van vaderskant en de grootvader van moederskant. Voor de volgende dopelingen werd er beurtelings uit de familie gekozen, waaronder de oudste ooms en tantes. Ook een inwonende oudoom of oudtante kwam na overlijden in aanmerking voor vernoeming.
Met regelmaat werd een plaatsvervanger genoteerd in de doopinschrijving. Dit had meestal te maken met de situatie dat de peter of meter in een ander dorp woonachtig was. Staan er bij opeenvolgende dopen geen getuigen genoteerd dan was de woonafstand voor de peter of meter nog groter.
 
 
Aantal voornamen

Over het algemeen zien we vóór 1700 het gebruik van slechts één voornaam. In de achttiende eeuw kwam bij de adel, gevolgd door de burgerij en later de plattelandsbevolking het gebruik van twee of meer voornamen in zwang. Waarschijnlijk werd het geven van meerdere voornamen als statusverhogend beschouwd. Opvallend is dat dit bij meisjes vaker voor kwam dan bij jongens. Overigens bestond en bestaat er nog steeds geen beperking op het aantal voornamen.
 
 
Het zevende kind

Aan het heilig getal zeven werden bijzondere eigenschappen toegedicht. Als gevolg daarvan zouden volgens de overlevering de zevende zoon en de veertiende dochter het voorrecht hebben om ziekten te kunnen genezen. Ook aan middeleeuwse koningen, waaronder de heilig verklaarde Koning Lodewijk IX van Frankrijk, werd een goddelijke status en daarmee een vermeende geneeskrachtige gave toegeschreven. Waarschijnlijk vanwege het samenkomen van al deze veronderstellingen kreeg tot in de negentiende eeuw, met name in het zuiden van ons land, de zevende zoon de voornaam Louis, Loduvicus of Lodewijk en werd er van hem verwacht het klooster in te gaan of priester te worden. De zevende dochter kreeg de voornaam Louise of Ludovica. Vanaf het begin van de negentiende eeuw werden dit de namen van de regerende vorst of vorstin.
 
 
Wet met betrekking tot voornamen

Tot de Napoleontische tijd bestond er in ons land geen wet met betrekking tot voornamen. Daar kwam in 1803 met de ‘wet van 11 Germinal jaar XI (1 april 1803)’ verandering in. Deze wet zou tot 1970, weliswaar in een aangepaste vorm, van kracht blijven.
 
Wet van den elfden Germinal elfde jaar. Over de Voornamen.

Artikel 1. Te rekenen van de afkondiging dezer wet, zullen alleen de namen, in gebruik in de verschillende almanakken, mitsgaarders die der bekende personen van de oude geschiedenis als voornamen op de registers van den civielen staat, bestemd om de geboorte der kinderen te bewijzen kunnen worden toegelaten, zijnde het de openbare beambten verboden er eenige andere in hunne akten te dulden.

Artikel 2. Al wie thans tot voornaam heeft, hetzij den naam van een levend geslacht, hetzij eenigen naam, die niet gevonden wordt in de omschrijving van het voorgaande artikel, zal deszelfs verandering mogen vragen, mits zich schikkende naar de bepalingen van hetzelfde artikel.

Als reactie op deze wet werden sommige kinderen weliswaar ingeschreven met een officieel toegestane voornaam, maar kregen de ‘geweigerde’ naam als roepnaam.

 

Formulier der verklaringen.

Formulier der verklaringen, gepubliceerd in Journal du département des bouches du Rhin van 29 oktober 1811.
Bron: delpher.nl

 
Bij Soeverein Besluit van 15 maart 1815 no. 87 vindt er een versoepeling van de wet plaats. Aan ambtenaren van de Burgerlijke Stand wordt bevolen het artikel in de wet van 11 Germinal jaar XI niet zo streng op te vatten en dat: ‘… zoodanige voornamen welke aan overoude tijden aldaar in de onderscheiden provinciën en landschappen, of bij sommige geslachten gebruikelijk, en algemeen als voornamen erkend zijn geweest, toegestaan zijn.’
 
 
Huidige wetgeving

Sinds 1970 zijn alle voornamen in principe toegestaan. Er zijn maar twee beperkingen: namen mogen niet ongepast zijn en ze mogen niet overeenstemmen met bestaande achternamen.
De eerste beperking dient om het kind te beschermen tegen al teveel humor van de ouders; de tweede om te voorkomen, dat mensen proberen hun geslachtsnaam te laten aangroeien tot dubbele naam. Dat laatste gevaar wordt overigens niet voorkomen, wanneer een naam als voor- en achternaam in gebruik is of is geweest. In dat geval is de naam als voornaam wel toegestaan. (Bron: De Waarheid, 2 januari 1976)
 
Burgerlijk Wetboek Boek 1, Personen- en familierecht
Boek 1. Personen- en familierecht
Titel 2. Het recht op de naam
Artikel 4

1. Een ieder heeft de voornamen die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven.
2. De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn, of overeenstemmen met bestaande geslachtsnamen tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn.
3. Geeft de aangever geen voornamen op, of worden deze alle geweigerd zonder dat de aangever ze door een of meer andere vervangt, dan geeft de ambtenaar ambtshalve het kind een of meer voornamen, en vermeldt hij uitdrukkelijk in de akte dat die voornamen ambtshalve zijn gegeven.
4. Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de beschikking een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt toegevoegd, overeenkomstig artikel 20a, eerste lid. In geval van wijziging van de voornamen van een buiten Nederland geboren persoon geeft de rechtbank die de beschikking geeft, voor zoveel nodig ambtshalve hetzij een last tot inschrijving van de akte van geboorte dan wel van de akte of de uitspraak, bedoeld in artikel 25g, eerste lid, hetzij de in artikel 25c bedoelde beschikking.
 
 
Websites:

Nederlandse voornamenbank
De Nederlandse Voornamenbank geeft informatie over verschillende officiële enkelvoudige voornamen die in Nederland voorkomen.

Etymologie en geschiedenis voornamen
Zoeken naar de herkomst van voornamen wereldwijd.

Omzetten voornamen
Via deze naamkaart kunt u Engelse voornamen omzetten in Duits, Latijn, Pools, Tsjechisch, Hongaars, Litouws en Russisch.