Marie Anne Elize Engelina Glasmeier werd op 19 december 1865 te Amsterdam geboren als dochter van de uit het Duitse Ibbenbüren afkomstige bakker Peter Andreas Glassmeijer en de Amsterdamse Johanna Maria Elisabeth Huver.
Deze familienaam kent een groot aantal varianten, waaronder Glasmeier, Glassmeier, Glasemeier, Glasmeijer en Glassmeijer.

De naam ‘Glasmeier’ vindt zijn oorsprong in de beroepsnaam ‘Meier’. Deze naam komt van het Latijnse ‘maior’ wat rentmeester, vertegenwoordiger van de heer bij het bestuur van een domein of pachter betekent. (Tevens de oorsprong voor het Franse ‘maire’ en het Engelse ‘mayor’ voor ‘burgemeester’.)

De namen ‘Meier’ en ‘Schulte’ zijn nauw met elkaar verbonden. In het Latijn vinden we ‘maior villau’, een aanduiding voor een bezitter van een hofstede welke de tastbare betekenis heeft van ‘Grote Boer’, ook wel ‘villici’ genoemd en reflecteert naar de sociaal- economische gevolgen van middeleeuwse grootgrondbezitorganisaties.
In de late middeleeuwen waren zij onder andere verantwoordelijk voor de staat van de woningen, de betalingen aan de landheer en voor de handhaving van deze rechten tegenover de hofhorigen. Zij werden in Ostwestfalen ‘Meier’ genoemd en in de rest van Westfalen ‘Schulte’.
Ook toen door verdere ontwikkelingen de functie van ‘villici’ veranderde, bleven zij, tot er een einde aan dit grootgrondsystheem kwam, vooralsnog genoeg werk, gezag en prestige behalen.
Echter, door het ontstaan van een grote groep meiers in Westfalen ging men om verwarring te voorkomen voorzetsels voor de naam ‘meier’ gebruiken. Zo vinden sommige voorzetsels hun oorsprong in de hoeve waar de meier zaakwaarnemer was (bijvoorbeeld: Brenninckhof werd Brenninkmeier), sommige voorzetsels zijn terug te leiden tot een beroep (zoals: Postmeier en Glasmeier), andere hebben te maken met de omgeving en weer anderen met de lichamelijke kenmerken van de meier (bijvoorbeeld: Langemeier en Grotemeier).

 

Ibbenbüren in 1844 door August Dorfmüller.
Bron: Stadtmuseum Ibbenbüren


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Divers, waaronder meijer.hfoada.nl
 
 

 
Bij genealogisch onderzoek komen we veelvuldig het beroep dienstmaagd, dienstmeid en dienstbode tegen. Eigenlijk zit er weinig verschil qua betekenis in deze benamingen, alhoewel een dienstbode zowel van het mannelijke als van het vrouwelijke geslacht kan zijn. Dienstbode wordt daarom vaak als synoniem voor butler gebruikt.
Voor de vrouwelijke personen waren ook andere namen in gebruik. Aan het begin van de twintigste eeuw kon nog van meid of dienstmeid worden gesproken. Deze benaming was indertijd geenszins negatief van klank. Nog ouder is dienstmaagd, dat in modern Nederlands een plechtstatige klank heeft gekregen.

Een dienstbode, dienstmeid of dienstmaagd was iemand die in loondienst huishoudelijk werk verrichtte. Vroeger ging het meestal om een jonge, ongehuwde vrouw. In de eerste helft van de twintigste eeuw was een groot deel van de vrouwelijke beroepsbevolking in Nederland werkzaam als dienstbode in gegoede burgerhuishoudens, bij adel of bij rijke boeren. Deze meisjes waren doorgaans afkomstig uit eenvoudige en vaak grote (land)arbeidersgezinnen en gingen al heel jong ‘in betrekking’; dikwijls al op 12 à 14 jarige leeftijd. Zij werkten veelal onder leiding van een butler of kamerheer.
Men onderscheidde de inwonende dienstbode, die behalve kost en inwoning een klein loon kreeg en het dagmeisje, dat alleen overdag kwam. Voor de arbeidsvoorwaarden van dienstboden bestonden ongeschreven regels. Volgens deze regels had de dienstbode bijvoorbeeld recht op fooien van gasten van haar werkgever. Deze fooien waren voor die tijd relatief hoog, bijvoorbeeld een gulden van een gast bij een diner.

De dienstboden maakten enorm lange dagen en moesten keihard werken voor een klein loon. Hun rol was strikt onderdanig en zij dienden precies te doen wat hun werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties. Dit had als consequentie: geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie.
Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad. Tot de werkzaamheden bij de boeren behoorde behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken met de hand en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke taken verricht en daarnaast behoorde de verzorging van de kinderen vaak tot de taak van de dienstbode. Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw‘ en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend. De dienstmeisjes hadden een zesdaagse werkweek. De zondag was een vrije dag en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. Zij werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Door toenemende beroepsmogelijkheden in andere sectoren nam het aanbod van dienstboden gaandeweg af, waardoor tussen 1920 en 1940 veel Duitse dienstmeisjes werden aangenomen en ‘de dames’ spraken over het ‘dienstbodenprobleem’. Na 1950 nam door de mechanisatie van het huishouden en de sterk stijgende lonen en belastingen ook de vraag af, waardoor het beroep van dienstbode in Nederland vrijwel is uitgestorven.

 

‘Dienstbode in Amsterdam bezig met het dweilen van de stoep.’; Amsterdam, 1912. Fotograaf: C.J. Hofker.
Bron: Geheugen van Nederland (embedded)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
 
 

 
In de stamboom van familie Regter wordt voor Joannes Bernardus Regter het beroep smid vermeld, evenals voor zijn zoon Petrus Franciscus overigens. Zijn beroep zal aan Joannes Bernardus waarschijnlijk ook zijn leven hebben gekost, want al op 39-jarige leeftijd overlijdt hij op 28 januari 1838 in Nieuwer-Amstel aan ‘zinkenziekte’ als gevolg van de blootstelling aan metaaldamp, die ontstaat bij het verhitten of verbranden van onder andere zink.

Het beroep van smid bestaat sinds men omstreeks 3000 voor Christus begon met het winnen en bewerken van metalen. In allerlei bronnen worden namen van smeden genoemd. Zo komt in de Bijbel in het boek Genesis de smid Tubal-Kaïn voor. Hij wordt de stamvader genoemd van ‘allen die brons en ijzer bewerken’. In de Griekse mythologie is Hephaistos de god van de smeedkunst, het vuur en de vulkanen. In de Romeinse mythologie wordt hij Vulcanus genoemd. Zijn Etruskische tegenhanger is Sethklans.

De patroonheilige van onder andere de smeden is Sint Eloy (Eligius van Noyon). Zijn Christelijke gedenkdag valt op 1 december, ook wel ‘koude Eloy’ genoemd, en de zondag na 24 juni (translatiefeest), ook bekend als ‘warme Eloy’. Sint Eloy is de beschermheilige tegen geldgebrek, epidemieën, steenpuisten, zweren, zenuwziekten, kindergeschreeuw en paardenziekten.

 

Sint Eloys

Altaarportret van Sint Eloy, Schwabach, 1508.
Bron: Wikipedia (Licentie CC BY-SA 4.0)

 
Vanaf de Middeleeuwen tot en met de negentiende eeuw had iedere stad en ieder dorp minstens één smid. De smid was uiterst belangrijk voor boeren en ambachtslieden. Hij maakte immers de benodigde gereedschap als ploegen, schoppen, harken en schoffels en de gereedschappen voor bijvoorbeeld de wagenmaker, kuiper, schoenmaker en timmerman.

Over het beroep hing een waas van geheimzinnigheid want elke smid had zijn eigen geheimen om het ijzer op de juiste manier te laten smelten. Mensen gluurden dan ook graag door de ruiten van de smederij om de verrichtingen van de smid gade te slaan.

 

Smederij

Smederij.
Bron: © Uit de oude Koektrommel (Foto’s genomen in Museumdorp Allingawier.)

 
Voor het leger was de zwaardveger, oftewel de wapensmid, onmisbaar. De wapensmid legde zich toe op de vervaardiging van zwaarden, dolken, hellebaarden, helmen, maliënkolders en harnassen, waarbij sommige wapensmeden zich specialiseerden tot bijvoorbeeld harnasmaker. Het vervaardigen van een harnas was een kostbare aangelegenheid, aangezien dit zeer arbeidsintensief was. De prijs van een harnas kon soms gelijk zijn aan de prijs van een boerderij.
Tevens hield de wapensmid zich bezig met het polijsten van zwaarden, het schoonmaken en repareren van (vuur)wapens en het vervaardigen van (vuur)wapens. Smeden waren ook nodig voor het vervaardigen van bijvoorbeeld katapulten, blijdes, belegeringstorens en stormrammen. Zijn eindproduct werd vaak voorzien van een persoonlijk merk.

Sinds de achttiende eeuw volgden ontdekkingen en uitvindingen in het smidsvak elkaar in hoog tempo op. In de negentiende eeuw begonnen machines het werk van de ‘gewone’ smid over te nemen. De functie van het paard werd overgenomen door auto, trein en tractor. Als gevolg van de industrialisatie verdween het aloude ambacht in de loop van de twintigste eeuw bijna helemaal. Smederijen werden constructie- en installatiebedrijven. Vele smeden gingen werken in de nieuwe metaalnijverheid of bij de spoorwegen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Museumsmederij Elburg, verreverwanten.nl, Wiki Delft en Wikipedia (Eligius)
 
 

 
De oorsprong van de familienaam van den Oosterkamp uit Rhenen komt waarschijnlijk van: van den Oostercamp en daarvoor van den Oestercamp.

In het Kerkelijk archief uit 1711 wordt vermeld:
‘En sij te noteren dat onder desen thiend mede behoort hetland genaamt den Gortendaal en Tabaxcamp van den borgemr. Frederik Klerkzalr. Gelegen naast den Haak van den Heer Commandeur van Gelder.’ Waarschijnlijk betreft het hier om de Oesterkamp.

Achterberg wordt vermeld in het archief van het Sint Agnietenklooster te Rhenen; Charter 71, 12 oktober 1531 :
– Een stuk land gelegen achter de Berg
– Een kamp gelegen Achter den Bergh

 

Gemeente Rhenen 1865; kaart J. Kuijper.
Bron: Atlas en Kaart (embedded)


 
 
Bronnen: Oud Rhenen en Utrechts Archief