Header Uit de oude Koektrommel






 
Een bezoek aan de Cunerakerk in Rhenen leidt mij naar een grafsteen aan de zuidkant. Zeker niet eentje met de meest prachtige inscriptie en al helemaal niet eentje, die al eeuwenlang voor de kerkgangers en bezoekers uitgebreide gegevens ten toon heeft gespreid. De inmiddels behoorlijk versleten inscriptie luidt kort maar krachtig: ‘I.H.V.D.D.’ en wordt opgesierd met een ‘5’.

 

Het interieur van de Cunerakerk (door Bartholomeus van Bassen, 1638).
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
Graf nummer 5

Graf nummer 5 met de inscriptie I.H.V.D.D.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
In de registers van de Cunerakerk zijn de eigenaren van graf nummer 5, oorspronkelijk gelegen aan de oostzijde in de kerk, terug te vinden. De eerste vermelding komt uit 1648 ‘Den Samereus Schipper daer Ruttger Buddingh voor betaelen sal’. In 1680 wordt Jan Hendriks van der Does voor het eerst genoemd: ‘Jan Hend’ van der Does actum den 5 Juni 1680’. Al bladerend door de registers komen de volgende vermeldingen nog boven water: ‘Jan Henricxen van der Does door sijn vrou een groefstede waer op uijtgehouwen staet I.H.V.D.D. get.: met No. 5’ (31 augustus 1700), ‘Den Samereus Schipper nu Jan Hend: van der Does’ (rond 1700), ‘De Sammereus Schipper daar Rutger Buddinngh voor betaeld nu de erftgenamen van Jan Hendrikx van der Does daer op staet uijtgehouwen I.H.V.D.D.’ (28 en 29 april 1719), ‘De Sammereus Schipper daar Rutger Budding voor betaald nu Jan Hoolhorst, en d’Wed van Dirk Cornelisse van den Oosterkamp in plaats van d’erfgenamen van Jan Hendrikse van der Does daar op staat uitgehouwen I.H.V.D.D. No. 5 (datum onbekend) en tenslotte ‘Jan Hoolhorst en de kinderen van de wed. van Dirk Cornelissen van den Oostercamp in plaats van Jan Hendrikzen van der Does daar op staat uitgehouwen I.H.V.D.D.’ (17 februari 1787).

 

Aantekening van graf nummer 5 in 1648.
Bron: FamilySearch


 
Eerste vermelding van Jan Hendriks van der Does

De eerste vermelding van Jan Hendriks van der Does in 1680.
Bron: FamilySearch


 
Grafrechten 31 augustus 1700

‘Aenbrenge van de groefsteden in de kercke van Rhenen, gedaen den lesten augusti 1700 op den stadthuijse’.
Bron: FamilySearch


 
Vermelding april 1719

Aantekening uit april 1719.
Bron: FamilySearch


 
Grafrechten

De eerste vermelding van Jan Hoolhorst en zijn tante Christina van der Does.
Bron: FamilySearch


 
Laatste vermelding in 1787

De laatste vermelding van Christina van der Does bij de wijziging van 17 februari 1787.
Bron: FamilySearch

 
Grafeigenaar Jan Hendriks van der Does en zijn dochter Christina, de weduwe van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp waarover gemeld wordt, zijn mijn voorouders. Jan trouwt op 24 september 1671 in de Cunerakerk met Janneken Hermans van Isendoorn. Zij krijgen in ieder geval drie zonen en drie dochters, waarvan Christina de hekkensluiter van het gezin is.

 

Huwelijk Does-Isendoorn

Huwelijksinschrijving van Jan Hendriks van der Does en Janneken van Isendoorn; Rhenen, 24 september 1671.
Bron: Utrechts Archief

 
Christina, ook wel Christijntje of Stijntje genoemd, wordt op 6 oktober 1689 gedoopt in de Cunerakerk. In deze kerk legt zij op 24 december 1705 belijdenis van geloof af. Enkele weken later, op 17 januari 1706, trouwt zij daar op zestienjarige leeftijd met de tien jaar oudere Dirk Cornelissen van den Oosterkamp.

 

Doopinschrijving van Christina van der Does.
Bron: Utrechts Archief


 
Belijdenis Christina van der Does

Christijn Janssen van der Does legt belijdenis van geloof af.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Oosterkamp-Does

Huwelijksinschrijving van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp en Christina van der Does; Rhenen, 17 januari 1706.
Bron: Utrechts Archief

 
Christina en Dirk hebben tot 17 december 1711 ‘2 hont land genaamd de Del, gelegen buiten de Westpoort’ in pacht van het weeshuis, zo wordt vermeld in de pachtcedullen. Op 10 juni 1720 laten zij in Veenendaal bij notaris Elias Verschuur vastleggen, dat zij elkaar benoemen als voogd over hun na te laten onmondige kinderen. Het stel is dan vier dochters en drie zonen rijk. Uiteindelijk zullen dit in totaal elf kinderen worden; zeven dochters en vier zonen.

 

Minutenakte

Notariële akte, waarin Dirk en zijn vrouw Stijntje elkaar benoemen als voogd over hun na te laten onmondige kinderen.
Bron: Utrechts Archief

 
Transcriptie:
‘Op huijden den 10 Junii 1720 compareerde voor mij Elias Verschuijr openbaar Notaris bij den Ed. hove van Utrecht geëedt en bij de Ed. Achtb. Magistraat der stad Rhenen geadmitteerd in Venendaal resideerende en voor de naargenoemde getuigen Dirk Cornelis vanden Oostercamp en Stijntje Vander Does egteluijden woonende binnen Rhenen mij Notaris en getuijgen bekend zijnde beijde gesond van lichaam met ons gaande en staande, en haar verstand en spraake wel hebbende en gebruijkende soo uijtterlijk bleek en niet anders konde verder bemerkt en verklaarde uijt overdenkinge van sekerheijd des doods en van onsekere tijd en uire vandien de langstlevende van hun beijde te stellen en nomineeren tot momboir of momboirse over haarlieder natelatene onmundige kind of kinderen en erfgenamen met magt om een of meer momboir of momboiren aande zijde van de eerstoverlijdende bestaande te mogen assumeeren surrogeeren of substitueeren secludeerende ten dien eijnde de Ed. Achtb. Heeren vande Vroedschap en Weeskamer der stad Rhenen en alle andere oppermomboiren die ‘tselve soude mogen concerneeren, deselve ten dien aansien bedankende bij desen, versoekende daar van acte die dese is aldus gedaan en gepasseerd binnen Rhenen ten huijse van den procureur Dirk van Ommeren ter presentie van denselven van Ommeren mitsgaders Henrik van Ommeren en Jacobus Wijnen getuijgen hier toe versogt.’

In tegenstelling tot de familie van den Oosterkamp is er aan de kant van Dirk en Christina maar een enkele vermelding terug te vinden in de documentatie. Zo worden zij beiden op 29 december 1724 als getuigen verhoord in een zaak tegen Hendrick van Ommeren. In het huis van Hendrick van Ommeren in Rhenen zou er onenigheid zijn geweest tussen hem en de dienstmeid Everijn Roelofs, die in hetzelfde huis woonachtig is. Hierbij zou Hendrick haar hebben geslagen.

Na het overlijden van Dirk woont Christina buiten de Westpoort van Rhenen. In stukken van 23 maart 1742 en 1747 staat geschreven ‘… en de andere buyten de Westpoort derselve stad mitsgaders in een stuk lants annex den buijtenmoolen geleegen groot twee mergen of groot en kleyn t selve in de naebescreve bepalinge gelegen is daer oost, zuijd en noordwaarts de gemene weegen en westwaarts (en in 1747 ook noordwaarts) Willem Hoolhorst ende weduwe van Dirk Cornelissen van den Oosterkamp naest gelegen zijn…’. Deze Willem Jacobs van Hoolhorst is getrouwd met Lijsbeth van der Does, de oudste zus van Christina. Het is hun zoon Jan Hoolhorst, die samen met zijn tante Christina de rechten van graf 5 betaalt.

 

De Westpoort vanuit de stad gezien (Rembrandt van Rijn, 1647/1648. Collectie Teylers Museum, Haarlem).
Bron: Erfgoed Magazine (embedded)

 
Christina wordt op 4 juni 1781 op éénennegentigjarige leeftijd in de Cunerakerk begraven. De rechten van graf nummer 5 rusten daarna bij haar kinderen en neef Jan Hoolhorst.

 

Begraafinschrijving van Christina van der Does

Begraafinschrijving van Christina van der Does in het gaarderboek.
Bron: Utrechts Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Jean Huver stapt op 2 mei 1821 te Amsterdam in het huwelijksbootje met de Amsterdamse Joanna Maria Wilik. Volgens de huwelijksakte is Jean afkomstig ‘van Sarrinzsming, Departement den Moesel in Frankrijk’, hetgeen wordt ‘ingeklopt’ als Sarreguemines. In het ‘herkomstonderzoek’ van het Stadsarchief Amsterdam is geen aanwijzing te vinden voor de huidige benaming van de in de akte genoemde plaats.
Toch werpen de toegevoegde extracten van de gemeente Sarreinsming in de huwelijksbijlagen licht op de zaak. Met deze plaats als aanknopingspunt blijkt de Huver-lijn tot halverwege de zeventiende eeuw terug te vinden via de kerkboeken van het Franse ‘Archives Moselle’. Via de vrouwelijke lijnen zelfs nog iets verder.

 

Doopextract Jean Huver

Het doopextract van Jean Huver in de huwelijksbijlagen.
Bron: FamilySearch

 
Jean wordt op 25 juli 1787 geboren in Sarreinsming en een dag later Rooms Katholiek gedoopt. Hij is het oudste kind van Bernardus Huwer en Margaritha Fölker, ook wel Felcken. Zijn ouders trouwen op 13 juni 1786 in de Katholieke St. Cyriacuskerk van Sarreinsming. Vader Bernardus is landbouwer van beroep; een enkele keer wordt ook het beroep kleermaker vermeld. Mogelijk is dit een winterse huisnijverheid om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Hij is de zoon van landbouwer en wever Henricus Huver en Catharine Maurer. Moeder Margaritha is de dochter van kleermaker Henri Fölker en Anna Maria Gutfreund.

Nadat Jeans moeder op drieëndertigjarige leeftijd op 3 juni 1797 in Sarreguemines is overleden, hertrouwt zijn vader als snel, en wel op 1 augustus van datzelfde jaar in Sarreinsming met de uit Zetting afkomstige Anna Maria Rauch. Jeans vader overlijdt op tweeënvijftigjarige leeftijd op 7 april 1807 in Sarreguemines. Het huwelijk van Jeans stiefmoeder op 21 november 1816 in Sarreinsming met Christophe Jung zal hij waarschijnlijk niet hebben bijgewoond. Eerder dat jaar nam hij namelijk het besluit om naar Amsterdam te vertrekken.

 

Emigratie Huver

‘Sedert den jaren 1816 alhier in het land gekomen’.
Bron: FamilySearch

 
Sarreinsming ligt in het grensgebied van Duitsland en Frankrijk in het Franse departement Moselle (Moezel) en wisselde in de loop der tijd nogal eens van eigenaar. Zo werd Jean geboren in Frankrijk, maar bij zijn overlijden wordt als geboorteplaats aangegeven ‘Sarigmin in Duitschland’.
Dit is eveneens terug te zien aan de namen. Over het algemeen worden de namen geschreven in de Duitse variant, afgewisseld en later gevolgd door de Franse variant.

Door de ligging op het plateau Lorrain Nord op de helling van een heuvel tussen het Grosswald en de oevers van de Saar was Sarreinsming eeuwenlang een dorp van boeren en wijnmakers. De wijnstokken bevonden zich langs het water ten oosten van het dorp. De boeren, die veelal vlas en hennep verbouwden, hadden geen vaste werknemers in dienst; het hele gezin hielp mee in het bedrijf.
Het oorspronkelijke dorp bestond uit enkele huizen rond de kerk en een paar straten naar beneden richting de Saar. Op het eilandje in de Saar lag het kasteel van Sarreinsming met een watermolen. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) werd het kasteel, de molen en het gehele dorp vernietigd.

 

Het vlas

Het vlas; prent uit 1874, De Ruyter & Meijer Amsterdam.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In 1720 leek het de luitenant-generaal van het baljuwschap van de naburige hoofdplaats Sarreguemines een goed idee om de molen te laten herbouwen. Hij stelde het de inwoners van Sarreinsming verplicht om mee te werken in de steengroeven en bij het transporteren van stenen. Zijn plan viel niet in goede aarde bij de inwoners. Zij weigerden pertinent, met als gevolg dat een rechtszaak werd aangespannen bij de rechtbank van Sarreguemines. De inwoners van Sarreinsming werden in het ongelijk gesteld, waarop zij bij de rechtbank van Nancy in hoger beroep gingen. Ook in hoger beroep werden de inwoners verplicht gesteld om mee te werken aan de herbouw van de molen. Zo gebeurde het, dat uiteindelijk in 1727 de eerste steen werd gelegd.
Eén van de oudst bekende molenaars was André Meijer, die getrouwd was met Appollonia Huver. André was molenaar in de Saarmolen van 1766 tot 1770. Appollonia is de dochter van Joannes Henricus Huwer, broer van Jeans overgrootvader en Appollonias peetvader Hanss Peter Huber, en Magdalena Bast.

 

Sarreinsming

De molen van Sarreinsming.
Bron: Wikipedia (Auteur: Voschix; Licentie CC BY-SA 3.0; bewerkt) en De Grote Bosatlas 48e druk 1976)

 
Zoals vermeld vertrekt Jean in 1816 naar Amsterdam. Bekend is dat hij vlak vóór zijn huwelijk op de Groenburgwal 17 woont, waar ook de groenververijen zijn gevestigd. Hij is kleermaker van beroep. Joanna Maria woont dan op de Nes 18. De jonggehuwden blijven op de Nes wonen. Zoon Jean Bernard Valentin wordt op 30 september 1823 op nummer 119 geboren. Tien jaar later volgt op 21 september een dochter Johanna Maria Elisabeth. Het gezin is dan woonachtig op de Nes 107. Het ligt in de lijn der verwachting, dat er in de tussenliggende tien jaar nog enkele kinderen geboren worden. Deze zijn echter niet te traceren in Nederland. Zoon Jean Bernard Valentin is in 1842 in ieder geval kostwinner voor zijn moeder, die dan inmiddels weduwe is, en wordt om die reden voor één jaar vrijgesteld van dienst voor de Nationale Militie. Zij wonen op dat moment op de Nes 8 hoek Barberstraat boven de bakker.

Jean wordt niet oud. Hij overlijdt op 26 maart 1834 in zijn huis op de Nes 107 in Amsterdam, zevenenveertig jaar oud. Zijn vrouw Joanna Maria overlijdt op drieënzeventigjarige leeftijd op 20 januari 1870 in de Karthuizerstraat 232 aan ‘Vitium cordis, Oedema pulmonum et cerebri’ (hartgebrek, longoedeem en hersenontsteking).

 

Overlijdensakte Jean Huver

Overlijdensakte van Jean Huver.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overlijdensverklaring van Joanna Maria Wilik

Overlijdensoorzaak van Joanna Maria Wilik.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Archives Moselle, Stadsarchief Amsterdam, FamilySearch en Sarreinsming
 
 

 
Mijn overgrootvader Jan Vermeer werd op 14 november 1880 in Bennekom geboren als zoon van Casper Vermeer en zijn tweede vrouw Helena van Deelen. Vader Casper was eerder weduwnaar van Grietje Riggelink. Zijn jeugd bracht mijn overgrootvader door aan de Dorpsstraat 179a; dit huis zou later de nummering 44-46 krijgen.
Jan was niet groot. Met zijn lengte van 1 meter en 52 centimeter werd hij daarom ook door de Militieraad vrijgesteld van de dienst uit hoofde van ‘te zijn onder de maat’. Misschien hadden zij daar wel een punt!

 

Geboorteakte Jan Vermeer

Geboorteakte van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Extract Nationale Militie Jan Vermeer

Extract van de Nationale Militie. Jan Vermeer was met zijn 1.52 meter ‘onder de maat’.
Bron: FamilySearch


 
Militieregister Jan Vermeer

Gedeelte uit het militieregister.
Bron: ArchieVal

 
Op 2 december 1905 trouwde Jan, arbeider en opperman van beroep, in Ede met mijn overgrootmoeder Teunisje Hulstein. Teunisje, Teun genoemd, werd op 11 september 1885 in Bennekom geboren. Zij was de dochter van Rut Hulstein en Louise Jansen. Teunisje groeide op aan de Laarweg 62, na omnummering in 1962 nummer 10 geworden.
Op zeventienjarige leeftijd verruilde zij op 26 juni 1903 voor ruim een jaar Bennekom voor Den Haag. Waarschijnlijk zal zij daar als dienstbode aan de slag zijn gegaan. In Den Haag was de behoefte groot aan dienstboden, die doorgaans per jaar werden ‘besteed’.

 

Geboorteakte Teunisje Hulstein

Geboorteakte van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal


 
Huwelijksakte Jan Vermeer en Teunisje Hulstein

Huwelijksakte van Jan Vermeer en Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal

 
Als pasgetrouwd stel namen mijn overgrootouders hun intrek in een woning op de Laarweg 69, in 1921 gevolgd door Groep de Laar 12. Waar Groep de Laar precies heeft gelegen is onduidelijk. Vanaf 1921 zijn in het arme noordoostelijke gebied van Bennekom met verspreide bebouwing de straatnamen ‘Laarweg’ en (het inmiddels verdwenen) ‘Laarpad’ ingevoerd. Onderscheid wordt er tevens gemaakt tussen ‘Laarweg’ en ‘De Laar’. Huisnummer 12 voor ‘De Laar’ ontbreekt in de ‘Straatreconstructie van J.G. Hartgers’. Het is dan ook aannemelijk dat ‘Groep de Laar’ een deel was van ‘De Laar’ en mogelijk het vroegere ‘Laarpad’.

 

Gereconstrueerde persoonskaart van Jan Vermeer

Gereconstrueerde persoonskaart van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Gereconstrueerde persoonskaart van Teunisje Hulstein

Gereconstrueerde persoonskaart van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal

 
In 1930 woonden mijn overgrootouders inmiddels op de Laarweg 14. Na omnummering in 1941 werd dit nummer 20. Voordat het huis in 1967 werd gesloopt, heeft mijn vader nog een foto gemaakt. Deze foto had in mijn ouderlijk huis een mooi plekje op de muur boven de voorzetkachel in de voorkamer.
De deel werd ‘studio’ genoemd. Hier repeteerde toneelvereniging KDS (Kunst Door Studie), opgericht in 1931, waar in de loop der jaren heel wat familieleden lid van zijn geweest, waaronder mijn ouders, die tevens grimeurs waren voor de toneelvereniging, en mijn grootouders. Zelf stond ik destijds in de kinderwagen achter de coulissen. Later werd er om toerbeurten bij de leden thuis gerepeteerd. Als kind mocht ik er soms bij aanwezig zijn als ‘wij’ aan de beurt waren. Wat een feest! Nog altijd bewaar ik een oud politie-uniform en een ‘deftig bontje’, die ooit gebruikt zijn voor een toneelvoorstelling.

 

Laarweg

Het huis aan de Laarweg 14, door omnummering nummer 20 geworden. Toneelvereniging KDS repeteerde in de deel, de ‘studio’ genoemd.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Toneelvereniging KDS

Toneelvereniging KDS (Kunst Door Studie).
Staande v.l.n.r.: Marie Meijer, Jo van Beek-van Ingen, Antje Vermeer-de Wit (echtgenote van Rut Hulstein, zittend de tweede man van links), Leen Borst, mijn oma Teun Jansen-Vermeer, Teus Zaaier, Mien Veldhuisen-Meijer en mijn oudoom Chris Jansen.
Zittend v.l.n.r.: dhr. Meijer (tevens souffleur), mijn oudoom Rut Vermeer, Bart Hoefakker, Wim Wolve en mijn opa Jan Jansen.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Toneeluitvoering KDS

Toneeluitvoering van Toneelvereniging KDS.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Mijn overgrootouders kregen negen kinderen: zes dochters en drie zonen. Mijn oudtantes Helena (Lena),  Louise (Wies; mijn peettante), Catharina (Trien) en Dientje (Dien) heb ik allemaal mogen kennen. Dochter Rika werd slechts zes jaar oud en de hekkensluiter van het gezin was mijn oma Teunisje (Teun).
De zonen heetten Rut. De ‘eerste’ Rut was de tweelingbroer van Dientje. Zij waren te vroeg geboren en mij is altijd verteld, dat de twee kinderen in kistjes bij de kachel stonden als een soort couveuse. Ondanks het feit dat Dientje veel kleiner zou zijn geweest dan Rut, heeft zij het wel gehaald en is Rut na tien dagen alsnog overleden. De ‘volgende’ Rut werd slechts zestien maanden oud; een half jaar na zijn overlijden is mijn oudoom Rut nog geboren.

 

Het gezin Vermeer-Hulstein

Jan Vermeer en Teunisje Hulstein met hun kinderen (v.l.n.r.) Dien, Trien, Teun, Rut, Lena en Wies.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
IJscowagen Laarweg

Teunisje Hulstein en Jan Vermeer met hun kinderen Teunisje en Rut bij de ijscowagen van Holewijn op de Laarweg.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Helaas heb ik deze overgrootouders van mijn oma’s kant nooit mogen kennen. Mijn overgrootvader is op vijfenzeventigjarige leeftijd in Bennekom overleden op 24 juni 1956. Mijn overgrootmoeder volgde hem bijna zeven jaar later op 19 april 1963 op zevenenzeventigjarige leeftijd.

 

Overlijdensakte Jan Vermeer

Overlijdensakte van Jan Vermeer.
Bron: ArchieVal


 
Overlijdensakte Teunisje Hulstein

Overlijdensakte van Teunisje Hulstein.
Bron: ArchieVal


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Nathanaël Knowles wordt op 26 april 1643 gedoopt in de Groninger Martinikerk. Zijn ouders, de Engelse handschoenmaker Richard Knowles en de uit Vlissingen afkomstige Francijntie Perin, wonen op dat moment in de Boteringestraat. Nathanaël is de vijfde en jongste zoon uit het gezin. Evenals zijn oudere broer Christophorus zal hij uiteindelijk kiezen voor het beroep van predikant.

 

Botteringe Straet

De ‘Botteringe Straet’ tussen de ‘Brede Merckt’ (de huidige Grote Markt) en de ‘O. Botteringe Poort’; 1649, Atlas van Loon.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
Doop Nathanael Knowles

Doopinschrijving van Nathanaël Knowles.
Bron: AlleGroningers

 
Op 13 augustus 1661 laat Nathanaël zich inschrijven als student filosofie aan de Universiteit van Groningen onder de naam Nathanael Knouwels.

 

Op 13 augustus 1661 laat Nathanaël zich inschrijven als student filosofie aan de Universiteit van Groningen.
Bron: Album studiosorum Academiae Groninganae (UB RUG)

 
Tien jaar later duikt hij op als kandidaat theologie in het kerkregister van Appingedam. Alhoewel er geen voornaam of –letter wordt vermeld, moet het hier wel om Nathanaël gaan; zijn broer is dan al enkele jaren predikant in Farmsum.

 

Predikant Nathanaël Knowles

Nathanaël Knowles vermeld als kandidaat theologie in het kerkregister van Appingedam.
Bron: FamilySearch

 
Transcriptie (Kerkelijke zaken Appingedam deel I):

Anno 1671 den 29 Decemb is de vergaderinge der ouderlingen ende diaconen met het gebedt aengevangen ende geeindigt

Is door expiratie van drie vierdeel jaers van wijlen Dom. Sibrandus Zal., bij provisie geresolveert, dat
eenige Predicanten ende Candidaten eerstmaell om te predicken opgestelt ende gehoort sullen worden, om daer na eenige uit deselve op de nominatie te brengen. En is ten eersten remarq genomen op volgende personen als

D. Picardus pastor tot Nieuw-kerck
D. Wiardi pastor tot Eenum
D. Havercampius, pastor op Delfzijll
D. Heijdanus, pastor tot Noorthorn
D. Cand. Swaan
D. Cand Alberthoma
D. Cand Knowles
 
In november van 1672 wordt Nathanaël beroepen als predikant en opvolger van dominee Johannes Janssonius in Anloo, waartoe ook de plaatsjes Annen, Annerveen, Eext, Eexterveen, Anderen, Gasteren en Schipborg behoren. Zijn thuisbasis wordt de Sint-Magnuskerk, de oude bisschopskerk in het midden van het dorpsgebied, die sinds 1598 eigendom is van de Nederduits-Gereformeerde Kerk, de latere Hervormde Kerk. Hij zal de eerste predikant in Anloo worden, die aanvangt met het registreren van dopen en overlijden in het kerkboek. De huwelijksinschrijvingen zullen vanaf 1715 worden genoteerd door dominee Ulricus de Vries.
 
Nathanaël schrijft hierover in het kerkboek:

Alsoo mij geen overleveringhe van het kerckelijck protocol is gedaen en ick nu eerst in den jare 1676 daer toe een boeck heb bekome, heb ick in de eerste jaren van mijn dienst niet konnen registreren de namen der gedoopte kinderen. Dienvolgens sou het konnen geschiet sijn datter int’ begin wel d’een ofte ander mochte uitgelaten ofte misplaest wesen, ’t welck ick nodich achte bekent te maken of men sich in dese of gene gelegenheidt van dit protocol moeste dienen.

 

Kerkregister Anloo

Voorwoord door Nathanaël in het kerkboek van Anloo.
Bron: Drents Archief


 
Sint-Magnuskerk te Anloo

Sint-Magnuskerk te Anloo met de namenlijst van de predikanten.
Foto kerk: Rijksmonumenten (bewerkt; Licentie: CC BY-SA 3.0 NL)

 
Nathanaël laat op 12 april 1673 in Groningen zijn voorgenomen huwelijk met predikantsdochter Maria Sibelius inschrijven. Dit huwelijk wordt op 30 april van dat jaar ingezegend door dominee Otto Zaunslifer in de Groninger Martinikerk. Maria is de dochter van Adolphus Sibelius, die tijdens zijn leven als predikant werkzaam is in Warfhuizen en Warffum, en Maria Ringels.
Het jaar daarop wordt op 4 april zoon Richardus geboren en een dag later gedoopt. Meer kinderen zullen er niet volgen. Richardus wordt ook niet oud; hij overlijdt in de nacht van 29 juni 1693 op negentienjarige leeftijd.

 

Huwelijksinschrijving Nathanael Knowles en Maria Sibelius

Huwelijksinschrijving van Nathanaël Knowles en Maria Sibelius.
Bron: AlleGroningers


 
Doop Richardus Knowles

Doopinschrijving van zoon Richardus.
Bron: AlleDrenten


 
Overlijden Richardus Knowles

Als predikant moest Nathanaël zelf het overlijden van zijn enig kind inschrijven.
Bron: AlleDrenten

 
In 1683 vertaalt Nathanaël uit het Engels: Richard Baxter; De rechte maniere van doen, om aan een geruste conscientie te geraken, In XXXII bestieringen, dat hij opdraagt aan Conraedt Ellents, onvanger-generaal van Drenthe en de heerlijkheid Coevorden en diens vrouw Anna Geertruidt Sichman. In 1685 gevolgd door de vertaling uit het Engels: Richard Baxter; Het goddelyke leven in drie verhandelingen. Het gedachtegoed uit de boeken van Richard Baxter, één van de meest invloedrijke leiders van de non-conformisten, Engelse puritein, predikant, dichter, hymnoloog en polemist, wordt uit naam van de Classis van Rolde onderschreven en ‘seer dienstig ende stigtig bevonden voor Godts Kerke omme door den druk in onse Nederlantsche tale bekent gemaakt te worden‘. Of zoals Nathanaël zelf schrijft ‘voornamelijk om de gehele Nederlantsche Kerke daar door te stichten, na myn kleyn vermogen‘.

 

Bladzijde uit Het Goddelyke Leven

Bladzijde uit de vertaling van ‘Richard Baxter; Het goddelyke leven in drie verhandelingen’.

 
Op 6 juli 1700 moet Nathanaël afscheid nemen van zijn vrouw Maria. Als predikant van de gemeente noteert hij dit overlijden in het kerkboek van Anloo. Ruim twee maanden later op 15 september zal ook Nathanaël het heden met het eeuwige verruilen.

 

Overlijden Maria Sibelius

Terwijl Nathanaël nog zelf het overlijden van Maria noteert…
Bron: AlleDrenten


 

… zal zijn eigen overlijden ruim twee maanden later door zijn opvolger dominee Christophorus Matthaeus worden ingeschreven.
Bron: AlleDrenten


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel

Gehele boeken: De rechte maniere van doen, om aan een geruste conscientie te geraken en Het goddelyke leven
Bronnen: DBNL, Dominees, Drents Archief en Digibron
 
 

 
Jaren geleden kreeg ik van een familielid een plastic tasje met foto’s. Ik ‘moest maar kijken of ik er iets mee kon…’ Het tasje bleek een handjevol ‘pareltjes’ te bevatten. Een zeer welkome aanvulling op de toch al geringe hoeveelheid oude familiefoto’s, die binnen onze familie circuleert.
Bijzondere vondsten waren de foto’s van mijn betovergrootmoeders Helena van Deelen en Louise Jansen. Grootmoe Leen en Grootmoe Wies, de beide grootmoeders van mijn oma.

Helena werd als vierde dochter van de Bennekommer boerenknecht, dagloner en arbeider Aalbert van Deelen en de uit Otterlo afkomstige boerenmeid en arbeidster Dientje Freriks op 11 oktober 1858 ’s avonds om acht uur geboren in Otterlo. Tot aan haar huwelijk zou Helena in Otterlo blijven wonen.
Op 26 april 1879 trouwde Helena, twintig jaar oud, in Ede met de zeven jaar oudere Wageninger arbeider Casper Vermeer, weduwnaar van Grietje Riggelink. Na het huwelijk gingen Helena en Casper in Bennekom wonen. Op 30 oktober van hetzelfde jaar werd hun oudste zoon geboren, die slechts achttien dagen oud zou worden. Er volgden nog twee zonen, vijf dochters en twee levenloos geboren kinderen. In 1916 werd Helena weduwe; zij zelf overleed in Bennekom op 17 januari 1938, negenenzeventig jaar oud.

 

Helena van Deelen

Helena van Deelen
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Geboorteakte Helena van Deelen

Geboorteakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief


 
Gerecontrueerde PK van Helena van Deelen

Gerecontrueerde persoonskaart van Helena van Deelen.
Bron: Archieval


 
Overlijdensakte Helena van Deelen

Overlijdensakte van Helena van Deelen.
Bron: Gelders Archief

 
Louise werd op 15 oktober 1860 ’s avonds om negen uur in Ede geboren als oudste dochter van de uit Ede afkomstige smid en arbeider Cornelis Jansen en spinster Gerritje van de Weerd. Het gezin liet zich op 21 november 1870 uitschrijven van Ede Dorp 71 naar Woudenberg om later weer in Ede neer te strijken.
Louise trouwde, 20 jaar oud, op 16 april 1881 in Ede met de Bennekommer boerenknecht en arbeider Rut Hulstein. Ook Rut en Louise vestigden zich na hun trouwen in Bennekom. Hun oudste zoon werd geboren op 6 november van hetzelfde jaar. Er zouden nog drie zonen en zes dochters volgen. Louise overleed op 25 december 1932 te Bennekom op tweeënzeventigjarige leeftijd; ruim drie weken later gevolgd door haar man.

 

Louise Jansen

Louise Jansen
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Geboorteakte Louise Jansen

Geboorteakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief


 
Gereconstrueerde PK van Louise Jansen

Gereconstrueerde persoonskaart van Louise Jansen.
Bron: Archieval

 
Opvallend is de vermelding ‘Groep de Laar’ op de gereconstrueerde persoonskaart. In de ‘Straatreconstructie van J.G. Hartgers’ wordt dit niet vermeld. Vanaf 1921 zijn in het arme noordoostelijke gebied van Bennekom met verspreide bebouwing de straatnamen ‘Laarweg’ en (het inmiddels verdwenen) ‘Laarpad’ ingevoerd. Onderscheid wordt er tevens gemaakt tussen ‘Laarweg’ en ‘De Laar’. De vermelde huisnummers 34, 35a en 17 ontbreken bij de adressen, die J.G. Hartgers vermeldt voor ‘De Laar’. Het is dan ook aannemelijk dat ‘Groep de Laar’ een deel was van ‘De Laar’ en mogelijk het vroegere ‘Laarpad’.

 

Overlijdensakte Louise Jansen

Overlijdensakte van Louise Jansen.
Bron: Gelders Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
In de familie Ludolphi ‘wemelt’ het van de creatieve individuen. Van schrijvers tot glasmakers en ‘ververs’. Bij velen moeten we het doen met de vermeldingen in registraties of akten. Toch zijn er van de schrijvers nog gepubliceerde boeken te vinden op het internet of in de Universiteitsbibliotheek van Groningen. Van de schilders in de familie is er heel wat minder bekend, met uitzondering van Albertus Johannes van Ludolphi.

 

Geboorteakte Albertus Johannes van Ludolphi

Geboorteakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers

 
Albertus Johannes werd op 9 april 1812 geboren in het Groningse Appingedam als zoon van Jan Watzes van Ludolphi en zijn eerste vrouw Martjen Jans Kokmeijer, ook wel Niewold. Vader Jan, afkomstig van het Bolwerk bij Appingedam, was ‘verver’ en ‘glazemaker’.
Blijkbaar koos Albertus Johannes al vroeg voor het kunstenaarsleven, want hij was van 1827 tot aan zijn overlijden werkzaam als schilder in Appingedam. Zijn onderwerpen bestonden uit figuurvoorstellingen, interieurs en kaars- of lamplichtstukken.

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst in het Lokaal van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Op dat moment was hij woonachtig in het Drentse Smilde. Jaren geleden heb ik dit schilderij nog mogen aanschouwen, maar eerlijk gezegd kon het mij niet echt bekoren.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Amsterdam

Uit de Middelburgsche Courant van 13 juni 1844.
Bron: Delpher


 
Tentoonstellingsboekje Amsterdam

In 1844 exposeerde Albertus Johannes met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’ op de Tentoonstelling voor Schilder-, Teken-, Graveer-, Bouw- en Beeldhouwkunst te Amsterdam.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Amsterdam inhoud

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderij ‘Een kaarslicht’.
Bron: RKD

 
Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde Albertus Johannes de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ ten huize van de Weduwe Bontekoe aan de Grote Markt te Groningen in 1845. Hij woonde toen weer in zijn oude woonplaats Appingedam.

 

Krantenbericht Tentoonstelling Groningen

Uit de Leeuwarder Courant van 13 mei 1845.
Bron: Delpher


 
Tentoonstellingsboekje Groningen

Met zijn schilderijen ‘De Barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’ sierde hij de Tentoonstelling ‘Schilderijen van Levende Nederlandsche Meesters’ te Groningen in 1945.
Bron: RKD


 
Tentoonstelling Groningen i

Albertus Johannes van Ludolphi exposeerde met zijn schilderijen ‘Een barbierswinkel’ en ‘Een gezelschap bij het vuur’.
Bron: RKD

 
Op 54-jarige leeftijd besloot Albertus Johannes om toch maar eens te trouwen. De bruid was Helena Nuwer, geboren te Appingedam op 23 maart 1820 als dochter van zadelmaker Lodewijk Nuwer en Anje Ogiers. Het huwelijk vond plaats te Appingedam op 22 november 1866.
Helena werkte als dienstmeid en kreeg op 22 september 1851 een zoon Lodewijk. Zijn vader is onbekend. Acht jaar later, op 27 maart 1860, zou zoon Lodewijk in Jukwerd komen te overlijden. Hij woonde op dat moment samen met zijn moeder in Appingedam.

 

Huwelijk Ludolphi-Nuwer

Huwelijksakte van Albertus Johannes van Ludolphi en Helena Nuwer.
Bron: AlleGroningers

 
Een jaar of drie geleden is het schilderij ‘Spekdikken eten’ van Albertus Johannes op een veilig onder de hamer gegaan. Het kunstwerkje was met olieverf op paneel aangebracht en had het formaat van 35 bij 27 centimeter. Uiteraard was ik nieuwsgierig naar wat deze voor mij onbekende spekdik nou eigenlijk is. Het blijkt een soort kleine pannenkoek te zijn van roggemeel, eieren en stroop, die als lokale specialiteit onder meer in het Groninger Westerwolde en in het Oost-Friese Reiderland rond Nieuwjaar wordt gegeten. De spekdik wordt met een stukje vet spek en vaak enkele stukjes droge worst gebakken in een knijpijzer.

 

Spekdikken eten (Albertus Johannes van Ludolphi)

‘Spekdikken eten’ door Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: onbekend (kopie in eigen archief; eventueel auteursrecht onbekend)


 
Detail spekdikken eten door Albertus Johannes van Ludolphi

Detail uit het schilderij ‘Spekdikken eten’.
Bron: onbekend (kopie in eigen archief; eventueel auteursrecht onbekend)

 
Zoals gezegd bleef Albertus Johannes tot aan zijn overlijden schilderen. Hij overleed te Appingedam op 3 april 1883 op zeventigjarige leeftijd. Helena ging hem twee jaar eerder al voor. Zij overleed eveneens te Appingedam op 19 februari 1881, zevenenvijftig jaar oud.

 

Overlijden Albertus Johannes van Ludolphi

Overlijdensakte van Albertus Johannes van Ludolphi.
Bron: AlleGroningers


 
 
Tekst: © Uit de oude Koekstrommel
Bronnen: Wikipedia en RKD
 
 

 
Joannes Bernardus Regter wordt op 22 oktober 1798 in Amsterdam geboren en een dag later in de Rooms Katholieke ‘Kerk Op Het Kuiperspad’ gedoopt. Dit is een schuilkerkje van de Sint-Willibrordusparochie in een oude turfschuur aan het Kuiperspad, de huidige Kuipersstraat, in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort.

 

Doopinschrijving Joannes Bernardus Regter

Doopinschrijving van Joannes Bernardus Regter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Als zoon van de uit het Duitse Bramsche afkomstige Herman Hendrik Richter en de Amsterdamse Maria Christina Scholten, dochter van Gerrit Scholten uit Denekamp en de Amsterdamse Elisabeth Beekman, groeit hij samen met zijn bijna twee jaar oudere broer Gerardus Joannes op aan het Hoedemakerspad naast de wasbleek buiten de Utrechtse Poort. Gerardus Joannes had nog een tweelingbroer Petrus Franciscus, die overleden is in de leeftijd van ruim een half jaar. Drie maanden na het overlijden van hun vader wordt er nog een broer Henricus Franciscus geboren, maar deze haalt nog net de twee maanden.

Het Hoedemakerspad, de huidige Van Ostadestraat in De Pijp, ligt vlakbij het Kuiperspad in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort en binnen de dijken van de Amstel en Schinkel. Dit gebied bestaat voornamelijk uit weilanden, warmoezerijen, turfwinningsplaatsen en buitenplaatsen van welgestelde Amsterdammers. De naam Hoedemakerspad, naar de hoedenmakers die hier in de zeventiende eeuw gevestigd waren, blijft tot 1883 bestaan. Bij Raadsbesluit van 20 maart 1883 wordt de naam gewijzigd in Hoedenmakersstraat en vervolgens bij Raadsbesluit van 14 december 1898 in Van Ostadestraat.

 

Hoedemakerspad

Herberg ‘De Steene Brug’ aan de Amsteldijk tussen het Kuiperspad en het Hoedemakerspad met in het midden de ingang naar het Hoedemakerspad (door Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland, ca. 1761/1762).
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Moeder Maria Christina hertrouwt op 18 juni 1802 als weduwe met de uit het Duitse Münster afkomstige Ferdinand Jansen. Het gezin blijft op het Hoedemakerspad wonen. Vanuit dit adres trouwt Joannes Bernardus, inmiddels hovenier van beroep, op 10 mei 1826 in Amsterdam met de eveneens ‘Roomse’ Maria Joanna Schouten, op dat moment wonende aan het Oetgenspad, dochter van de Blaricummer Tijmen Schouten en Margaretha Beums uit Xanten bij Kleef. Het Oetgenspad, de huidige Eerste Oosterparkstraat, loopt langs een aangelegde sloot vanaf de Amstel (Weesperzijde) de Overamstelse Polder in. De Overamstelse Polder, direct buiten de Muiderpoort, is ingericht met warmoezerijen en weide- en hooilanden met bijbehorende huizen en schuren.

 

Oetgenspad

(Het zuiden is boven.) Onderin, aan weerszijden van de sloot het Oetgenspad in de ‘Ban van Oetewael’ tussen de Oetewalerweg en de Amstel. Kaart uit 1676.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Joannes Bernardus en Maria Joanna vertrekken naar de Weesperzijde nummer 23. Daar wordt zoon Ferdinandus Thimotheus op 4 maart 1827 geboren. Het jaar daarop wordt dochter Johanna Margaretha geboren op 13 april aan de Weesperzijde nummer 73. Vijf dagen na haar geboorte overlijdt Maria Joanna op achtentwintigjarige leeftijd.

Op 15 mei 1831 hertrouwt Johannes Bernardus met Aaltje Beijer. Aaltje is geboren in Nieuwer-Amstel als dochter van Gijsbert Beijer, afkomstig uit Wilnis, en Wilhelmina van ’t Lam uit het Utrechtse Stokkelaarsbrug.
Het stel gaat wonen aan het Hoedemakerspad nummer 32. Op dit adres wordt op 28 oktober 1831 een tweeling geboren: Maria Wilhelmina en een half uurtje later Petrus Franciscus.
Amsterdam wordt ‘officieel’ ingeruild voor Nieuwer-Amstel. Het is niet helemaal duidelijk of er sprake is van een daadwerkelijke verhuizing of dat één en ander te maken heeft met een nieuwe vaststelling van de gemeentegrens, waardoor het woonadres binnen de iets noordelijker uitgelegde gemeentegrens van Nieuwer-Amstel valt.

 

Hogesluis naar de Buiten-Amstel

De Hogesluis naar de Buiten-Amstel, de Amsteldijk en de molens aan de Zaagmolensloot te Nieuwer-Amstel in de achttiende eeuw. Links het bolwerk Westerblokhuis met molen ‘De Groen’ en de Utrechtsepoort. Rechts de Weesperzijde.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In Nieuwer-Amstel worden nog drie kinderen geboren. Op 28 april 1834 zoon Johannes Bernardus, die ruim twee jaar later op 21 juli 1836 overlijdt. Dan volgen op 9 februari 1836 een dochter Klara Engeliena en op 18 augustus 1838 een dochter Johanna Maria Geertruida. De geboorte van zijn laatste kind zal Johannes Bernardus niet meer meemaken. Hij overlijdt ruim een half jaar eerder op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan zinkenziekte als gevolg van zijn beroep als smid in de laatste jaren van zijn leven. Johannes Bernardus wordt vijf dagen later begraven op het Sint Anthonius Kerkhof in Amsterdam.
Zijn weduwe Aaltje zal niet meer hertrouwen. Zij overlijdt op 28 september 1876 in Nieuwer-Amstel, achtenzestig jaar oud.

 

Bidprentje Joannes Bernardus Regter

Bidprentje van Joannes Bernardus Regter.
Bron: CBG Verzamelingen


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Reliwiki, Cultureel Erfgoed, Wikipedia (Binnendijkse Buitenvelderse polder) en Wikipedia (Nieuwer-Amstel)
 
 

 
Johannes Bernardus Horning wordt op 13 maart 1847 ’s avonds om elf uur geboren in de Amsterdamse Passeerdersstraat op nummer 60 als zoon van Anthonie Hendricus Horning en Jansje van den Berg. Het gezin heeft het zeker niet breed met de magere inkomsten van vader als sjouwer. Er moet in de winter 1855-1856 zelfs voor hulp aangeklopt worden bij de Huiszittenhuizen. Toch wordt al snel de ondersteuning ‘ingetrokken om hoge verdiensten’. Vader Anthonie Hendricus begint een steenzettersbedrijf.

 

Geboorteakte Johannes Bernardus Horning

Geboorteakte van Johannes Bernardus Horning.
Bron: FamilySearch


 
Inschrijving Huiszittenhuizen

Inschrijving in het register van de Huiszittenhuizen voor winterhulp.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na het overlijden van zijn moeder in 1859 ten gevolge van cholera (in het register van het Diaconieweeshuis wordt aangegeven aan de gevolgen van het kraambed), hertrouwt zijn vader met jonge Johanna Weber. Als zijn vader in 1868 komt te overlijden door een hartziekte worden zijn jongste broertje Hendricus Bernardus en zusje Aletta ondergebracht in het Diaconie Weeshuis. De dan vierentwintigjarige broer Anthonie Hendrikus wordt als voogd over deze kinderen benoemd. Deze broer zal het steenzettersbedrijf samen met W. Bouman op dezelfde voet doorzetten onder de Firma Bouwman & Comp. Acht jaar later besluit zijn broer geheel voor eigen rekening de ‘affaire’ over te nemen.

 

Algemeen Handelsblad, 10 juli 1868

Uit het Algemeen Handelsblad van 10 juli 1868.
Bron: Delpher


 
Registratie Commissieboek Diaconieweeshuis

Gedeelte van ‘Documenten des Boedels’ uit het commissieboek van het Diaconieweeshuis in Amsterdam, d.d. 27 augustus 1868.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Overdracht, Algemeen Handelsblad, 3 februari 1876

Overdracht van het steenzettersbedrijf (Algemeen Handelsblad van 3 februari 1876).
Bron: Delpher

 
Johannes Bernardus vertrekt naar Den Helder, waar hij aan de slag gaat als stoker bij de Marine Dienst. Hij leert de uit Zierikzee afkomstige Christina Maria de Vries kennen. Het stel trouwt op 3 oktober 1872 in Den Helder. De zwangere Christina Maria is dan bijna twee jaar weduwe van Hendrik Christiaan Meijer, Eerste Zeilmaker bij de Marine, en neemt uit dit huwelijk drie kinderen mee.

Op 17 maart 1873 wordt in Den Helder een zoontje levenloos geboren. Johannes Bernardus is dan stoker op het Rijkshof. Eind 1876 wordt besloten om naar Amsterdam te verhuizen. Op het adres Weesperstraat 129 worden nog drie kinderen geboren. Allereerst een dochter Christina Baudina op 19 mei 1877, gevolgd door een dochter Johanna Alida op 21 mei 1879 en een zoon Johannes Bernardus op 18 februari 1881, die op ruim éénjarige leeftijd op 25 juni 1882 komt te overlijden door een longontsteking. Vader Johannes Bernardus is in deze periode smid van beroep en maakt in 1882 een ‘uitstapje’ als steenzetter. Waarschijnlijk zal dit in het bedrijf van zijn broer zijn geweest.

In 1885 wordt in de krant nog een advertentie door ‘hunne dankbare kinderen’ geplaatst voor het herdenken van het ‘12½-Jarige Echtvereenging hunne geliefde ouders’. Helaas zal dit huwelijk niet veel langer duren. Op 1 april 1886 wordt bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam het huwelijk ontbonden vanwege overspel door de gedaagde Christina Maria. Of dit daadwerkelijk de reden zal zijn geweest is moeilijk te bepalen, aangezien dit één van de vier gronden is waarvoor een huwelijk ontbonden kan worden.

 

Het nieuws van den dag, 20 maart 1885

Uit Het nieuws van den dag van 20 maart 1885.
Bron: Delpher

 
Christina Maria gaat niet bij de pakken neerzitten en besluit begin april 1886 op de Laurierstraat 84 in Amsterdam een ‘Café met biljart’ te openen. Toch loopt niet alles van een ‘leien dak’. Op 1 juni 1888 overlijdt het jongste dochtertje Johanna Alida op achtjarige leeftijd. Zij blijkt een lekkende hartklep te hebben en overlijdt aan hartfalen als gevolg van een ontsteking van de hartwand. Bovendien wordt Christina Maria op 9 maart 1893 opgenomen in het Binnengasthuis, alwaar zij negen dagen zal verblijven vanwege ‘insufficientia mitralis’, oftewel een lekkende hartklep net als haar dochtertje. Twee jaar later overlijdt zij op 10 juni 1895 in haar woning aan de Nieuwe Achtergracht 148 op tweeënvijftigjarige leeftijd. Officieel wordt de doodsoorzaak als ‘onbekend’ aangegeven, maar mogelijk zal dit te maken hebben gehad met haar hartziekte.

 

Cafe met Biljart

Christina Maria opent begin april 1886 haar ‘Café met Biljart’ (Het nieuws van den dag van 5 april 1886).
Bron: Delpher


 
Opname Binnengasthuis

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Opname Binnengasthuis vervolg

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na zijn echtscheiding hertrouwt Johannes Bernardus op 30 juni 1887 in Nieuwer-Amstel met de Amsterdamse Maria Susanne Hollemans, weduwe van tapper Frederik Johannes Nieber. Deze Frederik Johannes is overleden op het adres Nassaukade 350, waar sinds lange tijd een café is gevestigd. Het lijkt voor de hand liggend dat Johannes Bernardus door zijn huwelijk met de weduwe kennis heeft gemaakt met de drankenhandel en het café-wezen.

Wanneer Johannes Bernardus ‘in de sterke dranken’ gaat is niet bekend. Op 9 maart 1894 dient hij bij de gemeente Amsterdam in ieder geval een verzoekschrift in voor een vergunning tot verkoop van sterke dranken in het klein. Als adres wordt vermeld Nassaukade 350. Twee jaar later wenst hij via een krantenbericht aan alle vrienden en clientèle een gelukkig nieuwjaar. Afzender is J. B. Horning, Handel in Wijn, Cognac en Gedistilleerd, Nassaukade 350-hoek Van Lennepstraat. Begin 1897 zijn Johannes Bernardus en zijn echtgenote nog uitbaters van ‘Café Jacob van Lennep’ op bovengenoemd adres, maar later dat jaar wordt door een andere persoon op dat adres een vergunning tot sterke dranken in het klein aangevraagd.

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1896

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1896.
Bron: Delpher


 
Het nieuws van den dag, 1 januari 1897

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1897.
Bron: Delpher


 
Nassaukade 342-350

Nassaukade 342-350 met naar rechts de ingang naar de Jacob van Lennepstraat.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam (embedded)

 
Er wordt wat heen en weer verhuisd. Op 10 augustus 1892 vertrekt het gezin van Amsterdam naar Hilversum om zich twee jaar later op 11 mei 1894 opnieuw in Amsterdam te vestigen. Uiteindelijk vertrekt het gezin op 6 december 1897 definitief naar de Oude Torenstraat 6 in Hilversum.

Johannes Bernardus en zijn vrouw Maria Susanna beginnen in Hilversum ‘Café en Slijterij De Beurs’ aan de Bussummerstraat 49. Dat moet voor 1901 zijn geweest. Op 29 april 1901 gaat hij een commanditaire vennootschap op aandelen aan als enig beherend en aansprakelijk vennoot onder de firma ‘J.B. Horning & Co.’ voor een tijdvak van twintig jaar met de bedoeling ‘het exploiteren van een koffiehuis, slijterij en tapperij aan de Bussummerstraat 49 in Hilversum’.
Mogelijk is zijn stiefzoon Simon Hendrik Nieber dan al als stille vennoot betrokken bij de firma. Bij zijn huwelijk in 1906 met Margaretha Justina Kwint wordt als beroep caféhouder vermeld en is hij in Hilversum woonachtig. Drie jaar later zijn hij en zijn echtgenote de uitbaters van Café De Beurs.

 

Advertenties uit kranten

Diverse advertenties uit kranten in de periode 1901-1923.
Bron: Delpher
© Uit de oude Koektrommel

 
Na 1922 verdwijnt Café De Beurs uit beeld. Simon Hendrik Nieber en zijn vrouw beginnen in 1924 in de Leeuwenstraat 24 hoek Hertenstraat in Hilversum de ‘Amstel Bar’, die volgens de krant ‘met de mooiste van de hoofdstad kan wedijveren’. De Amstelbar valt echter nog steeds onder de firma J.B. Horning & Co. Helaas zal het doek drie jaar later vallen voor de ‘Amstel Bar’. Op 29 juni 1927 wordt door de Arrondissementsrechtbank in Utrecht het faillissement uitgesproken over S.H. Nieber, handelende onder de naam of firma J.B. Horning & Co., wonende te Nieuw Loosdrecht. Het faillissement wordt aangevraagd inzake geleverde goederen tot een bedrag van ongeveer 3500 gulden. Bij het verschijnen van de crediteurenlijsten in de De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927 is Simon Hendrik inmiddels al na een langdurige ziekte overleden.

 

De Gooi- en Eemlander, 10 mei 1924

Opening van de Amstel Bar; De Gooi- en Eemlander van 10 mei 1924.
Bron: Delpher


 
Leeuwenstraat Hilversum

De Leeuwenstraat in de tijd van de Amstel Bar.
Bron: Eetcafé Samen


 
Nederlandsche Staatscourant, 5 juli 1927

Vermelding van het faillissement in de Nederlandsche Staatscourant van 5 juli 1927.
Bron: Delpher


 
De Gooi- en Eemlander, 29 september 1927

Opgave van crediteurenlijsten in De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927.
Bron: Delpher

 
Johannes Bernardus en Maria Susanna wonen in 1907 op de Dalweg 23 in Hilversum, waar zij op 18 juni 1914 op éénenzestigjarige leeftijd zal overlijden. Johannes Bernardus verhuist vervolgens naar Haarlem.
Na haar overlijden stapt Johannes Bernardus nog één maal in het huwelijksbootje en wel op 16 maart 1916 te Haarlem. De bruid is dit keer Zuster Carolina Maria Regter. In eerste instantie ging mijn gedachte uit naar een Katholieke Zuster, maar alles wijst erop dat ‘zuster’ gezien moet worden als ‘verpleegster’, alhoewel het één het andere natuurlijk niet uitsluit. Carolina Maria is de dochter van Petrus Franciscus Regter en Cornelia Maria Kaasenbrood. Johannes Bernardus is dan koopman van beroep en ingeschreven in Haarlem, maar binnen de laatste zes maanden voor zijn huwelijk woonachtig in Hilversum.

 

Advertentie Algemeen Handelsblad, 16 maart 1916

Uit het Algemeen Handelsblad van 16 maart 1916.
Bron: Delpher

 
De uit Nieuwer-Amstel afkomstige Carolina Maria werkt als inwonend verpleegster in het Amsterdamse Binnengasthuis. Daarvoor is zij werkzaam in het Provinciaal Psychiatrisch Gesticht ‘Meerenberg’ in de gemeente Bloemendaal nabij Santpoort. Na haar ontslag, overigens niet wegens wangedrag, als verpleegster in het Binnengasthuis verhuist zij op 13 oktober 1898 van Amsterdam naar Hilversum, waar zij tot haar overlijden zal wonen.

Het leven van Johannes Bernardus lijkt in een rustiger vaarwater te zijn gekomen. En dat mag ook wel gezien zijn leeftijd. Hij overlijdt op 25 mei 1930 op drieëntachtigjarige leeftijd in zijn huis aan de Boschlaan 5 in Hilversum en wordt drie dagen later begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats.
Carolina Maria overlijdt veel later op 18 juli 1961. Zij woont dan op de Paulus van Loolaan 6 in Hilversum en heeft de respectabele leeftijd bereikt van negentig jaar. Drie dagen later wordt ze in Velsen gecremeerd.

 

Rouwadvertenties

Rouwadvertenties.
Bron: Delpher en CBG Verzamelingen
© Uit de oude Koektrommel

 
Het ligt natuurlijk in de lijn der verwachting dat het ‘enige overgebleven’ kind van Johannes Bernardus, dochter Christina Baudina uit zijn eerste huwelijk, ook vroegtijdig zal zijn overleden. Het tegendeel is waar.
Christina Baudina vertrekt op 3 juni 1891 van Amsterdam naar Heerde. Vervolgens zien we haar terugkomen in het bevolkingsregister van Harlingen. Zij is in Harlingen geregistreerd op 19 mei 1899, komende vanuit Hilversum en modiste van beroep. Op 21 maart 1900 ruilt ze Harlingen in voor Amsterdam om vervolgens op 5 november van dat jaar terug te keren naar Hilversum aan de Herenstraat 3/25.
Ze leert de uit Apeldoorn afkomstige Adriaan Mattheus Kerkkamp kennen en het stel trouwt op 23 oktober 1903 in Hilversum. Haar man is dan leraar aan de Rijks H.B.S. in Amersfoort en oud-officier van de Artillerie K.N.I.L.

 

Bevolkingsregister Harlingen

Bevolkingsregister van Harlingen.
Bron: AlleFriezen


 
Bevolkingsregister Harlingen vervolg

Bevolkingsregister van Harlingen, vervolg.
Bron: AlleFriezen

 
Het echtpaar krijgt twee kinderen, beiden geboren in Amersfoort. Zoon Hendrik wordt op 7 oktober 1910 geboren en gaat in 1929 naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1932 komt hij terug naar het ouderlijk huis aan de Jacob Catslaan 29 in Amersfoort om op 14 juli 1934 te vertrekken naar het Engelse Shorne in Kent voor zijn beroep als sergeant bij de Infanterie K.N.I.L. Uiteindelijk overlijdt hij op 28 augustus 1943 in Birma als één van de vele slachtoffers van de Birmaspoorlijn (55 km.). Hij ligt begraven in Thanbyuzayat.
Dochter Geertruida Cornelia wordt geboren op 13 april 1915. Zij vertrekt op 29 april 1935 van Amersfoort naar de Utrechtse Nieuwegracht 137. Op dit adres is het Wilhelmina Kinderziekenhuis gevestigd. Volgens de vermeldingen van inkomende en vertrokken personen vestigt zij zich in december 1939, komende van Utrecht, in het ouderlijk huis aan de Immenbergweg 50 in Beekbergen om in april 1940 te vertrekken naar ’s-Gravenhage. Mogelijk gaat het om Zuster G.C. Kerkkamp, die tot 30 november 1949 voor de Vereniging Het Groene Kruis in Wierden werkt en in 1968 hoofd van de verpleging in Sanatorium Hoog-Hullen in Eelde is, het latere psychiatrisch ziekenhuis voor behandeling van verslavingszieken.

 

Bevolkingsregister Amersfoort

Gezinskaart uit het bevolkingsregister van Amersfoort.
Bron: Archief Eemland

 
Na zijn pensioenering verhuizen Adriaan Mattheus en Christina Baudina op 5 juli 1925 naar Apeldoorn om uiteindelijk op de Immenbergweg 50 in Beekbergen uit te komen. Hier overlijdt Adriaan Mattheus op 11 februari 1962 en wordt drie dagen later in Dieren gecremeerd. Christina Baudina overlijdt op 15 januari 1969 op éénennegentigjarige leeftijd in haar huis aan de Boslaan 2 in Norg en wordt in stilte gecremeerd.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Elerie, met de klemtoon op de tweede lettergreep, is zeker geen onbekende naam in Wageningen. Met een beetje fantasie doet de naam zelfs buitenlands aan. Niets is minder waar: de naam blijkt een versteende patroniem te zijn uit Groningen.
Het is luitenant Gerardus Elleri, die de naam van de Groningse familie naar deze stad brengt. Spittende in het verleden kom ik tot de verrassende ontdekking dat deze voorouderlijke lijn van mijn oma uit hetzelfde Groningse gebied komt als de voorouderlijke lijn van mijn opa. De beide families moeten elkaar dus aan het begin van de zestiende eeuw gekend hebben. En dat terwijl mijn grootouders toch zeker beschouwd mogen worden als ‘echte Bennekommers’! De wereld is klein, blijkt maar weer.

Gerardus Elleri is de zoon van Dominus Arnoldus Elleri, Theologiae Candidatus, en Anna Margrieta Uchtmans. Zijn ouders laten hem op 1 maart 1696 Nederduits-Gereformeerd dopen in het Groningse Woltersum, waar zijn vader op dat moment schoolmeester is. Twee jaar later vertrekt het gezin naar Oosternieland in het uiterste noordoosten van Groningen, waar zijn vader opnieuw als schoolmeester aan de slag gaat tot zijn overlijden in 1708. Als Gerardus twintig jaar oud is komt ook zijn moeder te overlijden. Zij heeft nog wel mogen meemaken dat hij in december 1715 belijdenis van geloof aflegt in Groningen.

 

Doop Gerardus Elleri

Doopinschrijving van Gerardus Elleri op 1 maart 1696 te Woltersum.
Bron: AlleGroningers

 
Gerardus gaat het leger in en wordt luitenant in het Regiment Infanterie van Kolonel Assuërus Vegelin van Claerbergen. Dit regiment werd opgericht op 9 april 1664 als Regiment van Luitenant Kolonel Doecke van Hemmema. Een luitenant, een samentrekking van de Franse woorden ‘lieu’ (plaats) en ‘tenir’ (houden), is de plaatsvervanger of rechterhand van de kolonel, een officiersrang die in die tijd is weggelegd voor een ‘heer van gegoede stand’.

In 1731 is Gerardus gelegerd in het Garnizoen Zutphen. Hij leert de uit het Groningse Oudeschans afkomstige Petrina Francoise de Soet kennen en ze besluiten op 5 augustus in Oudeschans te trouwen. Na moeder te zijn geworden van twee dochters overlijdt Petrina Francoise ergens tussen 1735 en 1737.

 

Ondertrouw Zutphen Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksinschrijving van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 8 juli 1731 te Zutphen.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 5 augustus 1731 te Oudeschans.
Bron: AlleGroningers

 
Op 6 juli 1737 wordt Gerardus met attestatie van Warnsveld als lidmaat ingeschreven in Wageningen. Zijn overplaatsing naar Wageningen is niet zo verwonderlijk, aangezien Kolonel Vegelin van Claerbergen in dat jaar Garnizoenscommandant in deze plaats wordt.
Hij ontmoet de jonge Wageningse Jenneke van Veen met wie hij op 4 juli 1738 in Amerongen in het huwelijk treedt. Gerardus verblijft maar voor een korte periode in Amerongen, want zijn zoon en drie dochters worden in Wageningen geboren.

 

Ingekomen Gerardus, Wageningen 6 juli 1737

Gerardus komt met attestatie van Warnsveld op 6 juli 1737 over naar Wageningen.
Bron: Gelders Archief


 
Huwelijksinschrijving Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksinschrijving van Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen op 12 juni 1738 te Wageningen.
Bron: FamilySearch


 
Huwelijk Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Jenneke van Veen op 4 juli 1738 te Amerongen.
Bron: Utrechts Archief

 
Gerardus vertrekt in 1744 met het regiment naar de Zuidelijke Nederlanden, waar het Staatse leger steun biedt aan onder andere de Engelsen, de Oostenrijkers en de Hannoverianen in hun strijd tegen Frankrijk en zijn bondgenoten in de Oostenrijkse Successieoorlog.
De Fransen hebben het plan opgevat om Doornik in het voorjaar van 1745 te bestormen en in te nemen om vervolgens de Oostenrijkse Nederlanden binnen te trekken. Er wordt door Frankrijk gezocht naar een geschikt terrein om de vijand het hoofd te kunnen bieden. De keuze valt op een uitgestrekt en golvend plateau tussen Doornik en Bergen, dat gelegen is op de rechteroever van de Schelde en wordt doorsneden door een ravijn. Op de linkerflank ligt het dorpje Antoing en in het centrum van de linie Fontenoy. Het zal op 11 mei 1745 uitmonden in ‘De Slag bij Fontenoy’. Het levert Frankrijk uiteindelijk de overwinning op, maar kost aan duizenden mannen het leven. Ook Gerard keert niet meer terug…

 

Slagordes bij de Slag bij Fontenoy

Plattegrond met de slagordes van de legers bij de Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 tussen het Geallieerde leger en de Fransen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)


 
De Slag bij Fontenoy 1745

De Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 door Édouard Detaille.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Fleabyte, Wikipedia, Uit de oude Koektrommel en Gens Nostra (maart 2004; door P.J.C. Elema: ‘Elleri/Elerie; Groningen, met een tak Wageningen (1615-1903)’)
 
 

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacature ziekentrooster

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’
 
Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 
"

De rede van Texel.
Bron: Zeeuwse Ankers (embedded)

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam