Genealogie familie Bijvank

26 februari 2018 at 12:31

 

Stamreeks familie Bijvank

Stamreeks familie Bijvank
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Herman Bijvanck
Herman Bijvanck werd geboren te Haart, een buurtschap in de Achterhoekse gemeente Aalten en overleed voor 12 juni 1670. Hij trouwde met Hendersken. Verdere gegevens over zijn vrouw zijn onbekend.
Vier kinderen zijn mij bekend: Hendrick, Wilhem, Stijntjen en Jan.
 
Wilhem Bijvanck
Wilhem Bijvanck werd eveneens geboren te Haart en overleed voor 19 januari 1707. Volgens de huwelijksinschrijving van 29 augustus 1675 te Aalten trouwde hij op 16 september 1675 in het Duitse Wesel met Lijsbeth Muntel. Lijsbeth Muntel, dochter van Henricus Muntel, werd geboren in het Duitse Salzkotten bij Paderborn.
Het echtpaar kreeg in ieder geval vijf kinderen: Joost, Aeltjen, Hendersken, Herman en Hendrik.
 
Joost Bijvanck
Over Joost Bijvanck is weinig bekend. Hij werd geboren te Haart en zou te Aalten overleden zijn voor 1 oktober 1721. Joost trouwde met Hermken.
Zeven kinderen heb ik gevonden: Jantjen, Aeltjen, Frerik, Beernd, Beerndeken, Berent en Willem.
 
Frerik Bijvank
Tuinman Frerik Bijvank werd geboren te Haart en trouwde op 25 mei 1727 te Aalten met de 23-jarige Hermina te Hondarp. Hermina, dochter van Warner te Honderp en Marriie Merdinck, werd in het Gelderse Heurne geboren en op 13 oktober 1703 te Aalten gedoopt. Frerik was ‘bloetmomboir’ over de kinderen van zus Janna (Jantjen).
Het stel kreeg de volgende vijf kinderen: Joost, Wander, Jan Hendrik, Janna en Willemke.
 
Wander Bijvank
Wander, geboren te Haart en gedoopt op 18 augustus 1731 te Aalten, trad te Aalten in het huwelijk met Hendrika ter Maat. De huwelijksinschrijving dateert van 26 januari 1760. Hij overleed op 21 april 1801 te Aalten en werd twee dagen later begraven in dezelfde plaats.
Hendrika was de dochter van Willem ter Maat en Beerndeken Kempink. Zij werd geboren te Aalten en overleed aldaar op 20 april 1817. Volgens de overlijdensakte zou zijn 86 jaar zijn geworden.
Samen kregen zij acht kinderen: Frederik, Beerndeken, Willemina, Willem, Berend, Harmanus, Hermanus en Geertruid.
 
Hermanus Bijvank
Hermanus Bijvank werd te Aalten op 10 maart 1773 geboren en vier dagen later gedoopt. Hermanus was van beroep kleermaker. Hij trouwde te Charlois bij Rotterdam op 29 april 1799 met de op 3 september 1780 in Leerdam gedoopte Lijsbet Bogert, dochter van Cornelis Boogert en Teuntje van Kazant. Lijsbet overleed op 51-jarige leeftijd op 4 april 1832 te Schoonrewoerd. Hermanus overleed te Buurt Hoog in Oosterwijk bij Leerdam op 30 maart 1848, 75 jaar oud.
Hermanus en Lijsbet kregen tien kinderen: Wilhelmina, Cornelis, Hendrika, Teuntje, Geertrui, Maaike, Willem, Johanna Cornelia, Berendina en Berendina Gesina.
 
Willem Bijvank
Willem Bijvank, geboren te Schoonrewoerd in huis nummer 37 op 2 mei 1814, trouwde als arbeider op 19 mei 1843 te Ameide met Elizabeth de Bruin. Lijsje, zoals zij werd genoemd, werd te Ameide geboren op 14 februari 1822 in huis nummer 111, als dochter van Cornelis de Bruin en Ariaantje de Kruijk. Zij overleed in dezelfde plaats op 27 juni 1875, 53 jaar oud. Willem overleed op 68-jarige leeftijd tevens te Ameide op 20 oktober 1882.
Het echtpaar kreeg elf kinderen: Elisabeth, Cornelis, Hermanus, Hermanus, Elisabeth, Adrianus, twee levenloos geboren zoontjes, Geertrui, Hermanus en Hermanus.
 
Adrianus Bijvank
Stratenmaker Adrianus Bijvank werd te Ameide geboren op 5 juli 1854 en trouwde te Brielle op 13 juli 1901 met Emerentiana van der Linden, dochter van Maria van der Linden en een onbekende vader. Emerentiana werd op 9 mei 1872 te Brielle geboren en overleed op 62-jarige leeftijd te Ameide op 5 juli 1934. Adrianus zou 74 jaar oud worden en overleed tevens te Ameide op 25 april 1929.
Vier kinderen zijn bekend: Willem, Adrianus, Arie Cornelis en nog een levenloos geboren jongetje.
 
Arie Cornelis Bijvank
Arie Cornelis Bijvank, geboren op 4 december 1907 te Vianen, trouwde als stratenmaker op 19 augustus 1932 te Brandwijk met de weduwe Marrigje van Kleij. Marrigje werd als dochter van Pieter van Kleij en Pietertje van der Stelt te Brandwijk geboren op 19 oktober 1899. Zij trouwde op 24 oktober 1924 te Hardinxveld met de scheepstimmerman Jan Hendrikus Haeser, die op 12 september 1929 te Hardinxveld zou overlijden. Arie Cornelis overleed op 37-jarige leeftijd te Papendrecht op 20 maart 1945, mogelijk als gevolg van honger. Marrigje overleed, 92 jaar oud, te Dordrecht op 4 oktober 1992, na ruim 32 jaar verpleegd te zijn in Verpleeghuis Eureka.
Marrigje kreeg samen met Jan Hendrikus twee kinderen. Met Arie Cornelis kreeg zij vijf kinderen.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

Herenhuis Oude Ebbingestraat

24 februari 2018 at 17:26

 
Afgelopen zomer heb ik nog koffie gedronken in het pand, dat in opdracht van mijn voorouder Andreas Ludolphi in 1660 als zijn herenhuis werd gebouwd op de hoek van de Groninger Oude Ebbingestraat en Jacobijnerstraat. Hoe bijzonder!

In 1308 schenkt ridder en prefect Ludolphus van Gronebeke, vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht, het huis van Lutbertus Heddinga met enige bijgebouwen en de bijbehorende grond aan de prior Conrardus, zijnde zijn bloedverwant, en de fraters van het Dominicanenklooster in Winsum. Dit huis is gelegen aan de tegenwoordige Jacobijnerstraat. Het kloosterterrein strekt zich uit van deze straat tot aan de toenmalige stadsmuur en wordt begrensd aan de westzijde door de Oude Ebbingestraat en aan de oostzijde door het Kattenhage. Het klooster wordt in 1310 in de Orde opgenomen.

 

Verkorte vertaling: Ludolphus, ridder, heer van Gronebeke en prefect van Groningen, heeft overgedragen aan zijn bloedverwant Conradus, prior, en de broeders van het convent te Winsum het huis en hof van Lutbertus Heddinga, gelegen bij de stadsmuur van Groningen. (Uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896), nr. 228)
Bron: Cartago

 
Na de ‘Reductie van Groningen’, de capitulatie van Stad Groningen voor het leger van prins Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg op 22 juli 1594, wordt het klooster opgeheven. Het merendeel van de nog aanwezige monniken verlaat de stad en daarmee zal het kloostercomplex enige tijd later in handen komen van de provincie.
Het kloostercomplex wordt verdeeld. In 1609 richt men een deel van het complex in tot Stedelijk Tuchthuis. In 1611 neemt de provincie het over en in het kader van bezuinigingen wordt het Tuchthuis in 1624 opgeheven. Een ander deel van het kloostercomplex krijgt de bestemming van weeshuis. In 1621 wordt het Groene Weeshuis hier ondergebracht en in 1660 staan de Staten van Groningen een deel van het complex af ten behoeve van een diaconieweeshuis, ook wel het Blauwe Weeshuis genoemd. In 1673 worden het Groene en het Blauwe Weeshuis samengevoegd en In 1858 wordt het oude kloostergebouw vervangen door een nieuw weeshuis, het Groene Weeshuis, op dezelfde plaats. De kloosterkerk is vanaf 1660 tot aan de afbraak in 1674 in gebruik als buskruidmakerij en geschutgieterij.

 

Noord-oostelijk deel Groningen rond 1575

Noord-oostelijk deel van Groningen Stad rond 1575 met links boven het Jacobijnerklooster.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
In 1660 verkoopt het weeshuis de zuidwesthoek van het terrein aan mijn voorouder raadsheer Andreas Ludolphi en zijn echtgenoot Hebelia Catharina Noorthoorn, die tot die tijd in de Oosterstraat wonen. Voor het ontwerpen van zijn herenhuis is mogelijk de hulp ingeroepen van de provinciale fabrieksmeester en stadsbouwmeester Coenraet Roeleffs, ontwerper van de Nieuwe Kerk in Groningen.
Het tot ver in de Jacobijnerstraat doorlopende pand krijgt een diep zadeldak. De voorgevel wordt rijk versierd met festoenen of guirlandes en twee kleine ovalen ‘oeil de boeuf’ ramen met omlijstingen. (De letterlijke vertaling voor het Franse ‘oeil de boeuf’ is ‘runderoog’, maar is ook de uitdrukking voor ‘schot in de roos’.) Bovenin wordt er een groter oeil de boeuf- raam geplaatst met omlijsting en afhangende festoenen. De top wordt bekroond door een klein tympaan met daarin de vermelding van het jaartal 1661. Voor verbreding van het gevelvlak en een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting worden aan beide zijden van het middendeel van de gevel tegen de ‘trappen’ gebruik gemaakt van sierlijke klauwstukken of vleugelstukken. Beneden komt een karakteristiek bordes voor de voordeur. Het achterste gedeelte van het complex biedt plaats voor de koetsen en paarden. De grond ten noorden van het huis zal tuin blijven tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1744 blijft het herenhuis in handen van de familie Ludolphi. De laatste bewoonster uit de familie is kleindochter Richardina Ludolphi, die getrouwd is met de latere burgemeester van Groningen Scato Gockinga.

 

Voorgevel hoek Jacobijnerstraat Groningen

Het herenhuis in januari 1923 voor de grote verbouwing.
Bron: Wikimedia (Hoek Oude Ebbingestraat-Jacobijnerstraat, voor- en zijgevel; 20093731 – rce | Door: BotMultichillT – January 1923 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Beeldbank Cultureel Erfgoed)


 
Oude Ebbingestraat in Groningen

Het herenhuis van Andreas Ludolphi aan de Oude Ebbingestraat.
Bron: Wikimedia (Maker: Gouwenaar; Datum: 14 oktober 2009; Licentie: Public Domain)

 
Er verandert weinig aan het uiterlijk van het pand tot de toenmalige eigenaar, Nicolaas Cristofer Hensen, in 1923 drastisch aan het verbouwen gaat voor zijn confectiemagazijn met ‘heeren-, jongeheeren- en kinderkleeding’ . Met name de benedenverdieping wordt behoorlijk onder handen genomen en het bordes moet het veld ruimen. Daarnaast worden er teksten op de voor- en zijgevels aangebracht. De blauwdruk laat zien dat het oorspronkelijke idee voor de tekst op de voorgevel ‘N.C. Hensen Heeren Modes’ zou moeten worden, echter er is uiteindelijk blijkbaar gekozen voor de tekst ‘N.C. Hensen Kleeding naar Maat’.

 

Blauwdruk

Blauwdruk ‘Plan verbouwing perceel hoek O. Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen-Groningen’.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)


 
Statistische berekening

Statistische berekening van de ijzeren balken en kolommen benodigd voor de verbouwing van de percelen hoek Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen te Groningen.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 
Het pand zal ongeveer een eeuw in deze familie blijven. Op 9 november 1971 wordt het herenhuis ingeschreven in het register van beschermde rijksmonumenten. In 2016 is volgens de gegevens van het Kadaster het gehele pand met binnenterrein en parkeerplaatsen door een familielid aan een particuliere belegger verkocht voor ruim twee miljoen euro…

 

Advertentie N.C. Hensen

Advertentie N.C. Hensen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1919.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staat in Groningen, Pelgrimeren in Groningen, Wikipedia (Reductie van Groningen), Wikipedia (Klauwstuk), Wikipedia (Oeil de Boeuf), Wikipedia (Festoen), Cartago en Vestigingslocaties
 
 

Luitenant Gerardus Elleri

25 januari 2018 at 14:16

 
Elerie, met de klemtoon op de tweede lettergreep, is zeker geen onbekende naam in Wageningen. Met een beetje fantasie doet de naam zelfs buitenlands aan. Niets is minder waar: de naam blijkt een versteende patroniem te zijn uit Groningen.
Het is luitenant Gerardus Elleri, die de naam van de Groningse familie naar deze stad brengt. Spittende in het verleden kom ik tot de verrassende ontdekking dat deze voorouderlijke lijn van mijn oma uit hetzelfde Groningse gebied komt als de voorouderlijke lijn van mijn opa. De beide families moeten elkaar dus aan het begin van de zestiende eeuw gekend hebben. En dat terwijl mijn grootouders toch zeker beschouwd mogen worden als ‘echte Bennekommers’! De wereld is klein, blijkt maar weer.

Gerardus Elleri is de zoon van Dominus Arnoldus Elleri, Theologiae Candidatus, en Anna Margrieta Uchtmans. Zijn ouders laten hem op 1 maart 1696 Nederduits-Gereformeerd dopen in het Groningse Woltersum, waar zijn vader op dat moment schoolmeester is. Twee jaar later vertrekt het gezin naar Oosternieland in het uiterste noordoosten van Groningen, waar zijn vader opnieuw als schoolmeester aan de slag gaat tot zijn overlijden in 1708. Als Gerardus twintig jaar oud is komt ook zijn moeder te overlijden. Zij heeft nog wel mogen meemaken dat hij in december 1715 belijdenis van geloof aflegt in Groningen.

 

Doop Gerardus Elleri

Doopinschrijving van Gerardus Elleri op 1 maart 1696 te Woltersum.
Bron: AlleGroningers

 
Gerardus gaat het leger in en wordt luitenant in het Regiment Infanterie van Kolonel Assuërus Vegelin van Claerbergen. Dit regiment werd opgericht op 9 april 1664 als Regiment van Luitenant Kolonel Doecke van Hemmema. Een luitenant, een samentrekking van de Franse woorden ‘lieu’ (plaats) en ‘tenir’ (houden), is de plaatsvervanger of rechterhand van de kolonel, een officiersrang die in die tijd is weggelegd voor een ‘heer van gegoede stand’.

In 1731 is Gerardus gelegerd in het Garnizoen Zutphen. Hij leert de uit het Groningse Oudeschans afkomstige Petrina Francoise de Soet kennen en ze besluiten op 5 augustus in Oudeschans te trouwen. Na moeder te zijn geworden van twee dochters overlijdt Petrina Francoise ergens tussen 1735 en 1737.

 

Ondertrouw Zutphen Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksinschrijving van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 8 juli 1731 te Zutphen.
Bron: FamilySearch

 

Huwelijk Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 5 augustus 1731 te Oudeschans.
Bron: AlleGroningers

 
Op 6 juli 1737 wordt Gerardus met attestatie van Warnsveld als lidmaat ingeschreven in Wageningen. Zijn overplaatsing naar Wageningen is niet zo verwonderlijk, aangezien Kolonel Vegelin van Claerbergen in dat jaar Garnizoenscommandant in deze plaats wordt.
Hij ontmoet de jonge Wageningse Jenneke van Veen met wie hij op 4 juli 1738 in Amerongen in het huwelijk treedt. Gerardus verblijft maar voor een korte periode in Amerongen, want zijn zoon en drie dochters worden in Wageningen geboren.

 

Ingekomen Gerardus, Wageningen 6 juli 1737

Gerardus komt met attestatie van Warnsveld op 6 juli 1737 over naar Wageningen.
Bron: Gelders Archief

 

Huwelijksinschrijving Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksinschrijving van Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen op 12 juni 1738 te Wageningen.
Bron: FamilySearch

 

Huwelijk Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Jenneke van Veen op 4 juli 1738 te Amerongen.
Bron: Utrechts Archief

 
Gerardus vertrekt in 1744 met het regiment naar de Zuidelijke Nederlanden, waar het Staatse leger steun biedt aan onder andere de Engelsen, de Oostenrijkers en de Hannoverianen in hun strijd tegen Frankrijk en zijn bondgenoten in de Oostenrijkse Successieoorlog.
De Fransen hebben het plan opgevat om Doornik in het voorjaar van 1745 te bestormen en in te nemen om vervolgens de Oostenrijkse Nederlanden binnen te trekken. Er wordt door Frankrijk gezocht naar een geschikt terrein om de vijand het hoofd te kunnen bieden. De keuze valt op een uitgestrekt en golvend plateau tussen Doornik en Bergen, dat gelegen is op de rechteroever van de Schelde en wordt doorsneden door een ravijn. Op de linkerflank ligt het dorpje Antoing en in het centrum van de linie Fontenoy. Het zal op 11 mei 1745 uitmonden in ‘De Slag bij Fontenoy’. Het levert Frankrijk uiteindelijk de overwinning op, maar kost aan duizenden mannen het leven. Ook Gerard keert niet meer terug…

 

Slagordes bij de Slag bij Fontenoy

Plattegrond met de slagordes van de legers bij de Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 tussen het Geallieerde leger en de Fransen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 

De Slag bij Fontenoy 1745

De Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 door Édouard Detaille.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Fleabyte, Wikipedia, Uit de oude Koektrommel en Gens Nostra (maart 2004; door P.J.C. Elema: ‘Elleri/Elerie; Groningen, met een tak Wageningen (1615-1903)’)

 

Gerrit Hopman, ziekentrooster in dienst van de V.O.C.

15 januari 2018 at 22:52

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’

Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 

De rede van Texel, waar vandaan Gerrit Hopman voor zijn laatste reis vertrok.
Bron: Texelhuis (embedded)

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Vondeling Betje Goedhart

12 december 2017 at 16:01

 
Betje Goedhart. Dit is de naam van het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelingenhuis. Op 20 april 1840 om kwart voor twaalf ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor de deur. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelingenhuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek (Boek I Personen, 3e Titel, 2e Afdeling) is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelingenhuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: FamilySearch

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zal, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

Betje wordt dus opgenomen in het ‘Stadsbestedelingenhuis’ oftewel de ‘Inrichting voor Stadsbestedelingen’. Deze inrichting komt in 1828 in de plaats van het opgeheven Aalmoezeniersweeshuis. De stadsbestedelingen zijn vondelingen, wezen en verlatenen van hooguit vijftien jaar, die niet in aanmerking komen voor het Burgerweeshuis of een ander armbestuur. In het ‘Vondelingenboek’ is te lezen dat Betje is gevonden met het bericht: ‘Betje Goedhart oud 8 weken gedoop Grifiemeett‘.

 

Opname in het Stadsbestedelingenhuis

De opname van Betje in het register van het Stadsbestedelingenhuis.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Vondelingenboek Betje Goedhart

Uit het ‘Vondelingenboek’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1822 wordt voorgeschreven dat alle vondelingen, wezen en verlatenen binnen het rijk naar de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden, zodra zij de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.
Dit lot valt ook Betje ten deel. Op 7-jarige leeftijd wordt zij op 26 mei 1847 ‘Uitbesteed bij de M.v.W’. Haar aankomst in de kolonie Veenhuizen staat geregistreerd op 28 mei 1847. Na haar ontslag op 20 april 1860 keert zij als dienstbode terug naar Amsterdam. Achtereenvolgend staat zij in het bevolkingsregister ingeschreven op de Kalverstraat 357, de Leidsekruisstraat 134, de Papenburgsteed 580 en tenslotte op de Prinsengracht 239. Op 16 januari 1862 vertrekt Betje naar Weesperkarspel om op 25 januari 1866 naar Diemen te verhuizen. Het jaar daarop zal zij Diemen voorgoed verruilen voor Weesperkarspel.

 

Inschrijving Betje Goedhart M.v.W.

Inschrijving van Betje Goedhart in het register van de Maatschappij van Weldadigheid.
Bron: AlleKolonisten

 
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam
 
 

Wageningse tabakscultuur

12 oktober 2017 at 22:49

 
Tabaksindustrie

Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch in 1905. (Collectie van de Lucht)
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum (embedded)

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.
 
 
Schimmelpenninck

Schimmelpenninck is de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck Wageningen

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsweg.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

Blinde voorouder

9 oktober 2017 at 22:59

 
Tegenwoordig is er zoveel informatie online te vinden, dat mijn stambomen wat achter de feiten aan lijken te lopen. Zodra ik er dan ook maar enigszins de tijd voor vrij kan maken neem ik eentje onder de loep en loop alle personen en gegevens na aan de hand van akten en registers. Dat is best een pittige klus, maar het levert toch altijd wel wat aanvullingen op die ik in het verleden heb gemist of nooit heb kunnen vinden. En heel soms doe je een verrassende of juist trieste ontdekking, zoals in deze huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, zoon van mijn voorouders Lubbert Enklaar en Willemijn Nijenhuis:

‘… en dat de moeder van den bruijdegom, blind zijnde, ook ’t huwelijk toestemt’.
 
 

Huwelijksinschrijving Barend Enklaar en Hendrina Wiggers

Huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, Arnhem 10 april 1773.
Bron: FamilySearch


 
 

Genealogie familie Van den Berg

6 september 2017 at 15:24

 

Stamreeks familie Van den Berg

Stamreeks familie Van den Berg
© Uit de oude Koektrommel


 
 
Gerrit van den Berg
Gerrit van den Berg werd geboren in Naarden en trouwde aldaar op 14 april 1754 met Anna Geus, dochter van Albert Geus en Lubbertje Vos. Anna is gedoopt te Naarden op 28 januari 1724 en legde in dezelfde plaats op 29 oktober 1751 belijdenis van geloof af. Op 26 april 1787 werd Gerrit te Naarden begraven. Anna overleed ruim een jaar later op 64-jarige leeftijd en werd eveneens te Naarden begraven op 26 augustus 1788.
Gerrit en Anna kregen zes kinderen: Lubbertje, Gerrit, Albert, Lubbertje, Jan en Gijsbert.
 
Jan van den Berg
Jan van den Berg is op 26 december 1762 te Naarden gedoopt en werd aldaar op 24 september 1807 op 44-jarige leeftijd begraven. Hij trouwde met de uit Nijkerk afkomstige Nelletje Aaltje van der Schelde. Het stel trad derhalve te Nijkerk in het huwelijk op 17 november 1793. Nelletje is een maand voor Jan overleden en begraven te Naarden op 27 augustus 1807.
Het echtpaar kreeg acht kinderen: Anna, Gerrit, Cornelia, Cornelia, Jan, Jan, Cornelia en Johannes.
 
Gerrit van den Berg
Van Gerrit van den Berg, gedoopt te Naarden op 17 december 1795, wordt als beroep achtereenvolgens arbeider, slagersknecht, vleeschhouwer, daghuurder en werkman vermeld. Hij trouwde op 4 september 1816 te Hilversum met de werkster Anna Maria Dettingmeijer. Anna werd te Amsterdam gedoopt op 2 december 1789 en was de dochter van de uit Hannover afkomstige Joost Hendrik Dettingmeijer en Anna Maria Beijer. Zij overleed op 39-jarige leeftijd te Naarden op 16 maart 1829 en liet een zoontje Jan na.
Gerrit hertrouwde als weduwnaar met Johanna Smitskamp. Het huwelijk vond plaats te Naarden op 10 mei 1829. Johanna werd als dochter van Christiaan Smitskamp en Jacoba van Zoelen geboren in Bergambacht op 13 mei 1797, alwaar zij acht dagen later is gedoopt. Ook Gerrit en Johanna stierven korte tijd na elkaar: Gerrit overleed te Naarden (Bergstraat 216) op 5 juni 1856, zestig jaar oud en Johanna ging hem voor op 2 mei 1856 te Naarden (Bergstraat 216), achtenvijftig jaar oud.
Het echtpaar kreeg de volgende kinderen: Christiaan, Nelletje, Jacobus, Gerrit, Nelletje, Gerrit en een levenloos geboren dochtertje.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg werd te Naarden geboren op 28 januari 1833. Hij stapte in dezelfde plaats in het huwelijksbootje met Dirkje Schouten, dochter van Wouter Schouten en Mietje de Ruig. Dirkje werd in het Utrechtse Eemnes geboren op 6 april 1834. Op 24-jarige leeftijd kreeg zij ongehuwd een zoontje Johannes Christiaan, dat helaas maar amper drie maanden oud is geworden.
Christiaan overleed op 5 september 1906 in zijn huis in de Huizerpoortstraat 504 te Naarden, 73 jaar oud. Dirkje overleed in de Turfpoortstraat 400 op 82-jarige leeftijd op 5 november 1916. Samen kregen zij tien kinderen: Gerritje, Mietje, Johanna, Gerrit, Johanna, Wouter, Gerrit, Wouter, Wouter en Johanna.
 
Wouter van den Berg
Op 12 januari 1877 werd Wouter van den Berg geboren in de Huizerpoortstraat 364 te Naarden. Als beroepen worden in akten vermeld: werkman, stoker en koopman. Hij trouwde te Naarden op 26 juli 1906 met Utrechtse dienstbode Pietje Evertje Appeldoorn. Pietje werd op 15 september 1886 geboren op de Catharijnensingel 12, ten huize van Beert Daams Gelder, als dochter van de ongehuwde Hendrika van Woudenberg. Tijdens het huwelijk tussen Hendrika en Aalt Appeldoorn op 15 september 1887 te Maartensdijk werd zij erkend als dochter.
Voor een periode van drie maanden hebben Wouter en Pietje Evertje in 1908 om onverklaarbare redenen een ‘uitstapje’ gemaakt naar Groenlo om daarna weer terug te keren naar Naarden. Wouter overleed op 68-jarige leeftijd te Barneveld op 13 februari 1945 zijnde een tijdelijk verblijvende burger, overleden ten gevolge van oorlogshandelingen. Hoogstwaarschijnlijk is hij overleden op de reis van of naar Friesland om eten te halen. Drie dagen later is hij in Barneveld begraven.
Het stel kregen voor zover ik kan nagaan tien kinderen: Hendrika Dirkje, Dirkje, Pietertje Evertje, Christiaan, Wouter, Albertus, Manus, Jannetje Alberta, Theodorus Cornelis en Wilhelmina Margaretha.
 
Christiaan van den Berg
Christiaan van den Berg, van beroep fabrieksarbeider, werd geboren te Naarden op 26 januari 1913. Hij trouwde op 10 februari 1937 te Bussum met Anthonia Johanna Petronella Regter, To genoemd. Zij was de dochter van Andreas Petrus Maria Jacobus Regter en Maria Alexandrina van Hirtum en werd geboren op 16 september 1909 te Hilversum. Christiaan en To woonden  op de Veltheimerlaan 42 te Bussum. To overleed op 75-jarige leeftijd op 22 juni 1985 te Bussum. Christiaan werd in 1943 opgepakt vanwege ‘Judenbegünstigung’ en kwam uiteindelijk terecht in Kamp Neuengammen alwaar hij op 11 maart 1945 overleed op 32-jarige leeftijd.
Het echtpaar kreeg vier kinderen, waaronder een levenloos geboren zoontje.
 
 
Tekst en afbeelding: © Uit de oude Koektrommel
 
De uitgebreide stamboomgegevens kunt u vinden in het aan deze website gekoppelde stamboomprogramma van Uit de oude Koektrommel.
 
 

De handschoen

19 augustus 2017 at 22:00

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers


 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod (embedded)

 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van Bisschop Nicolaus Shiner (1510).
Bron: Gentleman’s Gazette (embedded)

 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart (embedded)

 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden (embedded)

 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.

Van oudsher stond de overdracht van een handschoen dus symbool voor de bezegeling van een contract. Als teken hiervan had een welgestelde zeventiende eeuwse bruid vaak een paar kostbare bruidshandschoenen, versierd met huwelijkssymboliek. Deze bruidshandschoenen zijn regelmatig terug te vinden op huwelijksportretten, maar die van Johanna Le Maire zijn ook fysiek bewaard gebleven. Zij ging op 22 mei 1622 te Amsterdam in ondertrouw met de welgestelde Pieter van Son. Op haar huwelijksportret is te zien hoe zij haar bruidshandschoenen in haar hand houdt.

De handschoenen zijn gemaakt van wit wasleer, voorzien van rijk geborduurde geschulpte kappen met zijde, gouddraad en -cantille, parels en vergulde pailletten. Het borduurwerk vertoont een symmetrisch patroon van onder meer twee in elkaar gelegde handjes in bruin contour onder een met pijlen doorboord hart van pareltjes en twee toegewende vogeltjes. De handschoenen werden gesloten met drie paar roze veterbandjes, waarop een goudknopje werd geschoven.

 

Bruidsportret Johanna Le Maire

Bruidsportret van Johanna Le Maire door Nicolaes Eliasz. Pickenoy, die overigens de zwager van mijn voorouder was.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)


 
Handschoenen Johanna Le Maire

Bruidshandschoenen van Johanna Le Maire.
Bron: Rijksmuseum en © Uit de oude Koektrommel


 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Over dit onderwerp in een volgend artikel meer.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden
 
 

De terechtstelling van Maritje de gifmengster

27 juli 2017 at 21:21

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn stamboom voorkomt lijkt Maritje toch geen familie te zijn en is de enige gemene deler de patroniem Jansen. Dat maakt haar levensverhaal echter niet minder intrigerend.

Maritje Jansen, in de ‘media’ vermeld onder de naam Maria, wordt in 1677 in Bennekom geboren als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Rijnsteeg in Bennekom, behorende bij het landgoed van kasteel Hoekelum. Op 21 december 1697 legt ze in de Nederduits Gereformeerde Kerk van Bennekom belijdenis van het geloof af.

 

Boerderij De Grampel
Bron: Drimble (embedded) (Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)


 
Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 
In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Maritje zal vanaf 1710 gedurende zeven jaar als inwonende dienstmeid aan het werk gaan bij een paardenmeester. Hier leert zij het nodige over medicijnen en gif.
In 1720 wordt zij boerenmeid bij Teunis Janssen met wie zij een relatie krijgt. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Maritje zet haar teleurstelling om in wraak en koopt rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende apotheker in Wageningen, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen, nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Gerrit heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Op 21 juli 1726 trouwt het stel in Bennekom. En dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje en daarmee de relatie met Gerrit is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: FamilySearch

 
Maritje bekent uiteindelijk de vijfvoudige moord op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Vanaf 1713 worden alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en ’t Hof van Nassau (1649).
Bron: Arneym (embedded)

 
Nadat het lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt ze op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept, aldaar met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel’.
Dat de Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, hiervoor een prima locatie is moge duidelijk zijn, aangezien al het (handels)verkeer over deze weg naar het noorden gaat.

Hoe afschuwelijk haar daden ook zijn geweest; de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

Krantenbericht De Tijd 12 februari 1885

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland