Het wemelt op het internet van de meest opmerkelijke en bijzondere bronnen. Bronnen, waar menigeen het bestaan niet van kent, die interessant zijn voor onderzoek of die soms heerlijk zijn om eens even in te snuffelen. Regelmatig breng ik zo’n bron onder de aandacht. U kunt deze terugvinden door te klikken op de tag onder de titel.
 
 
Pasfoto’s 1940-1945 Gemeente Putten

In de Gemeente Putten Beeldbank bevindt zich de databank ‘Pasfoto’s 1940-1945′. Deze 4946 pasfoto’s zijn, waar mogelijk, voorzien van genealogische gegevens.
Website: Gemeente Putten Beeldbank

 

Gemeente Putten Beeldbank

Databank ‘Pasfoto’s 1940-1945’ Gemeente Putten
Bron: Gemeente Putten Beeldbank


 
 

 
Via mijn Engelse voorouder Richard Knowles kom ik uit bij de roemruchte familie Knollys. Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zo vond ik ook het verhaal over de ‘Knollys Rose Ceremony’.

We schrijven het jaar 1381. Lady Constance Beverley woont met haar echtgenoot Sir Robert Knollys aan de westkant van Seething Lane in Londen, in die tijd Cevenden Lane of Syvenden Lane genoemd. Terwijl Sir Robert op dat moment aan de zijde van zijn vriend Jan van Gent (Hertog van Lancaster en de vierde zoon van Koning Edward III van Engeland) in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) tegen Frankrijk vecht, heeft Lady Constance de verantwoordelijkheid over het huis.
Al sinds het echtpaar in 1370 het huis met belendend perceel kocht, ergert Lady Constance zich mateloos aan het terugkerende probleem van het in haar richting opwaaiende kaf van het gedorste veld tegenover hun huis. Manlief kan dan wel vaak elders vertoeven; zij zit daar dan toch mooi mee. Ter compensatie voor zijn frequente afwezigheid, of mogelijk vanwege het reeds negen jaar durende eindeloze gezeur aan zijn hoofd, gaat Sir Robert overstag voor haar lumineuze idee. Het stel besluit het betreffende veld aan de oostkant van de straat te kopen om er een rozentuin aan te planten. So far, so good, zou je denken. Toch doemt zich al snel het volgende probleem op. Een hoofdweg doorkruist de beide percelen. Een luxeprobleem. Lady Constance, niet voor één gat te vangen, vindt tijdens de afwezigheid van Sir Robert de oplossing in het laten bouwen van een voetgangersbrug over de weg als verbinding tussen beide gronden. Een mooie bijkomstigheid, en zeker niet minder belangrijk, is dat ze op die manier ook haar schoenen niet meer hoeft te bevuilen aan de modderige straat. Echter, voor de bouw van de voetbrug ‘vergeet’ ze voor het gemak een vergunning aan te vragen. Of wellicht is zij als echtgenote wettelijk gezien niet eens bij machte om deze vergunning aan te vragen. Dat kan natuurlijk ook.

 

All Hallows Barking kerk

De All Hallows Barking kerk met de Syvenden Lane naar boven.
Bron (bewerkt): Living in the past

 
Helaas voor Lady Constance wordt de overtreding niet door de vingers gezien. Ze zal zich moeten verantwoorden voor haar daad. De Raad van de City of London, met aan het hoofd Lord Mayor Sir William Walworth, belegt een vergadering om de kwestie te bespreken en komt tot het besluit dat het opleggen van een boete zeker op zijn plaats zou zijn. Regels zijn immers regels.
Sir Robert is echter een uiterst gerespecteerde en invloedrijke man, die niet alleen voor het land tegen Frankrijk vecht, maar die tevens zeer populair is bij de inwoners van Londen door zijn cruciale rol bij het neerslaan van de boerenopstand eerder dat jaar. Een forse straf zou wel heel ondankbaar overkomen. Bovendien is Sir Knollys ook nog eens goed bevriend met de Lord Mayor.
Op 23 juli 1381 wordt besloten dat er een symbolische boete zal worden opgelegd. Sir Robert (en zijn erfgenamen of nazaten) moet jaarlijks tot ‘in eeuwigheid’ op 24 juni, de dag van het Sint-Jans feest dat drie dagen na de Midzomerzonnewende gevierd wordt, een rode roos uit de tuin van Syverden Lane aanbieden aan de Chamberlain van Guildhall, het huidige stadhuis van de City of London. Na deze uitspraak wordt met terugwerkende kracht alsnog toestemming verleend voor de bouw van de voetgangersbrug met een hoogte van veertien voet en is de zaak daarmee afgedaan.

‘To all persons who these present letters shall see or hear, the Mayor, Aldermen, and Commonalty, of the City of London, greeting. Know ye, that we have granted unto Messire Robert Knolles, Knight, our dear and well-beloved fellow-citizen, and to Custance, his wife, leave to make a hautpas, of the height of 14 feet, extending from the house of the said Messire Robert and Custance, his wife, on the West side thereof, to another house to them belonging, on the East side thereof, beyond the lane of Syuendenlane in the Parish of All Hallows Berkyngchirche, near to the Tower of London; to have and to hold the same unto them, the said Messire Robert and Custance, his wife, their heirs and assigns, for ever: they rendering yearly unto the Chamberlain of the Guildhall of the said city, for the time being, on behalf of the said Commonalty, one red rose, at the Feast of St. John the Baptist (24th June), called the ‘Nativity.’ In witness whereof, to these Letters Patent the Common Seal of the said city is set, Messire William Walworthe, Knight, being then Mayor of the said city of London, and Walter Doget and William Knyghtcote, Sheriffs of the same city. Given at London, the 23rd day of July, in the 5th year of the reign of King Richard the Second etc.’
(Grant of leave to build a Hautpas, to Sir Robert Knolles and Constance, his wife. A.D. 1381. Letter-Book H. fol. cxxxviii. Uit: Memorials of London and London Life in the XIIIth, XIVth and XVth Centuries; selected, translated and edited by Henry Thomas Riley (London, 1868), p. 452.)

Helaas is er geen documentatie bekend over hoe Sir Robert op de gehele zaak heeft gereageerd bij thuiskomst, maar aangezien zijn vrouw bekend staat om haar ontzagwekkende en sterke persoonlijkheid, zal de gang van zaken hem nauwelijks hebben verbaasd. Misschien heeft hij wel stiekem hoofdschuddend moeten lachen om haar onbezonnen actie. Hij wist natuurlijk wat voor vlees hij in de kuip had.
De taak van het in ontvangst nemen van de ‘afbetaling’ komt in handen te liggen van de Lord Mayor. Daarbij is het wel grappig om te weten dat een zoon van Sir Robert en Lady Constance, Thomas Knollys, in 1399 en 1410 zelf Lord Mayor van Londen was. Dat zullen gezellige familieonderonsjes zijn geweest!

De ceremonie heeft eeuwenlang bestaan. Waarschijnlijk tot 1666, het jaar waarin de ‘Grote Brand’ van Londen plaatsvond en de rozentuin vermoedelijk is vernietigd. Daarna raakt het in de vergetelheid. Tot de ceremonie door vicaris Tubby Clayton van de All Hallows-by-the-Tower kerk, ook wel All Hallows Barking kerk genoemd, in 1924 nieuw leven ingeblazen wordt. Weliswaar niet meer op Sint-Jans dag, maar op een dag in de maand juni, wanneer de Lord Mayor hiervoor beschikbaar is.

 

Knollys Roos Ceremonie

Knollys Roos Ceremonie
Bronnen: Knollys glas-in-loodraam in de All Hallows-by-the-Tower kerk (Lost City of London), Knollys wapen (onbekend), Roos (Lost City of London) en de processie (Ian Visits)

 
Tijdens de viering van de huidige Knollys Roos Ceremonie komen genodigden en nazaten van de Knollys familie bijeen in de kerk van All Hallows-by-the-Tower, waar een dienst wordt gehouden. Na de dienst begeeft het gezelschap zich naar Seething Lane Garden, de plek waarvan gezegd wordt dat het de locatie is van de rozentuin van Lady Constance. De leiding van de ceremonie ligt in handen van de Master of the Worshipful Company of Watermen and Ligtermen of the river Thames, van oorsprong het gilde van de vervoerders van personen en goederen over de rivier de Theems. In een korte toespraak legt hij de geschiedenis van het ontstaan van de ceremonie uit, knipt vervolgens in alle ernst een rode roos af, die hij met uiterste zorgvuldigheid heeft uitgekozen en legt de roos op een fluwelen kussen, dat gedragen zal worden door de vicaris van de kerk. Dan volgt er een kleurrijke processie door de straten van het oude Londen richting het Mansion House, de ambtswoning van de Lord Mayor, alwaar deze staat te wachten op de jaarlijkse afbetaling van de boete. In een besloten ceremonie wordt de roos dan aan hem aangeboden.

De bewuste voetgangersbrug was trouwens een veel korter leven beschoren; die werd naar aller waarschijnlijkheid al aan het begin van de zestiende eeuw afgebroken…
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Internet Archive, British History Online, My London Passion, SightseerIan VisitsTraditional Customs and Ceremonies en British History
 
 

 
Het wemelt op het internet van de meest opmerkelijke en bijzondere bronnen. Bronnen, waar menigeen het bestaan niet van kent, die interessant zijn voor onderzoek of die soms heerlijk zijn om eens even in te snuffelen. Regelmatig breng ik zo’n bron onder de aandacht. U kunt deze terugvinden door te klikken op de tag onder de titel.
 
 
Familiekroniek door Reneke Busch en Siberdina Siccama

Alhoewel de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama’ slechts een luttele veertien afbeeldingen telt, herbergt deze bron een schat aan genealogische gegevens over de periode 1665-1710. Een pareltje voor iedereen, die in lijn verbonden is met deze personen. Regelmatig zult u de benaming ‘wijnkoop’ tegenkomen. Hierover kunt u meer lezen in Wijnkoop.
Website: Groninger Archieven

 

Wijnkoop Reneke Busch

Uit de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama, 1665-1710’.
Bron: Groninger Archieven

Transcriptie:
‘1665 Geslacht-register
Den 29 Martii is de wijnkoop geweest van Doctor Reneke Busch ende Siberdina Siccama tot Zuidhorm gebooren den 28 Aprilis 1643’

 
 

 
Het wemelt op het internet van de meest opmerkelijke en bijzondere bronnen. Bronnen, waar menigeen het bestaan niet van kent, die interessant zijn voor onderzoek of die soms heerlijk zijn om eens even in te snuffelen. Regelmatig breng ik zo’n bron onder de aandacht. U kunt deze terugvinden door te klikken op de tag onder de titel.
 
 
Schippersgildeboek Arnhem

Via de archieftoegang van de Arnhemse gasthuizen en gilden op de website van het Gelders Archief vindt u het gildeboek van het Arnhemse Schippersgilde over de periode 1628 tot de opheffing in 1808. Hierin staan onder meer de statuten en het huishoudelijke reglement, de namen van de gildemeesters, overlieden en boekhouders, gildebroeders en gildeknechten, de financiële bezittingen (obligaties, rentebrieven) en de controles van de financiële administratie.

Zie voor meer informatie over het schippersgilde: Gelders Archief

 

Schippersgildeboek Arnhem

Schippersgildeboek Arnhem: deel Namen der Gildebroeders.
Bron: Gelders Archief

Transcriptie:
‘1736 Den 30 Julij heeft Arien Jansen Wigmond sijn Gild gewonnen en sijn geregtigheijt betaelt, stelt tot Borge Jan Huijgen van Dijk
1737 den 12 Julij heeft Jan Vaegt sijn gilt gewonnen en sijn gelt betaelt Stelt tot Borge Arien Knipschaer En Bedankt het Gilde den 27 Janu(ari)s 1762’

 
 

 
Beste genealogievrienden,

Een veelbewogen jaar. Pittig en ingrijpend. Zo zou ik 2020 in het kort willen omschrijven. Een jaar waarin een ieder van ons op eigen wijze heeft ervaren hoe drastisch het coronavirus in het leven heeft toegeslagen en welk immens verdriet het soms veroorzaakte. Zo hebben we allemaal ons eigen verhaal.

Hoe vreemd het wellicht mag klinken, mijn inmiddels ruim negen maanden durende noodgedwongen thuisquarantaine heeft mij op persoonlijk vlak veel goeds gebracht. De beschikbare tijd moest en kon anders worden ingevuld. Denken aan wat nog wèl mogelijk was, maakte de weg vrij voor nieuwe uitdagingen en doelen. Mijn inventieve brein draaide heel wat overuren!
Het afgelopen jaar mocht ik via mijn website wederom vele persoonlijke verhalen ontvangen van genealogieliefhebbers. Zo af en toe zaten daar ook hartverwarmende berichten tussen. Gewoon zomaar. De woorden van dankbaarheid, erkentelijkheid en steun raakten mij. Het deed mij goed. Wat schuilt er toch ook veel goedheid in mensen.

Genealogie verbindt wereldwijd mensen met elkaar. Als genealogisch onderzoeker heb je het voorrecht om het leven van een ander te mogen verrijken. Iedere dag weer zijn talloze enthousiaste vrijwilligers bereid geheel belangeloos een helpende hand te bieden. We steunen elkaar waar nodig, ongeacht wie of wat je bent. We bundelen onze kennis om samen voor een ander de obstakels op het genealogische pad weg te nemen in de zoektocht naar de oorsprong van diens wortels. Hoe mooi is dat?!

Bij elke voorbijtikkende seconde komt het ‘normale’ leven telkens een klein stapje dichterbij. Kijk! Dat biedt een hoopvol vooruitzicht. Welgeteld heeft een etmaal 1440 minuten. Stel je jezelf eens voor op hoeveel momenten daarvan je kan besluiten om voor een ander het verschil te gaan maken. Om een beetje vriendelijkheid en behulpzaamheid de wereld in te sturen. Op genealogisch gebied of in het dagelijkse leven. Het kost je niks. En al lijkt het weinig wat je doet, je geeft soms veel meer dan je denkt…

Een gezond, voorspoedig en liefdevol 2021!

Hartelijke groet,
Tanja Enklaar
Uit de oude Koektrommel

 

 
 

 
Ik heb ze de afgelopen maanden ontdekt, hoor! De webinars. Werkelijk, da’s genieten met hoofdletters. Niet eens zozeer de presentaties zelf, eerder nog de aanmeldtijd vóór aanvang. Ik wist niet dat ik het in mij had, maar in relatief korte tijd hebben ze mij gemaakt tot een digitale voyeuse. Voor diegene, die zich nog niet heeft gewaagd aan deze vorm van vermaak, zal ik mijn allereerste ervaring delen. Om een beetje een idee te krijgen.

Met een keurig afgeschermde webcam ben ik ruim op tijd ingelogd voor wat er te gebeuren staat. Eén voor één druppelen de deelnemers binnen. In de praktijk blijken deze online lezingen uitermate geschikt te zijn voor de ietwat belegen medemens, die daar in de dagbesteding gemakkelijk een gaatje voor vrij kan maken. Als toeschouwster vanaf de eerste rij wordt ik gefêteerd op een kijkje in ieders huiskamer. Plasma tv. Check. Stereo-installatie. Check. Kostbare verzameling in de vitrinekast. Check. Een mekka voor de potentiële proletarische shopper.

Het wachten is op het moment suprême. Een manspersoon met een indrukwekkende headset doemt full-size in beeld op. ‘Kan iemand mij horen?’ Wijselijk houd ik mij stil. Voor de gein. Uiteraard zijn er weer spelbrekers. ‘Ja hoor, luid en duidelijk!’
Er wordt overgeschakeld naar het voorprogramma, lijkt het. Leuk dat men daaraan gedacht heeft! Een goochelaar zo te zien. Zijn vinger verdwijnt vakkundig tot halverwege in zijn kokkerd. Even vrees ik voor het tevoorschijn toveren van een slinger van doekjes. Er kwam inderdaad iets uit. Geen slinger, kan ik je vertellen. Hevig onder de indruk van deze onemanshow besluit ik het optreden van de beste man te belonen met een kinderlijk enthousiast applaus. Topentertainment!

De presentatie begint. Er breekt paniek uit. Judith51 moet het stellen zonder geluid. Joost mag weten waar ze overal vandaan komen, maar onmiddellijk duiken de mannelijke hulptroepen op. Na twintig minuten zwijgt de computer van Judith51 nog steeds als het graf. De redders in nood zijn inmiddels via de chat drukker met mevrouw bezig dan met hetgeen waarvoor zij zich hebben aangemeld. Ze krijgt het maar niet voor elkaar. Logisch. Vergeleken met de aangedragen oplossingen zijn de bouwinstructies van Ikea in Jip en Janneke taal geschreven. In tijden van acute misère is een mannenuitleg niet altijd even begrijpelijk voor ons vrouwen. Daarbuiten trouwens ook vaak niet.
Hè hè, na een half uur is het akoestische probleem opgelost. Uiteraard moet dit heugelijke feit met veel bombarie medegedeeld worden. Geen-dank-en-graag-gedaan-berichtjes volgen. De dag van Judith èn van de galante heren kan niet meer stuk. Goed gedaan meid, je kan nog net het laatste kwartiertje meekrijgen. En ik ook.

Ik hoef dus niet meer de deur uit voor een rondje ongegeneerd binnengluren. Het digitale evenement weet mij van de straat te houden. Mijn aanmelding voor de volgende webinar is alweer een feit. Pandenonderzoek. Daar heb ik niks aan. Been there, done that. Maar ik laat toch echt niet de kans op een stukje gratis amusement door mijn vingers glippen. Thuisquarantaine doet gekke dingen met mij.

Tanja
 
 

 
Als klein meisje wisten de verhalen over de Spaanse afkomst van mijn oma mij mateloos te intrigeren. Compleet was deze familiegeschiedenis zeker niet. In feite bleef het met betrekking tot onze stamvader in Nederland beperkt tot het gegeven dat hij uit Spanje was gevlucht en in Nederland uit veiligheidsoverwegingen een andere achternaam had aangenomen. Úbeda. Van deze plaats in Spanje zou hij afkomstig zijn. Volgens de overlevering hadden zich ook militairen aan de deur gemeld om hem op te pakken, maar zij troffen hem daar niet aan. Het was allemaal een beetje vaag, niemand wist er precies het fijne van. Daarnaast was de periode waarin zich dit zou hebben afgespeeld volstrekt onbekend. Men ging er vanuit dat het mijn overgrootvader betrof. Dat geloofde ik grif. Had je mijn temperamentvolle tantes met hun toch wel exotische voorkomen in Spanje neergezet, dan zouden zij in het Iberische decor beslist niet zijn opgevallen.

Op volwassen leeftijd besloot ik op zoek te gaan naar enige bevestiging van hetgeen ik decennia geleden in mijn geheugen had opgeslagen. Al snel pikte ik het spoor op van José Antonio, geboren op 16 april 1790 in Huércal de Almeria als derde zoon van Francisco de Rueda Álvarez en Josefa Antonia de Úbeda de Rojo. Daar begon het familieverhaal stevig te rammelen. Niks geen Spaanse volbloed als overgrootvader. De, voor mijn Nijmeegse oudmoeder Maria Catharina Giesbers, Andalusische adonis met zijn blijkbaar zeer sterke genen moest vijf generaties terug gezocht worden. Bovendien werd duidelijk dat José de familienaam van zijn moeder in bruikleen had genomen en niet de naam van zijn herkomstplaats.

 

Almeria

Huércal de Almeria, de geboorteplaats van José.
Bron: De Grote Bosatlas 48e druk 1976 (bewerkt)

 
Mijn namengoochelende oudvader José maakt het de stamboomonderzoeker behoorlijk lastig. Niet alleen zijn achternaam kent diverse varianten. Hij schiep er blijkbaar ook genoegen in om met de voornamen Joseph en Jan enige twijfel te zaaien over zijn ware identiteit. De voornaam Joseph, weliswaar de vernederlandste vorm van José, lijkt bij zijn opgezette plan te horen om in de luwte te blijven. Of misschien was het zijn gevoel voor humor. Vond hij Joseph en Maria een uitermate geschikte combinatie en kwam de naam Jan hem goed uit. ‘Gossee, hoe schrijf je dat?’ Tja, als ongeletterd man had José eigenlijk geen idee. Ik kan mij levendig voorstellen, dat hij de zwoegende ambtenaar de bekende indringende ‘Ubeda-blik’ heeft toegeworpen en antwoordde: ‘Doe maar Jan dan. Whatever.‘.

Volgens eigen zeggen zou José al rond 1804 in militaire dienst zijn geweest. Hij wordt vermeld als comparant in de Akte van Bekendheid behorende bij de huwelijksbijlagen van Franciscus Boutier en Hendrina Bos. Deze verklaring wordt afgelegd op 11 januari 1828 voor de vrederechter van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Nijmegen. Joseph Ubeda, dagloner, oud negenendertig jaren, verklaart: ‘…, dat hij als geboorte uit Spanje slechts vier of vijf uren van de stad Dallier (geboortestad van Franciscus Boutier), en reeds sedert vier en twintig jaren zoo in miltairen dienst als anders in kennis met den rekuirant (Franciscus Boutier) geweest zijnde van den tijd zijner geboorte en het overlijden zijner ouders volkomen kennis draagt.’ Alle zes comparanten verklaren tevens ‘…, dat zij als den rekuirant sedert achttien honderd twaalf binnen Nijmegen gekend hebbende zoo van onderscheidene Spanjaards, als anders…’.
Alhoewel José niet in zijn eerste leugentje gestikt blijkt te zijn, moet er toch, zij het met enige argwaan, van de juistheid van deze onder ede afgelegde getuigenis uit worden gegaan. Dat zou betekenen dat José rond zijn veertiende jaar in het leger zat en in 1812 al in Nijmegen bivakkeert.

 

Minutenakte1

José vermeld als comparant in de Akte van Bekendheid.
Bron: FamilySearch


 
Minutenakte2

Verklaring van José en overige comparanten in de Akte van Bekendheid.
Bron: FamilySearch

 
Volgens een voor mij zeer betrouwbare mede-onderzoeker deserteert José uit het het Napoleontische leger. Zonder het betreffende en zich in het buitenland bevindende bewijsstuk onder ogen te hebben gezien, blijft dat vooralsnog een aanname. Dat zou wel een plausibele verklaring zijn voor de militairen aan de deur. Gedurende de jaren van Franse onderdrukking schroomde men niet families, buren of zelfs hele dorpen van dienstweigeraars en deserteurs onder druk te zetten. Maatregelen varieerden van zoektochten door de militaire politie, zware boetes aan ouders, dwang tot het ronselen van nieuwe soldaten tot het op kosten van de familie of buren inkwartieren van ‘garnisaires’ in de hoop dat de onderduikers tevoorschijn zouden komen om de getroffenen te ontlasten van deze extra kosten.

Over de jaren tussen 1812 en 1817 is weinig bekend. Maria heeft al een in 1813 geboren buitenechtelijke dochter Johanna. Wat betreft Johanna heb ik geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat zij een dochter van José zou zijn. Bij haar huwelijk wordt zij vermeld als onwettige dochter van Maria Gisbers, ‘thans gehuwd aan Joseph Ubeda, houthakker, wonende te Nijmegen’.
Het oudste ‘officiële’ kind van ‘Joseph en Maria’ samen, een zoon Paqual, ziet op 20 april 1817 het levenslicht in het Spaanse Jola, gelegen aan de Portugese grens in de autonome regio Extremadura. Niet toevallig een prima afgelegen onherbergzaam toevluchtsoord op steenworpafstand van het Parque Natural da Serra de São Mamede. Mijn fantasie gaat met mij op de loop. In gedachten zie ik het al helemaal voor mij. Joseph lopende naast de ezel met de hoogzwangere Maria er bovenop, in het woeste landschap zoekende naar een geschikte plek voor de lieftallige Maria om te kunnen bevallen. Die ezel heeft hij onderweg liefdevol voor haar geritseld. Dat ‘voor elkaar krijgen’ zit ontegenzeggelijk in de Ubeda-familie.
Voor het gemak ga ik er overigens vanuit, dat Maria haar José niet tijdens een welverdiende vakantie in Spanje heeft ontmoet. De kans is groot, dat het stel vanuit Nijmegen de benen heeft genomen naar Spanje en, nadat de kust veilig was, definitief is teruggekeerd.

 

Jola

De plaats Jola bij de grens met Portugal.
Bron: De Grote Bosatlas 48e druk 1976 (bewerkt)

 
Het Nijmeegse bevolkingsregister en de akten van de Burgerlijke Stand merken het koppel als getrouwd aan. Van een huwelijk in Nederland lijkt geen sprake. Als zij al getrouwd waren, dan zou een huwelijk in Spanje het meest voor de hand liggen.
Het oudst terug te vinden adres van het gezin is in 1827 Achter de Wal 550, de latere Walstraat en gelegen achter de in 1467 aangelegde stadswal. José, vermeld als Joseph Ovida, is arbeider en in 1817 vanuit Spanje naar Nijmegen gekomen. Ze hebben het niet breed. Elke veertien dagen ontvangen ze een bedeling van f 1,55 uit de Algemene Kas. Omgerekend ligt de huidige koopkracht rond € 16,55.
In 1840 staat het gezin ‘Ovieda’, bestaande uit acht personen, ingeschreven op het adres Achter de Wal 553. Daar zal José, weduwnaar sinds 1849, blijven wonen tot aan zijn overlijden in 1869. Mijn oudouders krijgen naast een levenloos geboren dochtertje in totaal twaalf kinderen, vier zonen en acht dochters, waarvan er maar drie de volwassen leeftijd niet weten te halen. Dat is op zich een hele prestatie. Zoon Joseph besluit het als militair overzee te zoeken. Hij overlijdt subiet in de militaire post te Republiek in Suriname.

 

Bevolkingsregister Nijmegen 1827

Inschrijving van het gezin in het bevolkingsregister van Nijmegen (1827).
Bron: RAN


 
Bevolkingsregister Nijmegen 1850

Inschrijving van José en zijn nog vier thuiswonende kinderen in het bevolkingsregister van Nijmegen (1850).
Bron: RAN

 
Het heeft er alle schijn van dat José een echte familieman was. Dat baseer ik niet alleen op het feit, dat na het overlijden van Maria zijn nog vier thuiswonende kinderen gezellig bij hem in zijn blijven wonen tot het voor hun ook tijd werd om uit te vliegen. Dochter Elisabeth keert, na vier maanden in Amsterdam voor het gezin van haar zwager en weduwnaar van haar zus Antoinetta te hebben gezorgd tot hij hertrouwt, terug naar het Nijmeegse ouderlijke nest. Ook voor de opvolgende Ubeda-generaties zou familieband een belangrijke rol blijven spelen.
Bijzonder voor die tijd vind ik, dat José nooit is hertrouwd. Hij zal in de blozende Hollandse deerne zijn ware liefde hebben gevonden…

 

Overlijdensakte José Ubeda

Overlijdensakte van José Ubeda.
Bron: Gelders Archief


 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Tijdens voorouderlijk onderzoek kunt u de benaming ‘wijnkoop’ tegenkomen. Wijnkoop, een van oorsprong Germaans gebruik, was algemeen verspreid en ook bekend in onder meer het Oostfries, Hoogduits en Deens. In feite was het de wijn, die als bewijs van een gesloten overeenkomst en ter bekrachtiging ervan door de kopende en verkopende partijen tezamen met getuigen werd gedronken. Of ook wel het gelag, waaraan de betrokken personen en getuigen, de wijnkoopslieden, deelnamen bij het sluiten van een handel, met name bij eigendomsoverdracht door koop. De van tevoren afgesproken kosten waren voor de opdrachtgever of werden door de partijen verrekend.

 

Wijnkoop Reneke Busch

Uit de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama, 1665-1710’.
Bron: Groninger Archieven

Transcriptie:
1665 Geslacht-register
Den 29 Martii is de wijnkoop geweest van Doctor Reneke Busch ende Siberdina Siccama tot Zuidhorm gebooren den 28 Aprilis 1643.

 

Wijnkoop Alagonda Busch

Uit de ‘Kroniek van de familie door Reneke Busch en Siberdina Siccama, 1665-1710’.
Bron: Groninger Archieven

Transcriptie:
Op donderdage den 10 Octob is de wijnkoop geweest van mijn jongste dochter Alagonda Busch met de Heer Gijsbert Matthias Kreechs.

 
De wijn kon door andere dranken vervangen worden. Bier bijvoorbeeld. In dat geval sprak men ook wel van ‘bierkoop’ of ‘wijnkoopsbier’, bier gedronken als wijnkoop. In de loop der tijd werd het geven van drank vervangen door het geven van geld. Daarmee kreeg wijnkoop geleidelijk aan de betekenis van handgeld of -gift. Als ‘arrha confirmatoria’, een verbintenis- of overeenkomstrecht, waarbij een (symbolisch) geldbedrag werd overhandigd ter bevestiging van een koopovereenkomst. Een aanbetaling dus. Deze geldsom werd doorgaans besteed aan een godsdienstig of liefdadig doel.

Eigenlijk is wijnkoop hetzelfde als lijfkoop. Dat lijkt niet erg positief te klinken als het een bezegeling van een overeenkomst betreft bij een voorgenomen huwelijk van een voorouder. Een soort van huwelijkshandel of vrouwkoop. Toch was dit destijds gebruikelijk in gegoede kringen. Zodra de huwelijksdag was bepaald, stelde men bij de ondertrouw ook de huwelijksvoorwaarden vast. Daarbij werd het wederzijdse goed door de ouders van het toekomstige bruidspaar tegen elkaar afgewogen en na overeenkomst in een huwelijkscontract opgesteld, dat doorgaans begon met de woorden: ‘Dat ter eere Gods en tot vermeerderinge des menschelijken geslachts een wettig huwelijk is beraamd tusschen …’. Als viering van het overeengekomene volgde de wijnkoop. In eerste instantie was dit de verlovingsdronk. Later werd dit een maaltijd voor wederzijdse familieleden en vrienden. De term wijnkoop staat tegenwoordig, weliswaar in dialect, in sommige streken nog steeds als synoniem voor bruiloft.

 

"

William Unger naar Jan Steen Het huwelijk van Tobias en Sara: het tekenen van het huwelijkscontract (Tobias 7), 1868
Bron: RKD (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: DBNL, Nederland door de eeuwen heen (DBNL), Gutenberg, Westfries Genootschap en UvA-DARE
 
 

 
Ze doen geen pijn. Je gaat er niet aan dood. Tenzij jouw lichaam op exact hetzelfde moment besluit dat de tijd is aangebroken om naar de eeuwige jachtvelden te vertrekken. Dan nóg is het de vraag of die gebeurtenis daadwerkelijk een gevolg is van jouw actie. Drie woordjes. Tenminste, als je de populaire ‘snelle’ varianten niet meerekent. Twee, als je besluit het op formele wijze in de Engelse taal te willen uitdrukken. De Fransen maken er met één woord helemaal een makkie van. Dank je wel. Thank you. Merci.

Menig genealogische hulpverlener binnen de groepen op sociale media zal het bekend voorkomen. Men stelt een vraag. Een gecompliceerde vraag lijkt het, waarbij het noodzakelijk is je eerst door een introductie van een half A-viertje aan irrelevante gegevens heen te worstelen om bij de kernvraag uit te kunnen komen. Er vanuit gaande, dat je die bij de eerste keer lezen onmiddellijk begrepen hebt. Mijn brein vraagt doorgaans nog om een tweede keer. Drie keer op een minder intelligente dag.

We starten de tijdwaarneming. Voor de verwerking en afhandeling van zo’n vraagstuk zetten we een doorgewinterde onderzoeker in met een analytische hersencapaciteit, die bovendien bekwaam is in het snellezen. We klokken af op anderhalve minuut. Stap twee is het opstarten van een algemene zoeksite. Uiteraard heeft de geroutineerde proefpersoon de link daarnaartoe snel vindbaar op de computer staan. Geen getrut. De gezochte namen ingeven. Rekening houdende met variaties door gebruik te maken van een asterisk. Deze handeling neemt iets meer tijd in beslag, maar weet desondanks de totale duur van de zoektocht te verkorten. Hoppa, de teller staat inmiddels op tweeënhalve minuut.
Dan begint het echte recherchewerk. Met een beetje mazzel wordt bij de vermelding direct een link naar de betreffende registratie vertoond. Zo niet, dan is een duik in het archief onvermijdelijk. Het zit de detective mee. De gevolgde cursus paleografie werpt bovendien zijn vruchten af bij het ontcijferen van het oude handschrift. Link kopiëren. Plakken in een reactie onder de topic en voorzien van een bondige omschrijving van het gevondene. We tikken de tijd af op vijf minuten. Een topprestatie!

Gelet op de reacties van vraagstellers zijn er twee bijzondere categorieën waar te nemen. De excessieve dankbetuiger, die goedbedoeld in alle enthousiasme zoveel veren in jouw broek steekt, dat je moeiteloos naar Engeland kunt vliegen. En de geheelweigeraar, bij wie blijkbaar verzuimd is elke vorm van fatsoen met de paplepel in te gieten. Geen enkele respons dus.
Hulp is niet vanzelfsprekend. Een veelal wildvreemde persoon is bereid minimaal vijf minuten van zijn of haar evenzo kostbare tijd aan jou te besteden. Is een ‘Dank je wel’ als blijk van waardering dan werkelijk teveel gevraagd? Of, laten we eens gek doen, het klikken op ‘Leuk’? Het kan inderdaad een hele uitdaging zijn. Je weet immers maar nooit wat er gebeurd. Echter, wie niet waagt, wie niet wint. Probeer het eens. Gewoon doen. Je voelt er niks van.

Tanja
 
 

 
Ervaren. Dat ben je na minimaal twintig jaar voorouderlijk onderzoek te hebben verricht. Voldoe je daarbij aan de voorwaarde al die tijd géén gebruik te hebben gemaakt van GenVer? Proficiat, dan mag je toetreden tot het selecte gezelschap snoevende betweters! Ik verzin het niet, hè. Laat mij dat even duidelijk stellen.

Te pas en te onpas kom je de kennelijk noodzakelijke mededeling tegen: ‘Ik ben al zoveel jaar bezig met genealogie.’ Op de plek van ‘zoveel’ dien je jezelf een zodanig imponerend aantal decennia voor te stellen, dat je van verbazing van je stoel valt. Wauw! Wat zegt dat? Helemaal niets. Besteed je sinds een jaartje of tien dagelijks halve dagdelen aan stamboomonderzoek, dan steek je de het-vierde-lustrum-vierende-weekeindhobbyist al snel de loef af.
Of deze: ‘Ik ben in 1970 gestart met genealogie. Totaal heb ik zo’n 48.000 namen in mijn database.’ Chapeau! Je bent een fanatieke namenverzamelaar. Zijn deze namen ook gecompleteerd met alle mogelijke gegevens van de personen? En wat is de frequentie van onderzoek? Is er sprake van een sabbatical of wellicht meerdere sabbaticals? Het zegt wederom helemaal niets. Bovendien, kwaliteit gaat nog altijd boven kwantiteit. Die minimaal vereiste twintig jaar tik ik overigens net niet aan en, ik heb even gecheckt, mijn stamboomprogramma huisvest 3067 personen.

Dan is er nog het vloeken in de kerk. Heb je zin in een robbertje digitaal stoeien, dan moet je voor de aardigheid ‘GenVer’ tussen neus en lippen door laten vallen. Qua aantal reacties ben je nog nooit zo populair geweest kan ik je verzekeren. Je wordt plotsklaps niet meer serieus genomen. GenVer is namelijk door de elite van zichzelf-uiterst-serieus-nemende-stamboomonderzoekers met algemene stemmen aangenomen tot het absolute taboe in genealogieland.
Je kunt je afvragen waar die massahysterie vandaan komt. Deze niet meer onderhouden indexeringswebsite met links naar de archiefstukverfilmingen op FamilySearch maakt gebruik van een verouderde beveiligingsconfiguratie, zo valt te lezen. Daarnaast gaan de geruchten dat de site malware zou bevatten. Bewapend met goede antivirus software laat ik mij toch graag verleiden tot het betreden van dit onveilige strijdtoneel. De indexering van Amsterdamse huwelijksbijlagen vind ik er net wat handiger dan die op FamilySearch zelf. Gemak dient de mens. Dat men mij daardoor als een met-haar-laptop-Russische-roulette-speelster ziet, zegt toch niets over mijn wel of niet serieuze benadering van genealogie?

Gedegen onderzoek vergt primaire bronnen, waarbij het doel de middelen heiligt. Een persoonlijke keuze. Eigen verantwoordelijkheid ook. Doe wat je goeddunkt. Alles beter dan via gepubliceerde stambomen binnen een halve dag enkele eeuwen aan familiegeschiedenis uitgeplozen te hebben. Saillant detail is trouwens dat een indrukwekkend deel van al die capabele criticasters een onbeveiligde eigen website onderhoudt, waar een inlog voor nodig is of waar gebruik gemaakt kan worden van een contactformulier. Hoe dan?
Al zou ik de behoefte hebben, toetreding tot het clubje prestigieuzen zit er voor mij niet in. Vooralsnog ben ik een niet serieus te nemen onderzoekster zonder een bewonderenswaardige opvulling van mijn genealogische curriculum vitae. Beheerster van een optimaal beveiligde website. Dat dan weer wel.

Tanja