Soms lijkt een familieverhaal te fantastisch en onvoorstelbaar om te kunnen geloven. Als uit een spannend jongensboek. In het geval van ome Derk bijvoorbeeld.

Er was sprake van ene ‘ome Dirk’, althans volgens mijn vader. Een broer van zijn moeder, dacht hij zich voorzichtig maar toch met enige stelligheid te herinneren. Het intrigerende verhaal deed de ronde dat ome Dirk als jonge knaap op een avond een pakje shag ging halen om vervolgens zo’n dertig jaar lang weg te blijven. Uit een bericht naar zijn ouders zou blijken, dat hij de boot naar Indië had genomen. Er leek sprake van te zijn dat zijn vertrek naar Indië te maken had met het ‘ronselen’ voor het KNIL, maar niemand wist er precies het fijne van en het verhaal bleef daardoor in nevelen gehuld. Uiteindelijk hield hij het in Indië voor gezien en keerde na de oorlog terug naar Nederland met zijn gezin.

Niet alleen in het echte leven bleef ome Dirk tijdenlang spoorloos; ook op internet viel hij niet te traceren. Hoe ik de afgelopen jaren ook zocht, geen enkel spoor van deze ome Dirk te vinden met de mij bekende summiere gegevens. Daarbij kwam het feit dat in mijn geboorteplaats iedereen maar lukraak oom en tante werd genoemd, dus de twijfel sloeg bij mij toe of ome Dirk inderdaad wel een ‘echte’ oom van mijn vader zou zijn geweest.

Enkele weken geleden besloot ik de zoektocht naar ome Dirk weer te hervatten in de hoop dat er inmiddels meer gegevens online toegankelijk zouden zijn geworden. Direct bij één van de eerste zoekresultaten was het raak. Zijn naam, geboortedatum en de naam van zijn ouders trof ik aan op een Japanse interneringskaart uit de Tweede Wereldoorlog. Geen twijfel mogelijk dus.
Verder speuren in de geboorteregisters van de Burgerlijke Stand van Nijmegen leverde het gegeven op dat Dirk onder de naam Derk was ingeschreven: ‘… geboren op den derden der maand Januari 1910 te kwart over tien uren des voormiddags te Nijmegen aan de Zwanengas in nummer 125…’ Ome Dirk was dus ome Derk.

 

Dirk Ubeda

Geboorteakte van Derk Ubeda
Bron: FamilySearch


 
Het Zwanengas

Het Zwanengas in Nijmegen rond 1910. Derk Ubeda werd hier op nummer 125 geboren. Vanaf 1914 werd dit Piersonstraat, nadat de straat geruimd werd en er nieuwe woningen werden gebouwd.
Bron: Regionaal Archief Nijmegen (Collectie J.M.G.M Brinkhoff; Licentie: CCO)

 
Derk vertrok inderdaad op achttienjarige leeftijd met het passagiersschip m.s. Pieter Corneliszoon Hooft van de Stoomvaart Maatschappij Nederland naar Nederlands-Indië. Zijn inschrijving als fuselier is te vinden onder nummer 86763 in de nominatieve staat van het ‘Nederlandsch-Oostindisch Leger’ van het ‘Algemeen stamboek van Onderofficieren en minderen, geworven in en buiten Europa’.

 

Het stoomschip Pieter Corneliszoon Hooft, waarmee Derk naar Nederlands-Indië vertrok.
Bron: Kombuispraat (embedded)


 
Stamboek Derk Ubeda

Inschrijving van Derk Ubeda in de nominatieve staat van het Nederlandsch-Oostindisch Leger.
Bron: Nationaal Archief

 
In eerste instantie vestigde Derk zich in Bandoeng, de hoofdstad van de provincie West-Java op het eiland Java. Zo is te lezen in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ onder ‘Bevolking van Batavia Gevestigd’ dat hij verhuisd was van Bandoeng naar Senen 4 in Batavia. Waarschijnlijk was daar de Kazerne van de Infanterie gesitueerd.

 

Krantenartikel Dirk Ubeda

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 3 december 1928
Bron: Delpher

 
Alhoewel het inmiddels bekend was dat hij inderdaad in het KNIL had gediend was de connectie met het leger snel gevonden. Volgens het programma voor de cabaretuitvoering van de militaire toneelvereniging ‘Het Masker’, voelden de heren Ubeda en van de Sluis zich geroepen (of gedwongen) de zang voor het onderdeel ‘Hans en Griet’ voor hun rekening te nemen.

 

Het Masker Bataviaasch Nieuwsblad 27-09-1929

Bataviaasch Nieuwsblad van 27 september 1929
Bron: Delpher

 
Derk Ubeda stapte op 4 juni 1931 in het huwelijksbootje met E. Bendy. De voorletter ‘E’ blijkt te staan voor ‘Elsiana’.

 

Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië van 6 juni 1931
Bron: Delpher

 
Op 27 augustus 1931 werd het eerste kind van Derk en Elsiana geboren. Zij woonden op dat moment in Meester Cornelis (het huidige Jatinegara), een zuidelijke buitenwijk van Batavia. Derk en Elsiana zouden uiteindelijk vijf kinderen krijgen, twee zonen en drie dochters.

 

Geboorte zoon Ubeda

Bataviaasch Nieuwsblad van 2 september 1931
Bron: Delpher

 
Dan begint het familieverhaal toch wel te rammelen, want op 23 mei 1934 besloten Dirk en Elsiana het ruime sop te kiezen voor een familiebezoek in Nederland. Zij vertrokken met het s.s. Johan de Witt van Batavia naar Amsterdam. De reis zou gaan via Genua, Villefranche en Southampton. De passagierslijst in het ‘Soerabaijasch Handelsblad’ van 23 mei 1934 vermeldt: D. Ubeda, Mevrouw Ubeda en kind. Inmiddels waren Derk en Elsiana een dochter rijker. Zij was ten tijde van de reis nog geen jaar oud. Wellicht dat zij daarom niet vermeld stond op de passagierslijst.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Soerabaijasch Handelsblad van 23 mei 1934
Bron: Delpher

 
Op 14 november 1934 keerde het gezin weer terug naar Nederlands-Indië. Deze keer met het m.s. Indrapoera vanuit Rotterdam. De verwachting was aan te komen op 13 december 1934 te Tanjung Priok, zo staat vermeld in ‘Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië’ van 28 november 1934.

 

D. Ubeda Passagierslijst

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 28 november 1934
Bron: Delpher

 
In 1935 verhuisde het gezin naar de Molenaarsweg 13 in Batavia.

 

D. Ubeda

Het Nieuwsblad van den Dag voor Nederlands-Indië van 1 februari 1935
Bron: Delpher

 
De Tweede Wereldoorlog brak aan. Volgens de Japanse interneringskaart diende Derk als soldaat 1e Klasse bij het 4e Regiment 14e Bataljon Infanterie in Buitenzorg.
In de garnizoensplaats Tjimahi waren in 1942 vier regimenten van het KNIL gelegerd, aangevuld met Britse en Australische troepen. Door de invasie van Japan op Java hoopte het KNIL met hulp van deze bondgenoten op de hoogvlakte bij Bandoeng nog weerstand te kunnen bieden aan de inval. Het mocht niet baten. Al snel na de Japanse landing op 1 maart 1942 werd het vliegveld Kalidjati bij Bandoeng veroverd en daarmee de Indische luchtmacht uitgeschakeld. In de dagen erna volgde een aanval op de marinebasis te Soerabaja, trok het Japanse leger Batavia binnen, nam een dag later Buitenzorg in en bezette het Soerabaja. Na zware gevechten ten noorden van Bandoeng volgde op zondag 8 maart 1942 de algemene capitulatie van het KNIL, hetgeen de volgende dag bekend werd gemaakt.

Derk werd op 8 maart 1942 door de Japanse bezetter gevangen genomen in Tjimahi en op 15 augustus 1942 overgebracht naar het krijgsgevangenenkamp Java I in Bandoeng. Op 29 oktober van hetzelfde jaar werd hij per schip via de haven van Batavia overgeplaatst naar het werkkamp Thailand II in het Thaise Chong Kai. Tussen maart 1942 en januari 1945 verhuisde dit kamp enkele malen heen en weer tussen Chong Kai en Tha Makhan en werd uiteindelijk op 15 augustus 1945 gesloten. Derk zou op 30 augustus 1945 worden overgedragen aan de Geallieerden in Bangkok.

 

Document Dirk Ubeda

De Japanse interneringskaart vermeldt Achter de Kerk, Depok, als adres van zijn vrouw Elsiana.
Bron: Nationaal Archief


 
Vertaling Japanse interneringskaart

De vertaling van de Japanse interneringskaart.
Bron: © Uit de oude Koektrommel

 
Op basis van digitale bronnen was het mogelijk om het leven van ome Derk beetje bij beetje in beeld te krijgen. Oorspronkelijk had ik zijn verhaal in twee delen, als een soort lopende zoektocht, op deze website geplaatst. Dan word ik naar aanleiding van deze artikelen benaderd door een kleinzoon en kleindochter van ome Derk. Zij wisten mij heel wat te vertellen over hun grootouders en hun leven in Nederland. Als ‘kers op de taart’ werden er nog familiefoto’s toegestuurd. Hoe bijzonder!

In het kort een beschrijving van hoe het Derk en Elsina is vergaan na de komst in Nederland.

Het gezin vertrok op 22 juni 1947 met het t.s.s. Volendam van de Holland Amerika Lijn (HAL) vanuit de haven van Tanjung Priok definitief naar Nederland en kwam op 20 juli 1947 aan in Rotterdam. Na een tijdje in Tiel in een pension gewoond te hebben, verhuisden Derk en Elsiana naar de Ariënsstraat 21 in Nijmegen op de hoek aan het spoor. In de zestiger jaren werd dit adres ingeruild voor de Fanfarestraat 21 en later nummer 36 schuin er tegenover.

 

Het passagiers- en transportschip Volendam.
Bron: Kustvaartforum (embedded)


 
Adres D. Ubeda

Vermelding in het adresboek van Nijmegen, 1955.
Bron: RAN


 
Adres Derk Ubeda

Vermelding in het adresboek van Nijmegen, 1968.
Bron: RAN

 
Derk zou tot aan zijn pensioen met vijfenvijftig jaar als onderofficier (sergeant LSK) werken op de LIMOS-kazerne (Luchtmacht Instructie en Militaire Opleidingen School) in Nijmegen, voorheen het Luchtmacht Instructie Regiment (LIR), waar de luchtmacht haar dienstplichtigen opleidde. Na zijn officiële pensionering werkte hij nog als portier en beveiliger bij het Radboud Ziekenhuis in Nijmegen.
Derk overleed op 25 september 1984 aan de gevolgen van een slopende ziekte. Hij werd vierenzeventig jaar oud.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
Met speciale dank aan de kleinkinderen van Derk en Elsiana voor hun bijdrage.
Bronnen: RAN, Delpher, Stichting Oorlogsgetroffenen in de Oost, Indische Kamparchieven, Wikipedia (Cimahi), Archief NTR, Loe de Jong, Andere Tijden en Passagierslijsten
 
 

 
Marie Anne Elize Engelina Glasmeier werd op 19 december 1865 te Amsterdam geboren als dochter van de uit het Duitse Ibbenbüren afkomstige bakker Peter Andreas Glassmeijer en de Amsterdamse Johanna Maria Elisabeth Huver.
Deze familienaam kent een groot aantal varianten, waaronder Glasmeier, Glassmeier, Glasemeier, Glasmeijer en Glassmeijer.

De naam ‘Glasmeier’ vindt zijn oorsprong in de beroepsnaam ‘Meier’. Deze naam komt van het Latijnse ‘maior’ wat rentmeester, vertegenwoordiger van de heer bij het bestuur van een domein of pachter betekent. (Tevens de oorsprong voor het Franse ‘maire’ en het Engelse ‘mayor’ voor ‘burgemeester’.)

De namen ‘Meier’ en ‘Schulte’ zijn nauw met elkaar verbonden. In het Latijn vinden we ‘maior villau’, een aanduiding voor een bezitter van een hofstede welke de tastbare betekenis heeft van ‘Grote Boer’, ook wel ‘villici’ genoemd en reflecteert naar de sociaal- economische gevolgen van middeleeuwse grootgrondbezitorganisaties.
In de late middeleeuwen waren zij onder andere verantwoordelijk voor de staat van de woningen, de betalingen aan de landheer en voor de handhaving van deze rechten tegenover de hofhorigen. Zij werden in Ostwestfalen ‘Meier’ genoemd en in de rest van Westfalen ‘Schulte’.
Ook toen door verdere ontwikkelingen de functie van ‘villici’ veranderde, bleven zij, tot er een einde aan dit grootgrondsystheem kwam, vooralsnog genoeg werk, gezag en prestige behalen.
Echter, door het ontstaan van een grote groep meiers in Westfalen ging men om verwarring te voorkomen voorzetsels voor de naam ‘meier’ gebruiken. Zo vinden sommige voorzetsels hun oorsprong in de hoeve waar de meier zaakwaarnemer was (bijvoorbeeld: Brenninckhof werd Brenninkmeier), sommige voorzetsels zijn terug te leiden tot een beroep (zoals: Postmeier en Glasmeier), andere hebben te maken met de omgeving en weer anderen met de lichamelijke kenmerken van de meier (bijvoorbeeld: Langemeier en Grotemeier).

 

Ibbenbüren in 1844 door August Dorfmüller.
Bron: Stadtmuseum Ibbenbüren


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Divers, waaronder meijer.hfoada.nl
 
 

 
Bij genealogisch onderzoek komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming was indertijd geenszins negatief van klank. Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens, bij adel of bij rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en ‘de dames’ spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.

 

‘Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep.’; Amsterdam, 1912. Fotograaf: C.J. Hofker.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles is een nazaat van de roemruchte familie Knollys, uitgesproken als ‘Knowles’. Hele boekwerken zijn er geschreven over deze familie; van spannende ridderverhalen tot smeuïge intriges aan het Engelse hof en alles wat er tussenin zit. Zoveel er over de familie bekend is, zo relatief weinig is er over Richard en zijn gezin te vinden.

Richard is handschoenmaker van beroep en werkt in 1630 in die hoedanigheid in de Groningse Popkenstraat. Het huwelijk van Richard en zijn aanstaande bruid Francijntie Perin wordt op 21 augustus 1630 in Groningen en op 25 augustus 1630 in Amsterdam ingeschreven. De kerkelijke inzegening volgt in de Engelse Presbyteriaanse kerk van Amsterdam op 7 oktober 1630.
Als plaats van herkomst wordt voor Richard in het register van Groningen ‘Kintum’ aangegeven en in het register van Amsterdam iets in de trant van ‘Kyntun’. Mogelijk wordt hier Kington (Herefordshire) of Kineton (Warwickshire) mee bedoeld. Beide streken komen namelijk ook voor in de geschiedenis van de familie Knowles of Knollys. Gebaseerd op de gegevens in de Amsterdamse inschrijving moet zijn geboortejaar rond 1601 liggen.
Francijntie wordt rond 1610 geboren in Vlissingen en bij de inschrijving in Amsterdam geassisteerd door haar moeder Cathalijn Jonas. Zij had in ieder geval nog een twee jaar jongere broer Dirck, geboren in Vlissingen en van beroep handschoenmaker in Amsterdam. Dirck trouwt in 1632 met de uit Londen afkomstige Marritie Stoffels Jonas, dochter van Christoffel Jonas. In hoeverre Cathalijn en Christoffel aan elkaar verwant zijn is (nog) niet duidelijk. Opvallend is wel dat Richard en Francijntie een zoon Christophorus hebben genoemd.

 

Ritsart Knowles en Francijntien Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Groningen 21 augustus 1630.
Bron: AlleGroningers


 
Huwelijksaankondiging Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijksinschrijving van Richard Knowles en Francijntie Perin; Amsterdam 25 augustus 1630
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Huwelijk Richard Knowles en Francijntie Perin

Huwelijk van Richard Knowles en Francijntie Perin in de Engelse Presbyteriaanse Kerk te Amsterdam op 7 oktober 1630.
Bron: FamilySearch

 
Richard en Francijntie krijgen, voor zover bekend, vier zonen en twee dochters: Hendrick, Jacobus, Christophorus, Samuel, Nathanaël, Cateleijntie en Hanna. Van de oudste drie kinderen heb ik geen doopregistratie kunnen achterhalen. Bovendien zit er een hiaat tussen de eerste drie kinderen en het vierde kind. Het is niet onmogelijk dat zij in Engeland zijn geboren. Voor de oudste zoon Hendrick lijkt dat haast zeker. Hij trouwt in 1649 met Trijne Joesten. De huwelijksinschrijving van 17 maart 1649 vermeldt ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’.
Zoon Jacobus is in 1651 ordinaris bode van Groningen op Londen. Op 18 maart 1662 gaat hij in Groningen in ondertrouw met Jannichjen Tobias van Tennez. Van zowel Hendrick als Jacobus heb ik na hun huwelijk niets meer kunnen vinden.

 

Huwelijksinschrijving Hendrick Knowles

Huwelijksinschrijving van ‘Hendrick Knauwels van Londen in Engelant’ en Trijne Joesten; Groningen, 17 maart 1649.
Bron: AlleGroningers

 
De beide broers Christophorus en Nathanaël kiezen voor het beroep van predikant. Christophorus trouwt in 1663 in Groningen met Sara Louwens, aangetrouwde nicht van de bekende kunstschilder Nicolaes Eliasz Pickenoy. Het huwelijk wordt op 6 juni 1663 ingeschreven. Hij wordt als predikant beroepen in Uitwierde en later in Farmsum, alwaar hij op 23 mei 1690 wordt begraven.
Nathanaël wordt op 26 april 1643 in de Groninger Martinikerk gedoopt. Het gezin woont dan in de Boteringestraat. Van Nathanaël is bekend dat hij vanaf 1661 filosofie heeft gestudeerd aan de Universiteit van Groningen. Hij trouwt op 30 april 1673 in de Groninger Martinikerk met Maria Sibelius, dochter van Adolphus Sibelius, in leven predikant te Warfhuizen en Warffum. In 1683 vertaalt hij uit het Engels: Richard Baxter; De rechte maniere van doen, om aan een geruste conscientie te geraken, In 32 bestieringen, dat hij opdraagt aan Conraedt Ellents, onvanger-generaal van Drenthe en de heerlijkheid Coevorden en diens vrouw Anna Geertruidt Sichman en in 1685 Richard Baxter; Het goddelyke leven in drie verhandelingen. Vanaf november 1672 tot aan zijn overlijden op 15 september 1700 zal Nathanaël als predikant werkzaam zijn in Anloo. (Zie ook: Predikant Nathanaël Knowles)

 

Overlijden Richardus Knowles

Als predikant moest Nathanael zelf het overlijden van zijn enig kind inschrijven…
Bron: AlleDrenten


 
Overlijden Maria Sibelius

… en van zijn vrouw.
Bron: AlleDrenten

 
Zoon Samuel en dochter Cateleijntie vestigen zich in Amsterdam. Samuel, gedoopt op 28 april 1641 in de Groninger A-Kerk, koopt op 10 mei 1664 het Amsterdamse poorterschap en wordt wijnkoper en wijnverlater. Hij gaat op 22 februari 1664 in ondertrouw met de Amsterdamse Elisabeth Goethand en zal tot zijn overlijden in Amsterdam blijven wonen. Samuel wordt begraven in de Zuiderkerk op 6 november 1666. (Zie ook: Wijnverlater Samuel Knowles)
Cateleijntie wordt op 13 februari 1646 in de Groninger A-Kerk gedoopt. Het gezin woont dan nog steeds in de Boteringestraat. Op 20 januari 1666 wordt in Groningen haar huwelijk met de uit Antwerpen afkomstige Pieter Ariacus ingeschreven. De inschrijving vermeld ‘Catelina Knauwels waer voor Ritser Knauwels als vader’. Na hun huwelijk vertrekt het stel naar Amsterdam. Hun eerste kind wordt vernoemd naar de dan al overleden broer Samuel.
Dochter Hanna heb ik na haar dopen op 26 november 1648 in de Groninger A-Kerk nergens meer kunnen traceren.

 

Poorterschap Samuel Knowles

Inschrijving van Samuel Knowles in het poorterboek; Amsterdam, 10 mei 1664.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Huwelijksinschrijving Cateleijntie Knowles

Huwelijksinschrijving van Pieter Ariacus en Cateleijntie Knowles, waarin haar vader nog wordt genoemd. Groningen, 20 januari 1666.
Bron: AlleGroningers

 
Richard en Francijntie wonen met zekerheid tussen 1641 en 1648 in de Boteringestraat in Groningen, alwaar hij winkelier is. De zaken lijken niet zo voorspoedig te verlopen als gehoopt. In het ONA van Rotterdam zijn namelijk twee samenvattende transcripties van akten te vinden met betrekking tot Richard:

2 augustus 1647. Notaris Adriaan Kieboom. Rogier Harley, Engels koopman, machtigt doctor Johannes Meijnts te Groningen om 106 pond te innen van Ritchard Knowles, wonende te Groningen.

17 augustus 1647. Notaris Jacobus Delphius. Joseph Denman, koopman, gemachtigd door William Schapes, koopman, op 1 juli 1651, voor notaris Johannes van Weel, machtigt Sijmon van Hoornbeeck, koopman te Groningen, om van Ritchert Knowles, winkelier aldaar, zijn tegoeden te vorderen.

Toch zal dit weinig impact op de financiële situatie van Richard en Francijntie hebben gehad, aangezien van een aantal zonen bekend is dat zij aan de Universiteit hebben gestudeerd. Hoe het leven er hierna voor Richard en Francijntie heeft uitgezien is mij onbekend. Richard wordt dus nog vermeld in de huwelijksinschrijving van dochter Cateleijntie, wat maakt dat hij overleden moet zijn na 20 januari 1666. Wellicht dat Richard voor 4 april 1674 is overleden. Dan wordt de zoon Richardus van Nathanael en Maria geboren. Mogelijk is deze zoon naar Richard vernoemd.
Francijntie is nog getuige geweest bij de doop van Jannetie, de dochter van Pieter Adriaensz en Catalena Knouwels. Dat maakt dat zij overleden moet zijn na 3 augustus 1668.
 
 
Tekst: © Uit de oude Koektrommel
 
 

 
In de stamboom van familie Regter wordt voor Joannes Bernardus Regter het beroep smid vermeld, evenals voor zijn zoon Petrus Franciscus overigens. Zijn beroep zal aan Joannes Bernardus waarschijnlijk ook zijn leven hebben gekost, want al op 39-jarige leeftijd overlijdt hij op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan ‘zinkenziekte’ als gevolg van de blootstelling aan metaaldamp, die ontstaat bij het verhitten of verbranden van onder andere zink.

Het beroep van smid bestaat sinds men omstreeks 3000 voor Christus begon met het winnen en bewerken van metalen. In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. Zo komt in de Bijbel in het boek Genesis de smid Tubal-Kaïn voor. Hij wordt de stamvader genoemd van ‘allen die brons en ijzer bewerken’. In de Griekse mythologie is Hephaistos de god van de smeedkunst, het vuur en de vulkanen. In de Romeinse mythologie wordt hij Vulcanus genoemd. Zijn Etruskische tegenhanger is Sethklans.

De patroonheilige van onder andere de smeden is Sint Eloy (Eligius van Noyon). Zijn Christelijke gedenkdag valt op 1 december, ook wel ‘koude Eloy’ genoemd, en de zondag na 24 juni (translatiefeest), ook bekend als ‘warme Eloy’. Sint Eloy is de beschermheilige tegen geldgebrek, epidemieën, steenpuisten, zweren, zenuwziekten, kindergeschreeuw en paardenziekten.

 

Sint Eloys

Altaarportret van Sint Eloy, Schwabach, 1508.
Bron: Wikipedia (Licentie CC BY-SA 4.0)

 
Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één smid. De smid was uiterst belangrijk voor boeren en ambachtslieden. Hij maakte immers de benodigde gereedschap als ploegen, schoppen, harken en schoffels en de gereedschappen voor bijvoorbeeld de wagenmaker, kuiper, schoenmaker en timmerman.

Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om de verrichtingen van de smid gade te slaan.

 

Smederij

Smederij.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto’s genomen in Museumdorp Allingawier.)

 
Voor het leger was de zwaardveger, oftewel de wapensmid, onmisbaar. De wapensmid legde zich toe op de vervaardiging van zwaarden, dolken, hellebaarden, helmen, maliënkolders en harnassen, waarbij sommige wapensmeden zich specialiseerden tot bijvoorbeeld harnasmaker. Het vervaardigen van een harnas was een kostbare aangelegenheid, aangezien dit zeer arbeidsintensief was. De prijs van een harnas kon soms gelijk zijn aan de prijs van een boerderij.
Tevens hield de wapensmid zich bezig met het polijsten van zwaarden, het schoonmaken en repareren van (vuur)wapens en het vervaardigen van (vuur)wapens. Smeden waren ook nodig voor het vervaardigen van bijvoorbeeld katapulten, blijdes, belegeringstorens en stormrammen. Zijn eindproduct werd vaak voorzien van een persoonlijk merk.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor. Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Museumsmederij Elburg, verreverwanten.nl, Wiki Delft en Wikipedia (Eligius)
 
 

 
De oorsprong van de familienaam van den Oosterkamp uit Rhenen komt waarschijnlijk van: van den Oostercamp en daarvoor van den Oestercamp.

In het Kerkelijk archief uit 1711 wordt vermeld:
‘En sij te noteren dat onder desen thiend mede behoort hetland genaamt den Gortendaal en Tabaxcamp van den borgemr. Frederik Klerkzalr. Gelegen naast den Haak van den Heer Commandeur van Gelder.’ Waarschijnlijk betreft het hier om de Oesterkamp.

Achterberg wordt vermeld in het archief van het Sint Agnietenklooster te Rhenen; Charter 71, 12 oktober 1531 :
– Een stuk land gelegen achter de Berg
– Een kamp gelegen Achter den Bergh

 

Gemeente Rhenen 1865; kaart J. Kuijper.
Bron: Atlas en Kaart (embedded)


 
 
Bronnen: Oud Rhenen en Utrechts Archief