Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

Vanaf 25 mei 2018 is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing; een uitwerking van de General Data Protection Regulation (GDPR). Dat betekent dat er vanaf die datum dezelfde privacywetgeving geldt in de gehele Europese Unie. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) komt daarmee te vervallen.

De fundamentele principes uit de AVG zijn hetzelfde als uit de Wbp, echter in de AVG wordt de behoorlijke en zorgvuldige omgang met persoonsgegevens aangescherpt. Zo dient een webbeheerder onder meer zorg te dragen voor een goede bescherming van persoonsgegevens en wordt u als bezoeker en/of gebruiker van een website voortaan expliciet om uw toestemming gevraagd deze vertrouwelijke informatie voor een bepaald doel te verstrekken.
 
 
Bezoeken en/of gebruiken van deze website

In het kader van de AVG zijn er enkele veranderingen toegepast op het bezoeken en/of gebruiken van de website Uit de oude Koektrommel, alsmede op het bezoeken en/of gebruiken van het onderdeel uitmakende van en aan de website Uit de oude Koektrommel gekoppelde stamboomprogramma. De gewijzigde privacyverklaring kunt u terugvinden in de disclaimer van deze website.
 
 

 
Joannes Bernardus Regter wordt op 22 oktober 1798 in Amsterdam geboren en een dag later in de Rooms Katholieke ‘Kerk Op Het Kuiperspad’ gedoopt. Dit is een schuilkerkje van de Sint-Willibrordusparochie in een oude turfschuur aan het Kuiperspad, de huidige Kuipersstraat, in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort.

 

Doopinschrijving Joannes Bernardus Regter

Doopinschrijving van Joannes Bernardus Regter.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Als zoon van de uit het Duitse Bramsche afkomstige Herman Hendrik Richter en de Amsterdamse Maria Christina Scholten, dochter van Gerrit Scholten uit Denekamp en de Amsterdamse Elisabeth Beekman, groeit hij samen met zijn bijna twee jaar oudere broer Gerardus Joannes op aan het Hoedemakerspad naast de wasbleek buiten de Utrechtse Poort. Gerardus Joannes had nog een tweelingbroer Petrus Franciscus, die overleden is in de leeftijd van ruim een half jaar. Drie maanden na het overlijden van hun vader wordt er nog een broer Henricus Franciscus geboren, maar deze haalt nog net de twee maanden.

Het Hoedemakerspad, de huidige Van Ostadestraat in De Pijp, ligt vlakbij het Kuiperspad in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder buiten de Utrechtse Poort en binnen de dijken van de Amstel en Schinkel. Dit gebied bestaat voornamelijk uit weilanden, warmoezerijen, turfwinningsplaatsen en buitenplaatsen van welgestelde Amsterdammers. De naam Hoedemakerspad, naar de hoedenmakers die hier in de zeventiende eeuw gevestigd waren, blijft tot 1883 bestaan. Bij Raadsbesluit van 20 maart 1883 wordt de naam gewijzigd in Hoedenmakersstraat en vervolgens bij Raadsbesluit van 14 december 1898 in Van Ostadestraat.

 

Hoedemakerspad

Herberg ‘De Steene Brug’ aan de Amsteldijk tussen het Kuiperspad en het Hoedemakerspad met in het midden de ingang naar het Hoedemakerspad (door Isaac Lodewijk la Fargue van Nieuwland, ca. 1761/1762).
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
Moeder Maria Christina hertrouwt op 18 juni 1802 als weduwe met de uit het Duitse Münster afkomstige Ferdinand Jansen. Het gezin blijft op het Hoedemakerspad wonen. Vanuit dit adres trouwt Joannes Bernardus, inmiddels hovenier van beroep, op 10 mei 1826 in Amsterdam met de eveneens ‘Roomse’ Maria Joanna Schouten, op dat moment wonende aan het Oetgenspad, dochter van de Blaricummer Tijmen Schouten en Margaretha Beums uit Xanten bij Kleef. Het Oetgenspad, de huidige Eerste Oosterparkstraat, loopt langs een aangelegde sloot vanaf de Amstel (Weesperzijde) de Overamstelse Polder in. De Overamstelse Polder, direct buiten de Muiderpoort, is ingericht met warmoezerijen en weide- en hooilanden met bijbehorende huizen en schuren.

 

Oetgenspad

(Het zuiden is boven.) Onderin, aan weerszijden van de sloot het Oetgenspad in de ‘Ban van Oetewael’ tussen de Oetewalerweg en de Amstel. Kaart uit 1676.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Joannes Bernardus en Maria Joanna vertrekken naar de Weesperzijde nummer 23. Daar wordt zoon Ferdinandus Thimotheus op 4 maart 1827 geboren. Het jaar daarop wordt dochter Johanna Margaretha geboren op 13 april aan de Weesperzijde nummer 73. Vijf dagen na haar geboorte overlijdt Maria Joanna op achtentwintigjarige leeftijd.

Op 15 mei 1831 hertrouwt Johannes Bernardus met Aaltje Beijer. Aaltje is geboren in Nieuwer-Amstel als dochter van Gijsbert Beijer, afkomstig uit Wilnis, en Wilhelmina van ’t Lam uit het Utrechtse Stokkelaarsbrug.
Het stel gaat wonen aan het Hoedemakerspad nummer 32. Op dit adres wordt op 28 oktober 1831 een tweeling geboren: Maria Wilhelmina en een half uurtje later Petrus Franciscus.
Amsterdam wordt ‘officieel’ ingeruild voor Nieuwer-Amstel. Het is niet helemaal duidelijk of er sprake is van een daadwerkelijke verhuizing of dat één en ander te maken heeft met een nieuwe vaststelling van de gemeentegrens, waardoor het woonadres binnen de iets noordelijker uitgelegde gemeentegrens van Nieuwer-Amstel valt.

 

Hogesluis naar de Buiten-Amstel

De Hogesluis naar de Buiten-Amstel, de Amsteldijk en de molens aan de Zaagmolensloot te Nieuwer-Amstel in de achttiende eeuw. Links het bolwerk Westerblokhuis met molen ‘De Groen’ en de Utrechtsepoort. Rechts de Weesperzijde.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In Nieuwer-Amstel worden nog drie kinderen geboren. Op 28 april 1834 zoon Johannes Bernardus, die ruim twee jaar later op 21 juli 1836 overlijdt. Dan volgen op 9 februari 1836 een dochter Klara Engeliena en op 18 augustus 1838 een dochter Johanna Maria Geertruida. De geboorte van zijn laatste kind zal Johannes Bernardus niet meer meemaken. Hij overlijdt ruim een half jaar eerder op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan zinkenziekte als gevolg van zijn beroep als smid in de laatste jaren van zijn leven. Johannes Bernardus wordt vijf dagen later begraven op het Sint Anthonius Kerkhof in Amsterdam.
Zijn weduwe Aaltje zal niet meer hertrouwen. Zij overlijdt op 28 september 1876 in Nieuwer-Amstel, achtenzestig jaar oud.

 

Bidprentje Joannes Bernardus Regter

Bidprentje van Joannes Bernardus Regter.
Bron: CBG Verzamelingen

 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Reliwiki, Cultureel Erfgoed, Wikipedia (Binnendijkse Buitenvelderse polder) en Wikipedia (Nieuwer-Amstel)
 
 

 
Johannes Bernardus Horning wordt op 13 maart 1847 ’s avonds om elf uur geboren in de Amsterdamse Passeerdersstraat op nummer 60 als zoon van Anthonie Hendricus Horning en Jansje van den Berg. Het gezin heeft het zeker niet breed met de magere inkomsten van vader als sjouwer. Er moet in de winter 1855-1856 zelfs voor hulp aangeklopt worden bij de Huiszittenhuizen. Toch wordt al snel de ondersteuning ‘ingetrokken om hoge verdiensten’. Vader Anthonie Hendricus begint een steenzettersbedrijf.

 

Geboorteakte Johannes Bernardus Horning

Geboorteakte van Johannes Bernardus Horning.
Bron: FamilySearch

 

Inschrijving Huiszittenhuizen

Inschrijving in het register van de Huiszittenhuizen voor winterhulp.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na het overlijden van zijn moeder in 1859 ten gevolge van cholera (in het register van het Diaconieweeshuis wordt aangegeven aan de gevolgen van het kraambed), hertrouwt zijn vader met jonge Johanna Weber. Als zijn vader in 1868 komt te overlijden door een hartziekte worden zijn jongste broertje Hendricus Bernardus en zusje Aletta ondergebracht in het Diaconie Weeshuis. De dan vierentwintigjarige broer Anthonie Hendrikus wordt als voogd over deze kinderen benoemd. Deze broer zal het steenzettersbedrijf samen met W. Bouman op dezelfde voet doorzetten onder de Firma Bouwman & Comp. Acht jaar later besluit zijn broer geheel voor eigen rekening de ‘affaire’ over te nemen.

 

Algemeen Handelsblad, 10 juli 1868

Uit het Algemeen Handelsblad van 10 juli 1868.
Bron: Delpher

 

Registratie Commissieboek Diaconieweeshuis

Gedeelte van ‘Documenten des Boedels’ uit het commissieboek van het Diaconieweeshuis in Amsterdam, d.d. 27 augustus 1868.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Inschrijving Diaconieweeshuis

Inschrijving in het Diaconieweeshuis van de jongste twee kinderen, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Overdracht, Algemeen Handelsblad, 3 februari 1876

Overdracht van het steenzettersbedrijf (Algemeen Handelsblad van 3 februari 1876).
Bron: Delpher

 
Johannes Bernardus vertrekt naar Den Helder, waar hij aan de slag gaat als stoker bij de Marine Dienst. Hij leert de uit Zierikzee afkomstige Christina Maria de Vries kennen. Het stel trouwt op 3 oktober 1872 in Den Helder. De zwangere Christina Maria is dan bijna twee jaar weduwe van Hendrik Christiaan Meijer, Eerste Zeilmaker bij de Marine, en neemt uit dit huwelijk drie kinderen mee.

Op 17 maart 1873 wordt in Den Helder een zoontje levenloos geboren. Johannes Bernardus is dan stoker op het Rijkshof. Eind 1876 wordt besloten om naar Amsterdam te verhuizen. Op het adres Weesperstraat 129 worden nog drie kinderen geboren. Allereerst een dochter Christina Baudina op 19 mei 1877, gevolgd door een dochter Johanna Alida op 21 mei 1879 en een zoon Johannes Bernardus op 18 februari 1881, die op ruim éénjarige leeftijd op 25 juni 1882 komt te overlijden door een longontsteking. Vader Johannes Bernardus is in deze periode smid van beroep en maakt in 1882 een ‘uitstapje’ als steenzetter. Waarschijnlijk zal dit in het bedrijf van zijn broer zijn geweest.

In 1885 wordt in de krant nog een advertentie door ‘hunne dankbare kinderen’ geplaatst voor het herdenken van het ‘12½-Jarige Echtvereenging hunne geliefde ouders’. Helaas zal dit huwelijk niet veel langer duren. Op 1 april 1886 wordt bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam het huwelijk ontbonden vanwege overspel door de gedaagde Christina Maria. Of dit daadwerkelijk de reden zal zijn geweest is moeilijk te bepalen, aangezien dit één van de vier gronden is waarvoor een huwelijk ontbonden kan worden.

 

Het nieuws van den dag, 20 maart 1885

Uit Het nieuws van den dag van 20 maart 1885.
Bron: Delpher

 
Christina Maria gaat niet bij de pakken neerzitten en besluit begin april 1886 op de Laurierstraat 84 in Amsterdam een ‘Café met biljart’ te openen. Toch loopt niet alles van een ‘leien dak’. Op 1 juni 1888 overlijdt het jongste dochtertje Johanna Alida op achtjarige leeftijd. Zij blijkt een lekkende hartklep te hebben en overlijdt aan hartfalen als gevolg van een ontsteking van de hartwand. Bovendien wordt Christina Maria op 9 maart 1893 opgenomen in het Binnengasthuis, alwaar zij negen dagen zal verblijven vanwege ‘insufficientia mitralis’, oftewel een lekkende hartklep net als haar dochtertje. Twee jaar later overlijdt zij op 10 juni 1895 in haar woning aan de Nieuwe Achtergracht 148 op tweeënvijftigjarige leeftijd. Officieel wordt de doodsoorzaak als ‘onbekend’ aangegeven, maar mogelijk zal dit te maken hebben gehad met haar hartziekte.

 

Cafe met Biljart

Christina Maria opent begin april 1886 haar ‘Café met Biljart’ (Het nieuws van den dag van 5 april 1886).
Bron: Delpher

 

Opname Binnengasthuis

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Opname Binnengasthuis vervolg

Opname in het Binnengasthuis van Christina Maria de Vries, vervolg.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Na zijn echtscheiding hertrouwt Johannes Bernardus op 30 juni 1887 in Nieuwer-Amstel met de Amsterdamse Maria Susanne Hollemans, weduwe van tapper Frederik Johannes Nieber. Deze Frederik Johannes is overleden op het adres Nassaukade 350, waar sinds lange tijd een café is gevestigd. Het lijkt voor de hand liggend dat Johannes Bernardus door zijn huwelijk met de weduwe kennis heeft gemaakt met de drankenhandel en het café-wezen.

Wanneer Johannes Bernardus ‘in de sterke dranken’ gaat is niet bekend. Op 9 maart 1894 dient hij bij de gemeente Amsterdam in ieder geval een verzoekschrift in voor een vergunning tot verkoop van sterke dranken in het klein. Als adres wordt vermeld Nassaukade 350. Twee jaar later wenst hij via een krantenbericht aan alle vrienden en clientèle een gelukkig nieuwjaar. Afzender is J. B. Horning, Handel in Wijn, Cognac en Gedistilleerd, Nassaukade 350-hoek Van Lennepstraat. Begin 1897 zijn Johannes Bernardus en zijn echtgenote nog uitbaters van ‘Café Jacob van Lennep’ op bovengenoemd adres, maar later dat jaar wordt door een andere persoon op dat adres een vergunning tot sterke dranken in het klein aangevraagd.

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1896

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1896.
Bron: Delpher

 

Het nieuws van den dag, 1 januari 1897

Uit Het nieuws van den dag van 1 januari 1897.
Bron: Delpher

 

Nassaukade 342-350

Nassaukade 342-350 met naar rechts de ingang naar de Jacob van Lennepstraat.
Bron: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam (embedded)

 
Er wordt wat heen en weer verhuisd. Op 10 augustus 1892 vertrekt het gezin van Amsterdam naar Hilversum om zich twee jaar later op 11 mei 1894 opnieuw in Amsterdam te vestigen. Uiteindelijk vertrekt het gezin op 6 december 1897 definitief naar de Oude Torenstraat 6 in Hilversum.

Johannes Bernardus en zijn vrouw Maria Susanna beginnen in Hilversum ‘Café en Slijterij De Beurs’ aan de Bussummerstraat 49. Dat moet voor 1901 zijn geweest. Op 29 april 1901 gaat hij een commanditaire vennootschap op aandelen aan als enig beherend en aansprakelijk vennoot onder de firma ‘J.B. Horning & Co.’ voor een tijdvak van twintig jaar met de bedoeling ‘het exploiteren van een koffiehuis, slijterij en tapperij aan de Bussummerstraat 49 in Hilversum’.
Mogelijk is zijn stiefzoon Simon Hendrik Nieber dan al als stille vennoot betrokken bij de firma. Bij zijn huwelijk in 1906 met Margaretha Justina Kwint wordt als beroep caféhouder vermeld en is hij in Hilversum woonachtig. Drie jaar later zijn hij en zijn echtgenote de uitbaters van Café De Beurs.

 

Advertenties uit kranten

Diverse advertenties uit kranten in de periode 1901-1923.
Bron: Delpher
© Uit de oude Koektrommel

 
Na 1922 verdwijnt Café De Beurs uit beeld. Simon Hendrik Nieber en zijn vrouw beginnen in 1924 in de Leeuwenstraat 24 hoek Hertenstraat in Hilversum de ‘Amstel Bar’, die volgens de krant ‘met de mooiste van de hoofdstad kan wedijveren’. De Amstelbar valt echter nog steeds onder de firma J.B. Horning & Co. Helaas zal het doek drie jaar later vallen voor de ‘Amstel Bar’. Op 29 juni 1927 wordt door de Arrondissementsrechtbank in Utrecht het faillissement uitgesproken over S.H. Nieber, handelende onder de naam of firma J.B. Horning & Co., wonende te Nieuw Loosdrecht. Het faillissement wordt aangevraagd inzake geleverde goederen tot een bedrag van ongeveer 3500 gulden. Bij het verschijnen van de crediteurenlijsten in de De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927 is Simon Hendrik inmiddels al na een langdurige ziekte overleden.

 

De Gooi- en Eemlander, 10 mei 1924

Opening van de Amstel Bar; De Gooi- en Eemlander van 10 mei 1924.
Bron: Delpher

 

Leeuwenstraat Hilversum

De Leeuwenstraat in de tijd van de Amstel Bar.
Bron: Eetcafé Samen

 

Nederlandsche Staatscourant, 5 juli 1927

Vermelding van het faillissement in de Nederlandsche Staatscourant van 5 juli 1927.
Bron: Delpher

 

De Gooi- en Eemlander, 29 september 1927

Opgave van crediteurenlijsten in De Gooi- en Eemlander van 29 september 1927.
Bron: Delpher

 
Johannes Bernardus en Maria Susanna wonen in 1907 op de Dalweg 23 in Hilversum, waar zij op 18 juni 1914 op éénenzestigjarige leeftijd zal overlijden. Johannes Bernardus verhuist vervolgens naar Haarlem.
Na haar overlijden stapt Johannes Bernardus nog één maal in het huwelijksbootje en wel op 16 maart 1916 te Haarlem. De bruid is dit keer Zuster Carolina Maria Regter. In eerste instantie ging mijn gedachte uit naar een Katholieke Zuster, maar alles wijst erop dat ‘zuster’ gezien moet worden als ‘verpleegster’, alhoewel het één het andere natuurlijk niet uitsluit. Carolina Maria is de dochter van Petrus Franciscus Regter en Cornelia Maria Kaasenbrood. Johannes Bernardus is dan koopman van beroep en ingeschreven in Haarlem, maar binnen de laatste zes maanden voor zijn huwelijk woonachtig in Hilversum.

 

Advertentie Algemeen Handelsblad, 16 maart 1916

Uit het Algemeen Handelsblad van 16 maart 1916.
Bron: Delpher

 
De uit Nieuwer-Amstel afkomstige Carolina Maria werkt als inwonend verpleegster in het Amsterdamse Binnengasthuis. Daarvoor is zij werkzaam in het Provinciaal Psychiatrisch Gesticht ‘Meerenberg’ in de gemeente Bloemendaal nabij Santpoort. Na haar ontslag, overigens niet wegens wangedrag, als verpleegster in het Binnengasthuis verhuist zij op 13 oktober 1898 van Amsterdam naar Hilversum, waar zij tot haar overlijden zal wonen.

Het leven van Johannes Bernardus lijkt in een rustiger vaarwater te zijn gekomen. En dat mag ook wel gezien zijn leeftijd. Hij overlijdt op 25 mei 1930 op drieëntachtigjarige leeftijd in zijn huis aan de Boschlaan 5 in Hilversum en wordt drie dagen later begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats.
Carolina Maria overlijdt veel later op 18 juli 1961. Zij woont dan op de Paulus van Loolaan 6 in Hilversum en heeft de respectabele leeftijd bereikt van negentig jaar. Drie dagen later wordt ze in Velsen gecremeerd.

 

Rouwadvertenties

Rouwadvertenties.
Bron: Delpher en CBG Verzamelingen
© Uit de oude Koektrommel

 
Het ligt natuurlijk in de lijn der verwachting dat het ‘enige overgebleven’ kind van Johannes Bernardus, dochter Christina Baudina uit zijn eerste huwelijk, ook vroegtijdig zal zijn overleden. Het tegendeel is waar.
Christina Baudina vertrekt op 3 juni 1891 van Amsterdam naar Heerde. Vervolgens zien we haar terugkomen in het bevolkingsregister van Harlingen. Zij is in Harlingen geregistreerd op 19 mei 1899, komende vanuit Hilversum en modiste van beroep. Op 21 maart 1900 ruilt ze Harlingen in voor Amsterdam om vervolgens op 5 november van dat jaar terug te keren naar Hilversum aan de Herenstraat 3/25.
Ze leert de uit Apeldoorn afkomstige Adriaan Mattheus Kerkkamp kennen en het stel trouwt op 23 oktober 1903 in Hilversum. Haar man is dan leraar aan de Rijks H.B.S. in Amersfoort en oud-officier van de Artillerie K.N.I.L.

 

Bevolkingsregister Harlingen

Bevolkingsregister van Harlingen.
Bron: AlleFriezen

 

Bevolkingsregister Harlingen vervolg

Bevolkingsregister van Harlingen, vervolg.
Bron: AlleFriezen

 
Het echtpaar krijgt twee kinderen, beiden geboren in Amersfoort. Zoon Hendrik wordt op 7 oktober 1910 geboren en gaat in 1929 naar de Koninklijke Militaire Academie in Breda. In 1932 komt hij terug naar het ouderlijk huis aan de Jacob Catslaan 29 in Amersfoort om op 14 juli 1934 te vertrekken naar het Engelse Shorne in Kent voor zijn beroep als sergeant bij de Infanterie K.N.I.L. Uiteindelijk overlijdt hij op 28 augustus 1943 in Birma als één van de vele slachtoffers van de Birmaspoorlijn (55 km.). Hij ligt begraven in Thanbyuzayat.
Dochter Geertruida Cornelia wordt geboren op 13 april 1915. Zij vertrekt op 29 april 1935 van Amersfoort naar de Utrechtse Nieuwegracht 137. Op dit adres is het Wilhelmina Kinderziekenhuis gevestigd. Volgens de vermeldingen van inkomende en vertrokken personen vestigt zij zich in december 1939, komende van Utrecht, in het ouderlijk huis aan de Immenbergweg 50 in Beekbergen om in april 1940 te vertrekken naar ’s-Gravenhage. Mogelijk gaat het om Zuster G.C. Kerkkamp, die tot 30 november 1949 voor de Vereniging Het Groene Kruis in Wierden werkt en in 1968 hoofd van de verpleging in Sanatorium Hoog-Hullen in Eelde is, het latere psychiatrisch ziekenhuis voor behandeling van verslavingszieken.

 

Bevolkingsregister Amersfoort

Gezinskaart uit het bevolkingsregister van Amersfoort.
Bron: Archief Eemland

 
Na zijn pensioenering verhuizen Adriaan Mattheus en Christina Baudina op 5 juli 1925 naar Apeldoorn om uiteindelijk op de Immenbergweg 50 in Beekbergen uit te komen. Hier overlijdt Adriaan Mattheus op 11 februari 1962 en wordt drie dagen later in Dieren gecremeerd. Christina Baudina overlijdt op 15 januari 1969 op éénennegentigjarige leeftijd in haar huis aan de Boslaan 2 in Norg en wordt in stilte gecremeerd.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Afgelopen zomer heb ik nog koffie gedronken in het pand, dat in opdracht van mijn voorouder Andreas Ludolphi in 1660 als zijn herenhuis werd gebouwd op de hoek van de Groninger Oude Ebbingestraat en Jacobijnerstraat. Hoe bijzonder!

In 1308 schenkt ridder en prefect Ludolphus van Gronebeke, vertegenwoordiger van de Utrechtse bisschop in de stad Groningen en het Gorecht, het huis van Lutbertus Heddinga met enige bijgebouwen en de bijbehorende grond aan de prior Conrardus, zijnde zijn bloedverwant, en de fraters van het Dominicanenklooster in Winsum. Dit huis is gelegen aan de tegenwoordige Jacobijnerstraat. Het kloosterterrein strekt zich uit van deze straat tot aan de toenmalige stadsmuur en wordt begrensd aan de westzijde door de Oude Ebbingestraat en aan de oostzijde door het Kattenhage. Het klooster wordt in 1310 in de Orde opgenomen.

 

Oorkondenboek van Groningen en Drenthe

Verkorte vertaling: Ludolphus, ridder, heer van Gronebeke en prefect van Groningen, heeft overgedragen aan zijn bloedverwant Conradus, prior, en de broeders van het convent te Winsum het huis en hof van Lutbertus Heddinga, gelegen bij de stadsmuur van Groningen. (Uit het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, I (Groningen 1896), nr. 228)
Bron: Cartago

 
Na de ‘Reductie van Groningen’, de capitulatie van Stad Groningen voor het leger van prins Maurits van Nassau, de latere prins van Oranje, en Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg op 22 juli 1594, wordt het klooster opgeheven. Het merendeel van de nog aanwezige monniken verlaat de stad en daarmee zal het kloostercomplex enige tijd later in handen komen van de provincie.
Het kloostercomplex wordt verdeeld. In 1609 richt men een deel van het complex in tot Stedelijk Tuchthuis. In 1611 neemt de provincie het over en in het kader van bezuinigingen wordt het Tuchthuis in 1624 opgeheven. Een ander deel van het kloostercomplex krijgt de bestemming van weeshuis. In 1621 wordt het Groene Weeshuis hier ondergebracht en in 1660 staan de Staten van Groningen een deel van het complex af ten behoeve van een diaconieweeshuis, ook wel het Blauwe Weeshuis genoemd. In 1673 worden het Groene en het Blauwe Weeshuis samengevoegd en In 1858 wordt het oude kloostergebouw vervangen door een nieuw weeshuis, het Groene Weeshuis, op dezelfde plaats. De kloosterkerk is vanaf 1660 tot aan de afbraak in 1674 in gebruik als buskruidmakerij en geschutgieterij.

 

Noord-oostelijk deel Groningen rond 1575

Noord-oostelijk deel van Groningen Stad rond 1575 met links boven het Jacobijnerklooster.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
In 1660 verkoopt het weeshuis de zuidwesthoek van het terrein aan mijn voorouder raadsheer Andreas Ludolphi en zijn echtgenoot Hebelia Catharina Noorthoorn, die tot die tijd in de Oosterstraat wonen. Voor het ontwerpen van zijn herenhuis is mogelijk de hulp ingeroepen van de provinciale fabrieksmeester en stadsbouwmeester Coenraet Roeleffs, ontwerper van de Nieuwe Kerk in Groningen.
Het tot ver in de Jacobijnerstraat doorlopende pand krijgt een diep zadeldak. De voorgevel wordt rijk versierd met festoenen of guirlandes en twee kleine ovalen ‘oeil de boeuf’ ramen met omlijstingen. (De letterlijke vertaling voor het Franse ‘oeil de boeuf’ is ‘runderoog’, maar is ook de uitdrukking voor ‘schot in de roos’.) Bovenin wordt er een groter oeil de boeuf- raam geplaatst met omlijsting en afhangende festoenen. De top wordt bekroond door een klein tympaan met daarin de vermelding van het jaartal 1661. Voor verbreding van het gevelvlak en een geleidelijke overgang tussen de verticale en horizontale richting worden aan beide zijden van het middendeel van de gevel tegen de ‘trappen’ gebruik gemaakt van sierlijke klauwstukken of vleugelstukken. Beneden komt een karakteristiek bordes voor de voordeur. Het achterste gedeelte van het complex biedt plaats voor de koetsen en paarden. De grond ten noorden van het huis zal tuin blijven tot aan het begin van de twintigste eeuw.
Tot 1744 blijft het herenhuis in handen van de familie Ludolphi. De laatste bewoonster uit de familie is kleindochter Richardina Ludolphi, die getrouwd is met de latere burgemeester van Groningen Scato Gockinga.

 

Voorgevel hoek Jacobijnerstraat Groningen

Het herenhuis in januari 1923 voor de grote verbouwing.
Bron: Wikimedia (Hoek Oude Ebbingestraat-Jacobijnerstraat, voor- en zijgevel; 20093731 – rce | Door: BotMultichillT – January 1923 | Licentie: CC-BY-SA-3.0-NL. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Beeldbank Cultureel Erfgoed)

 

Oude Ebbingestraat in Groningen

Het herenhuis van Andreas Ludolphi aan de Oude Ebbingestraat.
Bron: Wikimedia (Maker: Gouwenaar; Datum: 14 oktober 2009; Licentie: Public Domain)

 
Er verandert weinig aan het uiterlijk van het pand tot de toenmalige eigenaar, Nicolaas Cristofer Hensen, in 1923 drastisch aan het verbouwen gaat voor zijn confectiemagazijn met ‘heeren-, jongeheeren- en kinderkleeding’ . Met name de benedenverdieping wordt behoorlijk onder handen genomen en het bordes moet het veld ruimen. Daarnaast worden er teksten op de voor- en zijgevels aangebracht. De blauwdruk laat zien dat het oorspronkelijke idee voor de tekst op de voorgevel ‘N.C. Hensen Heeren Modes’ zou moeten worden, echter er is uiteindelijk blijkbaar gekozen voor de tekst ‘N.C. Hensen Kleeding naar Maat’.

 

Blauwdruk

Blauwdruk ‘Plan verbouwing perceel hoek O. Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen-Groningen’.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 

Statistische berekening

Statistische berekening van de ijzeren balken en kolommen benodigd voor de verbouwing van de percelen hoek Ebbingestr.-Jacobijnerstr. voor den Weled. Heer N.C. Hensen te Groningen.
Foto: © Uit de oude Koektrommel (Origineel: Groninger Archieven)

 
Het pand zal ongeveer een eeuw in deze familie blijven. Op 9 november 1971 wordt het herenhuis ingeschreven in het register van beschermde rijksmonumenten. In 2016 is volgens de gegevens van het Kadaster het gehele pand met binnenterrein en parkeerplaatsen door een familielid aan een particuliere belegger verkocht voor ruim twee miljoen euro…

 

Advertentie N.C. Hensen

Advertentie N.C. Hensen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1919.
Bron: Delpher

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, Staat in Groningen, Pelgrimeren in Groningen, Wikipedia (Reductie van Groningen), Wikipedia (Klauwstuk), Wikipedia (Oeil de Boeuf), Wikipedia (Festoen), Cartago en Vestigingslocaties
 
 

 
Elerie, met de klemtoon op de tweede lettergreep, is zeker geen onbekende naam in Wageningen. Met een beetje fantasie doet de naam zelfs buitenlands aan. Niets is minder waar: de naam blijkt een versteende patroniem te zijn uit Groningen.
Het is luitenant Gerardus Elleri, die de naam van de Groningse familie naar deze stad brengt. Spittende in het verleden kom ik tot de verrassende ontdekking dat deze voorouderlijke lijn van mijn oma uit hetzelfde Groningse gebied komt als de voorouderlijke lijn van mijn opa. De beide families moeten elkaar dus aan het begin van de zestiende eeuw gekend hebben. En dat terwijl mijn grootouders toch zeker beschouwd mogen worden als ‘echte Bennekommers’! De wereld is klein, blijkt maar weer.

Gerardus Elleri is de zoon van Dominus Arnoldus Elleri, Theologiae Candidatus, en Anna Margrieta Uchtmans. Zijn ouders laten hem op 1 maart 1696 Nederduits-Gereformeerd dopen in het Groningse Woltersum, waar zijn vader op dat moment schoolmeester is. Twee jaar later vertrekt het gezin naar Oosternieland in het uiterste noordoosten van Groningen, waar zijn vader opnieuw als schoolmeester aan de slag gaat tot zijn overlijden in 1708. Als Gerardus twintig jaar oud is komt ook zijn moeder te overlijden. Zij heeft nog wel mogen meemaken dat hij in december 1715 belijdenis van geloof aflegt in Groningen.

 

Doop Gerardus Elleri

Doopinschrijving van Gerardus Elleri op 1 maart 1696 te Woltersum.
Bron: AlleGroningers

 
Gerardus gaat het leger in en wordt luitenant in het Regiment Infanterie van Kolonel Assuërus Vegelin van Claerbergen. Dit regiment werd opgericht op 9 april 1664 als Regiment van Luitenant Kolonel Doecke van Hemmema. Een luitenant, een samentrekking van de Franse woorden ‘lieu’ (plaats) en ‘tenir’ (houden), is de plaatsvervanger of rechterhand van de kolonel, een officiersrang die in die tijd is weggelegd voor een ‘heer van gegoede stand’.

In 1731 is Gerardus gelegerd in het Garnizoen Zutphen. Hij leert de uit het Groningse Oudeschans afkomstige Petrina Francoise de Soet kennen en ze besluiten op 5 augustus in Oudeschans te trouwen. Na moeder te zijn geworden van twee dochters overlijdt Petrina Francoise ergens tussen 1735 en 1737.

 

Ondertrouw Zutphen Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksinschrijving van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 8 juli 1731 te Zutphen.
Bron: FamilySearch

 

Huwelijk Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Petrina Francoise de Soet op 5 augustus 1731 te Oudeschans.
Bron: AlleGroningers

 
Op 6 juli 1737 wordt Gerardus met attestatie van Warnsveld als lidmaat ingeschreven in Wageningen. Zijn overplaatsing naar Wageningen is niet zo verwonderlijk, aangezien Kolonel Vegelin van Claerbergen in dat jaar Garnizoenscommandant in deze plaats wordt.
Hij ontmoet de jonge Wageningse Jenneke van Veen met wie hij op 4 juli 1738 in Amerongen in het huwelijk treedt. Gerardus verblijft maar voor een korte periode in Amerongen, want zijn zoon en drie dochters worden in Wageningen geboren.

 

Ingekomen Gerardus, Wageningen 6 juli 1737

Gerardus komt met attestatie van Warnsveld op 6 juli 1737 over naar Wageningen.
Bron: Gelders Archief

 

Huwelijksinschrijving Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksinschrijving van Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen op 12 juni 1738 te Wageningen.
Bron: FamilySearch

 

Huwelijk Gerhardus Elleri en Jenneke van Veen

Huwelijksregistratie van Gerardus Elleri en Jenneke van Veen op 4 juli 1738 te Amerongen.
Bron: Utrechts Archief

 
Gerardus vertrekt in 1744 met het regiment naar de Zuidelijke Nederlanden, waar het Staatse leger steun biedt aan onder andere de Engelsen, de Oostenrijkers en de Hannoverianen in hun strijd tegen Frankrijk en zijn bondgenoten in de Oostenrijkse Successieoorlog.
De Fransen hebben het plan opgevat om Doornik in het voorjaar van 1745 te bestormen en in te nemen om vervolgens de Oostenrijkse Nederlanden binnen te trekken. Er wordt door Frankrijk gezocht naar een geschikt terrein om de vijand het hoofd te kunnen bieden. De keuze valt op een uitgestrekt en golvend plateau tussen Doornik en Bergen, dat gelegen is op de rechteroever van de Schelde en wordt doorsneden door een ravijn. Op de linkerflank ligt het dorpje Antoing en in het centrum van de linie Fontenoy. Het zal op 11 mei 1745 uitmonden in ‘De Slag bij Fontenoy’. Het levert Frankrijk uiteindelijk de overwinning op, maar kost aan duizenden mannen het leven. Ook Gerard keert niet meer terug…

 

Slagordes bij de Slag bij Fontenoy

Plattegrond met de slagordes van de legers bij de Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 tussen het Geallieerde leger en de Fransen.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 

De Slag bij Fontenoy 1745

De Slag bij Fontenoy op 11 mei 1745 door Édouard Detaille.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Fleabyte, Wikipedia, Uit de oude Koektrommel en Gens Nostra (maart 2004; door P.J.C. Elema: ‘Elleri/Elerie; Groningen, met een tak Wageningen (1615-1903)’)

 

 
Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief

 

Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacature ziekentrooster

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher

 

Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’

Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief

 

De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief

 

De rede van Texel, waar vandaan Gerrit Hopman voor zijn laatste reis vertrok.
Bron: Texelhuis (embedded)

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

 
Betje Goedhart. Dit is de naam van het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelingenhuis. Op 20 april 1840 om kwart voor twaalf ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor de deur. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelingenhuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek (Boek I Personen, 3e Titel, 2e Afdeling) is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelingenhuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: FamilySearch

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zal, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

Betje wordt dus opgenomen in het ‘Stadsbestedelingenhuis’ oftewel de ‘Inrichting voor Stadsbestedelingen’. Deze inrichting komt in 1828 in de plaats van het opgeheven Aalmoezeniersweeshuis. De stadsbestedelingen zijn vondelingen, wezen en verlatenen van hooguit vijftien jaar, die niet in aanmerking komen voor het Burgerweeshuis of een ander armbestuur. In het ‘Vondelingenboek’ is te lezen dat Betje is gevonden met het bericht: ‘Betje Goedhart oud 8 weken gedoop Grifiemeett‘.

 

Opname in het Stadsbestedelingenhuis

De opname van Betje in het register van het Stadsbestedelingenhuis.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 

Vondelingenboek Betje Goedhart

Uit het ‘Vondelingenboek’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1822 wordt voorgeschreven dat alle vondelingen, wezen en verlatenen binnen het rijk naar de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden, zodra zij de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.
Dit lot valt ook Betje ten deel. Op 7-jarige leeftijd wordt zij op 26 mei 1847 ‘Uitbesteed bij de M.v.W’. Haar aankomst in de kolonie Veenhuizen staat geregistreerd op 28 mei 1847. Na haar ontslag op 20 april 1860 keert zij als dienstbode terug naar Amsterdam. Achtereenvolgend staat zij in het bevolkingsregister ingeschreven op de Kalverstraat 357, de Leidsekruisstraat 134, de Papenburgsteed 580 en tenslotte op de Prinsengracht 239. Op 16 januari 1862 vertrekt Betje naar Weesperkarspel om op 25 januari 1866 naar Diemen te verhuizen. Het jaar daarop zal zij Diemen voorgoed verruilen voor Weesperkarspel.

 

Inschrijving Betje Goedhart M.v.W.

Inschrijving van Betje Goedhart in het register van de Maatschappij van Weldadigheid.
Bron: AlleKolonisten

 
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: FamilySearch

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam
 
 

 
Tabaksindustrie

Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

Drogen tabak

Het drogen van tabaksbladeren in de schuur.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 

De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel van Sigarenfabriek Koch in 1905. (Collectie van de Lucht)
Bron: Facebookgroep Wagenings Fotoalbum (embedded)


 

Opstelten & Co

Reclame van Tabak en Sigarenfabriek Opstelten & Co.
Bron: oud adresboek

 

Victor Hugo sigaren

Oude verpakking van het merk Victor Hugo.
Bron: © J. Boonstra (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.
 
 
Schimmelpenninck

Schimmelpenninck is de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck Wageningen

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsweg.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: Delpher

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan J. Boonstra voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit zijn eigen collectie.

Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

 
Tegenwoordig is er zoveel informatie online te vinden, dat mijn stambomen wat achter de feiten aan lijken te lopen. Zodra ik er dan ook maar enigszins de tijd voor vrij kan maken neem ik eentje onder de loep en loop alle personen en gegevens na aan de hand van akten en registers. Dat is best een pittige klus, maar het levert toch altijd wel wat aanvullingen op die ik in het verleden heb gemist of nooit heb kunnen vinden. En heel soms doe je een verrassende of juist trieste ontdekking, zoals in deze huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, zoon van mijn voorouders Lubbert Enklaar en Willemijn Nijenhuis:

‘… en dat de moeder van den bruijdegom, blind zijnde, ook ’t huwelijk toestemt’.
 
 

Huwelijksinschrijving Barend Enklaar en Hendrina Wiggers

Huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, Arnhem 10 april 1773.
Bron: FamilySearch

 
 

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers

 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod (embedded)

 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

Kerkelijke handschoenen uit de tombe van Bisschop Nicolaus Shiner (1510).
Bron: Gentleman’s Gazette (embedded)

 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart (embedded)

 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden (embedded)

 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.

Van oudsher stond de overdracht van een handschoen dus symbool voor de bezegeling van een contract. Als teken hiervan had een welgestelde zeventiende eeuwse bruid vaak een paar kostbare bruidshandschoenen, versierd met huwelijkssymboliek. Deze bruidshandschoenen zijn regelmatig terug te vinden op huwelijksportretten, maar die van Johanna Le Maire zijn ook fysiek bewaard gebleven. Zij ging op 22 mei 1622 te Amsterdam in ondertrouw met de welgestelde Pieter van Son. Op haar huwelijksportret is te zien hoe zij haar bruidshandschoenen in haar hand houdt.

De handschoenen zijn gemaakt van wit wasleer, voorzien van rijk geborduurde geschulpte kappen met zijde, gouddraad en -cantille, parels en vergulde pailletten. Het borduurwerk vertoont een symmetrisch patroon van onder meer twee in elkaar gelegde handjes in bruin contour onder een met pijlen doorboord hart van pareltjes en twee toegewende vogeltjes. De handschoenen werden gesloten met drie paar roze veterbandjes, waarop een goudknopje werd geschoven.

 

Bruidsportret Johanna Le Maire

Bruidsportret van Johanna Le Maire door Nicolaes Eliasz. Pickenoy, die overigens de zwager van mijn voorouder was.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)

 

Handschoenen Johanna Le Maire

Bruidshandschoenen van Johanna Le Maire.
Bron: Rijksmuseum en © Uit de oude Koektrommel

 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Over dit onderwerp in een volgend artikel meer.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden