Ziekentrooster. Hoe prachtig klinkt dit beroep. En Gerrit Hopman was er één. Ziekentrooster in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Hij trouwde op 22 december 1765 in Aalten met Janna Bijvank, maar binnen twee jaar vertrok hij op 21 september 1767 vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam naar de Oost met het gloednieuwe spiegelretourschip ‘Woestduijn’, dat plaats bood aan 239 tot 369 bemanningsleden. Via een tussenstop van twee weken in verversingsstation en reparatieplaats Kaap de Goede Hoop bereikte het schip op 23 april 1768 Batavia. Na Batavia te hebben aangedaan, voer de Woestduijn door naar het Chinese Kanton. Hoogstwaarschijnlijk zal hier een handeltje thee en porselein zijn opgehaald, de belangrijkste handelsproducten van Kanton. De terugreis voor de Kamer Zeeland ging vanzelfsprekend weer via de Kaap, aangezien het V.O.C. schepen op de uit- en thuisreis verplicht was daar aan te leggen. Men zou er vijfentwintig dagen vertoeven. Uiteindelijk kwam het schip op 18 juli 1769 aan in het Zeeuwse Rammekens.

 

Gerrit Hopman, Woestduijn

Soldijboek: Gerrit Hopman, op 21 september 1767 vertrokken met het schip Woestduijn.
Bron: Nationaal Archief


 
Woestduijn

Het VOC-schip ‘Woestduijn’ van de Kamer Amsterdam is vlak voor terugkeer van zijn vijfde thuisreis uit Batavia op de Noorder Rassen bij Vlissingen vastgelopen. 
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De functie van ziekentrooster is ontstaan in de vluchtelingenkerken van het zestiende-eeuwse Londen en Emden. Het was de taak van de predikanten om de zieken te bezoeken. Echter, door ziekten als de pest nam het aantal zieken zo dramatisch toe, dat de predikanten hun werk niet meer aankonden. Ouderlingen werden door de kerkenraad verzocht tegen een goede betaling de taak van ziekentrooster op zich te nemen. Naast het bezoeken van zieken en het verlenen van geestelijke bijstand behoorde onder andere het opstellen van testamenten en het verzorgen van arme zieken tot de werkzaamheden.

Aan het eind van de zestiende eeuw werd in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden het kerkelijk leven opgebouwd. Er bleek een tekort aan predikanten. Toen daar bovenop ook nog eens de pest uitbrak werd er door de stadsbesturen besloten om in navolging van andere landen ziekentroosters te benoemen. De ziekentrooster nam, zeker in kleinere plaatsen, vaak de taken van de predikant en ouderling over, maar had geen bevoegdheid om de sacramenten te bedienen.

 

Vacature ziekentrooster

Vacante post van ziekentrooster in de Goudasche Courant van 14 maart 1796.
Bron: Delpher


 
Loon ziekentrooster

Een indicatie van het salaris van deze ‘alles-in-één-baan’; Oprechte Haarlemse Courant van 28 mei 1805.
Bron: Delpher

 
Geestelijke zorg moest er natuurlijk ook zijn voor de zeevarenden. Door het genoemde tekort aan predikanten kwam deze zorg voor het leger, de marine en de handelsvloot voor een groot deel in handen te liggen van de ziekentrooster. Lidmaten werden opgeroepen om zich beschikbaar te stellen voor deze functie. Elk schip moest voorzien worden van een predikant of ziekentrooster. Op de grotere schepen en met name die met de ‘belangrijkste’ officieren werd een predikant geplaatst; op de kleinere schepen de ziekentrooster.

De ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ uit 1657 is duidelijk over de taakomschrijving van predikanten en ziekentroosters. Onder hoofdstuk II wordt bepaald:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen goede zorge draagen, en by de Overheden van de respective schepen en op de Comptoiren altyt helpen bevorderen, dat des morgens en des avonts de publicque gebeden met behoorlyken aandagt by hun gedaan, en by al het volk, inzonderheit by die geenen, die over anderen gestelt syn, zonder eenig verzuym, ’t en ware ingevalle van ziekte of andere nootwendige gelegenheit, bygewoont en waargenomen worden: als ook dat des Zondags, de voor en namiddags vermaaningen, en andere Christelyke oefeningen en gebeden en voorts in de week, zoo wanneer, en zoo dikwyls als het zelve gevoeglyk zal konnen geschieden.’
 
Hoofdstuk III gaat verder met:

‘De Predikanten en Ziekentroosters zullen niet verzuymen de Zieken daaglyks te bezoeken en te vertroosten, en alle goede troostlyke vermaaningen en onderwyzingen ter zaligheit aan hun te doen, zoo menigmaal als de gelegenheit het vereischen zal.’

Ruim vijf maanden na zijn terugkomst in Nederland koos Gerrit weer het ruime sop. Dit maal vertrok hij vanuit Texel voor de Kamer Amsterdam op 29 december 1769 met het schip Bovenkerker Polder naar Bengalen. Dit schip was kleiner en kon 152 tot 279 bemanningsleden huisvesten. Het lijkt aannemelijk dat in Bengalen hoofdcomptoir, oftewel factorij of loge, Hougli aan de rivier de Ganges werd aangedaan voor de inkoop van producten als katoen, opium, gember, hennep, zijde en suiker. De heenreis kende een tussenstop van negentien dagen in Kaap de Goede Hoop; op de terugreis zou dit een verblijf worden van elf dagen. Na 535 dagen zette Gerrit op 17 juni 1771 in Texel weer voet op Nederlandse bodem.

 

Soldijboek Gerrit Hopman, Bovenkerker Polder

De bladzijden van Gerrit Hopman in het soldijboek van het schip Bovenkerker Polder.
Bron: Nationaal Archief


 
De factorij of loge van de Verenigde Oostindische Compagnie te Hougli in Bengalen

Hoofdcomptoir van de Verenigde Oost-Indische Compagnie te Hougli in Bengalen door Hendrik van Schuylenburgh.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De hereniging met zijn familie was van korte duur. Op 30 december van hetzelfde jaar begint Gerrit aan wat letterlijk en figuurlijk zijn laatste reis zou worden. Na het vertrek op 30 december 1771 uit Texel met bestemming Ceylon met het schip Geijnwens van Kamer Amsterdam overleed Gerrit na negenenvijftig dagen varen op 27 februari 1772 ergens tussen Rammekens en Kaap de Goede Hoop.

 

Soldij Gerrit Hopman, Geijnwens

Uit het soldijboek: Gerrit Hopmans laatste reis met het schip Geijnwens.
Bron: Nationaal Archief


 
"

De rede van Texel.
Bron: Zeeuwse Ankers (embedded)

 
Zijn weduwe Janna en dochter Hendrika kunnen toch rekenen op zijn gage tot zijn overlijden, want in de ‘Instructie voor de Predikanten en de Ziekentroosters’ staat onder hoofdstuk XIII vermeld:

‘Indien eenig Predikant of Ziekentrooster op de reize naar Oost Indië, of aldaar binnens lants mogt koomen te sterven, en een Weduwe, Kint of Kinderen na te laaten, het zy aldaar ofte hier te landen, zullen dezelve Weduw, Kint of Kinderen alsdan niet alleen genieten de gagie tot den doot van den overledenen, maar alzulke Weduw, Kint of Kinderen, die mede op de reize oft in Oost Indië mogte geweest zyn, zullen ook bekwaamlyk, als zy ’t begeeren, zonder hunne kosten naar huys gebragt, en voorts in alles getracteert worden, volgens de Resolutie ter Vergaderinge van de Zeventienen den 30 September 1647, op ’t stuk van de Predikanten en hunne Weduwen genoomen.’

Een krantenartikel in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779 geeft overigens een indruk van de kostbaarheden die uit de Oost werden meegenomen.
Op zaterdag 24 juli 1779 loopt het schip Woestduijn vast op de zandplaat de Noorder Rassen voor de Walcherse kust tussen Westkapelle en Zoutelande. Het schip ging verloren en de lading Oosterse producten dreef de Noordzee in. Toch was de cargo bekend en werd gepubliceerd in de krant. Het tot de verbeelding sprekende product ‘drakenbloed’ is een diep zwartrode harssoort, dat gewonnen wordt uit de drakenbloedbomen Dracaena draco en Pterocarpus draco en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor medicinale doeleinden.

 

Cargo Woestduijn

De lading van het schip Woestduijn, gepubliceerd in de Hollandsche Historische Courant van 29 juli 1779.
Bron: Delpher

 
De goederen uit Azië werden in de tijd van Gerrit Hopman voor de Kamer Amsterdam opgeslagen in het Oost-Indisch Zeemagazijn op het voor de V.O.C. aangelegde eiland Oostenburg aan het IJ in Amsterdam. Het was het grootste industrieterrein ter wereld: drie grote scheepshellingen, een vijfhonderd meter lange lijnbaan, een enorme houtzagerij en het vier verdiepingen hoge Oost-Indisch Zeemagazijn, met daarachter nog werkplaatsen en loodsen. Beneden was een slachthuis en op één van de zolders bevond zich de zeilmakerij.
Na de opheffing van de V.O.C. in 1799 werd het Oost-Indisch Zeemagazijn in gebruik genomen als opslagplaats voor granen. Door achterstallig onderhoud en de zware last stortte in 1822 het magazijn in.

 

Het Oost-Indisch Zeemagazijn

Het Oost-Indisch Zeemagazijn in Amsterdam door Joseph Mulder.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Wikipedia (ziekentrooster), Woordenwereld, Instructie voor de Predikanten en Ziekentroosters, VOC Site, KZGW, VOC Kenniscentrum, Wikipedia (Oostenburg) en Stadsarchief Amsterdam
 
 

 
Betje Goedhart. Dit is de naam van het meisje dat, acht weken oud, te vondeling is gelegd voor het Amsterdamse Stadsbestedelingenhuis. Op 20 april 1840 om kwart voor twaalf ’s avonds vindt de vijftigjarige suppoost Adrianus Wilhelmus van Veen haar voor de deur. Betje is ‘opgebakerd in een hemdje, twee borstrokjes, een doekje, twee mutsjes, een japonnetje, twee rokjes, een roode baaj en een witte katoenen cap.’ Zij wordt opgenomen in het Stadsbestedelingenhuis en de volgende dag zal de suppoost zelf ‘zijn vondst’ aangegeven bij de Burgerlijke Stand van Amsterdam, zoals dat in Artikel 33 van het Burgerlijk Wetboek (Boek I Personen, 3e Titel, 2e Afdeling) is bepaald. Het bijbehorende Proces Verbaal wordt opgemaakt door de binnenvader van het Stadsbestedelingenhuis.

 

Inschrijving Burgerlijke Stand

Inschrijving Burgerlijke Stand Amsterdam, 21 april 1840.
Bron: FamilySearch

 
Door armoede is met name in de grote steden het aantal vondelingen geëxplodeerd. Ouders zijn soms gewoonweg niet meer in staat om de zorg voor hun kind op zich te nemen. Daar komt nog bij dat een aanzienlijk aantal mannen vroegtijdig overlijdt door ziekte als gevolg van de barre omstandigheden of in de diverse oorlogen, waardoor de vrouwen volledig belast worden met de zorg voor hun kind.
Bovendien wordt ten tijde van Napoleon het verbod op vaderschapsactie ingevoerd; niet in de laatste plaats om zich te ontdoen van elke verantwoordelijkheid na legering van militairen. Tot de Napoleontische tijd was het gebruikelijk dat de verwekker van een onwettig kind, indien bekend, de zorg voor moeder en kind op zich nam. Deed hij dit niet dan kon een onderzoek naar vaderschap worden gestart om zo alsnog een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding af te dwingen. Ten tijde van Napoleon komt hier dus verandering in. Het zorgt ervoor dat een ongehuwde moeder zonder geld en rechten achterblijft en de vader geen enkele verantwoordelijkheid hoeft te dragen. Een juridische relatie tussen de vader en het buitenechtelijk kind is dan alleen nog mogelijk op basis van een vrijwillige erkenning door de vader. Pas in de twintigste eeuw zal, na veel discussie, de vaderschapsactie weer worden ingevoerd.

Betje wordt dus opgenomen in het ‘Stadsbestedelingenhuis’ oftewel de ‘Inrichting voor Stadsbestedelingen’. Deze inrichting komt in 1828 in de plaats van het opgeheven Aalmoezeniersweeshuis. De stadsbestedelingen zijn vondelingen, wezen en verlatenen van hooguit vijftien jaar, die niet in aanmerking komen voor het Burgerweeshuis of een ander armbestuur. In het ‘Vondelingenboek’ is te lezen dat Betje is gevonden met het bericht: ‘Betje Goedhart oud 8 weken gedoop Grifiemeett‘.

 

Opname in het Stadsbestedelingenhuis

De opname van Betje in het register van het Stadsbestedelingenhuis.
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Vondelingenboek Betje Goedhart

Uit het ‘Vondelingenboek’.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De toestanden in de tehuizen zijn over het algemeen ronduit erbarmelijk, de hygiëne laat te wensen over, de voeding is slecht en de leiding vaak onbekwaam. Veel kinderen sterven voortijdig. Bij Koninklijk Besluit van 6 november 1822 wordt voorgeschreven dat alle vondelingen, wezen en verlatenen binnen het rijk naar de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid moeten worden opgezonden, zodra zij de leeftijd van zes jaar hebben bereikt.
Dit lot valt ook Betje ten deel. Op 7-jarige leeftijd wordt zij op 26 mei 1847 ‘Uitbesteed bij de M.v.W’. Haar aankomst in de kolonie Veenhuizen staat geregistreerd op 28 mei 1847. Na haar ontslag op 20 april 1860 keert zij als dienstbode terug naar Amsterdam. Achtereenvolgend staat zij in het bevolkingsregister ingeschreven op de Kalverstraat 357, de Leidsekruisstraat 134, de Papenburgsteed 580 en tenslotte op de Prinsengracht 239. Op 16 januari 1862 vertrekt Betje naar Weesperkarspel om op 25 januari 1866 naar Diemen te verhuizen. Het jaar daarop zal zij Diemen voorgoed verruilen voor Weesperkarspel.

 

Inschrijving Betje Goedhart M.v.W.

Inschrijving van Betje Goedhart in het register van de Maatschappij van Weldadigheid.
Bron: AlleKolonisten

 
Met de gezondheid van Betje gaat het blijkbaar niet zoals het wezen moet, want tussen 3 september 1863 en 26 november 1867 wordt zij vier keer opgenomen op de vrouwenafdeling van het Binnengasthuis in Amsterdam.
Het Binnengasthuis vormt één van de grootste openbare verpleeginstellingen binnen het negentiende-eeuwse Amsterdam en is voornamelijk bedoeld voor armen, soldaten, matrozen en reizigers. Er zijn verschillende afdelingen voor mannen en vrouwen, aparte verbandafdelingen voor gewonden, een kraamafdeling, en later ook voor gynaecologie, voor besmettelijken, oogziekten, huidziekten, geslachtsziekten en krankzinnigen.
Uiteraard was het niemands wens om in een gasthuis te belanden, maar zowel het Binnen- als Buitengasthuis zijn bovendien ook nog eens berucht om de ‘Spartaanse’ verzorging, de slechte hygiëne en het brandgevaar. Volgens een rapport van het stadsbestuur uit 1882 bestaat de verpleging uit ‘knechten en meiden’ die zich schuldig maken aan drankmisbruik en mishandeling, de medicijnen verkopen en het voedsel voor zichzelf houden. Een jaar later wordt er besloten om gediplomeerde verplegers in dienst te nemen. Ook met de medische behandeling is het slecht gesteld. Op honderden zieken zijn er slechts twee artsen.

 

Binnengasthuis Amsterdam

Het Binnengasthuis in betere tijden.
Bron: SlidePlayer

 
Er breekt een andere tijd aan voor Betje. Zij leert de bijna twee jaar jongere uit Muiden afkomstige Dirk Pietersen kennen. Het stel besluit op 27 december 1867 in Weesperkarspel te trouwen. Het huwelijk zou echter nog geen acht jaar duren, want Betje overlijdt kinderloos op 29 juni 1875 in haar huis in de Bijlmermeer. Zij is slechts vijfendertig jaar oud geworden.

 

Overlijden Betje Goedhart

Overlijdensakte van Betje Goedhart.
Bron: FamilySearch


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Doczz, Vele Handen, Wikipedia (Binnengasthuis Amsterdam), Janssen-Wikkers Advocatuur, Atria, Noord-Hollands Archief en Stadsarchief Amsterdam
 
 

 
Tabaksindustrie

Heel wat van mijn familieleden zijn werkzaam geweest in de tabaksteelt of tabaksindustrie in Wageningen en Rhenen. Van tabaksteler, tabakker, halve tabakker tot sigarenmaker in de Schimmelpenninck sigarenfabriek. En het is zeker niet ondenkbaar dat zij een centje hebben bijverdiend met huisarbeid.

De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, was één van de centra voor de teelt van inlandse tabak. De zwaar bemeste zandgronden bleken zeer geschikt voor de tabaksteelt, die in de zeventiende eeuw in opkomst kwam en voor veel werkgelegenheid zorgde. De tabakker teelde de tabak op eigen of gehuurde grond. De halve tabakker verbouwde de tabak in deelbouw, waarbij de eigenaar van de grond mest en ruimte in de droogschuur ter beschikking stelde en zich belastte met de verkoop. De halve tabakker, en vaak ook het gezin, deed dus het eigenlijke werk en kreeg uiteindelijk een deel van de bruto opbrengst.

 

Drogen tabak

Het drogen van tabaksbladeren in de schuur.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
De tabak

De tabak; een prent van A. de Ker. Datering: 1894-1959.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
In eerste instantie werd de Nederlandse tabak verwerkt tot pijptabak. Na 1725 kwam het snuiven van zeer fijngemalen tabak in de mode, gevolgd door de pruimtabak. Nadat in het midden van de negentiende eeuw het roken van sigaren populair werd, ging veel tabak naar de sigarenfabrieken om verwerkt te worden in sigaren. Tussen 1826 en 1851 werd in Wageningen al een begin gemaakt met de fabricage van sigaren.
Door toenemende concurrentie van tabak uit Nederlands-Indië en de Verenigde Staten nam de omvang van de inlandse tabaksteelt in de loop van de negentiende eeuw steeds verder af, met als gevolg dat omstreeks 1890 de commerciële Wageningse tabaksteelt verdween.
 
 
 
Tabakstrippen als huisnijverheid

Toch leverde de teruggang van de inlandse teelt ook een nieuwe bron van inkomsten op. Of liever gezegd een kleine aanvulling op de schamele inkomens. De in Wageningen gestripte Indische en Amerikaanse tabak was bestemd voor de uitvoer naar Engeland, waar een invoerrecht op tabak bestond. Door de tabak van tevoren te laten strippen, scheelde dat toch een aanzienlijk stuk in gewicht en daarmee in de kosten. Het tabakstrippen, het verwijderen van de stelen en hoofdnerven het tabaksblad, werd een huisindustrie, waarbij de mensen in dienst waren bij tabakshandelaren. In Wageningen waren dat voornamelijk de tabaksproducenten Koch en De Voogd.

 

Tabakstrippen als huisnijverheid.
Bron: Nationaal Archief (embedded)

 
In de meeste gevallen ging het hier om huishoudens die afhankelijk waren van het werk in de steenfabrieken. Vanwege het hoge water in de uiterwaarden in de herfst en het geringe aantal werklieden dat nodig was in de winter waren de meeste arbeiders in deze periode werkeloos. Om toch nog iets te kunnen verdienen kon een beperkt aantal mensen terecht bij het Comité voor Werkverschaffing of ging men thuis tabaksbladeren strippen. Het grote aantal werklozen zorgde ervoor dat er steeds voldoende aanbod was van goedkope arbeidskrachten. Deze vorm van huisarbeid werd echter zo slecht betaald dat het in de volksmond ook wel ‘zwijnerij’ werd genoemd. De website ‘Het Volkshuis’ vermeld hierover:

‘Het strippen van een pond tabak levert 2 tot 2,5 cent op en een halve cent meer als de bladeren onbeschadigd zijn. Een werkdag van tien uur, waarin evenzoveel ponden tabak kunnen worden gestript, levert een inkomen van 25 cent op. Ter vergelijking: een boerenknecht en een kleigraver op de steenfabriek hebben een dagloon van 80 cent en zelfs in de werkverschaffing wordt voor een zevenurige werkdag nog 60 cent betaald.’

In de Eerste Wereldoorlog ging de tabak op de bon en kwam de tabakshandel stil te liggen en daarmee de tabaksstripperij. Na deze oorlog was er door de toenemende industrialisatie gedurende het gehele jaar werk te vinden waarmee men genoeg verdiende. Bovendien waren de hoogtijdagen van de sigaar voorbij en kwam er hiermee een einde aan de huisindustrie.
 
 
 
Wageningse Sigarenfabrieken

Wageningen kende door de eeuwen heen een flink aantal sigarenfabrieken en kleinschalige fabriekjes. Om een paar te noemen: Dirk Van Lonckhuijzen aan de Walstraat, Koch aan de Veerstraat, Van Opstelten & Co aan de Lawickse Allee, Victor Hugo van fa. J. Baars en Zn. uit Krommenie aan de Nude, Cornelis Bos aan de Heerenstraat, Gelria aan het Plantsoen, G.T. Kraayvanger aan de Junusstraat en later verhuisd naar de Grindweg, Peel van Rijn, Gebroeders Van Dronkelaar, Oranje-Nassau van W.G. Van de Loo, Fa. Overman, C.G.W. Pauw, G. Onderstal & Co., La Industria van J.J.F. de Voogd, M. Keijzer en natuurlijk Geurts & Van Schuppen, wat later Schimmelpenninck werd.

 

Personeel sigarenfabriek Koch

Personeel van sigarenfabriek Koch in 1905.
Bron: Onbekend (kopie eigen archief)


 
Opstelten & Co

Reclame van Tabak en Sigarenfabriek Opstelten & Co.
Bron: oud adresboek


 
Victor Hugo sigaren

Oude verpakking van het merk Victor Hugo.
Bron: © J. Boonstra (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Wouter Geurts kocht in 1896 de sigarenfabriek van J.C. Weurman aan de Grindweg te Wageningen. Dit werd Tabak- en Sigarenfabriek De Tabaksplant. Later verhuisde de onderneming naar Tramweg 29a. In 1923 had hij veertig medewerkers in dienst.
Zijn zus, Janna Klazina was getrouwd met Jochem van Schuppen, oprichter van Sigarenfabriek Ritmeester in Veenendaal. Op 1 oktober 1924 startte Wouter Geurts de compagnonschap ‘Geurts & Van Schuppen’ met zijn oomzeggers Jan Marius van Schuppen en Gerrit Hendrik van Schuppen, de zonen van het echtpaar Van Schuppen-Geurts. Deze compagnonschap nam de naam ‘Schimmelpenninck’ aan.
 
 
 
Schimmelpenninck

Schimmelpenninck is de grootste sigarenfabriek die in Wageningen actief is geweest. In 1929 had Schimmelpenninck éénenzeventig mensen in dienst en produceerde de fabriek twee miljoen sigaren. In 1931 werd de firma gehuisvest in het pand van de voormalige en failliete leerlooierij Roes aan de Stationsstraat. Daar bleef het bedrijf groeien; in 1939 waren er ongeveer zevenhonderd werknemers en werden ruim tweeëndertig miljoen sigaren gefabriceerd. De sigarenmakers kregen stukloon, dat wil zeggen dat ze betaald kregen naar rato van het aantal sigaren dat ze per dag of week maakten.

 

Sigarenfabriek Schimmelpenninck Wageningen

Sigarenfabriek Schimmelpenninck aan de Stationsweg.
Bron: Hoog en Laag (3 augustus 2011)

 
In de Tweede Wereldoorlog lag de tabaksproductie helemaal stil en werd er na de oorlog voorzichtig opnieuw begonnen. Tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw liep de fabriek goed. Om de groei aan te kunnen werden in 1960 de panden van de voormalige sigarenfabriek Victor Hugo gekocht en in 1964 het pakhuis ‘America’. Nieuwe vestigingen kwamen er in Lichtenvoorde en Kerkdriel. Vervolgens werd er in 1969 van Drukkerij Vada in de Nude een stuk grond met woonhuis gekocht om er een nieuw te bouwen bedrijf op te vestigen.
In de jaren zeventig keerde het tij. Er werden steeds minder sigaren gerookt en de productie in het buitenland werd goedkoper. De aandelen van Schimmelpenninck kwamen in handen van buitenlandse firma’s. Als reactie op de opkomst van de sigaret werd er geprobeerd kleinere en dunnere sigaartjes aan de man te brengen. Echter zonder succes. De productie werd geleidelijk verplaatst naar België en lagelonenlanden.
In 2001 viel definitief het doek voor de Wageningse vestiging. De naam Schimmelpenninck bleef bestaan, maar in Wageningen werden geen sigaren meer gemaakt. Met de sluiting verdween de laatste sigarenfabriek in Wageningen en kwam er een einde aan de Wageningse tabakscultuur.

 

De Tijd, godsdienstig-staatkundig dagblad, 28 december 1940

Zeer belangrijk nieuws voor ‘Schimmelpenninck-Rookers’ in De Tijd, godsdienstig staatkundig dagblad van 28 december 1940.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan J. Boonstra voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit zijn eigen collectie.

Bronnen: Het Volkshuis, Wiki Wageningen, NGV (De Twee Kwartieren, jaargang 22, nr. 3, september 2014), Gemeentearchief Wageningen (De Tabaksplant/Schimmelpenninck, 2014), Zavage, HVOW (Wagen Wegen, jaargang 7, nr. 1, februari 1979) en Gens Nostra (nr. 59, maart 2004)
 
 

 
Tegenwoordig is er zoveel informatie online te vinden, dat mijn stambomen wat achter de feiten aan lijken te lopen. Zodra ik er dan ook maar enigszins de tijd voor vrij kan maken neem ik eentje onder de loep en loop alle personen en gegevens na aan de hand van akten en registers. Dat is best een pittige klus, maar het levert toch altijd wel wat aanvullingen op die ik in het verleden heb gemist of nooit heb kunnen vinden. En heel soms doe je een verrassende of juist trieste ontdekking, zoals in deze huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, zoon van mijn voorouders Lubbert Enklaar en Willemijn Nijenhuis:

‘… en dat de moeder van den bruijdegom, blind zijnde, ook ’t huwelijk toestemt’.
 
 

Huwelijksinschrijving Barend Enklaar en Hendrina Wiggers

Huwelijksinschrijving van Barent Enklaar en Hendrina Wichers, Arnhem 10 april 1773.
Bron: FamilySearch


 
 

 
Mijn Engelse voorouder Richard Knowles werkte in 1630 als handschoenmaker in de Groningse Popkenstraat. Nou laat het beroep van handschoenmaker natuurlijk niets aan de verbeelding over. Daarentegen zijn over de handschoen en het gebruik ervan genoeg interessante zaken te vinden.

 

Richard Knowles handschoenmaker

Richard Knowles, hier geschreven als Derck Cnaules, handschoenmaker in de Popkenstraat (Groningen, 1630).
Bron: AlleGroningers


 
 
De handschoen door de tijden heen

De oudste gevonden handschoenen ter wereld zijn die van de Egyptische farao Toetanchamon, ontdekt in zijn graf in 1922. Zij dateren uit 1333-1323 voor Christus en zijn gemaakt van vlasvezels. Waarschijnlijk waren ze bedoeld voor paardrijden. Het bijzondere aan deze handschoenen is dat zij met een steek zijn genaaid, die pas in de achttiende eeuw na Christus opnieuw zou worden toegepast.

 

Eén van de zevenentwintig handschoenen van Toetanchamon, gevonden in zijn graf in 1922.
Bron: Olia i Klod (embedded)

 
In eerste instantie waren handschoenen een ‘beschermende accessoire’. Zo wordt in Homerus’ Odyssee de vader van Odysseus, Laërtes, beschreven, die met handschoenen aan in zijn tuin werkte om zijn handen te beschermen tegen de wilde bramen. De Romeinse bovenklasse droeg op feestjes ‘eethandschoenen’ van zijde of linnen om tijdens het eten met hun handen deze schoon te houden en verbranding van de vingers te voorkomen. En wat te denken van de gladiatoren die, voordat zij de arena binnengingen, ter bescherming hun handen omwikkelden met lange repen gelooide huid. Jagers en krijgers beschermden hun handen met leren handschoenen of bekleedden ze met doek, bedekt met metalen platen. Later werd de metalen handschoen onderdeel van de totale ridderuitrusting.

In de loop der eeuwen komen we de vermeldingen of vondsten van handschoenen vaker tegen. De Griekse historicus Herodotus vertelt in zijn onderzoek rond 440 voor Christus over de beschuldiging van Leotychides, die een handschoen had gevuld met geld dat hij als omkoping had ontvangen. Xenophon vermeldt in zijn Cyropaedia , dat de Perzen in de winter bontgevoerde wanten droegen. Plinius de Jonge vindt het rond 100 na Christus belangrijk genoeg om te melden dat de stenograaf van zijn oom in de winter handschoenen draagt om het werk van de oude Plinius niet te belemmeren.
In de elfde eeuw vergeet de Bisschop van Durham bij zijn ontsnapping met een touw via zijn raam uit de Tower of London zijn handschoenen en haalt zijn handen ernstig open. Zo zou Koning Henry II van Engeland in 1189 met handschoenen aan begraven zijn en worden bij het openen van de tombes van Bischop Nicolaus Shiner in 1510, Koning Edward I van Engeland in 1794 en Koning John van Engeland in 1797 alle drie de heren met handschoenen aan aangetroffen.

 

"

Kerkelijke handschoen; Spanje, 1510-20
Bron: Liturgical Arts Journal (embedded)

 
Het was aan het einde van de Karolingische periode dat de handschoen een symbolische betekenis heeft gekregen. Van koningen is bekend dat hun handschoen diende als plaatsvervanger, wanneer hij lijfelijk ergens niet aanwezig kon zijn. In het christendom was het dragen van handschoenen een teken van religieuze macht en respect voor God. Attributen hoefden op die manier niet met de blote hand aangeraakt te worden.

De symboliek van het gebruik van de handschoen vinden we terug in de Middeleeuwen, waarin deze stond voor de overdracht van bepaalde macht of rechten. Tevens straalde het dragen van handschoenen (politieke) macht uit voor bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders, belastinginners en rechters. Een rechter zou altijd handschoenen dragen tijdens het uitspreken van het oordeel.

 

De handschoenmaker: kopergravure uit Jan en Casper Luyken’s emblemataboek ‘Iets voor Allen’. De oorspronkelijke editie is uit 1745.
Bron: Atlas en Kaart (embedded)

 
Egyptische vrouwen gebruikten handschoenen als onderdeel van een schoonheidsbehandeling, nadat de handen vooraf zorgvuldig waren ingesmeerd met geurige olie en honing. Naar alle waarschijnlijkheid zijn vrouwen in de dertiende eeuw begonnen met het dragen van handschoenen als accessoire gemaakt van linnen en zijde, versierd met borduurwerk. Wetten werden uitgevaardigd om deze ‘wereldse ijdelheid’ te onderdrukken, maar dat mocht op de langere termijn niet baten. In latere tijden kwamen dames niet buiten zonder handschoenen en was het gebruikelijk om minstens zeven paar in huis te hebben; voor elke dag van de week een ander paar.

In de zestiende eeuw raakte de geparfumeerde handschoen in de mode en werd het beroep van handschoenmaker verenigd met dat van parfumeur. Het gebruik van parfum was naast het maskeren van onfrisse luchtjes ook bedoeld voor hygiënische doeleinden, zoals het bestrijden van de pest en andere ziekten.
Geparfumeerde handschoenen werden gemaakt van zacht leer en bevatten een poeder met een overvloed aan geuren, zoals lavendel , bergamot, gemalen iriswortel en kruiden. Werden de geuren civet en muskus in de zeventiende eeuw warm onthaalt, tijdens de Verlichting gaf men de voorkeur aan bloemige en fruitige geuren. De achttiende eeuw stond in het teken van de verleiding, wat tot uiting kwam in nieuwe geuren.

 

Geparfumeerde lederen handschoenen.
Bron: Anya’s Garden (embedded)

 
In de zeventiende eeuw was het voor welgestelden gebruikelijk om met lederen handschoenen de deur uit te gaan. Bij voorkeur waren deze gemaakt van ree-, lams- of het liefst kippenhuid. Zij reikten tot de pols en in de meeste gevallen waren ze voorzien van een kap, die in de tweede helft van de zeventiende eeuw uitbundiger van vorm werd met vaak geborduurde manchetten. Gewoon werkvolk droeg handschoenen van stevige materiaalsoorten ter bescherming van de handen bij zwaar werk. Alhoewel ik het vermoeden heb dat de ‘minderbedeelden’ het toch zonder handschoenen moesten stellen.

Van oudsher stond de overdracht van een handschoen dus symbool voor de bezegeling van een contract. Als teken hiervan had een welgestelde zeventiende eeuwse bruid vaak een paar kostbare bruidshandschoenen, versierd met huwelijkssymboliek. Deze bruidshandschoenen zijn regelmatig terug te vinden op huwelijksportretten, maar die van Johanna Le Maire zijn ook fysiek bewaard gebleven. Zij ging op 22 mei 1622 te Amsterdam in ondertrouw met de welgestelde Pieter van Son. Op haar huwelijksportret is te zien hoe zij haar bruidshandschoenen in haar hand houdt.

De handschoenen zijn gemaakt van wit wasleer, voorzien van rijk geborduurde geschulpte kappen met zijde, gouddraad en -cantille, parels en vergulde pailletten. Het borduurwerk vertoont een symmetrisch patroon van onder meer twee in elkaar gelegde handjes in bruin contour onder een met pijlen doorboord hart van pareltjes en twee toegewende vogeltjes. De handschoenen werden gesloten met drie paar roze veterbandjes, waarop een goudknopje werd geschoven.

 

Bruidsportret Johanna Le Maire

Bruidsportret van Johanna Le Maire door Nicolaes Eliasz. Pickenoy, die overigens de zwager van mijn voorouder was.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Public Domain)


 
Handschoenen Johanna Le Maire

Bruidshandschoenen van Johanna Le Maire.
Bron: Rijksmuseum en © Uit de oude Koektrommel


 
 
Gebruik en symboliek

Tijdens de Middeleeuwen werd een begroeting door iemands hand te schudden zonder de handschoen uit te trekken gezien als een belediging. Het uitdoen van een handschoen voor het geven van een hand of een kus op de hand was een manier om vertrouwen te tonen. Ook het uittrekken van de handschoen met de tanden werd gezien als respectloos.

Het slaan met een handschoen in iemands gezicht werd beschouwd als een uitdaging voor een gevecht. Evenals iemand de handschoen voor de voeten werpen. De uitdrukking ‘iemand de handschoen toewerpen’ is dan ook aan het ridderwezen ontleend. Wie de handschoen opnam, gaf daarmee te kennen, dat hij de strijd aanvaardde. Vandaar ook ‘de handschoen voor iemand opnemen’, wat ‘iemand verdedigen’ betekent.

In de schilderkunst zien we het gebruik van de handschoen vaak terug. De handschoen staat symbool voor een huwelijk en voor netheid, omdat ze de handen bedekken en natuurlijk voor het benadrukken van een bepaald maatschappelijk aanzien. Handschoenen die in een schilderij op de grond liggen, staan symbool voor een buitenechtelijke verhouding.

 

Voorname vrijage, Willem Pietersz. Buytewech

Voorname vrijage door Willem Pietersz. Buytewech (ca. 1616-ca. 1620); de handschoenen, een symbool voor het huwelijk, liggen op de grond.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
En dan kennen we natuurlijk nog ‘trouwen met de handschoen’, oftewel trouwen bij volmacht; een huwelijksvoltrekking waarbij één van de partners niet aanwezig kan zijn en wordt vervangen door een gevolmachtigde. Van oorsprong werd de handschoen op het altaar gelegd als teken van aanwezigheid en instemming van de afwezige partner. Lees meer over dit onderwerp in het artikel Trouwen met de handschoen.
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Eternal Egypt, Olia i Klod, Wikipedia, Berthi’s Weblog, Fragrantica, FD.persoonlijk, Fashion Scene, Historiek en Anya’s Garden
 
 

 
Een oud krantenartikel in ‘De Tijd’ van 12 februari 1885 brengt mij bij de Bennekomse gifmengster Maria Jansen. Alhoewel de naam Jansen uit Bennekom zeker in mijn voorouderlijke lijn voorkomt, lijkt Maritje toch geen familie te zijn. Destijds had ik mij zeker gelukkig geprijsd niet tot haar familiekring te behoren. Nu, een kleine drie eeuwen later, moet ik in alle eerlijkheid bekennen het te betreuren dat de enige gemene deler de patroniem Jansen is. Een vijfvoudige familiemoordenares tussen al die hard ploeterende schaapherders en landbouwers zou toch een aangename en interessante afwisseling zijn in de Jansen-stamboom.

De ‘media’ spreekt van Maria. Waarschijnlijk met het sensatiebeluste doel om het contrast tussen die naam en haar daden nog groter te maken. Maritje Jansen. Geboren in 1677 in Bennekom als dochter van Jan Willemsen op de Grampel en Jantje Janssen. Ze brengt haar jeugd door op de pachtboerderij ‘De Grampel’ aan de Bennekomse Rijnsteeg, die gelegen is op het landgoed van kasteel Hoekelum. In 1697 duikt haar naam op in het kerkregister, wanneer Maritje op 21 december belijdenis van het geloof aflegt in de Nederduits-Gereformeerde Kerk van Bennekom.

 

Boerderij De Grampel
Bron: Drimble (embedded) (Maker: J.C. van Roekel jr.; Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)


 
Maria Lidmaat

Op 21 december 1697 legt Maritje belijdenis van het geloof af.
Bron: Gelders Archief

 
In 1707 wordt Bennekom ingeruild voor Achterberg bij Rhenen, zo valt te lezen in het Biografisch Woordenboek Gelderland. Drie jaar later gaat Maritje aan de slag als inwonende dienstmeid bij de paardenmeester Aart Gerritsen. Gedurende haar verblijf van zeven jaar bij hem leert zij het nodige over medicijnen en gif; iets wat haar later goed van pas zou komen.
In het jaar 1720 neemt zij haar intrek als boerenmeid bij Teunis Janssen. Hun relatie zal zich alleen tot het zakelijke beperken. Tegen alle beloftes van Teunis in komt het echter nooit tot een huwelijk. Hevig teleurgesteld over het feit dat Teunis zijn heil liever zocht bij andere vrouwen, zet de in leeftijd gevorderde Maritje haar teleurstelling om in wraak. Voor een luttel bedrag koopt ze rattengif bij de haar uit de tijd van de paardenmeester bekende Wageningse apotheker Doyts, waarmee zij Teunis dodelijk vergiftigd.

Enkele jaren later leert Maritje de weduwnaar en wever Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck kennen. Gerrit is een nazaat van de familie die de boerderij ‘Geitenbeek’ bewoonde, gelegen ten zuiden van Scherpenzeel onder de gemeente Woudenberg aan het eind van de Grebbelaan, tussen de Valleilaan en de Koepellaan. Hij heeft uit zijn vorige huwelijk met Marijtje Joosten een jong zoontje Jan.
Het stel trouwt op 21 juli 1726 in Bennekom. Dan beginnen al snel de problemen. Tussen Maritje en haar schoonouders botert het niet en ook de relatie met haar stiefzoontje, en als gevolg daarvan de relatie met Gerrit, is verre van goed te noemen. Het jaar na hun huwelijk overlijden haar schoonouders vlak achter elkaar en weer een jaar later overlijdt ook de driejarige Jan. Doordat de ziektesymptomen als braken en hevige pijn verdacht veel op elkaar lijken begint zo langzamerhand de geruchtenstroom op gang te komen. Als het jaar daarop Gerrit vanuit het niets plotseling ziek wordt en dezelfde dag nog komt te overlijden gaan de ‘alarmbellen’ echt rinkelen. Er wordt een onderzoek ingesteld en getuigen gehoord.

 

Huwelijk Maria Jansen

Huwelijksregistratie van Gerrit Thijssen van Geijtenbeeck en Marrijtjen Janssen; Bennekom, 21 juli 1726.
Bron: FamilySearch

 
Na langdurige verhoren, waarbij drukmiddelen eerder regel dan uitzondering zijn, bekent Maritje uiteindelijk de vijfvoudige moord met voorbedachte rade op haar minnaar, haar man, diens kind en haar schoonouders. Blijkens het arrest van 15 maart 1729 veroordeelt het college van het Hof van Gelderland in Arnhem haar ter dood wegens gepleegde vergiftiging.

Alle openbare strafvoltrekkingen en doodvonnissen worden vanaf 1713 in Arnhem voor het Hof van Gelderland op de Oude Markt voltrokken. Dit lot valt ook Maritje ten deel. Ze wordt op 19 maart 1729 ‘vastgebonden op een houten kruis, vooraf viermaal met gloeiende tangen, in iedere arm en been eens, geknepen, vervolgens worden van onder-op levend haar beenen en armen aan stukken geslagen en na kruiswijze over het lichaam nog geslagen zijnde, haar hoofd met een bijl afgehouwen’.

 

Markt Arnhem

De Markt in Arnhem met het oude stadhuis en ’t Hof van Nassau (1649)

 
Nadat haar lichaam enige tijd op het schavot is tentoongesteld, wordt Maritje op een horde naar de noordelijk gelegen Galgenberg gesleept. Daar wordt zij met ketenen op het rad vastgebonden en haar hoofd daarboven op een pin gezet ‘tot afschrick ende exempel‘. De Galgenberg langs de Hommelseweg, de vroegere Deventerweg, is hiervoor een uitermate geschikte locatie; al het (handels)verkeer over deze weg gaat naar het noorden.

Hoe afschuwelijk haar daden ook geweest mogen zijn, de haar opgelegde straf is in mijn ogen, ofschoon ‘gebruikelijk’ voor die tijd, toch vele malen gruwelijker…

 

De uitvoerige beschrijving van haar terechtstelling in De Tijd van 12 februari 1885.
Bron: Delpher


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Gelders Archief, Biografisch Portaal Nederland, Vereniging Oud Scherpenzeel, De Kostersteen nr. 121 (Historische Vereniging Oud Bennekom), Arneym, Historisch Klarendal en Biografisch Woordenboek Gelderland
 
 

 
Als geboren en getogen ‘Waogeningse’ heb ik heel wat tochtjes met het Lexkesveer gemaakt. Ondanks dat we het vroeger thuis niet ‘breed’ hadden kon er in de vakantie toch altijd wel een oversteek met de pont vanaf met als kers op de taart een ijsje aan de ‘overkant’.

Wageningen lag vroeger aan een ‘voorde’ in de Nederrijn, een doorwaadbare plek in de rivier. Oude bescheiden wijzen erop dat de Batavieren daar al ter plaatse hun overgang over de rivier hadden. Zodra er hoogwater dreigde werd hun vee uit de grazige weiden van de Betuwe in veiligheid gebracht op de heuvels van de Veluwe.

 

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant

Het Lexkesveer met links de Betuwekant en rechts de Veluwekant.
Bron: © Pieter ten Brinke (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende via Hans Holleman)

 
Het Lexkesveer, het oudste veer over de Nederrijn, is de veerverbinding tussen Wageningen aan de Veluwekant en Randwijk aan de Betuwekant. De veerverbinding bestaat al in de Middeleeuwen en lag op een belangrijke route vanuit het noorden, via de Diedenweg en de Holleweg, naar het zuiden via de Betuwe.
In de rekenboeken van de stad Nijmegen wordt in 1426 melding gemaakt van ‘den veer tot lexkenshuys’. In een akte van 3 juni 1492 wordt geschreven over een uiterwaarde, gelegen bij ‘Leexken aen ’t veerstat’, behorende tot de bezittingen van kasteel Grunsfoort bij Renkum. De Spanjaarden maken in de zestiende eeuw gretig gebruik van het veer. De Fransen hebben het veer niet nodig om Wageningen binnen te vallen; zij kunnen in 1795 op deze plek over het ijs de oversteek maken.

 

Wageningen, kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654

Kaart van Nicolaas van Geelkercken uit 1654.
Bron: Edward Wells

 
De naam Lexkesveer is nauw verwant aan Lakemond, een buurtschap aan de zuidkant van de Nederrijn tegenover Wageningen, wat van 1539 tot 1817 bij Wageningen hoort. Lakemond (Lackemont, Leakmonde of Lackmonde) zelf zal zijn naam ontleend hebben aan een klein riviertje dat daar gestroomd moet hebben. Dit riviertje de ‘Lake’ (Lakia, Leckia of Lek) dankt zijn ontstaan aan de vele ‘lexkens’ oftewel ‘wellen’, die daar aanwezig zijn. Het Lexkesveer is dus in oorsprong een veer in de nabijheid van deze lexkens.

Van 1741 tot 1804 is het Lexkesveer in eigendom van Nijmegen en Wageningen. Voor een periode van zes jaar kan het veer en toebehoren gepacht worden. In 1783 behoort hiertoe ‘het groote Veerhuis, Schuur, Stallinge, Bouwhuis en het geene verder daartoe behoort’. In 1804 wordt door de Magistraat der stad Wageningen onder andere ‘de helft van het van ouds vermaard Lexkesvheer” verkocht en komt de pont daarmee in particuliere handen. Waarschijnlijk is Baron Lynden van Hemmen de nieuwe eigenaar geworden. Zijn kleinzoon zal enkele decennia later eigenaar zijn. In 1912 wordt gemeente Wageningen de nieuwe eigenaar van het Lexkesveer voor de som van achtendertigduizend gulden. In de koopsom zijn inbegrepen de ijzeren gierpont, het veerhuis en circa vijf hectaren landerijen. Om een idee te krijgen van de jaarlijkse pacht; van 1883 tot 1889 wordt een jaarlijks bedrag betaald van zeventienhonderd gulden. De zes jaren die erop volgen zal dit vierentwintighonderdveertig  gulden per jaar bedragen.
Dat de Rijn nog een schone rivier is blijkt wel uit een krantenartikel uit 1850. Baron Lynden van Hemmen en Baron de Constant Rebecque de Villars verpachten voor de tijd van zes jaar ‘de visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn, beneden het Lexkesveer tot boven het Heusdensche veer ’.

 

Amsterdamse Courant, 27 september 1783

Het ‘publicq verpagten in ’t nagemelde Veerhuis”; Amsterdamse Courant, 27 september 1783.
Bron: Delpher


 
Utrechtsche courant, 25 januari 1804

Verkoop door de Magistraat der Stad Wageningen; Utrechtsche courant van 25 januari 1804.
Bron: Delpher


 
Arnhemsche Courant, 3 september 1850

Het verpachten van de ‘visscherij op zalm en prikken in de rivier de Rijn; Arnhemsche Courant, 3 september 1850.
Bron: Delpher

 
Halverwege de negentiende eeuw zijn Jacobus en Janna van de Pol de uitbaters van het Pension-Hotel ‘Het Lexkesveer’, gelegen aan de Wageningse kant van de veerverbinding. In 1875 koopt een lid van familie van de Pol het badhuis in de Rijn aan, dat tot dan in handen van een vennootschap is geweest. Tegelijkertijd vat hij het plan op om een rijtuigdienst tussen de stad en het badhuis te bewerkstelligen, hetgeen ‘velen te dezer plaatse met genoegen zullen vernemen’.

 

Pension-hotel Lexkesveer

Pension-hotel Lexkesveer.
Bron: oud adresboek


 
Hotel Lexkesveer met badhuis

Hotel Lexkesveer rond 1910 met rechts het badhuis.
Bron: Ansichtkaart eigen archief

 
Na het overlijden van Jacobus in 1872 zet de weduwe de onderneming voort. Dit mondt enkele jaren later uit in een slepende ‘quaestie’ tussen weduwe Van de Pol en de eigenaar van het Lexkesveer, baron Lynden van Hemmen, over het recht tot aanleggen van de gierpont. Volgens weduwe Van de Pol zijn de bovenste twee veerdammen of stoepen haar eigendom en verbiedt om deze reden het aanleggen, waardoor de overtocht wordt bemoeilijkt of helemaal niet kan plaatsvinden. In dit laatste geval geschiedt de overtocht per roeiboot. Een anonieme schrijver doet in een ingezonden bericht naar ‘Het nieuws van de dag; kleine courant’ precies uit de doeken hoe volgens hem de vork in de steel zit.

 

Het nieuws van den dag kleine courant, 20 december 1884

Ingezonden brief in ‘Het nieuws van den dag, kleine courant’ van 20 december 1884 met uitleg over de ‘quaestie’.
Bron: Delpher

 
Met dag- en nachtvaarten tot 1983 kan het haast niet anders dan dat er ook wel eens iets misgaat met of rond de pont. Zo komt het Lexkesveer op 20 december 1895 in aanvaring met de stoomboot Concordia. De schade aan beide vaartuigen is aanzienlijk; de brug van de pont is verbrijzeld en de bomen beschadigd. De stoomboot heeft een groot gat in het voorsteven.
In juni 1907 eindigt een zondagsritje voor een viertal met een enkeltje per trein naar huis. Een gezelschap uit Zutphen, bestaande uit twee heren en twee dames, wil vanuit de Betuwe met de automobiel met de veerpont oversteken. Op de afweg naar de pont stapt het gezelschap uit om te bekijken hoe de automobiel erop moet. Echter, de automobiel begint uit eigen beweging de helling af te rollen en belandt, ondanks verwoede pogingen om haar tegen te houden, in de Rijn.
Het wordt een tochtje van ruim twintig minuten voor de passagiers op een woensdagmiddag in oktober 1937. Een motorschip vaart zo dicht langs de pont dat de beide kabels, waarlangs de pont vaart, breken en het stuurloos tweehonderd meter de Rijn afdrijft tot het anker wordt uitgeworpen. Een opkomend motorschip brengt het veer weer naar de voorstoep, waar de passagiers veilig aan land kunnen.
Een ander voorval met een lange nasleep vindt plaats op 30 juli 1957, waardoor de veerpont is gezonken. Na uitgebreid onderzoek verschijnt in de bijlage van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959 het verslag van de Raad voor de Scheepsvaart.

 

Uitspraak van den Raad voor de Scheepvaart, bijvoegsel van de Ned Staatscourant van 10 september 1959, nr 175

Uitspraak van de Raad voor de Scheepvaart; bijvoegsel van de Nederlandse Staatscourant van 10 september 1959, nr. 175.
Bron: Delpher

 
In de loop der tijden heeft het Lexkesveer heel wat veranderingen ondergaan. Aan het Lexkesveer is in oktober 1900 de eerste ijzeren veerpont in de Rijn in de vaart gebracht. Vervaardigd en geleverd door de H.H. Meijer te Zaltbommel en Leeuwen, voor rekening van dhr. J. van de Pol. In 1928 wordt de pont voorzien van een degelijke en praktische afsluiting, namelijk valbomen. De stoompont van het Katerveer in Zwolle, die buiten dienst is gesteld, gaat in 1930 de inmiddels oude en afgedankte gierpont van het Lexkesveer vervangen. Hierdoor ontstaat er een snellere veerverbinding.

 

Het Lexkesveer rond 1919.
Bron: Dordtsekaart (embedded)


 
Rotterdamsch nieuwsblad, 7 maart 1930

De stoompont van het Katerveer met op de voorgrond de oude afgedankte gierpont; Rotterdamsch Nieuwsblad, 7 maart 1930.
Bron: Delpher

 
Aangezien de vervoersmiddelen steeds groter en zwaarder worden en elkaar amper kunnen passeren over de Wageningse Berg is er de noodzaak tot een oplossing. Als werkverschaffingsproject wordt de huidige Westbergweg grotendeels met de hand uitgegraven en op 15 mei 1939 feestelijk geopend. Goed nieuws voor de beheerder van het Lexkesveer, aangezien het veer nu veel makkelijker voor al het verkeer bereikbaar is. In januari 1952 komt er bovendien een nieuwe motorpont, waarmee nu zelfs de zwaarste voertuigen kunnen worden overgezet. Ruim vijf jaar later zal deze pont jammerlijk genoeg zinken.

 

Lexkesveer

Het Lexkesveer zoals we het nu kennen.
Bron: © Michael van den Berg (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)

 
Door de weersomstandigheden is de veerverbinding uiteraard lang niet altijd mogelijk. Zodra het maar enigszins kan wordt het vervoer over het water gedaan met een roeiboot. Toch kan het gebeuren dat de Nederrijn helemaal dichtgevroren is, zoals in de strenge winters van 1939-1940 en 1962-1963. Dan wordt er door middel van planken een voetpad over de Rijn aangelegd, zodat het verkeer voor voetgangers en wielrijders mogelijk is. Ook wordt er wel gebruik gemaakt van boompjes of staande takken op het ijs om een soort van hek langs een schoongemaakt voetpad te creëren. Op die manier kan er ondanks dat het veer buiten bedrijf is toch veergeld gevraagd worden.

 

Arnhemsche courant, 18 januari 1940

Een bericht van de ANWB, dat gedurende enkele weken in de kranten verscheen; Arnhemsche Courant van 18 januari 1940.
Bron: Delpher


 
Lopend over de Rijn in de winter van 1939-1940

Lopend over de Rijn in de winter van 1939-1940.


 
Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963

Het Lexkesveer wordt sneeuwvrij gemaakt door veerbaas Lau Spijker in de winter van 1962-1963.
Bron: © Mart Spijker (geplaatst met toestemming van de auteursrechthebbende)


 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel

Met speciale dank aan Michael van den Berg, Pieter ten Brinke, Hans Holleman en Mart Spijker voor de verleende toestemming voor het plaatsen van foto’s uit hun eigen collectie.

Bronnen: Wikipedia, Delpher, Wagenings Fotoalbum, Digibron en Oud Wageningen
 
 

 
Heel af en toe wil ik nog weleens door mijn twee poëziealbums heen bladeren. Hoe spannend was het niet om je uitgeleende ‘poesiealbum’ (de Duitse benaming) weer terug te krijgen. Was er iets moois van gemaakt of werd het hele album nu verprutst door gekras en spelfouten?! Of nog erger: helemaal schots en scheef geschreven. En dat ondanks de waarschuwing voorin het album: ‘Wie in mijn album schrijft moet zorgen dat het netjes blijft!’

Het poëziealbum kent een lange geschiedenis in de vorm van het ‘album amicorum’, het ‘vriendenboekje’, waarschijnlijk ontstaan in de zestiende eeuw aan de protestantse universiteit van Wittenberg. De studenten, op een enkele uitzondering na alleen mannen, maken veelal academische rondreizen als sluitstuk van hun opvoeding en vaak ter voorbereiding op een bestuurstaak. Zij laten hun Bijbels signeren door medestudenten en hoogleraren. Vaak gaat de handtekening vergezeld met een kort versje of een tekening.
Al snel wordt deze trend opgemerkt door drukkerijen, die Bijbels gaan drukken met meerdere blanco pagina’s voorin. Hierop volgen niet veel later de boekjes met alleen blanco pagina’s, het ‘Stammbuch’ of ‘Album Amicorum’.

 

Inscriptie van de bisschop en hofprediker Antonius Watson in het album amoricum van Meindert van Idzarda tijdens zijn verblijf in Cambridge.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
De bijdragen in het album amicorum vormen een steeds uitbundiger wordende verzameling van klassieke spreuken, gedichten in vreemde talen, handtekeningen, tekeningen en wapenschilden van vrienden, medestudenten, hoogleraren en bekende geleerden als aandenken voor de bezitter en tevens als een soort universitair curriculum vitae.
 

Uit het zestiende eeuwse album amoricum van Meindert van Idzarda door adellijke Friese medestudenten aan de universiteit van Heidelberg.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)


 
Album amoricum van Michael van Meer

Uit het zeventiende eeuwse album amoricum van Michael van Meer door Simon Stevin.
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)


 

Uit het album amoricum van Egbert Philip van Visvliet, student te Leiden in de achttiende eeuw, door Johannes Le Francq van Berkhey.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
Het gebruik wordt ook overgenomen door aristocraten, handelaren en kunstenaars, waarmee het album amicorum een statussymbool wordt; een uiting van een gerespecteerde vriendenkring en zakelijke relaties. Via Oost-Nederland komt het album amicorum naar ons land en is het in de zeventiende eeuw populair in adellijke studentenkringen.

 

Een penseeltekening van Rembrandt in het album amoricum van hofmeester Burchard Grossmann: ‘Een vroom gemoet acht eer voor goet’.
Bron: Koninklijke Bibliotheek (embedded)

 
In het midden van de negentiende eeuw verandert het uiterlijk van het album. Het wordt een soort cassette met losse blaadjes. Dit losbladig systeem is geen groot succes en men gaat weer over op een echt boekje. Tegelijkertijd verliest het de belangstelling van de ‘herenwereld’ en wordt het album amicorum opgepikt door jonge vrouwen van stand. Hun vrienden schrijven gedichtjes en spreuken in moderne talen, opgesierd met borduur-, knip- en prikwerkjes, tekeningetjes en plaatjes in de Biedermeier-sfeer. Aan het eind van de negentiende eeuw is het geworden tot wat wij nu kennen: een poëziealbum voor jonge meisjes.

 

Losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop

Het losbladig album amoricum van Jan Rudolph Krudop, student te Groningen. Zijn zus voegde een klein haarwerkje toe aan haar versje.
Bron: Wereld aan Boeken-UB RUG

 
Een poesiealbum geeft zeker voor het nageslacht een uniek kijkje in de persoonlijke relaties, de bezochte scholen en de vrijetijdsbesteding. En soms tref je zelfs voorin het album de eerste opzet van een stamboom aan!

Dit album is van mij
zolang ik hoop te leven.
…. is mijn naam
mij door de doop gegeven.
…. is de achternaam
van mijn vaders stam.
…. is de plaats
waar ik ter wereld kwam.

 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: DBNL, Wikipedia en Kunst en Cultuur
 
 

 
Het echtpaar Christophorus Knowles en Sara Louwens ken ik al jaren. Over Christophorus zijn met name via zijn beroep als predikant wel gegevens te vinden, zij het mondjesmaat. Sara en haar familie daarentegen blijven in nevelen gehuld. Tot de herontdekking van een naam in een kerkregister; ooit al eens gelezen, maar er om onverklaarbare redenen nooit iets mee gedaan: ‘… waer voor Niclaes Piquenoij als neve.’ Kijk, dat opent perspectieven. Had er een naam gestaan in de trant van Joannes Hendricksen dan waren we verder van huis geweest!

 

Huwelijk Christophorus Knowles en Sara Louwens, Groningen 6 juni 1663.
Bron: Alle Groningers

 
De naam Niclaes Piquenoij is al snel gevonden in de variant Nicolaes Eliasz Pickenoy, een bekende kunstschilder van portretten en schutterstukken. Zijn ouders zijn de beide uit Antwerpen afkomstige wapen- en zegelsnijder Elias Claesz Pickenoy en Hijltgen Pickhof, alias Heijltje Laurens ’s Jonge. Na hun trouwen in 1586 gaan ze in de Warmoesstraat achter de Oude Kerk wonen. In deze kerk, gewijd aan de heilige Nicolaas, bisschop van Myra, wordt Nicolaes dan op 10 januari 1588 gedoopt.
Nicolaes komt in de leer bij, naar men zegt, de meest succesvolle portretschilder van de oudere generatie Cornelis van der Voort. Wanneer dit zich afspeelt is niet bekend, maar het vroegst gedateerde portret van Nicolaes stamt uit 1617, zo’n vier jaar voor zijn huwelijk met de Amsterdamse Levina Bouwens, afkomstig uit een regentenfamilie. Levina is de dochter van Lieven Bouwens en Sara Gerrits van Tricht. En dat is niet het enige. Levina heeft namelijk ook een oudere zus Magdalena. En… Magdalena is getrouwd met de predikant Abelus Louwens uit Loppersum. Daar komt de naam Louwens in beeld! Dat maakt Nicolaes Eliasz Pickenoy dus de aangetrouwde oom van Sara.

 

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627)

Nicolaes Eliasz Pickenoy, zelfportret (1627).
Bron: Wikimedia (Licentie: Public Domain)

 
Nicolaes en Levina blijven na hun trouwen in de buurt van de Oude Kerk wonen op de hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Arend Jacobsz Steeg of Duifjessteeg. Hier worden acht van hun tien kinderen geboren, waaronder een zoon Nicolaes, die op 2 februari 1634 in de Oude Kerk is gedoopt. Neef Nicolaes is gevonden! Helaas is er over hem geen enkele verdere informatie te vinden. Ik besluit dan ook maar de levensloop van zijn vader verder te volgen om op die manier toch een aantal decennia uit het leven van neef Nicolaes mee te krijgen.

 

Doop Niclaes, Amsterdam 10 januari 1588, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof

Doop Niclaes, zoon van Elijas Pietersz en Hijltgen Pickhof; Amsterdam 10 januari 1588 (Oude Kerk)
Bron: Stadsarchief Amsterdam


 
Doop Nicolaes, Amsterdam 2 februari 1634 Oude Kerk NH

Doop Nicolaes, zoon van Nicolaes Elijasz en Levina Bouwens; Amsterdam, 2 februari 1634 (Oude Kerk).
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
Nicolaes is in 1629 en 1634 overman van het Amsterdamse Sint Lucasgilde van kunstenaars en kunstambachtslieden, gezeteld in de Waag. In 1637 koopt de inmiddels populaire kunstschilder het grote huis op de hoek van de Sint Antoniesbreestraat, de huidige Jodenbreestraat en de Zwanenburgwal van de beroemde kunsthandelaar, en neef van Rembrandts vrouw Saskia, Hendrick Uylenburgh. Oorspronkelijk is dit het huis en atelier van leermeester Cornelis van der Voort. Na het overlijden van Cornelis in 1624 wordt de inventaris geveild en zijn kunsthandel overgenomen door Hendrick Uylenburgh. Vanaf 1615 zal dit pand gedurende dertig jaar dan ook bekend staan als portretwinkel en schilderswerkplaats. Het huis is gelegen in het centrum van de Amsterdamse kunstmarkt; een plek waar de elite zich in die tijd graag vestigt.

Rembrandt van Rijn wordt in 1639 zijn nieuwe buurman. Hij komt naast Nicolaes wonen in het grote koopmanshuis, het huidige Rembrandthuis. De huizen van Rembrandt en Nicolaes zijn gunstig op het noorden gelegen en dus uiterst geschikt om als werkplaats voor portretten en grote schuttersstukken te dienen.
Nicolaes staat bekend om zijn trage manier van werken. Op het moment dat hij benaderd wordt voor een opdracht kan hij daar om die reden dan ook geen tijd voor vrijmaken aangezien hij nog bezig is met een schuttersstuk. De opdracht gaat vervolgens via de ‘schilderswinkel’ van Hendrick Uylenburgh naar Rembrandt en zal bekend worden als ‘De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp’ (1632)’.

 

De huizen van Rembrandt en Nicolaes

De huizen van Rembrandt en Nicolaes met op de achtergrond de Zuiderkerkstoren.
Bron: Stadsarchief Amsterdam

 
De beide buurmannen krijgen in 1639, samen met nog enkele kunstenaars, de opdracht om een groepsportret van een schutterscompagnie voor de nieuwe Grote Zaal van de Kloveniersdoelen te maken. Voor Rembrandt wordt dit ‘Officieren en andere schutters van wijk II in Amsterdam onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch’ (1642), beter bekend als de ‘Nachtwacht’ en voor Nicolaes ‘Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde’ (1642). Anders dan Rembrandt zet Nicolaes alle mannen er goed zichtbaar op. Het zijn immers zijn opdrachtgevers en hebben per persoon zo’n zestig gulden betaald.

Vanwege zijn eerder genoemde trage werkwijze wordt er tussen zijn vroegere leerling Bartholomeus van der Helst en de apotheker Pieter Harbers, die op het bewuste schuttersstuk staat afgebeeld, een weddenschap aangegaan. Volgens Bartholomeus van der Helst zal Nicolaes niet in staat zijn om het schuttersstuk op de vastgestelde datum van 28 juli 1642 af te hebben. Pieter Harbers heeft er alle vertrouwen in dat het Nicolaes wel gaat lukken. De inzet is een ‘stuck schilderij met verscheyden conterfeijtsels’ dat hij voor de apotheker zal maken. In het geval dat de schilder de weddenschap gaat verliezen, krijgt de apotheker het schilderij. Verliest de apotheker de weddenschap dan moet hij de schilder het dubbele van de eerder overeengekomen prijs voor het portret betalen. Nicolaes moet een tandje hebben bijgezet, want hij weet het schilderij voor de afgesproken datum te voltooien…

 

Officieren en andere schutters van wijk IV te Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde.

Officieren en andere schutters van wijk IV in Amsterdam onder leiding van kapitein Jan Claesz van Vlooswijck en luitenant Gerrit Hudde door Nicolaes Eliasz. Pickenoy.
De kapitein en de luitenant zijn gezeten, om hen heen staan de schutters, in het midden de vaandrig. Vermoedelijk bevinden zij zich voor de brouwerij ‘De Zwaan’. De schutters zijn: Jan Witsen, Hillebrant Bentes, Andries Dircksen van Saane, Jan Bentes, Willem Simonsz Moons, Jan Huybertsen Codde, Roelof Roelofsen de Lange, IJsbrant van de Wouwer, Johannes Looten, Ulrich Petersen, Jacob Bleyenberch, Pieter Harpertsen, Pieter Tonneman, Evert Huibertsen Krieck, Hendrik Jansen van As en Nicolaes Kuysten. De schutters zijn bewapend met pieken, hellebaarden, lansen en geweren.
Bron: Rijksmuseum (Licentie: Publiek Domein)

 
De beide schuttersstukken hebben een behoorlijk forse afmeting. Het vermoeden bestaat dat Rembrandt zijn ‘Nachtwacht’ buiten onder een afdak op zijn binnenplaats heeft geschilderd. Na voltooiing is het schilderij in opgerolde staat via een vrije uitgang onder het huis van buurman Nicolaes tot de Zwanenburgwal naar buiten gebracht. Waarschijnlijk heeft Nicolaes zijn schuttersstuk in zijn eigen werkplaats vervaardigd. Deze werkplaats zal dus hoger en groter zijn geweest dan die van Rembrandt.

Nicolaes verkoopt uiteindelijk het hoekhuis in 1645 voor negenduizend gulden. Twee jaar later wordt bij het huwelijk van zijn dochter vermeld dat hij woonachtig is op de Singel. Wanneer hij is overleden is niet bekend, maar in oktober 1656 wordt zijn vrouw Levina als zijn weduwe vermeld in een akte. Levina wordt op 29 november 1662 op het Amsterdamse Karthuizer Kerkhof begraven.

De familieband tussen de beide Amsterdamse en Groningse families moet goed zijn geweest, aangezien neef Nicolaes de moeite heeft genomen om zijn nicht Sara bij te staan. Zeker voor die tijd zal de reis een hele onderneming zijn geweest. En dankzij zijn naam heb ik nu, ruim driehonderdvijftig jaar later, aansluiting gekregen op nog eens tweehonderd jaar Groningse familiegeschiedenis. Hij moest eens weten!
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Scriptio, Rembrandthuis, Carleton, Wikipedia, Library UU en Wikipedia
 
 

 
Echt verzamelen doe ik het niet, maar kom ik eens iets tegen wat met Sunlight zeep te maken heeft, een stukje zeep of een vintage reclamebordje, dan is mijn interesse toch wel gewekt. En is de prijs ernaar dan neem ik het dankbaar mee.

Het bruine stuk zeep op de foto heeft mijn oma, samen met nog wat stukken, net na de Bevrijding van de Canadezen gekregen. Zeep was in de oorlog op de bon, dus was het heerlijk om weer genoeg zeep te hebben om lekker mee te kunnen wassen. Ze gebruikte daarvoor nog ouderwets de teil en het wasbord. Een sopje werd gemaakt van ‘geraspte’ zeep. Een zeepklopper heb ik haar nooit zien gebruiken, maar haar kennende vond ze dat waarschijnlijk een overbodige luxe.

‘Voor het geval dat’ hamsterde ze tot op late leeftijd nog altijd zeep en toiletpapier. Dat hing ze zeker niet aan de grote klok, want hamsteren was, en is overigens nog altijd, bij wet verboden. En als ik als kind zijnde niet aan mijn ouders had gevraagd waarom opa en oma zoveel van die spullen op zolder hadden liggen was ik hoogstwaarschijnlijk van het bestaan nooit op de hoogte geweest. Later tijdens de oliecrisis kwamen er ook nog eens vuilniszakken en panty’s bij. Iets waar mijn moeder ook gretig aan mee deed. Je wist immers maar nooit…

 

Sunlight zeep

Sunlight zeep.
Bron: © Uit de oude Koektrommel


 
Reclame van Lever's Zeep Maatschappij Vlaardingen

Reclame van Lever’s Zeep Maatschappij Vlaardingen.
Bron: Reclame oude krant.

 
Sunlight zeep werd vanaf 1884 gemaakt door het Engelse Lever Brothers en werd zowel gebruikt voor het wassen van kleren als voor algemeen gebruik in het huishouden. Het doel van William Lever was om een goede huishoudzeep te ontwikkelen, te verpakken, het een populaire naam te geven en het te verkopen tegen een redelijke prijs. Zeep werd daardoor steeds meer een gemeengoed.
De gebruikte zeepformule werd uitgevonden door de chemicus William Hough Watson, die de nieuwe zeep ontwikkelde met behulp van glycerine en plantaardige oliën. Doordat het product kopra of pijnboompittenolie bevatte, schuimde het beter dan de conventionele, van dierlijke vetten gemaakte zeepsoorten.

Nadat Lever Brothers in 1907 te Schiedam een verkoopkantoor had geopend om de Sunlight zeep, in de volksmond ‘Sun-licht’, op de Nederlandse markt te brengen, was het de bedoeling van het bedrijf om ook een eigen fabriek in Nederland te vestigen. Daarvoor werd in 1909 een stuk grond in Vlaardingen gekocht. Het zou echter tot 1917 duren voordat de eerste productie plaatsvond. Een intensieve reclamecampagne moest de zeep aan de man, of liever gezegd aan de vrouw brengen. In 1930 ging Lever Brothers met Margarine Unie samen en vormde Unilever.

In de Tweede Wereldoorlog was Sunlight zeep verkrijgbaar op de bon. In het begin ook nog in de bekende kleurrijke verpakking, maar naarmate de schaarste toenam in de witte oorlogsverpakking. Na 1946 heeft Sunlight het lettertype op de verpakking veranderd naar een meer bol lettertype. De vooroorlogse verpakking en de verpakking van na de oorlog zijn dus door het lettertype te herkennen.

Al die jaren zijn de gebruikte en ongebruikte zeepjes zorgvuldig door mijn oma bewaard tot ze aan mij, haar oudste kleinkind, zijn doorgegeven voor het ‘nageslacht’. Daar stelde zij veel belang in en ze wist dat ik dat met zekerheid ook zou doen. Samen met nog wat memorabilia pronken ze alweer jaren in mijn vitrinekast. De reële waarde is natuurlijk geheel te verwaarlozen, maar de herinnering en de verhalen maken het onbetaalbaar…
 
 
Tekst: Uit de oude Koektrommel
Bronnen: Poetsacademy, WO2Verzameling en Wikipedia (Levers Zeepmaatschappij).